1 December
De heilige Eligius (659).
Bisschop van Noyon.
De heilige Audaenus, bisschop van Rouaan, de bijzondere vriend van de heilige, wiens leven wij hier verkort mededelen, heeft die geschiedenis dertien jaren na de dood van de heilige Eligius beschreven en aan Cheodobertus of Robertus, bisschop van Parijs, opgedragen. Surius heeft volgens zijne gewoonte, de onderscheidene akten bearbeid en er ene geschiedenis uit getrokken, die alle blijken van echtheid niet bezit. Dom Lucas d’ Achery, na het oorspronkelijke teruggevonden te hebben, heeft het in het jaar 1661 in het vijfde deel van zijne verzamelingen uitgegeven; de andere schrijvers zijn hem gevolgd en wij zullen de leiding van die schrijvers volgen.
De heilige Eligius, zoon van Eucherius en Terrigia, beide van Romeinse afkomst, is één der schoonste sieraden der kerk van Frankrijk en werd omtrent het jaar 588 te Chatelac, twee uren van Limoges geboren; zijne ouders waren aanzienlijke en zeer Godvrezende mensen. Men gaf het kind in het heilig doopsel de naam van Eligius, om daardoor te doen opmerken, dat men het beschouwde als van God verkozen en tot grote heiligheid geroepen. Deze mening was gegrond op de voorspelling van een deugdzaam priester, bij gelegenheid van de zwangere staat van Terrigia; zij verhaalde hem ene droom, die zij gehad had, waarin zij zich verbeeldde een arend gezien te hebben, die rondom hare legerstede vloog en zich driemaal op haar scheen te willen neerstorten, als of het dier haar iets had willen voorspellen. De ouders van Eligius, door deze hoop gevleid en door het besef van hunne verplichtingen getroffen, zorgden hunnen zoon van zijne tederste jaren af ene Christelijke opvoeding te geven, deden hem derhalve in de grondbeginselen van de Godsdienst onderwijzen en vormden hem van zijne eerste jeugd, door hunne eigene voorbeelden, tot ware Godsvrucht en deugd. Zijn vader zag weldra, dat oplettendheid hem scheen aangeboren te zijn en dat hij reeds vroegtijdig veel behendigheid in de handwerken toonde te bezitten; hij besteedde hem bij een zekere Abbo, goudsmid te Limoges, een man die om zijn braafheid overal geacht werd, in zijn werk de grootste bekwaamheid aan de dag legde en tevens muntmeester was. Abbo zag in de jeugdige Eligius de schoonste aanleg en gemakkelijkheid in de arbeid, zodat hij niet veel tijd behoefde om hem de geheimen van zijne kunst te doen vatten. Deze begaafdheden, die verenigd waren met zeer vele goede hoedanigheden en reine deugd, deden hem weldra de achting en genegenheid waardig worden van allen, die hem leerden kennen. Want behalve zijn uitmuntend verstand en de scherpe geest, die hij liet blijken, bezat hij een oprecht hart, grote eenvoudigheid, welke door wijze voorzichtigheid ondersteund en geleid werd en een innemend en zacht voorkomen. Hij sprak zeer goed en vervulde met de meeste nauwkeurigheid zijne burgerlijke verplichtingen, zonder in het minste aan die plichten te ontbreken, welke God en Godsdienst van hem vorderden. Hij was bij alle kerkelijke diensten en Godsdienstig onderwijs tegenwoordig, opende vooral zijne oren wanneer hij de Heilige Schriften en de verklaringen derzelve door Gods dienaren hoorde voordragen, en niet tevreden met deze in zijn geheugen te prenten, overwoog hij de Goddelijke waarheden in zijne eenzaamheid en trachtte deze vervolgens in oefening te brengen, ten einde zich zelven meer en meer te volmaken. Tot op zijn dertigste jaar bleef hij in zijn vaderland, maar verliet het omtrent het jaar 620, door ene bijzondere beschikking der Goddelijke Voorzienigheid, welke hem tot verhevener bestemming geroepen had. Eligius begaf zich naar Frankrijk, trouwens het heette destijds zich naar Frankrijk begeven, wanneer men uit Aquitanie over de Loire toog, ofschoon schier gans Aquitanie zowel als de koninkrijken Bourgondie en Austrasie onder de Franse monarchie behoorden.
Eligius woonde te Parijs en leerde daar een zekere Robbo of Cobbo, schatmeester des konings, kennen, die hem aan de munt plaatste en andere kunstwerken toevertrouwde. Na menige proef van zijne bekwaamheid afgelegd te hebben, bood zich voor hem ene gunstige gelegenheid aan, welke hem in aanzien en achting bij Clotarius II deed stijgen. De vorst had het denkbeeld opgevat om ene nieuwe kostbare zetel van goud en edelgesteenten te doen vervaardigen. De kunstenaars die zich daarvoor aanboden, konden het schone denkbeeld des konings niet vatten. De schatmeester, getroffen over de moeilijkheid, waarin de koning verkeerde, wilde Eligius eens onderzoeken; zijn antwoord bij de eenvoudige voorstellen, welke men hem deed, deed de hoveling oordelen, dat het doel en denkbeeld des konings niet boven het bereik van zijnen zoekenden en reeds geoefende geest was, hij sprak met de koning en verklaarde, dat hij meende de man die men zocht in Eligius gevonden te hebben. Op het woord van zijnen staatsdienaar liet de koning uit zijnen schatkamer ene hoeveelheid goud en edelgesteenten nemen, welke men Eligius ter hand stelde, die aanstonds volgens de tekening, welke van het kostbare stuk gemaakt was, aan het werk ging. Hij vervaardigde van het goud twee zetels van gelijke grootte en zijn kunstvlijt ging verre het denkbeeld te boven, hetwelk de koning hem opgegeven had. Eligius bood de vorst eerst de ene zetel aan, en deze stond verbaasd over de nijverheid van de bewerker en bewonderde de schoonheid en kunst, welke in het ganse werk doorstraalde; hij wilde hem reeds de blijken van zijne hoge tevredenheid betuigen en hem met het ambt van muntmeester begiftigen, doch stond gans verslagen, toen Eligius hem ene tweede aan de eerste volkomen gelijke zetel aanbood; niemand had zich van die buitengewone verrassing enige gedachte kunnen vormen; Eligius verontschuldigde zich met te zeggen: “dat daar hem belast was de voorgeschrevene grootte en zwaarte niet te overschrijden, hij de vrijheid had genomen een tweede zetel te vervaardigen, in alles gelijk aan de eerste, om niets van de stoffen, die hem ter hand gesteld waren, te veronachtzamen.” Clotaris kon nauwelijks geloven, dat hetgene men de kunstenaar had verstrekt toereikend zou geweest zijn voor het ene werk en men moest zich door het gewicht van de waarheid overtuigen. Men zag nu, dat de goudsmid verre verwijderd was van de kwade trouw van vele kunstbewerkers, die om hunne dieverij te bedekken of te bemantelen, gewoonlijk voorgaven, dat het vuur een gedeelte, de vijl en het polijsten een andere gedeelte van het metaal verteerde of vernietigde; het ganse werk was te kostbaarder, wijl kunst, spaarzaamheid en buitengewone eerlijkheid daarin doorstraalden. Na dus alles nauwkeurig bezichtigd en overwogen te hebben, meende de vorst deze getrouwheid te moeten belonen, met Eligius zijn vertrouwen te schenken en hem het ambt van muntmeester op te dragen; en men ziet zijnen naam op de gouden muntstukken, die te Parijs onder Dagobert I en Clovis II vervaardigd werden.
De verdiensten van de heilige Eligius werden meer en meer verhoogd; de koning, die hem zowel om zijne braafheid als bekwaamheid hoogachtte, hield hem bij zich; hij wilde, dat hij aan het hof zijnen arbeid voortzette en Eligius trok niet minder de belangstelling der groten tot zich. Meermalen ging de vorst in persoon zijnen arbeid bezichtigen en hoe meer hij hem lof toezwaaide, hoe meer men de kunstvlijt, belangloosheid en zedigheid van Eligius bewonderde; doch wat allen het meeste trof was zijne innige Godsvrucht, welke door een levendig geloof aan alle waarheden van de Godsdienst ondersteund en van nauwgezetheid van geweten vergezeld was, zodat alles samenwerkte, om in hem die onschuld van zeden en die onschendbare oprechtheid, welke in al zijne gedragingen uitblonk, te waarborgen. Clotarius zich bij een zekere gelegenheid op zijn lustslot van Ruel, twee mijlen van Parijs, bevindende, ontbood Eligius bij zich en wilde hem geheel aan zich verbinden; hij vorderde, dat hij met de hand op de overblijfselen der heiligen gelegd, zou zweren steeds bij hem te blijven. Eligius beloofde de koning altijd getrouw te zullen blijven, doch oordeelde het onnodig zich door eed te verbinden en kon niet besluiten om te zweren; hij herinnerde zich dat Jezus Christus zijne leerlingen de eed ontraden had. Hoe meer de koning aandrong, hoe meer hij zich met zijne gewone ootmoedigheid bleef verontschuldigen, totdat de vrees van God te beledigen met aam de koning te gehoorzamen, of de koning te beledigen met aan God te gehoorzamen, hem overvloedige tranen deed storten, die de tederheid van zijn hart, maar insgelijks de standvastigheid van zijne ziel kenmerkten. De koning werd zo getroffen, dat hij hem niet langer lastig viel; hij verklaarde hem integendeel op ene innemende en verplichtende wijze, dat deze tegenkanting hem meer van zijne getrouwheid jegens hem verzekerde dan alle leden van de wereld. De jeugdige Dado, meer bekend onder de naam van de heilige Audaenus, die toen slechts twaalf of dertien jaren bereikt had, was getuige van deze gebeurtenis. Audaenus zocht zich aan Eligius te verbinden en koos hem tot leidsman zijner jeugd; deze zo zuivere en heilige vriendschap tussen twee mensen, ofschoon zo ongelijk in jaren, geknoopt, was aan het hof van Frankrijk tot een stichtend voorbeeld en verstrekte de Kerk tot groot voordeel.
De heilige Eligius vrezende dat de weelde, aan welke men aan de hoven der koningen blootgesteld is, zijn hart zou kunnen doen afwijken, begon een meer bespiegelend en gestreng leven te leiden. Hij onderzocht met de grootste angstvalligheid zijn geweten, wijl hij vreesde dat hem wellicht enige fout van zijne jongelingsjaren mocht ontglipt zijn en legde aan de voeten van een deugdzaam en heilig priester ene algemene belijdenis van zijne zonden af, leidde vervolgens een streng boetvaardig leven en begon meer en meer zijne begeerlijkheden met de geestelijke wapenen te bestrijden, bracht zijne hartstochten en bedorvene neigingen door gestadige arbeid, vasten en waken onder bedwang en onthield zich van de bedrieglijke vermaken der wereld. Hij trachtte de zuiverheid van lichaam en ziel, van welke hij reeds eenvoudige gelofte afgelegd had, door de gestadige vrees voor de oordelen Gods te waarborgen, want hij wist dat de Heer zowel van de mens, welke staat hij ook omhelsd heeft, reinheid vordert als van de engelen. Eligius overwoog dagelijks de straffen der hel en de beschouwing van dat onuitblusbaar vuur, hetwelk de zondaar in alle eeuwigheid pijnigt, doofde in hem de onzuivere brand der begeerlijkheid des vlezes; het grootste gedeelte van de nacht bracht hij in het gebed door en dan zag men hem aan de voet van het kruis in tranen, wijl hij vreesde de liefdevolle God niet getrouw genoeg te dienen en te beminnen. Hij smeekte zonder ophouden om barmhartigheid en stelde alle pogingen in het werk om genade van de Heer en het licht van de Heilige Geest te verwerven; hij meende de grootste zondaar te zijn en vreesde, dat hij, ofschoon hij niets anders verlangde als voor God te leven, zich bedroog in zijne denkbeelden omtrent de staat van zijn geweten. Deze ongerustheid, welke hem te midden van de strengste boetoefeningen bleef kwellen, spoorde hem aan om van de God van alle vertroosting met de grootste aandrang en met een hart vol geloof te verzoeken hem te doen kennen, of zijne boetoefeningen Hem aangenaam waren en of hij zijne liefde bezat. Eligius had in zijne kamer ene relikwiekas geplaatst; voor deze was hij gewoon, gedurende de nacht voorover gebogen zijne gebeden tot God op te zenden. Op zekere nacht gevoelde hij zich buitengewoon door zijne angsten gekweld, hij lag op een boetekleed op zijn aangezicht uitgestrekt en werd in die houding door de slaap overvallen; in deze rust, die slechts enige ogenblikken duurde, scheen het hem als of hij ene stem hoorde, die hem verzekerde, dat zijne bede door de Heer verhoord was. Eligius ontwaakte en bespeurde in zijne kamer ene liefelijke en aangename geur, die ontstond door een soort van vocht, hetwelk bij druppelen uit de relikwiekas op zijn hoofd afviel. De heilige gevoelde bovendien ene inwendige zielskalmte, gelijk hij nooit ontwaard had en het scheen hem, als of hij in Gods koninkrijk verplaatst was. Hij oordeelde terecht, dat God hem met zijne genade begunstigde en dankte in verrukking zijns harten de Goddelijke barmhartigheid, welke degenen, die op haar zijn vertrouwen stelt, nooit verlaat. De heilige Audaenus verklaart, dat dit het eerste zichtbare wonderwerk was, hetwelk God in het belang van Eligius door de overblijfselen van zijne dienaren wrochtte en dat de heilige, om aan de vriendschapsplicht niet te ontbreken, hem die gebeurtenis vertrouwelijk mededeelde, onder beding echter van er gedurende zijn leven niet van te spreken. Audeanus legde zich van dit ogenblik meer en meer er op toe, om zijne voorzichtigheid, zoals later zijne verdere deugden na te volgen. De gelukzalige Ado, oudste broeder van Audaenus, hechtte zich insgelijks aan Eligius en beide broeders beschouwden en vereerden hem als hunnen leermeester en bestuurder op de weg des heils, ofschoon de heilige slechts leek was.
Eligius kreeg meer en meer het vertrouwen en de gunst van zijnen koning, doch deze vorst stierf in het jaar 628. Dagobert, die reeds zes jaren in Austrasie heerste, volgde zijnen vader op de troon en erfde met de kroon de genegenheid, welke Clotarius de heilige toedroeg. De nieuwe koning schonk hem dan ook hetzelfde vertrouwen zelfs zo, dat hij meermalen het gezelschap der hovelingen, rijksgroten en prelaten verliet, om met Eligius in afzondering over zijn levensgedrag te raadplegen. De heilige trachtte de vorst gevoelens van Godsvrucht, rechtvaardigheid en goedertierenheid in te boezemen, en met houdt het er voor, dat hij meer dan iemand Dagobert van de ongeregeldheden, in welke hij tot nu toe voortgeleefd had, terugbracht, ofschoon die vorst menigmaal de berispingen der bisschoppen euvel had opgenomen; de koning nam de terechtwijzingen van Eligius ten goede op, overtuigd zijnde, dat hij geen getrouwer onderdaan bezat. Deze welwillendheid en goede gunsten van de koning verwekten aan Eligius afgunstigen, doch zij waren niet in staat het geringste mistrouwen tegen hem op te wekken. Zij, die geen reine zeden hadden en zijne deugden weigerden te volgen, stelden alle middelen in het werk om hem te lasteren en door lage oorblazerij zijne eer te bekladden, doch al hun pogen vermocht niets tegen de deugden en goede hoedanigheden, welke zij aanvielen. Zij hielpen elkander in de grond en waren tegen wil en dank werktuigen, die aan zijne onschuld en verdiensten nieuwe luister bijzetten; daarbij waren al de listen zijner vijanden hem voordelig, want zij onderhielden bij hem de deugd der nederigheid; hij leerde de zo verdienstvolle zelfverloochening van Jezus volgen, door zijne vijanden, ofschoon zij hem kwaad wilden doen, een hart vol liefde toe te dragen.
Eligius verwierf onder koning Dagobert, als goudsmid, nog grotere roem dan onder Clotarius. Van de zijde des vorsten werd hem, wanneer hij iets te vervaardigen had, zoveel goud, zilver en edelgesteenten ter hand gesteld als hij maar begeerde, zonder dat men hem rekenschap van het verbruikte vroeg; men was trouwens te zeer van zijne oprechtheid verzekerd en behalve enige kunststukken voor ’s konings huis, smaakte Eligius geen groter genoegen dan om voor eigen rekening, voor de altaren des Heren en der heiligen te arbeiden. Hoe meer belangloosheid hij voor eigen fortuin aan de dag legde, zoveel te meer genoegen smaakte de koning om zijnen getrouwe dienaar met weldaden te overladen, en evenwel was Eligius nooit rijk; al zijn vermogen bracht hij aan de armen ten offer, hij kocht de slaven en gevangenen vrij of stichtte Godvruchtige inrichtingen.
Eén der eerste gestichten, welke hij tot stand bracht, was de beroemde abdij van Solognac, thans Solignac geheten, op een stuk grond, hetwelk koning Dagobert hem geschonken had en dat twee uren ten zuiden van Limoges lag. Eligius begiftigde die stichting rijkelijk en stelde haar onder de regel van de heilige Colombanus, dat is van de abdij van Luxeuil; de tucht, die in deze nieuwe stichting heerste, deed het klooster weldra tot voorbeeld worden voor geheel Frankrijk, wijl uit die abdij onderscheidene andere kloosters gesticht werden. De vorst had hem in Parijs een schoon gebouw geschonken, in hetwelk hij een nonnenklooster stichtte ter ere van de heilige Martialis, apostel van zijn vaderland. Omtrent driehonderd religieuzen, die de regel van de heilige Columbianus volgden, beijverden zich onder de leiding van de heilige Aurea, de weg der volmaaktheid te volgen. Eligius droeg zeer veel tot onderhoud van het gesticht bij en voorzag als een teder vader met de meeste zorg in al wat tot instandhouding van het klooster gevorderd werd. Slechts nog een klein stuk grond, dat tot de eigendommen van de kroon behoorde, waarover de koning beschikken kon, was noodzakelijk voor de stichting; hij liet het plan van het gebouw, dat die grond moest beslaan, ontwerpen en verzocht de vorst om een zeker getal voeten gronds, wat de goedwillige koning hem aanstonds toestond; later ontdekte hij, dat er ene misrekening had plaats gegrepen in het opnemen van de juiste maat en dat er een voet gronds (waarschijnlijk in het vierkant) meer bebouwd was dan hij verklaard had nodig te zijn; de heilige was zeer getroffen; hij liet het werk staken, begaf zich naar het paleis om vergiffenis wegens de schending van ’s konings eigendom te vragen, viel op zijne knieën als had hij ene grote misdaad gepleegd en toonde zich bereid om des gevorderd deze met verbeurte van zijn leven te boeten. De koning stond verslagen over deze tederheid van geweten en zei aan zijne rijksgroten en anderen die tegenwoordig waren: “Ziet eens hoever de getrouwheid van hen, die aan Jezus Christus toebehoren, zich uitstrekt; mijne landvoogden en beambten zien en gene zwarigheid in, om mij zelfs ganse heerlijkheden te ontnemen en deze dienaar Gods heeft geen duim grond, boven hetgene hem geschonken was, zich durven toe-eigenen.” De koning wilde aanstonds deze uitmuntende oprechtheid van hart belonen en verdubbelde de schenking, welke hij gedaan had. Behalve dit klooster, hetwelk later aan de Barnabiten tot verblijf diende, deed Eligius voor zijne rekening buiten de stad ene kerk bouwen, die tot begraafplaats der religieuzen strekte, want het was de gewoonte nog niet om in de steden te begraven. Deze kerk werd aan de bescherming van de heilige Paulus toegeheiligd en diende later tot ene der merkwaardigste parochiekerken der stad; hij herbouwde of herstelde insgelijks de kerk van de heilige Martialis, en liet bij de inwijding derzelve de relikwieën van de heilige, die hij van Limoges verkregen had, naar derwaarts overbrengen. De heilige Audaenus verzekert, dat toen deze te Parijs kwamen, de heilige Eligius ze met opzet en uit levendig geloof voorbij het gevangenhuis liet dragen, dat de deuren vanzelf open sprongen en dat aan zeven gevangenen de ketenen van de handen vielen.
Eligius betoonde zeer veel genegenheid voor het kloosterleven en ofschoon hij zich van God, die hem tot ene andere staat bestemd had, hiertoe niet geroepen gevoelde, trachtte hij nochtans zijne vrouwelijke en mannelijke dienstboden daartoe aan te sporen, zowel als diegenen, welke hij van de slavernij en gevangenis vrijgekocht of verlost had, en al degenen, die hij uit liefde, hetzij in de gasthuizen, kloosters of bijzondere huizen onderhield, want hij was in de volste zin des woords, voor zover men het op de mens toepasselijk kan maken, een vader der armen, wezen en aller behoeftigen. Zijn huis was gewoonlijk het toevluchtsoord der vreemde kloosterlingen, men beschouwde het als het algemene gasthuis der stad en alles wat hij bezat, kon men rekenen dat het erfgoed der armen was. Wanneer vreemdelingen naar zijne woning zochten, zei men gewoonlijk: “Begeef u in de straat en in het huis, voor hetwelk gij ene verzameling van armen en noodlijdenden zult aantreffen, daar woont Eligius.” Hem volgde steeds ene grote menigte behoeftigen, onder welke hij voedsel en geld uitreikte, of hij liet zulks door zijne dienstknechten verrichten. Zijne liefde schitterde vooral in het loskopen van gevangenen, van welke natie of landstreek zij ook waren. Zodra ontdekte hij niet dat er op de grenzen of zeestranden van het koninkrijk mensen tot slaven verkocht werden, of hij zond dadelijk zijne dienstknechten om hen te kopen; dan schonk hij hun de vrijheid, deed hen in de Godsdienst onderwijzen en verschafte hun de gelegenheid om één of ander handwerk te leren, om aldus in hun bestaan te voorzien. Hun getal was dikwijls zo groot, vooral uit de ongelovige Saksen, dat al zijn geld niet genoegzaam was; dan verkocht hij zijne losse goederen, zelfs zijne klederen veel liever als hem in handen van goddeloze meesters te laten. Had Eligius hen vrijgekocht, dan verkreeg hij van de koning vrijheidsbrieven en liet hun de keuze om naar hun vaderland terug te keren, of zich in het rijk te vestigen. Sommigen, die de gevaren der wereld wensten te ontvluchten, begaven zich in de kloosters, aderen hield hij bij zich als dienstboden of arbeiders op zijne uitgestrekte goederen, en al zijne onderhorigen leefden in zijn huis als ware het een geestelijk gesticht. Met grote nauwgezetheid werden de uren verdeeld, hetzij met het bidden van het kerkelijke officie of onder andere bezigheden, volgens de loop van de dag. Voorwaar zijn huis was ene kweekschool van heiligen en menig deugdzaam priester of klooster abt werd er gevormd. Wij willen ons slechts vergenoegen met een gering getal op te noemen van die vrijgekochten, wier namen in Godsdienstig aandenken blijven zal; één hunner, Bouchin geheten, werd abt van Ferrières in Gatinais, departement Loiret, een ander Tillo, ook Tilmannus, priester, apostel in Vlaanderen, religieus te Solignac in Limousin. Deze Tillo stierf in vierennegentigjarige ouderdom, hij werd onder het getal der heiligen gesteld en zijn feestdag wordt op 7 Januari gevierd. Tituan, een Suever, zijn kamerdienaar, verkreeg later de kroon der martelaren. Andreas, Martinus en Joannes namen het geestelijk kleed aan. De heilige Eligius, nadat hij Tilmannus te Solignac had doen onderwijzen, nam hem bij zich en liet hem onder zijn opzicht in zijne goudsmederij arbeiden, welke kunstarbeid hij steeds bleef vervolgen, tot hij later bisschop werd en toen nog vervaardigde hij voor de lichamen en overblijfselen der heiligen kostbare kisten, onder anderen voor de heilige Quintinus van Vermandois, de heilige Piat van Doornik, de heilige Lucianus van Beauvais, de heilige Crispinus en heilige Crispinianus van Soissons en andere heiligen, wier aandenken de Kerk Godsdienstig vereert, ofschoon men hunne overblijfselen niet kon opsporen. Voor dat de heilige Eligius de bisschoppelijke waardigheid bekleedde, had hij reeds onderscheidene kostbare en zeer uitvoerige bewerkte relikwiekasten van goud en edelgesteenten vervaardigd. Onder anderen muntten vooral uit de graven van de heilige Martinus van Tours, van de heilige Dionysius en van de heilige Germanus van Parijs, van de heilige Severianus, de heilige Genoveva, de heilige Columba en anderen.
Ofschoon nog leek en aan het hof verkerende, leefde Eligius als een heilige; men beschouwde hem niet slechts als een voorbeeld van het geestelijke en religieuze leven, maar de menigte vereerde hem als een leermeester, van wie men de onderrichtingen moest aannemen als van een orakel door de Heer uitgekozen, om zijnen wil kenbaar te maken. Hij droeg wel is waar het geestelijke kleed niet, maar de geest der kloosterlingen had zijnen zetel in zijn hart gevestigd. Hij had ene voordelige en schone lichaamsgestalte, was welgemaakt van ledematen en had een deftig en achtbaar voorkomen; hij droeg lange haren, welke van natuur krulden; in de eerste jaren droeg hij, volgens de gewoonte van het hof, zijden klederen, die met goud en edelgesteenten gestikt waren, doch onder dezelve een hard boetekleed en een koord om de lendenen, terwijl hij door de strengste boetoefeningen zijn uitwendig zo versierde lichaam tuchtigde; toen Eligius later in het geestelijke leven vorderde en hij in de geest des konings en der hovelingen genoeg in aanzien gevorderd was, dat hij geen tegenspraak wegens zijne gedragingen meer te vrezen had, ontdeed hij zich van al het overtollige en hoewel nog in de wereld levende, verkocht hij al zijne kostbaarheden en zijn huisraad ten voordele der armen, verscheen vervolgens in eenvoudige maar nette kleding aan het hof, hetwelk zijn voorbeeld van ene gunstige zijde beschouwde, zodat de glans van zijne wezenlijke verdiensten nog hoger steeg; zijn roem en goede naam was zo gevestigd en verbreid, dat de gezanten, welke van vreemde hoven aan koning Dagobert gezonden werden, hem hunne opwachting maakten en zijnen raad inwonnen, om op ene gunstige wijze bij de vorst ten gehoor te worden toegelaten. Hij zelf vertrok als gezant naar de heilige Judiceal, broeder van de heilige Judocus, de zoon van Judical of Juthael, graaf van een gedeelte van klein Brittanje; Judiceal had zich boven zijne waardigheid van graaf verheven en de titel van koning aangenomen, terwijl hij het graafschap als souverein regeerde; de naburige vorsten hadden hem gedurende enige jaren dat gezag in zijne kleine staten ongehinderd laten voeren, totdat eindelijk de gedragingen der Brittanjers hen dwongen, om zich naar het hof van koning Dagobert te begeven, om die vorst, wiens gramschap zij vreesden, te bevredigen. Eligius werd door de koning van Frankrijk naar Brittanje gezonden, om de onrust te doen eindigen en een verdrag voor te stellen; de heilige wist Judiceal te bewegen om met hem naar de koning te vertrekken en hij zelf stelde die vorst aan Dagobert voor, terwijl hij zich te Glochy-la-Garenne bij Parijs ophield. Hij huldigde de koning en stelde zich en zijne staten als leenplichtig aan deze vorst, verontschuldigde zich uit nederigheid van bij Dagobert te spijzen en begaf zich ter maaltijd bij de kanselier Dado, die niemand anders als Andaenus was en keerde naar Brittanje terug, terwijl hij op de vriendschap van koning Dagobert kon staat maken; doch in plaats van zijne kroon te hernemen, liet hij zich de haren afsnijden en het voornemen, dat hij reeds gemaakt had, om alles te verlaten en Jezus Christus te volgen, werd bij hem ondersteund door de raad van een zekere Godvruchtige priester, Caroth geheten. Judiceal nam het kloosterkleed aan en zonderde zich af in het klooster van de heilige Joannes van Gaal; hier gaf hem de heilige Mevennus, gewoonlijk Sint Meen geheten, het ordekleed; deze abdij werd later Sint Meen de Ghé geheten, omdat de heilige Mevennus dezelve gesticht had. Judiceal leefde hier omtrent vijfentwintig jaren zo heilig, dat de Kerk hem na zijnen dood, die omtrent het jaar 660 voorviel, onder het getal der heiligen plaatste. De heilige Jodocus, die insgelijks de wereld verlaten had, stierf omtrent het jaar 668. God verheerlijkte zijn graf door mirakelen en de Kerk vereert hem als een heilige.
Door de goede uitslag van deze moeilijke onderhandeling deed de heilige Eligius zich kennen als één tot grote zaken zeer geschikt man, doch die eer, welke hij zich terecht mocht toekennen, strekte alleen om zich in de ootmoed te oefenen; deze deugd deed hem de omgang met de geringen en armen boven die der rijken en machtigen verkiezen, niet uit kleingeestigheid, maar uit liefde, welke hem aanspoorde om de van de wereld verstotenen te helpen. Nooit was hij buiten zijn huis, of hij was van armen omgeven, als een bijenkorf van de bijen, zegt de heilige Audaenus; hij zorgde daarom altijd ruim voorzien te zijn van middelen, om niemand ontevreden weg te zenden; zijne matigheid was één der redenen, dat hij overvloedige aalmoezen kon uitreiken, want behalve zijne gewone vaste, welke hij meermalen twee of drie dagen onderhield, at hij weinig bij zijnen maaltijd en veeltijds bestond zijn voedsel slechts uit brood en water. Hij zond, in navolging van de koning van het Evangelie, zijne dienstknechten dikwijls uit, om op de wegen en straten der stad, zelfs in de naburige dorpen, de gebrekkigen, blinden en lammen op te sporen, om ze in zijn huis te voeden. O hoe schoon was het, Eligius onder deze mensen te zien, die hun voordiende als ware hij hun knecht; dikwijls wachtte hij tot dat de armen gespijzigd waren, voor hij zelf iets nuttigde en dan hield hij zich met het overschot tevreden. Het gebeurde nu en dan, dat wanneer de armen reeds in zijn huis waren, zijne dienstknechten hem kwamen boodschappen dat er noch brood, noch geld voorhanden was, omdat men des morgens reeds alles uitgereikt had. Eligius toonde aan degenen, die er over morden of hem bespotten, dat de Goddelijke Voorzienigheid nooit degene verlaat, die op haar zijn vertrouwen stelt; hij betoogde zulks uit onderscheidene voorbeelden uit de Heilige Schrift en uit de geschiedenis der heiligen, en middelerwijl bij hen onderhield, zag men altijd enige voorraad aanbrengen, hetzij vanwege de koning of van andere rijke heren, vooral van zijnen hartelijke vriend Audaenus, die destijds kanselier was, want men had zich ene gewoonte gemaakt om in zijne behoeften te voorzien en Godvruchtige mensen stelden er ene eer in, Eligius tot hunnen aalmoezenier te hebben. De koning, die, vooral in zijne laatste levensjaren, zich op het beoefenen van werken van liefde toelegde, had het grootste genoegen om in datgene weer te voorzien, waarvan de heilige Eligius zich beroofde om de armen te hulp te komen; overtuigd van de goedgunstigheid des vorsten, liet hij zich weinig aan de spotlust der hovelingen gelegen liggen; hij was schier altijd in grof laken gekleed en men zag op zijne kamer, in het paleis naast die van de heilige Audaenus, gene andere meubelen als enige boeken en daarboven ene relikwiekas. Zijn arbeid bestond in studie en het gebed; zijne studiën bepaalden zich bij het overwegen der Heilige Schrift, uit welke hij voor zich zelven enige uittreksels schreef, dan volgde zijn psalmboek, hetwelk hij las op de tijden en volgens de orde, welke hij zich zelven voorgeschreven had. Na in de voornacht enige rust aan zijn vermoeid lichaam gegeven te hebben, stond hij op en knielde op een hard boetekleed, dat op de grond gespreid lag, neer, bracht in die houding het andere deel van de nacht met verzuchtingen tot God en in het gebed door; gevoelde hij zijnen geest vermoeid door langdurige inspanning, dan stond hij op om enige psalmen te lezen en te overwegen; vervolgens las hij de Heilige Schrift, welke hij nu en dan afbrak, om de heilige waarheden, die in dezelve voorgedragen worden, te overdenken en uit deze overdenkingen enige aanmerkingen over zijne zielsgesteldheid te maken. Deze overwegingen gingen altijd met zuchten en tranen vergezeld; zo bracht hij in gebed, lering en overweging de nacht door tot de dageraad, wanneer hij met zijne huisgenoten het kerkelijk officie las en bij de Heilige Geheimen tegenwoordig was. Wanneer hij zich naar het hof begaf, hetzij alleen of in gezelschap van de heilige Audaenus, om zich met de koning te onderhouden, of ging hij uit om enig werk van barmhartigheid te verrichten, het gebed was altijd bij uit- en ingang zijn geleider. Had Eligius niets dringend meer te verrichten, dan ging hij in zijne goudsmederij aan de arbeid en zong met zijne knechten onder het werk geestelijke liederen of psalmen.
Wij kunnen hier zeer gevoeglijk over de verschillende mirakelen spreken, welke het de Heer behaagde door zijnen dienaar te verrichten en die zeer uitgebreid door de heilige Audaenus geboekt zijn. Deze spreekt over genezingen van blinden, kreupelen, lammen, wonderbare uitdoving van felle branden en andere bovennatuurlijke daden, welke hij door zijn gebed wrochtte; doch ons bestek laat niet toe in bijzonderheden te treden, wij vergenoegen ons met slechts de vrome kunstgreep aan te stippen, welke zijne nederigheid hem deed bezigen, om niet voor wonderdoener gehouden te worden. Eligius, die zo gaarne de verdiensten der heiligen vereerde en overal hunne verering trachtte te verbreiden, was er altijd op bedacht om, wanneer hij één of ander wonderwerk deed, dit aan de voorspraak van de heilige Dionysius, de heilige Martianus, de Martinus of de heilige Sulpicius de Zachtmoedige, bisschop van Bouges, die omtrent het jaar 644 stierf, toe te schrijven, of hij bediende zich somtijds van olie, pappen of andere zaken, die dan als natuurlijke middelen beschouwd werden. Hij bezat insgelijks de geest van voorzegging, ofschoon deze minder dan de gave van wonderen in hem uitblonk. Deze genade maakte dat hij in de kerk enig gezag verkreeg, hetwelk hem anders als nog leek zijnde niet zou vergund geworden zijn. Eligius bezigde dit gezag om sommige ketters, die het geloof rechtstreeks aanvielen en het Monothelismus in Frankrijk zochten te verbreiden, te vervolgen. Hij bezigde dat gezag om in het jaar 638 de bijeenroeping van het zesde concilie van Orleans tegen die ketters te bewerken; hij deed hun uit Parijs verdrijven en wist te bewerken, dat zij overal als gevaarlijk vermeden werden. Hij ijverde insgelijks met alle kracht om de simonie, welke sedert de regering van de koningin Brunehaut, die in het jaar 613 op ene jammerlijke wijze omgebracht werd, de kerk van Frankrijk bezoedelde, uit te roeien.
De bisschoppen beschouwden Eligius en Audaenus om zo te spreken als hunne medebroeders, niet zo zeer in de heilige bedieningen, als wel in de bijstand, die zij hun in de uitoefening van hun bisschoppelijk gezag bewezen. Eindelijk bestemde God hen beiden voor twee voorname bisschoppelijke zetels, die gelijktijdig open stonden. In het jaar 639 rukte de dood de heilige Romanus, bisschop van Rouaan en de heilige Acharius, bisschop van Noyon en Doornik, welke bisdommen door de heilige Medardus in het jaar 512 verenigd waren, uit dit leven. Koning Dagobert, was een jaar te voren gestorven en Clovis II had in zijne jeugdige jaren grote behoefte aan de onderwijzingen en raadgevingen der beide heiligen; men deed hem evenwel het besluit nemen om zich ten dienste der Kerk van hen te beroven. Eligius, welke men verkozen had tot de zetel van Noyon en Doornik, welke laatste zich tot Friesland, zoals men toen Holland noemde, uitstrekte, kon niet langer ene last weigeren, welke hem niets dan het kruis voorspelde; meer nog werd hij bewogen omdat hij gaarne zich zelven voor de eer van God en de zaligheid zijner broeders wilde opofferen. Doornik trouwens, wat het noordelijke gedeelte betreft, was nog vervuld met afgodendienaars, te weten de onderhorige districten van Gend en Kortrijk. De heilige, die de gevaren en de verplichtingen aan de bisschoppelijke bediening verbonden kende, verzocht ene tussentijd, om zich tot die verheven trap te kunnen voorbereiden en om zonder overhaasting alle kerkelijke orden, van de kruinschering tot de priesterlijke waardigheid, te kunnen ontvangen. De heilige Audaenus deed insgelijks zo en ontving de heilige priesterwijding te Macon. Beiden reisden tezamen naar Rouaan, om de bisschoppelijke zalving te ontvangen, kwamen op 14 Mei 640 in die stad, en werden gelijktijdig de daaropvolgende Zondag, die de kruisdagen voorafging, in het derde regeringsjaar van Clovis II, tot bisschop gewijd.
De heilige keerde naar de koning terug, om van hem en van het hof afscheid te nemen en vertrok weldra naar zijne kerk, waar hij, door de genade der heilige zalving versterkt, al zijne deugden, welke aan het ganse rijk ten voorbeeld strekten, met nieuwe ijver deed schitteren. Altijd even ootmoedig, bezield met dezelfde boetvaardige geest, verdubbelde hij zijn vasten en waken, om zich in zijnen nieuwe arbeid te versterken. Zijne liefde tot de armen en zieken was onbeperkt en bracht de schoonste vruchten voort, terwijl de bisschoppelijke waardigheid hem niet belette om hun evenals vroeger de nederigste diensten te bewijzen. Zijne herderlijke zorg deed zich vooral kennen in de ijver en de waakzaamheid die hij aan de dag legde, om zijne schapen te doen aangroeien, te bewaren en te zaligen. Het overige gedeelte van het jaar 640 besteedde hij om het bisdom van Noyon en Vermandois te regelen. Het volgende jaar begon hij zijne tochten in Doornik en Vlaanderen, tot aan Zeeland en de uiterste grenzen van Brabant. Hij ontdekte schier overal, dat deze streken helaas nog met de duisternissen van het heidendom overtogen waren, en daar de oogst hier groot was, ontbood hij bekwame werklieden, onder welke wij de heilige Tilmannus, zijnen oude leerling, zien uitschitteren. De liefde voor de zaligheid zijner medemensen, waardoor hij steeds toonde, dat hij de Goddelijke Jezus, die zich voor de zaligheid van alle mensen opofferde, verlangde na te volgen, veroorloofde hem niet om de volken, zoals de Friezen en Saksers, die door de heilige Audaenus Sueven genoemd worden, die gene onderdanen van de kroon van Frankrijk waren, van de genade des Evangeliums of van de prediking des geloofs onder hen, evenmin als andere vreemdelingen, die afgodendienaars waren, maar in het koninkrijk handel dreven, of zich daar vestigden, uit te sluiten, maar de kracht van zijnen moed en zijn geduld, in zovele moeilijke en gevaarlijke bedrijven, is minder te begrijpen. Deze barbaren, die van aard, ener Godsdienst vijandig waren, welke hunne boze neigingen weerstreefde, behandelden Eligius eerst met verachting en afgekeerdheid; doch zijne innemende zachtheid wist geschikte middelen uit te denken, om deze wolven, die niet anders beoogden als om hem te verscheuren, in vreedzame en gehoorzame schapen te veranderen. De omstreken van Kortrijk en Gend waren nog ene onbebouwde aarde, met distelen en doornen vervuld en met alle soort van onreinheden beladen, doch de arbeid en het zweet van de heilige Eligius veranderden die heidense streken in aangename lusthoven, waarin men weldra het geloof in Jezus Christus zag bloeien. Op dezelfde tijd verrichtte de heilige Amandus van Maastricht in die streken dezelfde arbeid en met dezelfde goede uitslag.
Om zich van de overwinningen, welke hij door zijne prediking en arbeid voor het geloof en de naam van Jezus Christus behaalde, te verzekeren, stichtte de heilige bisschop van Noyon overal kerken, zond bedienaars der altaren en mannen, die voor de leiding der zielen geschikt waren; hij stelde onderscheidene kloosters daar en vernietigde de sporen van het heidendom, terwijl hij de overblijfsels der afgodstempels verwoestte. Het spreekt van zelve, dat zoiets niet zonder bijna onoverkomelijke moeite en gevaar plaats had; hij slaagde hierin evenwel beter, dan in het uitroeien van de misdaden van geest en hart, wijl hij met een ruw volk te doen had, aan wie het uitwendige van de Godsdienst niets kostte, maar dat zich niet kon schikken naar ene hervorming van hart en zeden. Eindelijk getroffen door zijne deugden, begonnen zij hem te bewonderen en verlangden weldra zijn voetspoor te volgen; die bekeerden beijverden zich insgelijks om de anderen te winnen en toen zij Gods dienaar met betere stemming aanhoorden, wierpen zij zelve hunne afgodsbeelden omver, verwoestten hunne tempels en verzochten het heilig doopsel. De heilige bisschop, die wist hoe moeilijk verkeerde neigingen en het zaad der ondeugd uitgeroeid worden, beproefde en onderrichtte hen nog geruime tijd, voor hij hun de genade van het Heilige Sacrament des doopsels gaf, want hij verlangde, dat zij dan als volmaakte Christenen zouden leven. Zowel in zijn bisdom van Noyon als in Doornik predikte hij onophoudelijk het woord des Heren en trachtte de zaden van oprechte boetvaardigheid in aller harten te strooien. Hij drong de zondaars als een nieuwe Paulus tijdig en ontijdig, vermaande, berispte, smeekte hen en droeg hen allen de Vader der genade en bramhartigheid op, terwijl hij van Gods goedheid de gunst van hunne bekering verkreeg. Welke kracht de Heer aan de smekende stem van zijnen dienaar toekende, hoe krachtig zijn woord immer op de harten werkte, men merkte nochtans op, dat het voorbeeld van zijne deugden nog grotere indruk op de harten van zijne onderhorigen maakte, dan zijne redevoeringen. Eligius, voor zich zelven uiterst streng, was vol goedheid jegens anderen, doch hij bezat tevens ene bewonderenswaardige vastheid van karakter, zodat hij ook bij de uiterste toegevendheid zijnen bisschoppelijke ijver toonde. Eligius deed de kracht van zijne heilige bediening blijken jegens ene hoge staatsdienaar, die de rechten van zijne kerk wilde besnoeien en zich enige geestelijke goederen toe-eigenen, zodat de heilige zich gedwongen zag hem eindelijk van de kerkelijke gemeenschap af te snijden. De ongelukkige werd door ene jammerlijke dood uit deze wereld gerukt.
Op de feestdag van de heilige Petrus predikte de heilige bisschop in ene parochie nabij Noyon gelegen, waar verschillende misbruiken heersten. Hij voer krachtdadig tegen het dansen en andere gevaarlijke vermakelijkheden uit, die nog als overblijfselen van de heidense gebruiken bestonden en waarbij de goede zeden schromelijk beledigd werden. De bewoners van die plaats begonnen tegen de heilige op te staan en wilden niet dulden, dat men hen van die vermaken beroofde, welke zij van hunne voorouders geërfd hadden en die van onheuglijke tijden onder hen bestaan hadden; zij spanden tezamen om hunnen herder uit de weg te ruimen, indien hij niet ophield tegen hunne oude gewoonten te ijveren. Eligius kende het gevaar, doch zulks belette hem niet de volgende feestdag van de heilige Petrus onder die moedwilligen te verschijnen. Hij predikte daar met meerdere kracht en hevigheid dan vroeger tegen de bijgelovigheden, ongeregeldheden en zedeloosheid; men beantwoordde zijnen ijver met beschimping, belediging en bedreigingen, men sprak slechts om hem van kant te maken, ofschoon er niemand gevonden werd, die zijne handen aan de gezalfde des Heren durfde te slaan, omdat men in het algemeen te veel eerbied voor zijne waardigheid en uitstekende deugden had. Eligius ziende dat hij niets vorderde en door dezelfde geest gedreven, met dezelfde wapenen gewapend als vroeger de heilige Paulus, leverde hij de grootste oproermakers en de verhardste muitelingen aan Satan over; hij wilde hen daardoor vernederen, ten einde hunne ziel voor de dag des Heren te behouden. Vijftig, onder welke de bedienden van de opperhofmeester Erchinoald waren, werden aan de willekeur van Satan overgeleverd en God, die aan hen zijne strenge rechtvaardigheid reeds in dit leven toonde, liet toe dat zij deerlijk van de boze geest, die evenwel hunne ziel niet mocht overmeesteren, in hunne lichamen gekweld werden; hunne ellende en vernedering duurden het ganse jaar; allen vreesden de heilige en leerden nu de kracht Gods, die in hem werkte, eerbiedigen. Op dezelfde feestdag van het volgende jaar nam de bisschop hunne onderwerping met die van alle bewoners van die plaats aan; hij ontbond hen van de ketenen des duivels en niemand streefde verder de bedoelingen en vermaningen des heiligen tegen.
De heilige Eligius deed nog onderscheidene andere mirakelen in de loop van zijne bisschoppelijke bediening, ten einde door het genezen van lichamelijke ellenden de gezondheid der zielen te herstellen; daarenboven bezigde hij in verschillende omstandigheden de gave van voorzegging, welke de Heer hem nog leek zijnde reeds geschonken had; hij voorzei onderscheidene gebeurtenissen, doch gene duidelijker dan de dood aan enige groten der wereld, zoals bijvoorbeeld het nabijzijnd afsterven van Flacoat, opperhofmeester van Bourgondië en de geschiedenis zegt ons, dat toen men de heilige Eligius berichtte, dat deze hoogmoedige hofmeester de graaf Willibaldus, wiens enigste misdaad in het oog van deze machtige hoveling zijn vermogen, aanzien en zijne deugden waren, op ene verraderlijke wijze te Lyon had laten om hals brengen, zei: “Gij vergist u, Willibald is niet gestorven (te weten voor de Heer), maar Flacoat zal binnen weinige dagen dood zijn.” De voorzegging werd weldra vervuld; tien dagen na die verraderlijke aanslag werd Flacoat plotseling door ene hevige koorts aangetast, en hij stierf op zijne terugreis van Lyon naar Parijs. Zo voorspelde hij insgelijks de dood aan Erchinoald, opperhofmeester in Neustria. Deze Erchinoald, vroeger een rechtzinnig en deugdzaam man, had zijn hart door geldzucht en dorst naar aardse schatten laten verleiden, en schroomde niet deze laatste op alle mogelijke wijze en door onrechtvaardige middelen te vermeerderen. Hij gevoelde dat de voorzegging van de heilige hare vervulling nabij was en liet hem ontbieden, want hij wenste toch in vrede te sterven. De heilige bisschop van Noyon raadde hem zijne onrechtvaardigheden zoveel mogelijk te herstellen, en enige met geld gevulde beurzen aan de armen te schenken, ten einde hij, volgens de uitspraak van Jezus, in de eeuwige woningen mocht opgenomen worden, doch een kameel gaat eer door het oog van ene naald, dan dat hij, die in de ketenen van Mammon zucht, zijne boeien zal verbreken. Erchinoald, ofschoon hij geen enkele goudbeurs met zich in de eeuwigheid kon meenemen, deed van geen penning afstand en stierf rampzalig. Zo voorzegde hij insgelijks de dood van de bisschop van Limoges Simplicius, van koning Clovis II en zijn eigen dood, en deze zag hij naderen met de meeste gerustheid, zodat hij daardoor het bewijs gaf, dat deze hem niet verraste noch bedroefde; totdat uur had hij zich, gedurende de negentien jaren van zijne bisschoppelijke bediening, onder gestadige arbeid en lijden voor de Heer bereid gemaakt, en immer getracht zijne dagen te heiligen.
Eligius hield zich niet tevreden met slechts voor zijne tijdgenoten te arbeiden, maar stichtte insgelijks door zijne pen gedenkstukken, welke de nakomelingschap bewondert. De heilige Audaenus heeft in de levensbeschrijving van de heilige Eligius ene zeer uitgebreide redevoering des heiligen ingelast, die geruime tijd beschouwd is als ware deze uit de mond van de heilige Eligius gevloeid, doch het schijnt, dat deze redevoering ene verzameling is, welke de heilige Audaenus van de gewone onderrichtingen, die Eligius aan het volk voordroeg, gevormd heeft, veeleer als ene enkele redevoering. Men vindt in de boekzaal der vaders zestien homilieën, die zijnen naam dragen; men kan niet loochenen, dat enige van deze door anderen gevaardigd zijn, doch men kan evenmin verzekeren, dat allen zouden ondergeschoven zijn; de meeste zijn zijner waardig geoordeeld, want zij dragen de zichtbaarste bewijzen van zijnen geest en karakter. Men overtuigt zich uit zijne schriften, dat hij hoogst ervaren was in de Heilige Schrift en dat hij de werken van de heilige Cyprianus, de heilige Augustinus, de heilige Cesarius van Arles en andere Latijnse vaders overwogen en in zijn geest geprent had, en dat hij zich zowel wat smaak als stijl betreft, boven zijne eeuw verheven heeft. Hij had vriendschap aangeknoopt met de voornaamste mannen van zijn tijdvak, zoals nog blijkt uit ene brief van de heilige Desiderius van Cahors. De heilige prelaat sprak zeer gemakkelijk en bezat ene bijzondere begaafdheid om te overtuigen; hij werd van allen, zelfs kwaadwilligen, hooggeacht en van zijne onderhorigen, leerlingen en vrienden teder bemind. Vroeger, zoals wij gezien hebben, had hij zijn dood voorzegd; het was niet vreemd dat zijne leerlingen, die hij tot de dienst des Heren opkweekte en hem als hunnen vader hartelijk beminden, op die tijding in tranen wegsmolten. “Weent niet, mijne kinderen,” zei de bisschop, “gij moest mij liever geluk wensen; reeds geruime tijd haak ik naar het einde van mijn leven en verlang om van de bekommernissen, die mij hier op deze wereld als ene zware last drukken, bevrijd te worden.” Ofschoon hij door hevige koortsen aangevallen werd, verzuimde hij evenwel zijne gebeden niet; op de zesde dag liet hij al zijne leerlingen bij zich komen en onderhield hen op de laatste avond voor zijnen dood in ene uitgebreide vermaning over hunne plichten en trachtte hun de gevoelens van Godvrucht en deugd, die hij hun ingeboezemd had, meer en meer in het hart te prenten. Toen hij hen andermaal zag wenen, kon hij insgelijks zijne tranen niet bedwingen. Hij smeekte God, dat Hij hen niet zou verlaten, maar hun ene deugdzame en ijverige herder zou schenken. Onder het aanheffen van de lofzang van de oude Simeon: “Laat Heer nu uwen dienaar in vrede gaan,” gaf de heilige Eligius zijnen geest in de handen van de hemelse Vader, en stierf op 1 December in het jaar 659, in de ouderdom van zeventig jaren en enige maanden.
Nauwelijks had hij zijne ogen gesloten, of de ganse stad Noyon, ofschoon het midden in de nacht was, geraakte in beweging; men hoorde niets als het gezucht en geween der inwoners, die over het verlies van hunnen beschermer en vader hete tranen stortten; men bracht zijn lichaam in de kerk en de volgende dag kwam de koningin Bathildis met de prinsen en de voornaamste beambten van het hof, die op het bericht van de ziekte van de heilige Eligius, van Parijs afgereisd waren, om zijnen laatste zegen te ontvangen. De oudste prins, Clotarius III, was zijn doopzoon, hij had zijne geboorte en hem insgelijks zijne koninklijke waardigheid voorspeld, en de vorst regeerde werkelijk reeds in het derde jaar na de dood van zijnen vader, Clovis II, onder de voogdij- en regentschap van zijne moeder. De vrome vorstin was ontroostbaar, wijl zij te laat kwam om de heilige te zien. Na ene vloed van tranen op de doodkist gestort te hebben, wilde zij het lichaam naar haar klooster van Chelles in het bisdom van Parijs laten vervoeren, doch welke krachten men inspande, men kon het lijk niet van de plaats opheffen. Zij liet ene vaste van drie dagen uitschrijven, bracht die tijd met bidden in de kerk door en kon hare tranen niet weerhouden; zij liet de kist weer openen en ogenblikkelijk begon het lijk uit de neus te bloeden en wel zo hevig, dat men er van verbaasd stond. Bathildis ving dat bloed in doeken op, om deze als relikwieën te bewaren; toen ontwaarde men, dat het lijk door de zwaarte onbeweeglijk was en dat het derhalve de wil Gods scheen te zijn, dat het lichaam niet vervoerd werd. Niet slechts liet de koningin haar voornemen varen, maar overreedde insgelijks de Parijzenaars om van hun oogmerk, om het lijk naar Parijs te vervoeren, af te zien. Het lichaam werd met de grootste plechtigheid door de bisschoppen in de kerk van de heilige Lupus ter aarde besteld, en zijne verering werd zo vermaard, dat die kerk haren eerste naam verloor en vervolgens de kerk van de heilige Eligius genaamd werd.
Niets was in staat zijne Godsdienstige verering meer te bevorderen dan de menigvuldige mirakelen, welke aan zijn graf geschiedden en die reeds zeer talrijk waren, toen de heilige Audaenus, dertien jaren later, het leven van de heilige bisschop van Noyon beschreef. De koningin nam de gouden kelk van de heilige, die met de kostbaarste edelgesteenten versierd was, naar haar klooster van Chelles mee.
Aanstonds na zijnen dood verscheen de heilige Eligius aan een aanzienlijk hoveling en beval hem om de koningin Bathildis uit zijnen naam te verklaren, dat zij uit liefde tot Jezus hare gouden versierselen en edelgesteenten, welke zij bleef dragen, zou afleggen; de hoveling achtte deze verschijning niet; tot driemaal verscheen Eligius hem en hij werd eindelijk door ene hevige koorts aangetast. De koningin, die steeds zieken en dus ook hem bezocht, ondervroeg hem naar de oorzaak van zijne hevige ziekte; de hoveling verhaalde haar het gebeurde en was op staande voet genezen. Bathildis gehoorzaamde aanstonds en bewaarde niets als hare gouden armsieraden, gaf vervolgens alles aan de armen, uitgezonderd enige kostbare stukken, waarvan zij een prachtig kruis deed vervaardigen, dat aan het hoofd des heiligen geplaatst werd; zij deed bovendien van goud en zilver ene soort van hemel maken, welke men “repa” noemt, om deze boven zijn graf te stellen, zeggende, dat het billijk was het graf van degenen te versieren, die de graven van onderscheidene heiligen zo rijk begiftigd had; de rijksgroten, door het voorbeeld van de koningin aangespoord, offerden insgelijks ene grote hoeveelheid goud en edelgesteenten ter versiering van het graf. Gedurende de vaste overdekte men die versierselen met een linnen kleed met zijde omzoomd, maar enige dagen daarna ontdekte men, dat een zeker welriekend vocht van het kleed droop; men perste het in ene fles en onderscheidene zieken werden genezen. Later opende men het graf en het hoofd des heiligen werd naar Chelles vervoerd; tijdens het leven van de heilige Audaenus, die vierentwintig jaren na de heilige Eligius stierf, werden nog aan andere plaatsen een gedeelte van de overblijfselen geschonken en overal door mirakelen verheerlijkt.
In het midden van de wereld, aan het hof der koningen, wist Eligius zijne zaligheid te bewerken en tot grote heiligheid op te klimmen, doch hij ontweek de wereld en wist zich door gestadige waakzaamheid en beoefening der deugd tegen de strikken van deze bedriegers te beveiligen. De aan de dienst van God gewijde uren besteedde hij nooit aan andere zaken, zelfs wanneer hij bij de koning ontboden werd, veranderde hij zijnen regel niet. Het is waar, wanneer men in de wereld leeft, moet men met de mensen verkeren, dit vorderen de vriendschap, naastenliefde en de plicht van de staat waarin men gesteld is, doch die omgang moet altijd het zegel der Godsdienst dragen; onze omgang mag nooit in ijdele gesprekken, of onterende, de Christen onwaardige zaken bestaan. Zoeken wij nooit het gezelschap van mensen, die vol eigenliefde zijn en slechts voor vermaak en ijdel tijdverdrijf leven, want wij behoren nooit te zoeken hoe wij onze tijd volgens de wereld aangenaam zullen doorbrengen, maar hoe wij die op ene Christelijke wijze dienen te besteden. Wat oogst men van de zogenaamde genoeglijke ogenblikken in, die men met ijdele mensen doorbrengt? Diepe droefheid over het tijdverlies, bittere en smartelijke overtuiging van de huichelarij en valsheid der wereld, en al is het, dat de inzichten niet verkeerd, de genoegens niet onheilig zijn, ons leven heeft op aarde een veel hoger doel, dan dat wij de tijd aan het vermaak van een ijdel onderhoud, in gemak en om te behagen zouden verspillen. Dat wij dan onze bedoelingen zo inrichten, dat wij ons tot eigen voordeel met onze plichtvervulling, met God en met de deugdzamen bezig houden.
2 December
De heilige Bibiana (363).
Maagd en Martelares.
De geleerde kardinaal Baronius heeft de geschrevene akten van deze marteldood der heilige Bibiana gezien, en uit deze heeft men hare geschiedenis getrokken; hij verklaart nochtans, dat die akten ene herziening nodig hebben. Men meent daarenboven, dat die akten niet zeer oud zijn, noch groot gezag bezitten, vooral wanneer zij dezelfde zijn, welke de heilige priester en martelaar Epigmenius geleverd heeft; dan komen zij niet met het tijdperk overeen, wijl deze priester onder Diocletiaan de marteldood onderging; doch zeker is het, dat de geschiedenis van de heilige Bibiana veel geloofwaardigs bevat. Men kan daarenboven “het onderaardse Rome,” 3e boek, hoofddeel 35 en 37, door Bosius en Aringhi vervaardigd, nazien.
Ammianus Marcellinus, een heidens schrijver, die evenwel zeer veel gezag heeft, meldt, dat keizer Julianus de afvallige in het jaar 363 een zekere Apronianus, die vroeger stadsrechter was, tot stadhouder van Rome had aangesteld. Toen hij te Rome kwam, om van zijn stadhouderschap bezit te nemen, verloor hij bij ongeluk een oog en hij meende, dat hem dit verlies door toverij berokkend was, want de heidenen hechtten zeer veel aan die boosheid. Het verdriet, dat hij hierover gevoelde, deed hem met de meeste gestrengheid naar de giftmengers en tovenaars, die zich te Rome konden ophouden, onderzoeken, doch dit was slechts bij de heidenen een voorwendsel, om met zoveel te meer woede de Christenen te kunnen vervolgen. De heilige Bibiana, ene Romeinse maagd, wier gedachtenis heden gehouden wordt, had tot vervolger een zekere Apronianus, die in hare akten met de hoedanigheid van stadsrechter vermeld wordt en dezelfde schijnt te zijn als de stadhouder, van wie wij gewaagden; deze omstandigheid, die alle blijk van echtheid heeft, doet ons de geschiedenis van de heilige belangrijker voor de echtheid van de gebeurtenissen, gelijk de akten deze mededelen, voorkomen en vasthouden, dat zij onder de regering van Juliaan de Apostaat geleden heeft, ofschoon enige schrijvers de tijd van haren marteldood vroeger en wel onder Diocletiaan opgeven. Volgens de geleerden Baronius en andere schrijvers gelooft men, dat Bibiana, wier ware naam men meent Vibiana te zijn, van Vibius, een Romeinse naam, afgeleid, dochter was van Flavianus en Dafrora en zuster van Demetria. Flavianus, die hier de waardigheid van prefect van Rome draagt, hetwelk zonder twijfel hoofdbeambte bij het opperbestuur betekend, werd om de belijdenis der Christelijke Godsdienst van zijne bediening ontzet, tot de stand der slaven vernederd en naar Aquapendente in Toskanen, destijds Aquae Taurinae geheten, verbannen; daar stierf hij in de uiterste ellende voor de wereld, maar met de doorluchtige en roemrijke titel van belijder van Jezus Christus, en de Kerk vereert hem onder die titel op 22 December. Dafrosa werd met hare beide dochters eerst in haar huis gevangen gehouden, doch na enige tijd moest zij het verlaten en werd naar ene afgelegene plaats verbannen; zij behield evenwel daardoor het leven niet, want enige dagen later werd zij onthoofd en de Kerk vereert haar met de titel van martelares, op 4 Januari. Bibiana en Demetria, na hare ouders verloren te hebben, hadden van hare vervolgers niet minder te lijden. Zij werden van al hare goederen, die om de zogenaamde ongehoorzaamheid van hare ouders aan de wetten verbeurd verklaard waren, beroofd, omdat men dacht, dat de armoede en ellende de krachtigste middelen was, om haar in hetgene men haar vorderde te doen toestemmen. God, die zijne getrouwen nooit verlaat, ondersteunde haar door zijne genade in de verzoekingen van de honger en de armoede; Hij verleende haar insgelijks de moed en kracht om de bedreigingen en beloften van Apronianus te verachten, welke booswicht alle pogingen in het werk stelde, om haar te dwingen het geloof in Jezus Christus te verzaken. Hij stond gereed om hare getrouwheid door de afschuwelijkste folteringen, op de proef te stellen, maar God, die deze maagd voor de verschrikkelijkheden der martelingen wilde behoeden, riep haar uit dit leven; zij viel aan de zijde van hare zuster dood ter aarde, op het ogenblik dat beiden voor de rechter betuigden, dat niets in staat was haar van Jezus Christus te kunnen scheiden. Deze omstandigheid heeft evenwel niet belet, dat de Kerk haar als martelares erkent, en onder die titel is haar naam op 21 Juni in het Rooms Martelaarsboek aangetekend.
De heilige Bibiana, die nu nog overbleef, werd door de afschuwelijke rechter overgeleverd in de handen van een schandelijk vrouwmens, Rufina geheten, die beloofde, dat zij de maagd zou doen afvallen. Zij bezigde dus eerst alle listen en kunstgrepen, welke hare boosheid slechts kon uitdenken, om de maagd te verleiden en voor de afgodendienst te winnen; toen zij zag dat hare duivelse listen vruchteloos waren, ging zij tot de ontaardste mishandelingen over en deed haar dagelijks met zweepslagen tuchtigen, want zij wilde overwinnen en haar doen buigen. Toen Apronianus merkte, dat men op hare standvastigheid niets vermocht en hij in zijne boze aanslagen niets vorderde, liet hij Bibiana voor zich komen en veroordeelde haar ter dood. Hij gaf bevel, dat men haar aan ene zuil zou binden en deed haar met zwepen van verscheidene leren riemen, aan welke men van onderen lood gehecht had, zo lang slaan, dat zij te midden van deze afschuwelijke folteringen onoverwonnen de geest in de handen van haren Goddelijke Bruidegom Jezus Christus overleverde. Haar ontvleest en verscheurd lichaam werd op de vuilnishoop geworpen, opdat de honden en ander roofgedierte het zouden verslinden, doch een heilig priester, Joannes geheten, nam het na twee dagen des nachts heimelijk weg en begroef het bij die van hare moeder Dafrosa en hare zuster Demetria, in de nabijheid van het paleis van Licinius. Hier stichtte men weldra, na de dood van Juliaan de Apostaat, toen de Kerk vrede genoot, ene kapel onder de naam van de heilige Bibiana. In 465 liet Paus Simplicius op die plaats ene prachtige kerk bouwen, die naar de naam van ene Godvruchtige vrouw, die in de kosten van de bouw voorzien had, Olympina genoemd werd. Later liet Honorius III deze kerk herstellen, en daar zij weer bouwvallig werd, verenigde men haar met die van de heilige Maria de Meerdere. In 1628 werd de kerk door Paus Urbanus VIII met luister herbouwd en hij liet de lichamen der drie heiligen, die men gevonden had, in dezelve overbrengen. Zij werden onder het hoofdaltaar in een graf van porphyr neergelegd en boven het altaar werd het afbeeldsel van de heilige Bibiana in marmer gebeiteld, hetwelk als één der schoonste stukken van beeldhouwkunst, welke men in Italie aantreft, beschouwd wordt, geplaatst.
De heilige Eusebius (derde eeuw).
Priester, Martelaar.
De heilige Marcellinus (derde eeuw).
Diaken, Martelaar.
De heilige Hippolytus (derde eeuw).
Gerechtsschrijver, Martelaar.
De heilige Maximus (derde eeuw).
Gerechtsschrijver, Martelaar.
De heilige Adrias (derde eeuw).
Martelaar.
De heilige Paulina en anderen (derde eeuw).
Martelaren.
De akten van deze heilige martelaren zijn door de kardinaal Baronius in zijne jaarboeken opgenomen en door Surius op 2 December beschreven. Beide schrijvers houden dezelve voor echt; ofschoon niemand loochent, dat dezelve zeer oud en door een ernstig en waarheidlievend man opgesteld zijn, meent men echter, dat enige omstandigheden er later bijgevoegd zijn.
Ten tijde van de regering van keizer Valeriaan leidde een Christen, Hippolytus geheten, in ene grot nabij de stad Rome, een afgetrokken kluizenaarsleven. Daar men hem kende als een man, die in de wetenschap der Apostelen zeer ervaren was, en voorzichtig en wijs in zijne raadgevingen, werd hij zeer gaarne gehoord en gedroeg men zich naar zijne onderrichtingen. Op deze wijze bekeerde hij vele heidenen, welke hij zelve aan de voeten van de heilige Paus Stephanus bracht, om door het Heilige Sacrament des doopsels in de Kerk ingelijfd te worden en het recht op de eeuwige goederen te verkrijgen. Het getal der nieuw bekeerden ongevoelig toenemende, begon omtrent het einde van het jaar 256 opzien te verwekken, zodat de stadvoogd Nummius Albinus er de keizer kennis van gaf; men kan denken met welke hatelijke kleuren de Christenen aan de tijdelijke gebieder afgeschetst werden. Dit begreep de heilige Hippolytus en hij gaf dadelijk daarvan aan de heilige Stephanus bericht, die reeds inzag, dat Valeriaan betrekkelijk de Christenen, die hij bij het begin van zijne regering begunstigde, zeer veranderd was. De heilige Vader voorzag de stormen en het onweer, welke tegen de Kerk stonden los te barsten. In deze omstandigheid meende de heilige Paus de Christenen tot de vervolging, welke hen bedreugde, te moeten voorbereiden. Hij vergaderde de gelovigen en vermaande hen aller dringendst, dat zij zich zouden haasten om al het goede te verrichten, wat de geest Gods hun zou ingeven, terwijl het nu nog tijd was; dat zij het kruis des Heren tot aan de dood achter Jezus Christus zouden dragen; hij overtuigde hen, dat het niet genoeg was om aan hunne eigene zaligheid te arbeiden, maar dat zij insgelijks voor het heil hunner naastbestaanden moesten zorgen. Hij vermaande hen, wier bloedverwanten of vrienden nog in de duisternis van het heidendom omdwaalden, alles te beproeven om hen te bekeren en deze dan tot hem te zenden, opdat zij zouden gedoopt worden. Hippolytus had ene zuster, Paulina geheten en gehuwd aan een zekere Adrias, doch beiden waren nog aan de dienst der afgoden verslaafd; zij gedoogden evenwel dat hun zoon Neon en hunnen dochter Maria door Hippolytus onderwezen werden, ofschoon zij niet wilden, dat de kinderen zouden gedoopt worden. Neon was slechts tien jaren oud en Maria had haar veertiende jaar bereikt. Bij een zekere gelegenheid, dat beide kinderen bij hunnen oom waren, kwam Paus Stephanus hem insgelijks bezoeken en overreedde hem, dat hij de kinderen bij zich zou houden, opdat de ongerustheid der ouders hen zou noodzaken hen te komen zoeken; de heilige vertrouwde, dat men dan ene gunstige gelegenheid zou hebben om hen over Jezus Christus te onderhouden en het Evangelie te verkondigen. Adrias bood aanstonds grote tegenstand en verklaarde, dat hij nog geen lust had om zijne goederen en zijn leven in gevaar te stellen, en noch het leven noch zijn vermogen wilde opofferen; Paulina overtrof haren man, overlaadde haren broeder met scheldwoorden, als of hij hun dusdanige raad slechts gaf, om zijne ganse familie in het verderf te storten.
Paus Stephanus, die hunne verhardheid niet kon overwinnen, liet de priester Eusebius met de diaken Marcellinus komen; Eusebius was een geleerd man en sprak met veel gemak. Adrias en Paulina, ofschoon zij tegen de waarheid niets konden inbrengen, lieten zich evenwel door de kracht der bewijzen niet overreden. God, die de ogenblikken in zijne barmhartigheid bepaald heeft, wilde de bekering van beiden door een wonder bewerken, hetwelk Eusebius de volgende dag wrochtte. Op het ogenblik dat een verlamd kind in hunne tegenwoordigheid door hem gedoopt werd, wordt het plotseling volmaakt gezond. Dit wonder bewerkte ene gehele omkering bij hen, zij gingen aanstonds naar de Paus en verzochten het heilig doopsel te ontvangen, die hun, na hen eerst ene vaste van enige dagen te hebben doen onderhouden en enige tijd de gronden van de Godsdienst en de Heilige Geheimen verklaard te hebben, het Heilige Sacrament toediende; Neon en Maria werden met hen in de naam van de Heilige Drievuldigheid gedoopt. Toen de Heilige Vader hem met het zegel van Jezus Christus getekend had, droeg hij voor hen de aanbiddelijke geheimen op, aan welke zij deel namen. Alle vier zonderden zij zich met de priester Eusebius en de diaken Marcellinus in de eenzaamheid van de heilige Hippolytus af; deze was ene zandgroef op de weg van Appius, omtrent duizend schreden van de stad gelegen, alwaar zij onderscheidene maanden doorbrachten. Adrias ging nu en dan uit en deelde het bedrag van zijne goederen en die van zijne vrouw, welke hij verkocht had, onder de armen uit; deze daad bracht meer dan zijne afzondering toe, om zijne bekering tot de Godsdienst der Christenen bekend te doen worden.
Keizer Valeriaan, daarvan onderricht, gaf bevel om hen met de nieuwe Christenen, die zich daar mochten bevinden, op te sporen en gevangen te nemen. De gerechtsschrijver Maximius nam volgaarne deze last op zich, doch nauwelijks begon hij de voorgenomen gevangenneming der Christenen te volvoeren, of hij werd door de duivel bezeten, die hem zo jammerlijk folterde, dat hij zich gedrongen zag om zijne toevlucht tot diegenen te nemen, welke hij vervolgde. Adrias en de andere gelovigen smeekten met tranen de barmhartigheid des Heren over de rampzalige Maximus af; zij werden verhoord en Maximus, die de macht van God der Christenen en de kracht van het gebed der gelovigen bewonderde, verzocht gedoopt te worden en ontving enige dagen later, na onderwezen te zijn en zich insgelijks door boetvaardige werken voorbereid te hebben, het Sacrament der wedergeboorte. Valerianus, die tevergeefs naar Maximus uitzag, ten einde de uitslag van zijnen last te vernemen, stond geheel verslagen, toen hij vernam, dat de eerste gerechtsschrijver de Godsdienst van Jezus omhelsd had. De keizer had reeds bevel gegeven om de Christenen, die zich te Rome ophielden, te vervolgen, liet Maximus gevangen nemen en hem voor zich brengen. Hij verweet hem zijne ondankbaarheid, dat hij zich door het geld der Christenen, zoals die vorst meende, had laten omkopen en verblinden. Maximus verhaalde de keizer zijn wedervaren op de berg Celius, toen hij post gevat had bij een geheim pad, hetwelk de Christenen bezigden; dat hij met het doel om de weldoeners der ongelukkigen te verstrikken, als bedelaar verkleed een aalmoes van Adrias ontvangen had, maar ook tevens door de duivel bezeten was geworden, die hem op de jammerlijkste wijze folterde, doch dat hij vervolgens alleen door de macht van Jezus Christus en door de kracht van het gebed der Christenen, van Satan verlost en van zijne geestelijke blindheid genezen was, en dus uit dankbaarheid zich een leerling van de Godmens verklaard had; dat niets hem de ogen voor het Goddelijke licht, dat hem bescheen, zou doen sluiten of in het geloof van Jezus Christus te doen wankelen. De keizer dit uit de mond van zijnen vroegere gerechtsschrijver vernemende, werd zo woedend, dat hij zonder vorm van rechtsgeding, aanstonds last gaf om Maximus op de brug over de Tiber te brengen en hem in de rivier te werpen. Zo ontving de laatst aangekomene het eerste de kroon der martelaren. Door het beleid en de zorg van de priester Eusebius werd zijn lichaam weldra gevonden en hij liet hetzelve, op 20 Januari 257, op de begraafplaats van Callixtus ter aarde bestellen.
Ten tijde van Baronius werd zijn graf nog in de catacomben gezien, doch het lichaam was er uitgenomen; de Kerk heeft, ofschoon Maximus in de maand Januari de martelaarskroon ontving, geoordeeld om zijne gedachtenis met die van de heilige Hippolytus en de heilige Eusebius op 2 December te houden.
De keizer besteedde schier het ganse jaar 257, om de Christenen in Rome met woede te vervolgen. De heilige Paus Stephanus onderging in het begin van Augustus de marteldood, doch de veroordeling van de andere gelovigen, gezellen van de heilige Hippolytus, scheen nog enige tijd uitgesteld te blijven. Zij werden eindelijk ontdekt en in het begin van Oktober gevangen genomen, vervolgens voor de rechter gesleurd, waar allen vol moed belijdenis deden van het geloof in Jezus Christus. Adrias onder anderen liet de schoonste moed blijken bij de edele vrijmoedigheid, die in zijne antwoorden en in zijne gemoedsgesteltenis, om voor Jezus de dood te ondergaan, zowel als in de rekenschap, die hij betrekkelijk de uitdeling van zijne goederen onder de armen deed, uitschitterde; één en ander wekte des rechters woede op, want hij had gehoopt zich nog iets van zijne bezittingen te kunnen toe-eigenen, maar zag zich hierin teleurgesteld. De geloofshelden werden in de kerker geworpen, doch drie dagen daarna weer te voorschijn gebracht, om te beproeven of men hen zou kunnen dwingen aan de afgoden te offeren. De rechter, zodra hij zag dat men met zijn bevel en bedreiging de spot dreef, liet hij allen onmenselijk geselen, opdat zij, voor het geweld der foltering bezwijkende, zijne vordering zouden eerbiedigen. Allen ondergingen tot aan het einde manmoedig deze marteling, de heilige Paulina echter gaf de geest onder de handen der beulen, die haar gehele lichaam verscheurd hadden. Tegen de priester Eusebius en de diaken Marcellinus werd het doodvonnis uitgesproken en zij werden op 20 Oktober onthoofd. Hunne verscheurde lichamen werden met dat van de heilige Paulina aan de wilde dieren prijs gegeven, doch deze, meedogender dan de knechten van Satan, raakten hen niet aan. Een diaken van de kerk van Rome, insgelijks Hippolytus geheten, wist de volgende nacht de lichamen der martelaren weg te nemen en bracht ze in de zandgroef, waar hij dezelve ter aarde bestelde.
Secondianus, één der bijzitters van de stadsrechter, had in last om de heilige Adrias met zijne beide kinderen en zijn schoonbroeder de heilige Hippolytus naar zijn huis te voeren. Men hernieuwde de ondervragingen over de beschikkingen, welke zij over hunne goederen gemaakt hadden en men wilde weten waar zij hunne schatten verborgen hadden. Zij zeiden hunne tijdelijke goederen onder de armen verdeeld te hebben, omdat hunne ziel hun schat was en dat zij niet gezind waren deze te verliezen; dat hij voor het overige met hen kon handelen zoals hem bevolen was, doch dat hij nooit moest verwachten, dat zij van hunnen God en de Godsdienst van Jezus zouden afvallig worden. De wreedaard liet de jeugdige Neon en Maria op de folterbank uitspannen; de kinderen toonden ene onversaagde moed en waren aan de sterkste mannen gelijk. Door de stem hunnen vader en oom aangemoedigd, hoorde men hen te midden der afgrijselijkste folteringen niets anders uitroepen als: “Jezus Christus sta ons bij!” Adrias en Hippolytus werden insgelijks op de pijnbank uitgerekt en op de wreedaardigste wijze gefolterd; nadat men hunne lichamen verscheurd had, werden zij met brandende fakkels verschroeid, doch de heiligen, bij de beschouwing van de onsterfelijke goederen, die hen in het andere leven wachtten, moedigden elkander onder de hevigste smarten aan. Secondianus was overwonnen, want hij vermocht niets op het hart van de strijders voor Jezus naam; hij spreekt het doodvonnis uit over beide kinderen. Neon en Maria worden in de tegenwoordigheid van hun vader en oom door het zwaard om hals gebracht. Aan de voeten van deze geloofshelden vallen de hoofden van deze nog jeugdige maar moedige strijders, die op dezelfde dag weleer Christen werden en nu op hetzelfde ogenblik de kroon der onsterfelijkheid verkregen. Overdekt met hun bloed, maar insgelijks met roem beladen, beschouwen vader en oom met vreugde en eerbied deze edele slachtoffers voor het geloof. In verrukking haken zij naar het ogenblik, dat hun offer insgelijks hunne zaligheid zal voltrekken; dan van verhevene zielen worden grote bewijzen van getrouwheid en moed gevorderd.
De Christenen wisten zich van de lichamen van de heilige Neon en de heilige Maria te verzekeren en legden deze in de zandgroef bij de dierbare overblijfselen van hunne moeder Paulina, de heilige Eusebius en de heilige Marcellinus. Secondianus meende eerst nieuwe bevelen van de keizer te moeten inwinnen, alvorens over het leven van Hippolytus en Adrias te beschikken en liet hen naar de kerker terugvoeren, middelerwijl hij de wreedaard Valeriaan rekenschap van zijne handeling deed. Hij liet vervolgens de beide geloofshelden met ketenen beladen voorbrengen; een stadsomroeper schreeuwde dat deze lieden heiligschenners waren, die de ganse stad beroerden, de goden en de keizer hoonden. Secondianus ondervroeg hen opnieuw en stelde alle middelen in het werk, om hen te doen besluiten aan de valse goden te offeren, doch zij waren onwrikbaar in de belijdenis van de naam en het geloof in Jezus Christus. De wreedaard deed hen met zwepen, die met loden ballen aan het einde der lederen riemen gewapend waren, in het aangezicht geselen. De ijselijkheid van deze folteringen, die hij zelf niet langer kon aanzien, deed hem de beulen bevel geven om op te houden. De booswicht poogde andermaal hen te doen begrijpen, dat zij medelijden met hunnen toestand moesten hebben, doch op hunne verklaring, dat zij steeds tot de laatste ademtocht standvastig de naam van Jezus zouden verdedigen, ging hij opnieuw de keizer bericht geven en deze gaf bevel van hen aanstonds, doch in tegenwoordigheid van al het volk, te doen sterven. Secondianus liet hen op de brug van Antoninus, in de nabijheid van het eiland van de Tiber voeren, en hier herhaalde men nu die vreselijke zweepslagen, onder welke de martelaren eindelijk de geest gaven. Hunne lichamen werden volgens gewoonte de beesten voorgeworpen, doch door de diaken Hippolytus de volgende nacht weggevoerd en in de zandgroef bij de overblijfselen der andere martelaren begraven. Men meent dat die begraving op 9 of 10 December heeft plaats gehad, doch hunne namen zijn op 2 December in het Rooms Martelaarsboek aangetekend; men vindt op die dag nog onder hun gezelschap de namen van de heilige Martana en van hare dochter Aurelia, bloedverwanten van Adrias. Deze kwamen negen maanden na de dood der martelaren te Rome en vernemende, dat Adrias met de anderen de dood der bloedgetuigen gestorven was, verheugden zij zich over zijne overwinning. Geen lust hebbende om naar Griekenland, hun vaderland, terug te keren, bleven zij te Rome en brachten dertien jaren door met bij het graf van de heilige Adrias nacht en dag te bidden, stierven hier in vrede op 10 December 571 en werden op dezelfde plaats begraven. Men houdt, dat de lichamen van de heilige Hippolytus, de heilige Adrius, de heilige Paulina en hunne beide kinderen thans te Rome in de kerk van de heilige Agatha rusten.
Waar zijn thans die afgodsbeelden, aan welke het heidense Rome alle macht toekende? Waar zijn hunne aanbidders, hunne tempels en altaren? De altaren, tempels, goden en aanbidders zijn in hetzelfde stof vernietigd, en de God der Christenen wordt over de ganse aarde door ontelbare gelovigen aanbeden; zijn kruis zelf zal in de algemene verwoesting der wereld niet gewikkeld worden, maar in alle eeuwigheid blinken. En wat is er van de wreedaard geworden, die zich onder de woedendste vervolgers der gelovigen rangschikte? Zijn naam in niet uit het geheugen gewist om aan zijne vermaardheid, de menselijke grootheid meest honende nagedachtenis te hechten. Ook betrekkelijk de afschuwelijke Valeriaan heeft de Heilige Geest door de mond van de profeet Isaïas gezegd: “Dit alles hebben zij in hunnen handel en wandel uit eigene verkiezing gedaan, en hunne ziel heeft vermaak in hare gruwelen genomen; daarom zal ik ook eens kiezen, te weten, dat ik met hen spotten zal, en hun toezenden wat zij vreesden.” Het treurig uiteinde van de goddeloze Veleriaan dient hier nog vermeld te worden; lezen wij hetgeen Lactantius van hem in zijn werk “over de dood der kerkvervolgers” schreef en wat zowel heidense als Christelijke schrijvers te boek stellen.
“Keizer Valerianus liet zich, evenals de vroegere keizers, door ene gelijke woede tegen de dienaren van de ware God vervoeren. Ofschoon hij kort regeerde, werd er evenwel onder zijne heerschappij zeer veel Christenbloed vergoten, maar God deed hem ene soort van straf ondergaan, welke nog onbekend was, opdat de nakomelingen zouden leren, dat de booswichten eindelijk het loon voor hunne misdaden ontvangen. Valeriaan werd door de Perzen gevangen genomen en verloor niet alleen zijn rijk, hetwelk hij zo schandelijk misbruikt had, maar ook de vrijheid, die hij aan anderen had ontnomen en bracht zijne laatste levensjaren in honende slavernij door, want zo menigmaal Sapor, koning der Perzen, te paard steeg of in zijnen wagen klom, gebood hij zijnen gevangene zich op de grond neer te buigen en gebruikte zijnen rug tot voetbank bij het opstijgen, en zei al spottend: “Dit is de ware overwinning en niet wat de Romeinen op hunne panelen en wanden schilderen.” Valeriaan leefde nog enige tijd, opdat de Romeinse naam langer de speelbal der barbaren zijn zou. Wat zijnen ramp vergrootte, was dat hij een zoon (Gallienus) had, die keizer, doch voor hem geen wreker was; inderdaad niemand dacht er aan om hem uit zijne wrede gevangenschap te bevrijden. Zelfs toen hij zijn leven onder deze onwaardige behandelingen geëindigd had, stroopten de Perzen hem de huid af, die zij rood beschilderden en in hunne tempel als zegeteken van hunne overwinning ten toon hingen, om zo aan de Romeinse afgezanten te leren, dat de Romeinen niet te veel betrouwen op hunne macht moesten stellen, wanneer zij in ene afgodstempel der Perzen het overschot van een Romeins keizer ontmoetten, die hun gevangene geweest was. Daar God zodanige schitterende wraak over zijne heiligschendende vijanden genomen heeft, is het dan niet te verwonderen, dat iemand hunner nog de stoutheid heeft van niet slechts in zijne gedachten te nemen om de majesteit van de opperste God, die de ganse wereld bestuurt, te honen, maar Hem zelfs durft te beledigen!” Niet slechts Lactantius, maar ook de heilige Dionysius van Alexandrië, keizer Constantijn, Orosius en anderen, hebben in die onmenselijke handelswijze van Sapor de vreselijke, maar hoogst rechtvaardige wraak der Goddelijke Voorzienigheid, die het onschuldig bloed van zijne heiligen wreekt, geëerbiedigd. Constantijn schreef aan ene andere Sapor, koning der Perzen, die de Christenen vervolgde en verzekerde hem, dat God altijd zichtbaar degenen straft, die hadden durven ondernemen om de Godsdienst der Christenen uit te roeien. “En gij ziet het,” zegt de keizer briefschrijver, “in het voorbeeld van degenen, welke de gramschap des hemels als door een onstuimige wind uit het midden van zijne onderdanen heeft opgenomen, om hem aan uwe handen over te leveren, en die gij als een berucht zegeteken van schande en hoon hebt opgehangen, hetwelk men nog in uw rijk ziet.” De hoogmoedigen leunen steeds op een zwak riet.
3 December
De heilige Franciscus Xaverius (1552).
Priester der Societeit van Jesus, Apostel van de Indiën en Japan.
“Ik onderneem,” zegt vader Bouhours, wiens letterarbeid wij in de levensgeschiedenis van de grote heilige, welke de Kerk heden Godsdienstig vereert, zullen volgen, “ik onderneem het leven van een heilige te beschrijven, die in de laatste eeuw de schitterendste wonderen hernieuwd heeft, welke bij de geboorte der Kerk gewrocht werden, en die een levendig bewijs van de waarheid van het Christendom geweest is. Wij zullen door de daden van enig man, door de kracht van zijn woord als door dat der mirakelen, de nieuwe wereld bekeerd, de koningen afgodendienaars in het Oosten met hunne koninkrijken onder de gehoorzaamheid der Kerk gebracht zien, terwijl het geloof te midden van Barbarij bloeit en de afgelegenste volken, die schier nooit van het oude Rome iets gehoord hadden, het gezag der Kerk van Rome door hem leerden kennen en zich aan hetzelve onderwierpen.”
O voorwaar, het grootste, het verhevenste schouwtoneel, hetwelk de wereld aan de engelen en mensen aanbiedt, is dat van de edelmoedige apostel van het geloof, die de zeeën overstaken en in de afgelegenste streken het Evangelie onder één in het afschuwelijke heidendom verzonken volk gaan verkondigen en hun geheel leven ten offer brengen, om door onophoudelijk pogen het koninkrijk van Jezus Christus te verbreiden en het getal der uitverkorenen te vermeerderen. Deze onvermoeide ijver om de bekering der ongelovigen te bewerken, is een voorrecht, hetwelk de Katholieke Kerk alleen bezit en welke gene sekte in staat is om haar te betwisten. In elke eeuw heeft de Heer des wijngaards apostelen opgewekt, die bezield door de kracht van de Heilige Geest en hunnen zending van de Apostolische Stoel ontvangende, de fakkel des geloofs op nieuwe oevers overbrachten en kinderen aan de Kerk, vereerders aan Jezus Christus, heiligen aan de hemel aanbrachten. Onder die apostelen door de Heilige Geest opgewekt, moeten wij terecht de heilige Franciscus Xaverius plaatsen, die wonderdoener der zestiende eeuw, die door Paus Urbanus VIII zo terecht de Apostel der Indiën genoemd wordt. De gemoedelijke Protestanten zelve kunnen zich niet onthouden de grote Xaverius te vereren. Baldeus, een geacht schrijver onder hen, zegt in zijne geschiedenis van de Indiën: “Indien de Godsdienst van Xaverius met de onze overeenstemde, zouden wij hem als ene andere Paulus moeten achten en vereren; onaangezien het verschil van Godsdienst, zullen zijn ijver, zijne waakzaamheid en de heiligheid van zijne zeden elk deugdzaam man aanmoedigen, om het werk des Heren niet onachtzaam te verrichten; want de gaven, welke Xaverius ontvangen had, om de zending van dienaar en afgezant van Jezus Christus te volbrengen, waren zo uitstekend, dat ik buiten staat ben zulks uit te drukken. Indien ik het geduld en de zachtmoedigheid overweeg, waarmee hij aan groten en kleinen de heilige en levende wateren van het Evangelie aanbood; indien ik de moed beschouw, waarmee hij de beledigingen en de hoon verdroeg, dan zie ik mij verplicht met de Apostel uit te roepen: “Wie is er toch bekwaam tot deze dingen?” Baldeus eindigt zijne lofspraak met ene uitroep tot de heilige gericht: “Had het God mogen behagen, dat gij, geweest zijnde degene die gij geweest zijt, van de onzen waart of geweest waart.” Richard Haklvit, een Protestantse predikant in Engeland, prijst Xaverius zonder enige terughouding. Sancian zegt: “Er is een eiland aan de grenzen van China, nabij de haven van Canton, beroemd door de dood van Franciscus Xaverius, die waardige Evangelische arbeider, die verheven leermeester der Indiërs, in al wat de Godsdienst betreft, die na grote daden en arbeid, na veelvuldige beledigingen en ontelbare kruisen, welke hij met zoveel geduld en blijdschap gedragen heeft, op ene afgelegen en woeste berg, ontbloot van alle tijdelijk gemak, maar vervuld met alle geestelijke zegening, op 2 December 1552 stierf, nadat hij eerst Jezus Christus aan vele duizenden Indiërs heeft leren kennen; al de nieuwere geschiedenissen der Indiën vermelden de uitstekende deugden en wonderdadige werken van deze heilige man.”
De heer Tavernier, die alle braafheid bezit, op welke men buiten de Katholieke Kerk zou kunnen roemen, deze vermaarde reiziger spreekt van de heilige Xaverius de taal eens Katholieken. “De heilige Franciscus Xaverius,” zegt hij, “eindigde op deze plaats zijne zending en zijn leven, na eerst het Christelijk geloof, overal waar hij doortrok, niet slechts door zijne ijver, maar ook door zijn voorbeeld en door de heiligheid van zijne zeden, met bewonderenswaardige aanwas gevestigd te hebben. Hij is nooit in China geweest, niettemin is het zeer waarschijnlijk, dat de Christelijke Godsdienst, welke hij op het eiland Niphon vestigde, zich in de naburige streken verbreid heeft en door de zorg van deze heilige, die men terecht de heilige Paulus, de ware Apostel van de Indiën noemen kan, uitgebreid is geworden.” Kan nu de Katholiek, die bij de vijanden van zijne Godsdienst dusdanige getuigenis aantreft een man, die aan het ongeloof en de ketterij ene dodelijke oorlog gezworen had, niet met toepassing op de grote Franciscus in de vreugde van zijn hart uitroepen: “Daarna zag ik ene engel van de hemel afdalen, met grote macht bekleed en de aarde werd verlicht van zijne heerlijkheid.”
De grote apostel van de Indiën, de heilige Franciscus Xaverius; religieus van de Sociëteit van Jesus, één van de eerste leerlingen van de heilige Ignatius van Loyola, was een Navarrees en volgens de getuigenis van de kardinaal Antonius Zapata, die de adel zijner afkomst volgens zekere bescheiden onderzocht heeft, sproot hij uit het bloed der koningen van Navarre. Don Joannes Jasso, zijn vader, was een man van uitstekende verdienste en één der voornaamste leden van de staatsraad van Joannes III, koning van Navarre; Maria Azpilcueta Xavier, zijne moeder, was erfgenaam van twee der aanzienlijkste huizen van het koninkrijk, wijl Don Martinus Azpilcueta, het hoofd van dat huis, om zijne deugden nog roemwaardiger dan om de schone daden van zijne voorouders, huwde met Joanna Xavier, de enige dochter en enige spruit van haar huis. Uit dit huwelijk werd Maria, de moeder van de heilige Xaverius, weer enig kind, geboren. Maria Azpilcueta, ene schone en verstandige vrouw, aan Don Jasso gehuwd, werd moeder van onderscheidene kinderen, van welke Franciscus de jongste was. Hij kwam ter wereld op 7 April 1506 op het kasteel Xavier, hetwelk aan de voet der Pyreneeën lag, zeven of acht uren van Pampeluna, hoofdstad van het koninkrijk Navarre. Sedert tweehonderdvijftig jaren behoorde het aan de familie zijner moeder, want zijne voorouders van moederszijde hadden het van koning Theobald I verkregen, om de uitstekende diensten, die zij aan de kroon van Navarre bewezen hadden, waarom zij de naam van Xavier boven die van Azuarez, hunnen geslachtsnaam, aannamen. Franciscus verkreeg met enige van zijne broeders dezelfde naam, omdat men vreesde dat deze roemvolle naam zou uitsterven.
De Goddelijke Voorzienigheid, die Franciscus Xaverius bestemd had om de bekering van talloze heidenen te bewerken, had hem met alle natuurlijke begaafdheden verrijkt, die van ene onvermoeide apostel gevorderd worden; een sterk lichaamsgestel en levendige en vurige aard, een verheven verstand tot de grootste ondernemingen in staat, een onversaagd hart en overigens was hij vrolijk, beleefd en beminnelijk, maar bij al die begaafdheden, welke aan de mens, die in de wereld leeft, zo dikwerf een gevaarlijke struikelsteen zijn, bezielden hem de uiterste afkeer van al wat de reinheid kon kwetsen en ene sterke zucht tot studie. Daar zijne ouders zeer Godsdienstig waren en één voor God welgevallig leven leidden, boezemden zij de jeugdige Franciscus van zijne tederste jaren, de vrees en liefde Gods in en waren bijzonder zorgvuldig voor zijne opvoeding; Franciscus had nauwelijks de jaren bereikt, waarin men het verstand meer bepaaldelijk begint te oefenen, of hij begon zich toe te leggen op de wetenschappen, terwijl zijne broeders zich aan de krijgsdienst hadden toegewijd. Met een gelukkig geheugen en scherpzinnig verstand, maakte de jonge edelman in weinige jaren de schoonste vorderingen. Toen men zag, dat hij zich hartstochtelijk op de wetenschappen toelegde, zond zijn vader hem naar de universiteit van Parijs, destijds één der vermaardste van Europa, alwaar de adel van Spanje, Duitsland en Italie zich in de wetenschappen oefende.
Franciscus was zijn achttiende jaar ingetreden, toen hij te Parijs kwam en zich op de filosofie toelegde; met verbazende snelheid kwam hij de eerste moeilijkheden der wijsbegeerte te boven. Ofschoon hij natuurlijke aanleg voor de verhevenste wetenschappen bezat, oefende hij zich zonder ophouden, want hij legde er zich op toe, om al zijne medeleerlingen te overtreffen en misschien was er geen, die zoveel gemak tot studie met zoveel arbeid en lust om kennis te vergaderen, verenigde.
Xaverius dacht op niets anders dan om een uitmuntend wijsgeer te worden, toen zijn vader hem, nadat hij zich bijna twee jaren geoefend had, huiswaarts riep. Hij had een talrijk huisgezin en was één van die edellieden, wier tijdelijk vermogen niet altijd hunne geboorte en hunnen rang evenaart. Alvorens tot die maatregel over te gaan, raadpleegde de vader des heiligen eerst met zijne dochter Magdalena, abdis in het klooster der Clarissen te Gandia.
In hare jeugd was zij staatdame bij koningin Isabella geweest, maar de liefde tot afzondering had haar het hof doen verlaten en aan alle genoegens der wereld vaarwel zeggen; zij was van het begin van haar kloosterleven een voorbeeld van volmaaktheid en men twijfelde niet of de Geest Gods woonde in haar. Behalve andere hemelse gunsten had zij van de Heer nog de gave van voorzegging verkregen. Zes jaren voor de dood van deze Godvruchtige religieuze, ontving zij de brief, waarbij haar vader haar omtrent het lot van haren jongste broer Franciscus raadpleegde. Zodra zij die ontvangen had, legde zij de ganse zaak aan de voet van het kruis neer en smeekte de Heer om inlichting; door Gods Geest bestuurd, antwoordde zij haren vader te wachten van Franciscus terug te roepen, dat hij zijne opofferingen zich moest laten welgevallen, omdat haar broeder een uitverkoren werktuig in Gods hand was, eenmaal een vaste steunpilaar van de Kerk zijn zou en bestemd was om het geloof aan de heidenen te verkondigen. In het rechtsgeding der heiligverklaring hebben onderscheidene personen gerechtelijk bezworen die brief gezien en gelezen te hebben.
Don Jasso ontving dit antwoord als ene stem des hemels; Xaverius zette zijne wijsgerige studiën voort; hij verdedigde zijne twistgedingen met algemene bijval, werd meester in de vrije kunsten en bekwaam geoordeeld om ene leerstoel in de wijsbegeerte te bekleden. Hij gaf nu nog meerdere blijken van zijnen scherpe en schier alles omvattende geest; men zwaaide hem van alle zijden de uitbundigste lof toe en zijne ijdelheid werd hierdoor niet weinig geprikkeld. O hoe verheugde Franciscus zich, dat hij de glorie van zijnen naam langs de weg der wetenschappen zag vergroten, terwijl zijne broeders zich dag bij dag door wapenfeiten vermaard maakten. God had echter andere inzichten met Xaverius, want Hij had hem niet naar Parijs doen gaan om slechts vergankelijke roem te behalen. Nauwelijks had de jonge leraar de leerstoel beklommen, of de heilige Ignatius van Loyola, die de wereld verzaakt en het plan reeds gevormd had om ene congregatie te stichten, welke zich uitsluitend aan het zielenheil der mensen zou toewijden, kwam te Parijs om zijne studiën voort te zetten, welke hij om bijzondere omstandigheden in Spanje onderbroken had. Deze grote man was nauwelijks te Parijs, of hij hoorde reeds van Xaverius gewagen, die zijnen leerstoel in het collegie van Beauvais had, en in het collegie van de heilige Barbara woonde met Petrus Faber, uit Savoye in het bisdom van Geneve. Xaverius zowel als Faber schenen zeer geschikt voor de Evangelische arbeid en hij nam dus insgelijks daar zijnen intrek, om de het ene en andere te winnen. Hij begon hen tot de Evangelische volmaaktheid op te wekken; Petrus was zeer vroom en luisterde met goede wil naar zijne onderrichtingen, doch Xaverius, trots van aard, had het hoofd met allerlei ijdele en eergierige denkbeelden vervuld, en verwierp in het begin alle aanzoeken. Het gedrag en de grondstellingen van Ignatius, die zeer arm leefde, deden hem in het oog van de jonge edelman voor één van die lage zielen doorgaan, die niets dan verachting verdienen; hij spotte dus met de heilige en zocht altijd naar de gelegenheid om Ignatius belachelijk te maken. Deze liet zich evenwel niet zo gemakkelijk afschrikken en riep hem meermalen de woorden des Verlossers toe: “Wat baat het de mens, zo hij de ganse wereld wint, maar schade aan zijne ziel lijdt?” Doch ziende dat hij op een hart, zo vervuld met eigenliefde en door de schijn van valse grootheid verblind, niets winnen kon, meende hij Xaverius in zijn zwak te moeten tasten. Na zich meer dan eens met hem over zijne zeldzame begaafdheden, welke de natuur hem boven anderen geschonken had, onderhouden en zijn uitstekende verstand geprezen te hebben, wist hij een groot getal leerlingen te bezorgen, die hij dan in persoon de hoogleraar aanbood. Xaverius was al te roemzuchtig om, van welke zijde zijnen lof aangeheven werd, zich niet te verheugen; daarbij bezat hij een te goedwillig en rechtschapen hart, om de goede diensten niet hoog te schatten, welke hij van de man ontving, die hij verachtte en hij werd er zoveel te meer door getroffen, wijl hij oordeelde die diensten niet te verdienen; daarenboven vernam hij, dat degene, die hij als een nietswaardig voorwerp had aangezien, uit één der aanzienlijkste huizen van Guipuscoa gesproten was, dat zijn moed aan zijne verhevene geboorte beantwoordde en dat liefde tot God hem gedrongen had, om een leven te leiden, dat zoverre beneden zijne vroegere grootheid in de wereld was. Xaverius begon dus Ignatius met andere ogen aan te zien en hoorde hem nu gaarne, ofschoon zijne woorden nog meermalen zijne natuurlijke neigingen tegenstreefden. Onder deze bedrijven begon aan Xaverius, die zoverre van huis verwijderd was, geld te ontbreken; Ignatius, die Vlaanderen en Engeland bezocht en daar milde aalmoezen vergaderd had, bood hem in zijnen dringende nood zijne goede diensten aan en won daardoor geheel en al zijne gunst.
De ketterij van Luther begon zich intussen meer en meer door Europa te verspreiden, en zijne volgelingen zonden enigen van hunne sekte naar de Katholieke universiteiten, die allengs de nieuwe gevoelens zowel aan de leermeesters als aan de leerlingen aannemelijk wisten te doen voorkomen. Onderscheidene Duitse geletterden bevonden zich met dat inzicht te Parijs en onder voorwendsel van de pogingen van koning Franciscus I, die de wetenschappen op zijne universiteiten meer en meer wenste uit te breiden, te bevorderen, kraamden zij hunne dwalingen uit en hechtten zich vooral aan die jongelingen, welke door hunnen geest uitmuntten. Xaverius, van natuur onderzoekend, nam genoegen in de nieuwe leerstellingen en hij zou zich in de daad hebben laten meeslepen, indien Ignatius hem niet teruggehouden had. Franciscus melde enige tijd daarna één en ander aan zijnen oudste broeder Don Azpilcueta en liet Ignatius zelf die brief overhandigen.
“Niet slechts,” zo schreef de dankbare Xaverius, “heeft hij mij door zich zelven en door zijne vrienden ondersteund in de behoeften, waarin ik mij bevond, maar wat van meer belang is, hij heeft mij in de verkeerde gelegenheden geholpen, waarin ik mij gesteld had, door vriendschap aan te knopen met mensen van mijne jaren, die veel verstand en beleefdheid hadden, doch niets als ketterij ademden en die hun bedorven hart onder een aangenaam en innemend uiterlijke wisten te verbergen. Hij alleen heeft die gevaarlijke omgang, waarin ik mij zo onbezonnen gewikkeld had, verbroken en mij belet mijne natuurlijke toegevendheid te volgen, met mij het gevaar voor ogen te stellen en de valstrikken, die men mij spande, te ontwarren. Ik weet niet hoe ik mij jegens Don Ignatius kwijten en hem mijnen dank betuigen zal, daar ik zonder hem, zeker niet tegen die jonge mensen bestand zou geweest zijn, die wel is waar uiterlijk zeer eerbaar en braaf schenen, maar in de grond hunner ziel bedorven waren.”
Uit deze zo echte getuigenis kan men afleiden, dat Xaverius, indien hij niet in de handen van Ignatius gevallen ware, wel verre van het geloof aan de heidenen te gaan verkondigen, het wellicht verloren zou hebben. Het was evenwel aan Ignatius niet genoeg, dat hij Xaverius tegen de dwaling behoed had, hij moest hem insgelijks van de wereld losrukken, en de zo gunstige gesteldheid van Xaverius moedigde de grote insteller der Sociëteit van Jesus aan, om zijne oogmerken te bereiken, terwijl hij zich nu vooral ene gunstige uitslag beloofde. Hij vond bij een zekere gelegenheid zijnen jonge vriend buigzamer dan gewoonlijk en herhaalde hem met meer klem dan vroeger de woorden van Jezus Christus: “Wat baat het de mens de ganse wereld te winnen, maar schade aan zijneziel te lijden?” Hij verklaarde hem vervolgens, dat een hart zo edel, zo groot als het zijne, zich niet bij de ijdele leer der wereld moest bepalen, dat de grootheid en heerlijkheid in de hemel het voorwerp van zijne eerzucht zijn moesten, en dat hij toch moest bevatten, dat men aan de eeuwige goederen bovenal wat als een droom vervliegt, de voorkeur moest geven.
Xaverius zag nu het nietige der wereldse grootheid in en de liefde tot de hemelse goederen ontwaakte bij hem; evenwel hadden deze eerste indrukken der genade niet aanstonds grote gevolgen; meermalen overwoog hij de woorden, welke de man Gods hem toegevoegd had, bij zich zelven, doch eerst na ernstige beschouwingen en grote inwendige strijd, vooral met zijne eerzucht, behaalden de eeuwige waarheden de overwinning op zijn hart; maar toen nam hij ook het vast besluit, om volgens de grondregels van het Evangelie te leven en zich aan de leiding van hem toe te vertrouwen, die hem zijne afwijkingen had doen kennen.
Franciscus Xaverius volgde het voorbeeld van Petrus Faber, die reeds zo heilig leefde en in wiens hart de ijver voor de zaligheid der zielen zo zeer brandde. De raadgevingen en onderrichtingen van ene zo waarlijk verlichte leidsman maakten hem de weg der volmaaktheid gemakkelijk; hij leerde van zijnen nieuwe leermeester, dat de eerste stap die men zetten moet, wanneer men zich bekeren wil, bestaat in met alle kracht de hartstocht, die ons vroeger overheerste, te onderdrukken en te overwinnen. Daar nu zucht tot ijdele roem het grootste gezag over hem voerde, begreep hij reeds van het eerste ogenblik, dat hij zich moest verootmoedigen en zich, bij de beschouwing van zijne nietigheid en zijne zonden, voor God vernederen, doch daar hij tevens zag, dat men de hoogmoedige geest niet kan overwinnen, zonder het vlees te bedwingen, matte hij zijn lichaam af door een haren boetekleed, door vasten en andere gestrenge oefeningen van boetvaardigheid. Dit één en ander had plaats in de zomer van het jaar 1533.
Toen de rusttijd voor de studiën aangebroken was, verrichtte Franciscus de geestelijke oefeningen, welke de heilige Ignatius te Manzora opgesteld had en van welke wij de grondslag en het plan in het leven van die heilige reeds medegedeeld hebben. Xaverius ving met buitengewone ijver zijne afzondering aan, bracht nu en dan vier gehele dagen zonder het geringste voedsel te nemen, door in de overweging der Goddelijke waarheden en ene oude aantekening vermeldt, dat hij meermalen gebonden aan handen en voeten zijn gebed verrichtte, daardoor te kennen gevende, dat hij slechts door de beweging van de Heilige Geest wilde handelen, of om zich te behandelen als die mens, die gelijk het Evangelie zegt, zonder bruiloftskleed in de zaal verscheen; terwijl hij insgelijks het misbruik wilde boeten, dat hij in vroegere jaren van zijne lichaamsvlugheid gemaakt had. Met op deze wijze zich aan de overdenking der grote waarheden en vooral van de geheimen van het leven van Jezus Christus toe te wijden, werd Xaverius als een geheel nieuw mens en de nederigheid des kruises werd hem dierbaarder, dan alle roem en grootheid der wereld. Deze voor hem nieuwe beschouwingen spoorden hem aan om ene zowel om haar inkomen als aanzien belangrijke kanunniksplaats, welke hem te Pampeluna opgedragen werd, te weigeren; hij vormde daarenboven in zijne afzondering het plan, om God op alle mogelijke wijzen te verheerlijken en zijn geheel leven aan het bewerken der zaligheid zijns evennaasten toe te wijden. Na de wijsbegeerte drie en een half jaar onderwezen te hebben, leidde hij zich, volgens de raad van de heilige Ignatius, aan wiens leiding hij zich geheel toevertrouwd had, op de theologische studiën toe.
Ignatius ondertussen meende zich reeds vroeger geroepen om in Palestina aan de bekering der Joden en ongelovigen te arbeiden; hij deelde zijn voornemen aan Xaverius mee, gelijk hij zich vroeger reeds met Peter Faber en de vier andere jongelingen, die zijne wijze van leven omhelsd hadden, daarover had onderhouden. Met gemeen overleg besloten deze nieuwe zeven steunpilaren der Kerk, om zich door geloften te verbinden, hunne tijdelijke goederen te verlaten en naar Jeruzalem te vertrekken, of indien binnen een jaar tijd zich daartoe gene geschikte gelegenheid aanbood, zich alsdan aan de voeten van de algemene vader der gelovigen te werpen en zich ter zijner beschikking te stellen, zodanig dat hij hen naar welke plaats ter wereld ook zou kunnen zenden. Op de feestdag der ten hemel opneming van de Heilige Maagd, op 15 Augustus 1534, legden deze zeven mannen, voor wie de wereld te klein was, in de onderaardse kapel van de beroemde Martelaarsberg (Mont-Martre) te Parijs hunne geloften af, om zich zonder terughouding aan de Heer en zijne dienst toe te wijden. De plaats zelve, die door het bloed der martelaren besproeid was en waar hunne as nog rustte, boezemde aan Xaverius ene bijzondere liefde tot God in en deed bij hem een vurig verlangen, om insgelijks door de marteldood zijn leven te eindigen, geboren worden.
Op 15 November 1536 verliet Xaverius met zijne gezellen Faber, Laynez, Salmeron, Bodadilla, en Simon Rodricus de stad Parijs. Drie andere Godgeleerden, te weten Claudius le Jay, Joannes Codarius en Paschasius Brouet, die door vader Petrus Faber, tijdens de afwezigheid van de heilige Ignatius, die reeds naar Spanje afgereisd was en hen in 1537 te Venetië zou opwachten, aangenomen waren, ondernamen met hen de reis, zodat de kleine maatschappij reeds tien leden telde. Voor hun vertrek uit Parijs had Xaverius, wiens ijver tot versterving somtijds te ver ging, zijn armen en dijen met dunne koordjes gebonden, welke hij meende dat hem in het gaan niet zouden hinderen, doch nauwelijks had hij ene korte weg afgelegd, of hij gevoelde hevige smarten; zoveel hij kon, duldde en ontveinsde hij de pijn, tot dat hem zijne krachten begaven. De beweging had de dijen doen opzwellen en de koorden waren zo diep ingedrongen, dat men deze niet meer zien kon, zodat de heelmeester, tot wie zijne gezellen zich gewend hadden, verklaarde, dat de insnijdingen zijne smarten zeer zouden vermeerderen en zijne ellende bovendien onherstelbaar was. In deze treurige omstandigheid namen Faber en de andere reisgenoten hunne toevlucht tot God; hun gebed werd verhoord. Xaverius de volgende morgen ontwakende, vond de koorden aan zijne zijde, zijne dijen zonder enige zwelling en ontsteking en gene littekenen van zijne onvoorzichtigheid bleven zichtbaar; allen dankten God voor zijne vaderlijke tederheid en ofschoon de wegen ongebaand en uit hoofde van het jaargetijde schier onbruikbaar waren, vervolgden zij welgemoed en met een hart vol geestelijke blijdschap hunnen weg. Onderweg toonde Xaverius zich de dienstknecht van allen en voorkwam hen door zijne liefde. Op 8 Januari 1537 te Venetië aangekomen zijnde, verlangden zij slechts naar het ogenblik om naar Palestina te kunnen reizen, doch Ignatius, die zij voor hunnen vader erkenden, was van oordeel, dat zij tot het ogenblik, dat zij de zegen van de heilige Vader op hunne onderneming zouden ontvangen, in de verschillende gasthuizen der stad zich in werken en barmhartigheid zouden oefenen. Het gasthuis der ongeneeslijken viel Xaverius ten deel, die, niet tevreden met gedurende de dag de zieken te verbinden, hunne bedden op te maken en hun de nederigste diensten te bewijzen, zelfs de nacht aan hunne legerstede doorbracht. Zijne zorgen bepaalden zich niet bij hunne lichamelijke ellenden; ofschoon hij zeer moeilijk Italiaans sprak, onderhield hij de zieken over God en vermaande vooral de ongodsdienstigen tot boetvaardigheid, terwijl hij hun zo goed hij kon onder het oog bracht, dat hoewel hunne lichamen ongeneeslijk waren, hunne zielen evenwel genezen en hersteld konden worden; dat hoe verschrikkelijk hunne misdaden ook waren, zij betrouwen op de barmhartigheid Gods moesten hebben, wijl de zondaars, indien zij zich slechts oprecht wilden bekeren, van Hem de genade om in de vriendschap Gods te komen zouden verwerven. In het hospitaal bevond zich een mens die ene etterbuil had, welke ieder, die hem behandelde, afgrijzen veroorzaakte; daarbij was de stank van dien aard, dat niemand in staat was hem schier enige dienst te bewijzen; ook Xaverius gevoelde bij een zekere gelegenheid grote afkeer, doch herinnerde zich terzelfdertijd de grondregel van de heilige Ignatius, te weten, dat men in de deugd geen grote vorderingen maakt, tenzij men zich zelven weet te overwinnen. Door deze gedachten en door de voorbeelden van de heilige Catharina van Sienne versterkt, omhelsde hij die rampzalige en bewees hem diensten, voor welke de gewone mens terugdeinst; op hetzelfde ogenblik hield zijn afkeer op en hij vond geen moeite meer in al wat hem vervolgens wedervoer.
Twee maanden brachten deze heiligen in het beoefenen van de werken van liefde door en namen vervolgens de reis naar Rome aan, doch Ignatius bleef te Venetië. In de hoofdstad der Christenheid bestelde Xaverius zijnen tijd met de kerken te bezoeken, en zich bij de graven der Apostelen aan de Evangelische bedieningen toe te heiligen; hij had gelegenheid de heilige Vader meermalen te spreken; zij waren door een Spaans geleerde, gezant van de keizer, die hen kende, bij de Paus ingeleid; Paulus III, die de wetenschappen beminde en zich onder de maaltijd altijd met geleerden onderhield, wilde dat deze vreemdelingen, wier begaafdheden hem gemeld waren, hem enige dagen achtereen kwamen zien en dan behandelde men gewoonlijk moeilijke, Godgeleerde punten.
Na de pauselijke zegen ontvangen en voor degenen onder hen, die geen priester waren, verlof tot het ontvangen der heilige wijdingen verkregen te hebben, keerden zij naar Venetie terug. Xaverius deed met de anderen in handen van Hieronymus Veralli, pauselijke nuntius, de beloften van armoede en eeuwige zuiverheid, hernam zijne bediening onder de ongeneesbaren en zette die oefening van liefde tot aan de tijd der inscheping naar Palestina voort. De oorlog, welke intussen de Turken en de Venetianen uitgebroken was, verbrak alle gemeenschap met de Levant en sloot de havens van het Heilige Land, zodat gene schepen zich derwaarts konden begeven. Xaverius gevoelde al de smart van dat oponthoud en het meest kwelde hem het denkbeeld, dat hij niet slechts verstoken was van het genoegen om de heilige plaatsen, door de tegenwoordigheid en het bloed van Jezus Christus geheiligd, te bezoeken, maar zelfs de gelegenheid moest opgeven, om voor zijnen Goddelijke Meester de dood der martelaren te sterven. Hij troostte zich evenwel in het eerbiedigen van de Goddelijke wil en om nuttiger aan zijne naasten te kunnen zijn; bereidde hij zich tot de heilige priesterwijding en ontving die met onbeschrijfbare gevoelens van vrees, Godsvrucht en liefde. De stad scheen hem ongeschikt om zich tot de eerste Heilige Misofferande voor te bereiden en hij begaf zich, ten einde met God alleen te kunnen bezig zijn, naar ene eenzame plaats bij het dorp Monselice, vier mijlen van Padua gelegen. In ene met stro gedekte en verlatene hut bracht hij veertig dagen door, sliep op de blote aarde, tuchtigde zijn lichaam, vastte dagelijks en voedde zich slechts met een weinig gebedeld brood, doch smaakte in de overweging der Goddelijke waarheden, al de zoetigheden van het paradijs. Hij beschouwde zijne ellendige hut als de stal van Bethlehem, en terwijl hij zich de uiterste armoede van het kind Jezus als voorbeeld voor de geest bracht, zei hij meermalen, dat, daar de Verlosser der wereld aan alles gebrek geleden had, ook zij, die zich aan het bewerken van de zaligheid der mensen toewijden, in deze wereld niets behoorden te bezitten.
De heilige had zijne veertigdaagse voorbereiding volbracht en daar de tijd, waarop hij het onbloedige offer zou opdragen, nog niet was aangebroken, verliet hij zijne afzondering en ging in de naburige vlekken, gehuchten en dorpen het volk onderwijzen; de bevolking van Montelice was zeer ruw en zonder Godsdienstkennis, waardoor de zeden onder haar zeer in verval waren; Xaverius onderrichtte hen dagelijks; zijn boetvaardig leven en houding gaf gezag aan zijne woorden en men begon hem weldra als ene andere heilige Johannes de Doper te eerbiedigen, die hun de weg ten hemel kwam aanwijzen. Op die wijze hield hij zich twee of drie maanden bezig, want ofschoon er tot nog toe geen scheepsgelegenheid was om naar het Heilige Land te vertrekken, wilden Ignatius en zijne leerlingen evenwel het einde des jaars het grondgebied van Venetië niet verlaten, omdat hij zich omtrent hunne afgelegde geloften alle verwijt wensten te besparen. Nadat de heilige Xaverius zich door ene strenge afzondering tot de grote en gelukkigste dag van het ganse leven eens priesters voorbereid had, droeg hij de eerste offerande te Vicenza op; de heilige Ignatius had daar de ganse broederschare doen vergaderen en de heilige priester offerde de Heilige Geheimen onder zulk ene vloed van tranen, dat alle aanwezigen de hunne niet konden weerhouden.
Zijn gestreng en arbeidzaam leven en gevoelige Godsvrucht maakten zo’n grote indruk op hem, dat hij, hoewel zeer sterk van lichaam, weinige dagen na de verhevene gebeurtenis, te Vicenza in ene zware ziekte viel; men vervoerde hem naar één van de gasthuizen in de stad, maar dat gesticht was zeer arm en zo opgevuld met zieken, dat hij slechts een gedeelte van een gering bed kon verkrijgen; daarbij lag hij in een vertrek, hetwelk aan alle zijden open was; het voedsel beantwoordde aan de armoede van het gesticht, maar zijne ziel werd ruim gevoed door al de vertroostingen des hemels. De dienaar des Heren had steeds ene bijzondere eerbied voor de heilige kerkleraar Hieronymus en nam vooral in moeilijke gevallen zijne toevlucht tot die heilige; hij werd nu op een zekere nacht door de verschijning van de grote heilige vertroost, die hem zei, dat hem te Boulogne grote kwellingen wachtten, dat hij met één zijner medebroeders daar de winter zou doorbrengen, dat enigen hunner naar Padua, anderen naar Rome, naar Ferrara en Sienne zouden afreizen. Deze verschijning versterkte de grote Xaverius zo zeer, dat hij spoedig zijne gezondheid herkreeg; hij sprak evenwel niet van het voorval en de heilige Ignatius, die van de veropenbaring aan Xaverius geen kennis droeg, verklaarde, na zijne leerlingen vergaderd te hebben, dat daar de toegang tot het Heilige Land voor hen gesloten bleef, zij niet langer mochten uitstellen om zich ter beschikking van de heilige Vader te stellen; dat het voldoende was wanneer slechts hunner zich naar Rome zouden begeven, wijl de anderen zich in de voornaamste universiteiten van Italie zouden verspreiden, ten einde aan de jeugd de vreze Gods in te boezemen. Ignatius bestemde nu die universiteiten, welke de heilige Hieronymus genoemd had; Boulogne werd aan de ijver van Xaverius en van Bobadilla toevertrouwd.
Te Boulogne ging hij aan het graf van de heilige Dominicus, die hij ene bijzondere eerbied toedroeg, de Heilige Geheimen opdragen en zich aan de voorspraak van deze ordestichter aanbevelen; de heilige leefde in die stad slechts van aalmoezen, welke hij dagelijks bedelde, las in de kerk van de heilige Luca de Heilige Mis, bracht een groot gedeelte van de dag in de biechtstoel door, bezocht de zieken en gevangenen, onderrichtte de kinderen en predikte voor het volk. Ofschoon hij zeer slecht sprak, want zijne taal was nog een mengelmoes van Italiaans, Frans en Spaans, werd hij evenwel met genoegen gehoord; men lette noch op zijne woorden; noch op de uitspraak, maar hoorde hem aan als één van de hemel gezonden mens en de vrucht van zijne onderwijzing bleek uit de gevolgen, want nauwelijks was hij van de predikstoel afgestegen, of men wierp zich in de stoel der boetvaardigheid aan zijne voeten neer.
Zijne onophoudelijke inspanningen in een strenge winter, wierpen hem weldra op het ziekbed, dat smartelijker dan het vroegere was; ene derdedaagse hardnekkige koorts verzwakte Xaverius zo zeer, dat hij weldra aan een geraamte gelijk was; ongeacht zijne zwakte, bleef hij het volk tot boetvaardigheid vermanen, en wanneer de stem hem ontbrak, dan sprak zijn boetvaardig voorkomen nog dringender dan zijne woorden tot de harten. Terwijl hij zich te Boulogne aan het bewerken van het zielenheil zijns naasten opofferde, werd hij door de heilige Ignatius naar Rome ontboden, want de heilige insteller had opnieuw aan de Paus de diensten der nieuwe vereniging aangeboden, en Paulus III had dit aanbod met het grootste welgevallen aangenomen, doch verlangde dat zij te Rome zouden aanvangen met te prediken in de voornaamste kerken, hiertoe door de heilige Vader bestemd. Xaverius werd de dienst der kerk van de heilige Laurentius in “Damaso” opgedragen. Hij volvoerde de hem opgelegde taak met zoveel ijver, dat allen die hem hoorden de kerk in diepe stilte verlieten, terwijl zij niet dachten om de prediker te prijzen, maar wel om zich van hunnen boze weg te bekeren. De hongersnood, welke Rome teisterde, gaf aan deze nieuwe arbeiders gelegenheid vele armen te hulp te komen. Xaverius trachtte hun intrek te verschaffen, aalmoezen in te zamelen en voor hunne voeding te zorgen; hij nam velen, die op de straat lagen te verhongeren, op zijne schouders, droeg hen dan naar één of ander gasthuis, betoonde hun alle diensten en zo werd ene grote menigte niet slechts van de lichamelijke, maar vooral van de geestelijke dood behoed.
Ondertussen kwam Jacobus Govea, een Portugees, in het jaar 1539 te Rome. Deze had Ignatius, Xaverius en Petrus Faber te Parijs gekend en was overste in het klooster van de heilige Barbara, toen deze drie heiligen daar woonden. De kroon van Portugal had hem ene gewichtige zending toevertrouwd, te weten werklieden op te sporen, die zich wensten op te offeren om het geloof in de Oost-Indiën te verbreiden; hij melde de koning, te Rome mensen aangetroffen te hebben, die hij reeds vroeger kende, geleerde, ootmoedige, liefdadige mannen, die het kruis beminden, steeds de meerdere eer van God zochten en voor die zending bijzonder geschikt waren; hij zei dat de vorst hen slechts van de heilige Vader, die over hunne dienst rechtstreeks beschikte, te verzoeken had. Joannes III, de Godsdienstigste koning van zijne eeuw, gelastte aan Don Pedro Mascaregnas, zijnen gezant bij de Heilige Stoel, om tenminste zes zodanige mannen als Govea hem voorgedragen had te verzoeken; aanstonds ontbood de Paus de heilige Ignatius, die aan Zijne Heiligheid reeds het plan van ene nieuwe orde, welke hij en zijne gezellen wensten te stichten, voorgedragen had en hem werd nu door de Paus de zaak opgedragen.
Ignatius, die de hervorming der ganse wereld beoogde, en de dringende behoefte kende, waarin Europa, dat van alle zijden door ketterij besmet werd, verkeerde, antwoordde de gezant van Portugal, dat zij slechts tien leden telden en dat men over niet meer dan twee arbeiders kon beschikken. De Paus nam genoegen in het voorstel en verlangde, dat Ignatius zelf de keuze zou doen; hij benoemde tot deze zending Simon Rodricus, een Portugees en Nicolaus Bobadilla, een Spanjaard. De eerste bevond zich te Sienne, de ander was in het koninkrijk Napels werkzaam; ofschoon Rodricus, toen hij opgeroepen werd, de derdedaagse koorts had, scheepte hij zich evenwel enige tijd daarna te Civita-Vecchia naar Lissabon in en nam Paulus de Camerin, die, sedert enige maanden lid der nieuwe congregatie was, mee. Bobadilla was nauwelijks te Rome gekomen, of hij werd door aanhoudende koortsen aangetast, waardoor de Voorzienigheid scheen te tonen ene andere voor de zending naar de Indiën bestemd te hebben. Mascaregnas stond op het punt van te vertrekken en wenste de tweede zendeling naar Portugal te geleiden. Ignatius ziende, dat Bobadilla buiten staat was om de reis te doen, smeekte de Heer om hem de persoon aan te wijzen, die Hij tot die moeilijke zending verkozen had. Ene hemelse inlichting deed hem weldra kennen, dat Franciscus Xaverius dit uitverkoren werktuig in Gods hand was; hij ontbood hem dadelijk en zei hem: “Xaverius ik had Bobadilla voor de Indiën bestemd; maar de hemel benoemt u heden, en ik geef u in naam van de Stedehouder van Jezus Christus te kennen, dat gij die zending op u nemen moet. Neem de grote bediening aan, waarmee de heilige Vader u door mijnen mond belast, als of Jezus Christus zelf zulks van u vorderde. Verblijd u, daar gij datgene gevonden hebt, hetwelk aan de brandende ijver, die ons allen bezielt, om het geloof in andere werelddelen te verkondigen, voldoening geven kan. Niet slechts in Palestina of een enkel gewest in Azië, maar uitgestrekte landstreken, verschillende koninkrijken, ene ganse wereld is u toevertrouwd. Er is gene zo uitgestrekte streek grond, welke uwe ijver en moed niet zou verdienen. Ga dan, mijn broeder, waar Gods stem u roept en de Heilige Stoel u zendt, en ontsteek in allen het vuur, dat ik u brandt.”
Xaverius, verbaasd over deze woorden, antwoordde, terwijl zijn aangezicht bloosde en hij overvloedige tranen stortte, dat hij zich niet kon begrijpen hoe men aan een mens, zo zwak, zo flauwhartig en zonder moed als hij, had kunnen denken om hem ene bediening op de schouders te leggen, welke ene apostel vordert; dat hij evenwel bereid was om aan het bevel des hemels te gehoorzamen en zich van ganse harte aan de bekering der Indiën wilde toewijden. Nu gevoelde hij ene blijdschap, die zijn hart overstelpte en hij zei in vertrouwen aan vader Ignatius, dat zijne wensen vervuld waren; dat hij reeds geruime tijd verlangd had om naar de Indiën te vertrekken, zonder evenwel daarvan te hebben durven gewagen, en dat hij slechts haakte om onder de afgodendienaars zijn bloed voor Jezus Christus te vergieten, wat hem in Palestina niet had mogen te beurt vallen. In de verrukking, waarin hij zich bevond, verklaarde hij vervolgens, dat hij thans duidelijk zag verwezenlijken, wat God hem meermalen onder geheimzinnige tekenen getoond had. Xaverius trouwens droomde menige nacht, dat hij ene grote, zwarte Indiër op de schouders torste, en die dromen vermoeiden hem dan zo zeer, dat hij veeltijds al slapende zuchtte, als of hij veel lijden had, dat hij buiten adem was tot dat zijn gezucht de andere wekte, die met hem dezelfde kamer bewoonde. Vader Laynez eens ontwakende, vroeg hem waarover hij zuchtte en Xaverius verhaalde hem toen zijnen droom en verklaarde, dat hij geweldig zweette. Zo zag hij insgelijks in de slaap of in ene verrukking uitgestrekte zeeën, die vol klippen en door de vreselijke stormen onstuimig waren, onderscheidene woeste eilanden en schier ongenaakbare landstreken, en trof daar overal honger, dorst, naaktheid, eindeloze arbeid, bloedige vervolgingen en doodsgevaren aan. Bij deze beschouwing hoorde men hem uitroepen: “Nog meer, o Heer, nog meer!” Vader Rodricus, die deze woorden duidelijk hoorde en alles ondernam om het geheim van de heilige te ontdekken, zag zijne weetgierigheid niet eerder voldaan, dan toen Xaverius zich naar de Indiën inscheepte, want op dat ogenblik openbaarde hij hem eerst zijne geheimen.
Daar de heilige tot die onderneming kort voor het vertrek van de gezant Mascaregnas bestemd werd, had hij slechts de tijd om zich enigszins gereed te maken, zijne vrienden te groeten en de voeten van de heilige Vader te kussen. Paulus III was buiten zich zelven van vreugde toen hij zag, dat nog onder zijn pausschap de deur des Evangeliums in de Indiën geopend werd; hij ontving de heilige met de tederheid eens vaders en moedigde hem aan in zijne onderneming, en om de nieuwe apostel te versterken, zei hij hem, dat de eeuwige wijsheid ons altijd kracht verleent om de bedieningen, tot welke zij ons beschikt, waar te nemen, zelfs dan, wanneer deze de menselijke krachten schijnen te boven te gaan, doch dat het werk des Heren niet zonder de weg der kwellingen en des lijdens te bewandelen, voltrokken wordt; dat men zich nooit de eer van het apostelambt mag aanmatigen, tenzij men de voetstappen der Apostelen, wier leven altijd kruis en gestadig sterven was, drukke, dat de hemel hem op de paden van de heilige Thomas, de Apostel van de Indiën, zond , dat hij dus moedig zou arbeiden om in de akker, welke deze Apostel bearbeid had, het geloof te doen herleven en dat hij, wanneer hij insgelijks zijn bloed voor Jezus Christus zou moeten vergieten, zich gelukkig moest achten als martelaar te sterven.
Het scheen de heilige als of God zelf sprak door de mond van zijnen Stedehouder, zoveel indruk maakten zijne woorden op de geest en het hart van Xaverius, terwijl zij hem als met ene Goddelijke kracht vervulden; in zijn antwoord aan de heilige Vader liet de apostel zo’n diepe nederigheid en grootheid van ziel blijken, dat Paulus III reeds al de grote daden, die Xaverius voor de Heer zou verrichten, voorzag. Na hem dan de bijzondere bijstand des opperste Herders der zielen bij al zijnen arbeid toegewenst te hebben, omhelsde hij meer dan eens Gods dienaar met vaderlijke tederheid en gaf hem de apostolische zegen.
Op 15 Maart 1540 was een even belangrijke als heilvolle dag voor de grote dienaar van Jezus Christus, die in gezelschap van de gezant Mascaregnas vertrok uit het midden zijner broeders; zijne brevier was zijne gehele toerusting. De heilige wierp zich aan de voeten van de heilige Ignatius en smeekte hem om zijne zegen; toen hij van vader Laynez afscheid nam, overhandigde hij hem een klein door hem ondertekend geschrift, hetwelk nog te Rome bewaard wordt, houdende, dat hij zoveel hem betreft, de regel en de instellingen goedkeurt en aanneemt, die door vader Ignatius en zijne metgezellen zou worden opgesteld, dat hij Ignatius en bij gebreke van dien, Peter Faber tot generaal-overste, dat hij zich door de drie geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid in de Maatschappij van Jezus verbindt, wanneer dezelve door apostolisch gezag als orde zou erkend zijn.
De reis van Rome naar Lissabon, welke over land geschiedde, duurde drie maanden; volgens de wil van de gezant, had men Xaverius een paard gegeven, doch nauwelijks was men op weg, of hij stond het paard tot algemeen gebruik af; in de herbergen diende hij allen, stichtte elk en trachtte steeds gevoelen van Godsvrucht in te boezemen.
De reizigers kwamen te Lorette en bleven daar ruim acht dagen, eer zij de tocht naar Boulogne voortzetten; van hier schreef Xaverius aan Ignatius en berichtte hem, dat hij zijnen brief ontvangen had en beloofde hem, dat vermits zij mogelijk elkander in deze wereld niet zouden terugzien, hem uit alle plaatsen en landstreken, waar hij zich in de Indiën zou bevinden, te zullen schrijven. Gans Boulogne was in beweging; groot en klein verlangde Xaverius te zien; de meesten ontdekten hem de staat van hun geweten en weenden bij zijn vertrek, daar zij zich voorstelden hem nooit te zullen terugzien. Drie merkwaardige gebeurtenissen, verhoogden het denkbeeld, hetwelk men reeds van de heiligheid van Xaverius koesterde. Eén der dienstknechten van de gezant, een ruw oplopend man, had zich wegens ene berisping hevig over Mascaregnas uitgelaten; de volgende dag vooruitgereden zijnde, volgde de heilige hem, doch vond hem onder zijn paard liggen, dat met hem van ene steile rots afgevallen en gebarsten was. “Rampzalige,” voegde de heilige hem toe, “wat zou van u geworden zijn, indien gij hier om het leven gekomen waart?” Deze weinige woorden deden die mens in zich zelven terugkeren en vol berouw vergiffenis vragen. Middelerwijl hielp Xaverius hem op, lichtte hem op zijn eigen paard en leidde het te voet bij de toom tot aan de verblijfplaats. Bij ene andere gelegenheid wilde de stalmeester van de gezant te paard ene kleine rivier doorwaden, die evenwel zeer diep was en een zeer sterke stroom had, die hem met het paard in de diepte sleepte en men meende hem reeds verloren. Xaverius, over het heil van deze mens begaan, die tot de religieuze staat geroepen was, doch de wereld weer gekozen had, wierp zich op de knieën en smeekte God, dat hij mocht behouden blijven; de gezant en allen die met hem waren deden hetzelfde, en nauwelijks had men de bijstand des hemels ingeroepen, of man en paard, die reeds begonnen te zinken, kwamen te voorschijn, werden op de oever geworpen en gered. Bij het overtrekken der Alpen viel de geheimschrijver van de gezant in ene verschrikkelijke afgrond; zijne klederen haakten aan de punt van ene rots, doch hij kon zich zelven niet helpen en de diepte des afgronds schrikte allen af; Xaverius bedacht zich geen ogenblik, daalt in de afgrond, reikt de ongelukkigen de hand en red hem op ene wonderdadige wijze.
Toen zij Frankrijk verlieten en aan de zijde van Navarre de Pyreneeën overgetrokken waren, en Pampeluna naderden, maakte Mascaregnas de aanmerking, dat vader Franciscus (zo noemde men Xaverius gewoonlijk) niet sprak om het kasteel Xavier, dat een weinig ter zijde van de weg gelegen was, te bezoeken. Hij drong hem om toch, voor hij Europa zou verlaten, om er niet weer terug te keren, zijne bloedverwanten te gaan zien en zijne moeder te groeten; doch niets kon de heilige daartoe bewegen, hij volgde de rechte weg en zei de gezant slechts: “dat hij zich voorbehield om zijne bloedverwanten in de hemel te zien, niet in het voorbijgaan en met de droefheid, welke het afscheid vergezelt, maar voor altijd en met ene zuivere hemelse vreugde.” Mascaregnas, die reeds een groot denkbeeld van de deugd van vader Franciscus had opgevat, begon hem, nu hij zijne zo bewonderenswaardige afgetrokkenheid zag, nog grotere eerbied toe te dragen, zodat hij, eer hij Portugal naderde, reeds een snelpost afzond, om koning Joannes III bericht te geven van de heiligheid van deze tweede zending.
Bij het einde der maand Juni 1541, kwam Xaverius te Lissabon en begaf zich naar het gasthuis van alle heiligen, waarin Rodricus zijnen intrek reeds genomen had. Hij vond deze zeer verzwakt en aan ene derdedaagse koorts lijdende, die hem niet wilde verlaten; hij omhelsde hem op het ogenblik dat de koorts hem met nieuwe kracht aantastte; doch hetzij de overgrote blijdschap, welke Rodricus gevoelde, ene verandering daarstelde, of dat de omhelzing van de heilige Xaverius in hem ene heilzame genezing uitwerkte, de aanval der koorts hield ogenblikkelijk op en Rodricus was van stonde af hersteld. Drie of vier dagen daarna werden beiden aan het hof ontboden, waar men Xaverius als een heilige ontving. Ofschoon een hofbeambte bevel had om voor Xaverius en Rodricus een verblijf in gereedheid te brengen, keerden zij evenwel naar het gasthuis terug en verlangden zelfs de spijzen niet, die hun van ’s konings wege gezonden werden, maar leefden als armen hun brood vragende. De inscheping werd tot het volgende voorjaar uitgesteld; Xaverius hield zich in die tussentijd niet tevreden met jonge edellieden, welker opleiding de koning hem toevertrouwd had, te onderwijzen, hij deed te Lissabon zoals hij te Venetië, Boulogne en Rome gedaan had, en stond dag en nacht de zieken in het gasthuis bij, bezocht en onderrichtte dagelijks de gevangenen, onderwees meermalen in de week de kinderen in de grondbeginselen van de Godsdienst, hield onderwijzingsredenen met de voornaamsten van het huis des konings en onderscheidenen van hen hielden onder zijne leiding de geestelijke oefeningen van zijn vader Ignatius.
Martinus Azpilcueta, bijgenaamd de leraar van Navarre, oom van moederszijde van Xaverius, die de voornaamste leerstoel in de universiteit te Coimbra, de enigste van het koninkrijk, bezat, de komst van zijnen neef vernomen hebbende, schreef de koning dringende brieven, om te verzoeken van hem Franciscus te zenden totdat de vloot in zee stak; hij verbond zich om zonder verder bezwaar nog twee leerstoelen, die van het canonieke recht en van de mystieke theologie, op zich te nemen, dat hij zelfs bereid was om binnen weinige jaren zich aan Xaverius aan te sluiten en met hem de afgodendienaars in Oost-Indië het Evangelie te prediken. Alles was tevergeefs, een man, die geen voetstap van de weg wilde afwijken, om zijne moeder en bloedverwanten voor het laatst vaarwel te zeggen, wilde volstrekt zijne gewichtige bezigheden niet laten varen, om een enkel man, die naam in de wereld had, te gaan zien. Op zijn verzoek hield de koning hem te Lissabon en vader Franciscus schreef zijnen oom een antwoord op twee brieven, welke hij van hem ontvangen had, waarin zijn oom hem zijne bekommering omtrent de gestrenge levensstaat te kennen gaf, welke hij omhelsd had. Betrekkelijk dit punt antwoordde Xaverius: “Nopens hetgene men u van onze instelling gezegd heeft, wil ik u thans slechts een woord zeggen: Er ligt mij, doorluchtig meester, weinig aan gelegen om van de mensen beoordeeld te worden, vooral van hen, die oordelen voor zij gehoord hebben of de zaak kennen.” Vervolgens geeft hij hem de raad van er niet te denken, om naar de Indiën te vertrekken, zoals men door de leraar zelfs in zijn handboekje aangetekend vindt. “mijne dagen geëindigd hebben, indien Xaverius mij, uit hoofde van mijne jaren, niet ongeschikt geoordeeld had om de vermoeienissen van zijne zending te kunnen doorstaan, en indien hij mij niet geschreven had toen hij vertrok, met de hoop van elkander in de hemel terug te zien.”
De beide zendelingen arbeidden niet tevergeefs in Lissabon; het volk werd zeer Godvruchtig; vroeger naderde men slechts in de vaste tot de Heilige Sacramenten, doch thans zag men velen de Heilige Geheimen dikwijls ontvangen; anderen, die hunne bekering van dag tot dag uitgesteld hadden, offerden zich opeens aan de boetvaardigheid en aan God op; velen verzaakten ene bedrieglijke wereld, de dodelijkste vijanden verzoenden zich, lichte vrouwen en andere zedelozen verlieten hunnen ongebondene, dartelende en ontuchtige levenswandel.
Aan het hof zag men ene gehele hervorming; de koning, die zeer Godsdienstig en vroom was, verklaarde zich het eerst tegen alle misbruiken en ongeregeldheden, die de paleizen der vorsten gewoonlijk besmetten, en hij verlangde niet slechts in zijn huis, maar door het ganse koninkrijk dat de jeugdige edellieden elke acht dagen hun geweten zouden reinigen; de vorst zei: “Indien de edellieden en andere groten zich gewoon maken om van hunne vroegste jaren af, God te vrezen en te dienen, dan zullen zij in gevorderde leeftijd als Christenen weten te leven; indien mensen van aanzien eenmaal deugdzaam geworden zijn, zal het volk, dat steeds op hen het oog houdt, spoedig zijne zeden naar die voorbeelden regelen.” Het voorbeeld van de koning en de hovelingen, die alle Zon- en feestdagen tot de Heilige Geheimen naderden, spoorde allen aan en Xaverius gaf in zijn verslag aan vader Ignatius zijne bijzondere tevredenheid te kennen. De koning zag al het goede, dat de beide zendelingen in het ganse koninkrijk verrichtten en kwam op het denkbeeld om hen in Portugal te houden; men schreef aan vader Ignatius, die de zaak aan de beslissing van de heilige Vader overliet, doch ook deze wilde niets beslissen en nu schreef Ignatius aan beide religieuzen, dat de koning voor hen in deze zaak de plaats van God bekleedde en dat zij blindelings zouden gehoorzamen; hij schreef terzelfdertijd aan Dom Mascaregnas, dat Xaverius en Rodricus ter beschikking van de vorst waren en in Portugal zouden blijven, indien Zijne Majesteit dit verlangde; doch dat hij meende, dat men het besluit diende te wijzigen, te weten met Rodricus in Portugal te houden en Xaverius naar de Indiën te zenden. De koning nam genoegen in de verdeling door de heilige Ignatius voorgesteld en Xaverius, buiten zich zelve van vreugde bij deze tijding, loofde God, die hem opnieuw voor de zending naar de Indiën verkozen had, of zeggen wij liever, die zijne eeuwige raadsbesluiten uitvoert, ongeacht al de tegenstand die mensen bieden.
De tijd om in te schepen daar zijnde, ontbood de koning de heilige en gaf hem alle inlichtingen omtrent de staat van de Indiën en verklaarde te verlangen, dat hij meermalen zou schrijven, niet slechts aan zijne ministers, maar aan hem zelven. Vervolgens stelde de koning de heilige vier breven ter hand, welke ditzelfde jaar van Rome afgezonden waren; in twee derzelve stelde de heilige Vader hem als apostolisch nuntius aan en verleende hem ene zeer uitgebreide macht, ten einde het geloof te kunnen verkondigen en handhaven; in ene derde beval de heilige Vader hem in de gunst aan van David, keizer van Ethiopië, en in de vierde aan alle vorsten en prinsen der eilanden en van het vaste land, van de kaap de Goede Hoop tot aan de andere zijde van de Ganges. Joannes III had deze breven verzocht en de heilige Vader verleende ze met de meeste welwillendheid, met het doel om aan de zending van vader Franciscus meer gezag bij te zetten. Xaverius ontving ze met de meeste eerbied uit de hand des konings en zei, dat hij zover zijne zwakheid het veroorloofde, zou trachten de last te volvoeren, die God en de mensen hem hadden opgelegd. Don Antonius van Acaida, graaf van Castagnera, die het toezicht over de scheepsbehoeften had, verzocht, dat Xaverius hem ene lijst zou geven van hetgeen hij gedurende de reis behoefde en verzekerde hem vanwege de koning, dat hem niets zou ontbreken; al lachende antwoordde de heilige: “Men ontbeert niets, wanneer men aan niets behoefte heeft. Ik ben de koning voor zijne welwillendheid zeer verplicht en u voor uwe zorgen, maar ik ben de Goddelijke Voorzienigheid nog oneindig meer verschuldigd, en gij zult toch niet willen, dat ik dezelve zou mistrouwen.” De graaf, die in last had om vader Xaverius niets te laten ontbreken, drong hem zeer sterk aan om iets te nemen, uit vrees zei hij van de Voorzienigheid, die niet altijd mirakelen doet, te beproeven; Xaverius, om niet hardnekkig of vermetel te schijnen, verzocht om enige kleine Godvruchtige boekjes, daar hij voorzag deze in de Indiën nodig te zullen hebben, en een kleed van grof laken tegen de strenge kou, welke men aan de andere zijde van de kaap de Goede Hoop zou te lijden hebben. De graaf stond verbaasd dat hij niets wilde aannemen en ziende, dat al zijne aanzoeken tevergeefs waren, zei hij met een weinig drift: “Gij zult evenwel niet alleen meester zijn, want gij moogt tenminste geen knecht weigeren, wiens dienst gij niet missen kunt,” – “Zo lang ik deze twee handen heb,” antwoordde Xaverius, “heb ik gene andere knecht nodig.” – “Maar,” hernam de graaf, “welke gij aan gene versmading moogt blootstellen, en het zou schande wezen, wanneer men ene apostolische gezant aan boord van een schip, zijn linnen zag wassen of zijne spijs bereiden.” – “Ik houd staande,” zei de heilige, “dat ik zeer wel mij zelven en anderen dienen kan, zonder mijn karakter te onteren; wanneer ik niets kwaads verricht, vrees ik niet dat ik mijnen naaste zal verergeren, noch het gezag verliezen, mij door de Heilige Stoel toevertrouwd. Het zijn juist het menselijk aanzien en de valse denkbeelden van welvoeglijkheid, die de Kerk in de staat gebracht hebben, waarin wij haar nu zien.” Dit stellig antwoord sloot de mond aan Castagnera; hij prees later vader Xaverius en zei openlijk, dat hij meer moeite gehad had om zijne weigering te bestrijden, dan om aan het verlangen van anderen voldoening te geven. En wie is er, die ooit de begeerlijke mens genoegen geven kan?
Alles was tot het vertrek gereed en de dag bepaald zijnde, begaf Xaverius zich met beide zijne tochtgenoten, vader Paulus de Camerino, een Italiaan en Franciscus Mansilla, een Portugees, die nog geen priester was, naar de haven en vader Simon Rodricus geleidde hem op de vloot; hier omhelsden zij elkander met tederheid. “Mijn broeder,” zei Xaverius, “ziedaar nu de laatste woorden, welke ik u toespreek: wij zullen ons in dit tijdelijke leven niet terug zien; getroosten wij ons onze scheiding met gelatenheid, want het is zeker, dat wij, verenigd zijnde in God, ook tezamen verenigd zullen blijven, zodat niets ons van de gemeenschap zal kunnen scheiden, welke wij in Jezus Christus hebben. Om u te troosten, wil ik u een geheim, hetwelk ik tot nu toe verborgen gehouden heb, openbaren; gij herinnert u nog wel, dat gij mij, toen wij te Rome in het gasthuis waren, op zekere nacht hoorde schreeuwen: “Nog meer, Heer, nog meer!” Meermalen vroeg gij mij wat dit betekende en ik antwoordde u, dat gij u daarover niet moest bekommeren. Weet dan nu, dat ik toen, hetzij in de slaap, of ontwaakt, God weet het, zag al wat ik voor de glorie van Jezus Christus te lijden zou hebben. De Heer schonk mij zo’n grote zucht om te lijden, dat ik niet verzadigd werd door hetgene ik toen zag; ik verlangde nog meer te verduren en in die zin riep ik vol drift uit: “Nog meer, Heer, nog meer!” Ik hoop dat de Goddelijke goedheid mij in de Indiën zal doen overkomen, wat ik in Italie zag, en dat de verlangens, welke Hij mij toen inboezemde, weldra zullen vervuld worden.” Na deze woorden omhelsde zij elkander andermaal en scheidden al wenende. Zodra Rodricus vertrokken was, werd het teken tot de reis gegeven. Men lichtte het anker en ging op 7 April 1541, de zesendertigste geboortedag van Xaverius, onder zeil. Acht maanden had de heilige te Lissabon doorgebracht, en sedert meer dan zeven jaren behoorde hij onder het getal der leerlingen van de heilige Ignatius van Loyola. De vloot ging in zee onder bevel van Dom Martinus Alphonsus de Sosa, onderkoning van de Indiën, een zeer Godsdienstig en ondervindingrijk man, die onderscheidene jaren in de nieuwe wereld had doorgebracht. Hij verlangde de heilige Xaverius steeds bij zich te hebben en nam hem op de hoofdgalei, de heilige Jocobus geheten, aan boord.
Ten tijde dat de Godsdienst in Azië onder de keizers van Konstantinopel bloeide, had men twee tamelijk korte wegen, langs welke men in de Indiën kon komen, de ene door Syrië over de Eufraat en over de golf van Perzië, en de andere over Egypte, de golf van Arabië, gewoonlijk de Rode zee geheten; maar sedert de Saracenen deze gewesten overheersten en de Christenen uit Europa langs die wegen niet meer veilig waren, zochten zij, om het gevaar waaraan zij blootgesteld waren, ene lange omweg. De Portugezen waren de eersten, die ondernamen om gans Afrika en een gedeelte van Arabië en Perzië om te zeilen, en zo lagen de Indiën wel op vierduizend mijlen afstand van Portugal, en men was verplicht tweemaal de hitte van de gezengde luchtstreek door te staan.
Dom Hendrik, de zoon van Joannes I, één der geleerdste wiskundigen van zijne eeuw, was de eerste, die in het jaar 1418 de ontdekking van deze zeeën beproefde en ondernam om de kaap de Goede Hoop voorbij te zeilen, daar men tussen de Portugezen en de koning van Ethiopië handelsbetrekkingen wilde aanknopen. Die onderneming gelukte en Alphonsus V, Joannes II en Emmanuel I, koningen van Portugal, vervolgden die ontdekking zo gelukkig, dat zij zich allengs de weg naar de Indiën baanden. Deze zelfde weg volgde Xaverius met de Portugese vloot.
De heilige besteedde de tijd der overvaart aan het zielenheil der schepelingen; zijne eerste zorg was om de ongeregeldheden, welke de leegheid gewoonlijk op de schepen doet geboren worden, tegen te gaan en hij begon met het spel, hetwelk het enige vermaak, of zeggen wij liever de enige bezigheid der schepelingen uitmaakte. Ten einde de kansspelen, die niet zelden met twisten en verwensingen onder die soort van mensen gepaard gaan, uit te roeien, wist hij andere kleine onschuldige spelen voor te stellen, die de geest vervrolijkten, zonder de hartstochten in beweging te brengen, doch wanneer men evenwel tegen zijn verlangen, met kaart of dobbelsteen speelde, bleef hij aanschouwer, ten einde door zijne tegenwoordigheid de spelers in teugel te houden, en wanneer zij zich al door drift tot onbehoorlijke uitvallen lieten vervoeren, wist hij hen door zachtzinnige en geschikte terechtwijzingen te bedaren; hij toonde zelfs belang in hunne winst of verlies te stellen, en bood zich nu en dan aan om hun spel te houden.
Omtrent duizend mensen van alle stand bevonden zich op het hoofdschip; de ijverige dienaar des Heren werd alles voor allen, om allen voor Jezus Christus te winnen; zijne vrolijkheid en innemendheid maakten hem bij elk beminnelijk; de losbandigsten zochten zijn gezelschap en hoorden hem zelfs nu en dan gaarne over God spreken; Xaverius oefende het scheepsvolk dagelijks in de gronden van de Godsdienst, welke aan de meesten onbekend waren, predikte alle Zon- en feestdagen aan de voet van de grote mast, en binnen weinige weken hoorde men onder hen niets meer dat met de eer van God of de naastenliefde strijdig was; de welvoeglijkheid en eerbaarheid werden geëerbiedigd, allen hadden grote achting voor de Godsgezant, die hunne twisten bevredigde en hunne geschillen besliste.
Don Martinus Alphonsus de Sosa verlangde van de eerste dag af, dat Xaverius aan zijne tafel zou spijzen, doch de heilige wees deze gunst eerbiedig van de hand; gedurende de ganse overtocht leefde hij van hetgene hij onder de schepelingen als ene aalmoes verzocht had. Ondertussen veroorzaakten de ondraaglijke kou van het groene voorgebergte, de buitengewone hitte van Guinea, en het bederf van het zoete water en het vlees aan boord de kwaadaardigste ziekten; de meest gewone kwaal bestond in ene pestachtige koorts, die vergezeld ging van ene soort van kanker, welke zich in de mond openbaarde en het tandvlees in zweer zette. De zieken besmetten elkander en als of men de kwaal vreesde, zou men de lijders aan hun lot overgelaten hebben, indien vader Xaverius zich hunner niet had aangetrokken; hij behandelde hen, reinigde hun linnen, bewees de afzichtelijkste diensten, doch zijne bijzondere bezigheid bestond in hen voor te bereiden, om als berouw hebbende Christenen te sterven. Ofschoon zelf aan gestadige braking en verzwakking onderhevig, welke twee volle maanden duurden, offerde hij zich geheel en al ten koste van zijn leven, voor zijnen lijdende medemens op. De Sosa liet hem ene ruimere en betere kamer geven dan hij tot nu toe gebruikt had; hij nam er bezit van, maar bracht er de gevaarlijkste zieken in, terwijl hij zijne nachtrust altijd op het scheepsdek nam en het touwwerk tot oorkussen gebruikte; de onderkoning liet hem de spijzen van zijne tafel toedienen, maar hij verdeelde ze onder die zieken, welke het meeste behoefte aan voedsel hadden. Zoveel liefde deed hem van toen af de toenaam verwerven van de heilige Pater, en die naam bleef hem zijn ganse leven bij; de Mahomedanen en afgodendienaars zelf herkenden hem aan die eretitel en schonken hem denzelven van goeder harte.
Middelerwijl zette de vloot hare reis voort te midden van ontelbare gevaren, stormen, klippen en pestziekte; na ene tocht van vijf maanden kwam zij eindelijk op het einde van Augustus te Mozambique de oostelijke kusten van Afrika aan. Dit koninkrijk is bevolkt door negers, een wreed volk, ofschoon niet in die mate als de Kaffers, hunne naburen, uit hoofde van de gestadige handel, die zij met de Ethiopiërs en Arabieren drijven; men vindt aan de kust geen haven, waar de schepen veilig tegen de stormen zijn, maar een klein eiland, dat ene grote mijl van het vaste land gelegen is en evenals het koninkrijk, Mozambic heet, vormt ene gemakkelijke en zekere haven; de Portugezen hadden hetzelve op de Saracenen veroverd, bouwden er ene vesting, om de doortocht van hunne schepen te verzekeren en hunne soldaten, die er gewoonlijk enige dagen vertoefden, te doen uitrusten.
De onderkoning zag zich gedwongen hier te overwinteren, niet slechts omdat het jaargetijde zover gevorderd was, als wel omdat de zieken de ongemakken der zee niet langer konden verduren; de plaats evenwel was niet geschikt om zieken te ontvangen, want het eiland is bekend wegens deszelfs ongezondheid, waarom men het gewoonlijk het graf der Portugezen noemt. Nauwelijks had men voet aan wal gezet, of de Sosa liet al de zieken, die zich op de vloot bevonden, in het hospitaal brengen, hetwelk de koningen van Portugal gesticht en begiftigd hebben. Vader Franciscus volgde met zijne twee metgezellen en hij ondernam om hen allen te verzorgen, want in apostolische mannen wordt het lichaam door de geest versterkt, de liefde trouwens kan alles.
Van zaal tot zaal, van bed tot bed, diende hij aan de zieken de geneesmiddelen, aan de stervenden de laatste Heilige Sacramenten toe; elk verlangde hem bij zich te hebben en allen verklaarden, dat zij door hem slechts te zien, meer dan door de beste geneesmiddelen versterkt werden. Na de ganse dag zich bezig gehouden te hebben, waakte Xaverius des nacht bij de zieken en indien hij al enige rust nam, was deze gering; bij elke klaagstem, bij de geringste zucht ontwaakte hij, sprong op en bezocht de lijder. Zoveel inspanning en vermoeienis deed hem bezwijken, ene kwaadaardige en geweldige koorts wierp hem neer, in een kort tijdsbestek deed men hem zevenmaal ene aderlating en lag hij drie dagen buitenkennis. Toen het gevaar geweken was, vergat hij weldra zich zelven weer; hij bezocht zijne zieken en diende hun, zover zijne zwakheid dit gedoogde. De geneesheer smeekte hem van toch een weinig rust te nemen, totdat de koorts hem geheel verlaten zou hebben. “Ik zal u nauwgezet gehoorzamen,” zei hij, “zodra ik ene dringende plicht vervuld zal hebben, dat Hij toch het kruis in de harten der ongelovigen zou prenten, die geduld hadden dat men het op hunnen grond plantte. Hij wendde alle pogingen aan, om aan die mensen de blijde boodschap des heils mede te delen en hun de waarheden van de Christelijke Godsdienst te verklaren. Een zeer aanzienlijk inwoner, één der ijverigste Mahomedanen, onderzocht bij de heilige of de steden in Europa het geloof en de Godsvrucht evenzeer als in Melinde uitgedoofd waren; “want,” zei hij, “van de zeventien moskeeën, welke wij in de stad bezitten, blijven veertien steeds leeg; men bedient zich slechts van de drie overigen en ook deze worden door een gering getal gelovigen bezocht. Eén of andere zware zonde is er gewis de oorzaak van, doch ik weet niet welke en hoe ik de zaak ook beschouw, ik zie niet waardoor ons zodanige ramp overkomen is.” – “Niets is duidelijker,” antwoordde Xaverius, “God immers, die het gebed der ongelovigen verfoeit, laat ene dienst onder u, van welke Hij afkerig is, vervallen en geeft u hierdoor te kennen, dat Hij uwe sekte verwerpt.” De Saraceen wilde niets toegeven van hetgene hij tegen de Alcoran aanvoerde; zij waren nog in gesprek toen één hunner wetgeleerden zich in hunne woordewisseling mengde; na dezelfde klacht over de geringe Godsvrucht onder het volk aangeheven te hebben, zei hij: “Ik heb mijne partij gekozen en indien binnen twee jaren Mahomed niet verschijnt, om de gelovigen in persoon te bezoeken, zal ik buiten twijfel ene andere Godsdienst als de zijne zoeken.” Xaverius had diep medelijden met de dwaasheid van die mens; hij stelde alles in het werk om hem tot Jezus Christus te brengen, doch kon op deze hardnekkige geest, die zich zelven verblindde, niets winnen en hij onderwierp zich aan de wil der Voorzienigheid, die de ogenblikken ter bekering der zondaren en ongelovigen bepaald heeft.
Van Melinde, waar men slechts weinige dagen vertoefde, zeilde men langs de kusten van Afrika en ankerde aan het eiland Socotera, tegenover de kaap Guacdafouy en de zee-engte van Mekka. Men weet niet welke Godsdienst de bewoners van dit dor en onvruchtbaar eiland, hetwelk zij als een aards paradijs beschouwden, beleden; van de Saracenen ontlenen zij die van Mahomed; de besnijdenis en de offerande van de Joden en zij noemen zich evenwel Christenen. De mannen dragen de naam van één of ander Apostel, de meeste vrouwen dien van Maria, zonder nochtans enige kennis van het doopsel te hebben; zij vereren het kruis en hebben zelfs een klein kruisje aan de hals hangen; zij dragen de heilige Thomas ene bijzondere eerbied toe en ene oude overlevering onder hen houdt, dat deze Apostel aan die van Socotora de naam van Jezus Christus verkondigde. De staat van deze eilanders trof de heilige Xaverius; hij wanhoopte niet om een volk, hoe barbaars ook, tot het geloof terug te brengen, hetwelk nog enige kentekenen van het Christendom behouden had; na zich enigermate hunnen tongval, die zeer onderscheiden is van de Ethiopische en Arabische, eigen gemaakt te hebben, begon hij van de noodzakelijkheid van het doopsel te spreken en deed hen begrijpen, dat men zonder oprecht in Jezus Christus te geloven, niet kon zalig worden, dat het geloof geen ineen smelting duldde en dat men om Christen te zijn, moest ophouden Jood en Mahomedaan te wezen.
Deze woorden maakten indruk op hun hart; enige boden hem ten teken van vriendschap hunne vruchten, anderen hunne kinderen om hen te dopen aan, allen verzochten het doopsel te ontvangen en beloofden als deugdzame Christenen te zullen leven, wanneer Xaverius beloofde onder hen te zullen blijven. Toen zij vernamen dat de Portugese galei op het punt stond van te vertrekken, liepen zij in menigte naar het strand en bezworen de heilige met tranen van toch onder hen te blijven; dit schouwspel vertederde meer en meer het hart van Xaverius; hij bad de onderkoning, dat hij daar tenminste zolang mocht blijven, totdat de schepen, die te Mozambic achtergebleven waren, zouden aankomen, doch hij kon dit verzoek niet verwerven, Sosa verklaarde, dat hij voor de Indiën bestemd was en dat hij dus tegen zijne roeping zou handelen, met zich reeds bij het begin van zijne loopbaan aan een zekere plaats te bepalen, dat zijn ijver weldra een oneindig uitgebreider veld zou aantreffen dan onder deze eilanders, die overigens zeer lichtzinnig waren en het geloof even spoedig zouden verlaten, als zij nu voorgaven het te zullen aannemen. De heilige moest zich onderwerpen, doch zag niet zonder levendige smart, dat dit ongelukkige volk hem met de ogen volgde en naarmate het schip zich verwijderde, de armen naar hem uitstrekte; hij keerde met de ogen vol tranen zijn hoofd van de kust af en loosde diepe zuchten, doch om zich betrekkelijk de bekering van dat volk niets te wijten te hebben, verbond hij zich voor God, om zo spoedig mogelijk onder die eilanders terug te keren, of indien zulks niet kon, hun Evangeliepredikers te zenden, die hun de weg des heils aanwezen.
De zeetocht ging naar wens; na de ganse Arabische en een gedeelte der Indische zee dwars door gezeild te hebben, kwamen zij op 6 Mei 1542 in de haven van Goa, dertien maanden nadat men de haven van Lissabon verlaten had.
Goa, aan deze zijde van de Gangus op een eiland, hetwelk dezelfde naam draagt, gelegen, was de hoofdstad van Indië, de zetel van de bisschop en de onderkoning en de stapelplaats voor de handel van gans Indië; veertig jaren voordat de Europeanen naar Indië overstaken, hadden de Moren de stad gebouwd; in 1510 veroverde Alphonsus Albuquerque, bijgenaamd de Grote, die plaats en onderwierp het eiland aan de kroon van Portugal.
Nauwelijks had Xaverius het schip verlaten, of hij nam tegen de wens van de onderkoning zijnen intrek in het hospitaal; hij wilde evenwel zijne verhevene bediening niet voortzetten zonder zijne opwachting gemaakt te hebben bij de bisschop van Goa. Don Joannes van Albuquerque, religieus der orde van de heilige Franciscus, een man van grote verdiensten en één der Godvruchtigste prelaten, welke de Kerk misschien ooit bezat, wanneer wij de voorname heiligen uitzonderen, versierde de zetel van Goa. Nadat de heilige Xaverius hem de rede blootgelegd had, waarom de heilige Vader en de koning van Portugal hem naar de Indiën gezonden hadden, toonde hij hem de breven van Paulus III en verzekerde de bisschop, dat hij zich van dezelve zonder zijne toestemming nooit zou bedienen; hij wierp zich vervolgens aan de voeten van de prelaat en bad om zijnen zegen.
Getroffen over de ingetogenheid van Xaverius en de glans van heiligheid, die op zijn aanschijn uitblonk, richtte de prelaat hem aanstonds op en omhelsde hem met vaderlijke tederheid; hij kuste de pauselijke breven, gaf deze aan vader Xaverius terug en zei: “Een apostolisch legaat, die onmiddellijk door de plaatsvervanger van Jezus Christus gezonden wordt, heeft niet nodig van elders zijne zending te ontvangen; oefen vrij de macht uit, welke de Heilige Stoel u gegeven heeft en wees verzekerd, dat wanneer het bisschoppelijk gezag gevorderd wordt om die te handhaven, deze u niet ontbreken zal.” Van toen af werden zij door innige vriendschap aan elkander zo nauw verbonden, dat zij beiden slechts één hart en één ziel schenen te bezitten. Xaverius ondernam niets zonder eerst de bisschop geraadpleegd te hebben, en deze deelde van zijne zijde al zijne oogmerken de nieuwe apostel mee. O hoe heilzaam is dusdanige overeenstemming voor het zielenheil en de voortplanting des geloofs!
Voor wij de heilige Xaverius op zijnen weg volgen, is het nodig, dat wij de jammerlijke toestand beschouwen, onder welke het geloof in de Indiën zuchtte. Het is waar, dat volgens de voorzegging van de heilige Thomas, zij die de Oost-Indiën ontdekken zouden, het Christendom door hem geplant, zouden doen herleven, maar de heerszucht en geldgierigheid verkoelden weldra de ijver der veroveraars; in plaats van het koninkrijk van Jezus Christus uit te breiden en Hem zielen te winnen, werkten zij slechts om hunne veroveringen uit te breiden en zich schatten te vergaderen. Zelfs zag men, dat talrijke Indiërs, die nauwelijks bekeerd, niet genoegzaam onderwezen waren en door goede voorbeelden niet versterkt werden, de genade van het doopsel verloren en in hunne oude schandelijke bijgelovigheden vervielen; indien er al één of ander het geloof behield en zich getrouw toonde, dan werd dusdanige door de Mahomedanen, die in sommige streken van de kusten meester en zeer rijk waren, wreedaardig vervolgd, zonder dat de Portugese landvoogden en overheidspersonen er zich tegen verzetten, hetzij omdat hun macht nog niet genoeg gevestigd was, of dat hun eigenbelang boven de Godsdienst en de rechtvaardigheid de bovenhand had. Deze wrede behandeling belette derhalve de nieuwe Christenen, om Jezus te belijden en was de oorzaak, dat niemand onder de ongelovigen er aan dacht om zich te bekeren. Doch wat nog meer te betreuren was, de Portugezen zelf leefden meer als afgodendienaars dan als Christenen, want om slechts iets omtrent de losbandigheid van hunne zeden te zeggen, zoals duidelijk uit het verslag blijkt, hetwelk koning Joannes III weinige maanden voor de aankomst van de heilige Xaverius ontving, leefde elk er bijna in overspel en schandelijke wellust, de rechtvaardigheid was geweken, het recht veil verklaard, de zwaarste misdaden werden ongestraft gepleegd, indien de misdadigers slechts geld genoeg hadden om de rechters om te kopen; alle wegen om goud bijeen te schrapen, hoe onrechtvaardig ook, stonden open, de woeker werd algemeen gepleegd, een manslag niet geteld en men roemde er menigmaal op, als had men ene schone daad verricht. Tevergeefs mocht de bisschop van Goa met de wraak des hemels, met banvonnissen dreigen, de harten waren zo versteend, dat men met de bedreigingen en het vloekvonnis der Kerk de spot dreef; zeggen wij nog daarbij, dat de weigering der Heilige Sacramenten voor die booswichten en goddelozen, die zich zelf van de Kerk verwijderden, gene straf meer was; het naderen tot de Heilige Sacramenten der biecht en des altaars scheen afgeschaft, en wanneer al iemand door gewetenswroegingen getroffen werd en zich aan de voeten van ene priester met God verzoenen wilde, durfde hij zulks niet in het openbaar ondernemen, verrichtte dit bij nacht en in het geheim, want zodanige terugkeer werd als ene schandelijke handeling aangemerkt. Dit zedebederf had onderscheidene oorzaken, het begon door de ongeregeldheden der gewapende macht, welke de grootste buitensporigheden in een veroverd land toelaat en wettigt; de Aziatische zeden, de omgang met de ongelovigen verbasterden de Portugezen, hoe streng en geregeld zij van aard ook zijn mochten; het gebrek aan geestelijken droeg insgelijks zeer veel toe. In gans Indië bevonden zich slechts vier zendelingen en zoveel priesters buiten Goa; in menige vesting had men gedurende vele jaren noch de Heilige Geheimen bijgewoond, noch ene preek gehoord. Zo was het in dit gedeelte van de nieuwe Christelijke wereld geschapen, toen vader Xaverius daar aankwam en de opzender van het verslag scheen een voorgevoel van zijne komst te hebben, want op het einde van zijne memorie bidt hij de hemel en bezweert de koning van Portugal, om toch naar de Indiën een heilig man te zenden, die door zijne apostolische onderwijzingen en zijne voorbeeldeloze deugden, de zeden der Europeanen mocht hervormen. De heidenen leidden een meer dierlijk dan menselijk leven, de onzuiverheid was onder hen allerverschrikkelijkst en de minste goddelozen waren zij, die volstrekt geen godsdienst beleden; de meesten aanbaden de duivel onder ene ontuchtige afbeelding en met gebruiken, welke de welvoeglijkheid verbiedt aan te stippen; men droeg de afgoden bloedige mensenoffers op en niets was gemeenzamer dan vaders te zien, die voor de altaren van hunne goden hunne eigene kinderen ombrachten.
Zovele afschuwelijkheden van allerlei aard ontvlamden de ijver van vader Xaverius. Gaarne verlangde hij opeens ze allen uit te roeien; hij meende evenwel met de huisgenoten des geloofs te moeten beginnen en om met vrucht onder de afgeweken Christenen te kunnen werken, begreep hij zich aan hen door achting en welwillendheid te moeten hechten, omdat wanneer hij onder hen slaagde, hun voorbeeld krachtdadig op de gedoopte Indiërs werken zou.
Overtuigd dat de zegen op zijne onderneming van de Vader der genade, die zo schromelijk beledigd werd, afhing, bracht hij het grootste gedeelte van de nacht aan de voet van het kruis in het gebed door, sliep hoogstens drie of vier uren en die rust werd nog altijd onderbroken, want hij woonde in het hospitaal en bevond zich altijd evenals te Mozambic te midden der zieken, en zodra hij hen slechts hoorde kermen, vloog hij van zijne legerstede hun te hulp. Vervolgens bad hij tot de morgen, wanneer hij de aanbiddelijke geheimen opdroeg, bracht dan de voormiddag in het hospitaal, waarin zich de melaatsen bevonden en dat in één der voorsteden van Goa gelegen was, door, begaf zich vervolgens naar de gevangenissen en verrichtte onder de ongelukkigen, die daar geplaatst waren, al de liefdewerken, welke zij behoefden. Dan ging hij met ene schel in de hand langs de straten der stad, bad met luide stem de ouders en hoofden der huisgezinnen, om ter liefde van God, hunne kinderen en slaven naar het Godsdienstig onderwijs te zenden, want hij wist, dat wanneer de jeugd goed onderwezen werd en de deugd onder de jongelingschap veld won, weldra de geest van het Christendom te Goa zou herleven. De kinderen, hetzij uit nieuwsgierigheid om hem te zien, hetzij de ouders hen wegzonden, vergaderden zich om hem heen; hij geleidde hen dan in de kerk, verklaarde hun het gebed des Heren, de apostolische geloofsbelijdenis, de gebeden Gods en die der Kerk en alle Godvruchtige oefeningen, die onder de gelovigen in gebruik waren. Deze jeugdige planten ontvingen zonder tegenzin de indrukken, welke de heilige hun inboezemde en weldra had Goa een geheel ander aanzien; daar zij de heilige dagelijks hoorden, werden de kinderen ingetogen en Godvruchtig en zij waren ene stilzwijgende berisping voor degenen, die in ongebondenheid leefden, want het blijft altijd ene waarheid, de goddeloze bemint in zijn hart de deugdzame. Xaverius predikte gestadig voor het volk en opdat de Indiërs zowel de Portugezen hem zouden kunnen begrijpen, sprak hij steeds plat Portugees, hetwelk door allen verstaan werd. Spoedig zag men wat één door Gods Geest bezield prediker verrichten kan. De schandelijkste zondaars, getroffen door het afschuwelijke van hunne boosheden en door de vrees voor ene ongelukkige eeuwigheid, begonnen het allereerst te biechten; hun voorbeeld werkte op de overigen in en zij begonnen in het algemeen zich voor de voeten van de heilige te werpen, terwijl zij hunne misdaden met hete tranen van berouw beleden en bitter beweenden.
Weldra zag men vruchten van ene oprechte boetvaardigheid; alle onrechtvaardige verdragen en woeker werden vernietigd, men gaf het onregelmatig verkregen goed terug; de slaven, welke men zich met geweld toegeëigend had, herkregen hunne vrijheid en de bijvrouwen werden, wanneer zij niet door de band des huwelijks konden verbonden worden, uit de gezinnen verbannen. Xaverius behandelde boeleerders omtrent zoals Jezus Christus zich met de tollenaars en openbare zondaars gedroeg; verre van hen met hardheid te bejegenen, verklaarde hij zich hunnen medelijdende vriend, at meermalen aan hunnen dis, liet de kinderen, de rampzalige vruchten der losbandigheid, in zijne tegenwoordigheid komen, verzocht de moeder te zien en behandelde haar als ware zij ene ongelukkig gevallene vrouw; vervolgens zei hij in vertrouwelijke omgang met de aan haar verslaafden zondaar, indien die vrouw blank en welgemaakt was: “Gij hebt daar ene schone slavin, zij verdiende wel uwe echte vrouw te zijn.” Was zij integendeel ene afzichtelijke zwarte Indiër: “Mijn God, welk monster hebt gij daar in uw huis; hoe kunt gij haar nog langer zien?” Deze woorden, in schijn zonder doel gesproken, hadden gewoonlijk de beste werking. De boeleerder huwde degene, die door de heilige geprezen werd en verdreef de anderen uit zijne woning.
De verandering van zeden was niet voorbijgaande; de Godsvrucht drong overal door; zij, die nauwelijks eenmaal per jaar gingen te biechten, zag men geregeld maandelijks tot Sacramenten naderen; de edellieden zowel als de andere gelovigen legden er zich op toe, om hun gezin te regelen en de misdaad te weren; zij schonken de heilige grote sommen geld, welke hij voor hen onder de zieken in de hospitalen en in de gevangenissen uitreikte, of waarmee hij degenen, die om hunne schulden in de kerker zuchten, vrijgekocht. De Portugezen in Goa namen nieuwe Godvruchtige gewoonten aan en hun gedrag was zo veranderd, dat zij weldra geheel andere mensen geworden waren; de Heilige Geest trouwens had hier door zijn werking het ganse aanzien der aarde veranderd.
Ene enkele stad kan de veroveringszucht van ene held niet bevredigen, maar nog veel minder de ijver van een apostel; de kust der parelvisserij, de kaap van Comorin tot aan het eiland Manaar, aan welke kusten ene, onder de naam van Paravas of vissers bekend volk woont, zal de grote geloofsheld Xaverius ontvangen en zijne overwinning nieuwe luister bijzetten. Michael Vaz, de vicaris generaal over de Oost-Indiën, een man van zeldzame deugd en vol ijver voor de uitbreiding des geloofs, berichtte de heilige Xaverius, dat deze volken sedert enige tijd gedoopt waren, bij gelegenheid dat zij door de Portugezen tegen de Saracenen, die he op duizendlei wijzen mishandelden, ondersteund en geholpen waren; de Paravas hadden van het Christendom niets anders als het doopsel en de naam behouden, bij gebrek aan geestelijke leidsmannen. Michael Vaz ontveinsde niet, dat dit landschap zo onvruchtbaar en van alle levensnoodwendigheden beroofd was, dat niemand zich daar wilde neerzetten, terwijl alleen eigenbelang de kooplieden daarheen lokte, ten tijde dat men zich met het parelvissen bezig hield, en dat bovendien de hitte ondraaglijk was. Men kon hem geen voor zijn hart aangenamer voorstel doen; hij bood zich aanstonds aan om deze ongelukkigen te onderwijzen en tot deugdzame Christenen te vormen, en hij deed dit te eerder wijl zijne tegenwoordigheid te Goa, waar de Godsdienst sedert vijf maanden zo zeer bloeide, niet meer volstrekt nodig scheen.
Na de zegen van de bisschop ontvangen te hebben, scheepte de heilige zich omtrent de helft van Oktober van het jaar 1542 op ene galjoot in, die de nieuwe geloofsheld naar Comorin zou overbrengen; hij nam twee jonge geestelijken van Goa, die de taal der Malabaren genoegzaam machtig waren, met zich mee. Sosa wilde aan Xaverius enig geld meegeven, maar de grootste schat van apostolische mannen is de armoede; hij nam evenwel een paar schoenen aan, om zich enigszins tegen het brandend zand in die streken te beveiligen en smeekte de onderkoning van hem zijne beide reisgenoten, die te Mozambic achtergebleven waren, wanneer zij zouden aankomen, te zenden. De kaap Comorin ligt omtrent zeshonderd mijlen van Goa en in een hoge berg, die in zee als een punt lands uitsteekt en in het gezicht van het eiland Ceilon is. Xaverius ontmoette eerst een dorp geheel bevolkt door afgodendienaars; hij wilde niet verder trekken, zonder eerst aan deze heidenen de naam van Jezus Christus verkondigd te hebben, doch welke moeite hij zich ook getroostte, dit volk verklaarde volmondig, dat het zijne godsdienst niet wilde verlaten zolang de vorst, aan welke zij ondergeschikt waren, zulks niet veroorloofde; maar de hemel, die Franciscus bestemd had om heidenen te bekeren, wilde niet dat zijne eerste bemoeiingen vruchteloos zouden zijn. Sedert drie dagen lag ene vrouw in het dorp in barensnood, zij leed de verschrikkelijkste smarten en noch de gebeden der braminen, noch natuurlijke middelen konden haar enige redding aanbrengen. Xaverius ging met één zijner taalmannen haar bezoeken. “Hier,” zegt de heilige in één zijner brieven, “vergat ik, dat ik in een vreemd land was. Ik begon de naam des Heren aan te roepen, want ik overdacht bij mij zelven, dat de ganse aarde God toebehoort en dat zij, dezelve bewonen, zijne schepselen zijn.” Hij legde die vrouw de grondbeginselen van het geloof uit, vermaande haar vertrouwen te stellen op de God der Christenen en de Heilige Geest, die door haar een geheel volk wilde verlichten, trof zodanig haar hart, dat zij van ganse harte verklaarde in Jezus Christus te geloven en het doopsel begeerde. Nauwelijks had deze lijderes het heilig doopsel ontvangen, of zij verloste en was volmaakt hersteld. Dit wonder trof het ganse huisgezin, allen wierpen zich aan de voeten des heiligen, verzochten onderwezen te worden en na genoegzaam onderricht ontvangen te hebben, werden zij door het heilig doopsel afgewassen en in de Kerk van Jezus opgenomen. Het gerucht verspreidde zich alom; elk verlangde een man te zien, die machtig in woorden en werken, hun de weg des eeuwige levens verkondigde; dan hoezeer zij overtuigd waren, verklaarden zij, dat zij zonder toestemming van hunnen vorst, de Christelijke Godsdienst niet durfden omhelzen. Juist bevond zich in het dorp een beambte, die in naam van de vorst ene jaarlijkse schatting kwam heffen; vader Xaverius ging hem zien en verklaarde hem zo duidelijk de geloofsleer van Jezus Christus, dat die heiden verzekerde er niets kwaads in te vinden en de bewoners vrijheid gaf de Godsdienst te omhelzen; meer was er niet nodig en die mensen, welke slechts door vrees teruggehouden werden, lieten zich allen dopen en beloofden als ijverige Christenen te leven.
Door deze gelukkige gebeurtenis aangemoedigd, vervolgde Xaverius de ingeslagen weg, kwam te Tutucurin, de eerste stad der Paravas en hij bevond werkelijk dat deze mensen, ofschoon zij gedoopt waren, als ware ongelovigen leefden; hij begon met hun de geheimen van de Godsdienst te verklaren en de beide geestelijken, die hem vergezelden, dienden hem tot tolken; doch Gods dienaar, die wel wist, dat wat men zelf voordraagt meer indruk wekt, zocht middel om zich in persoon aan die mensen te kunnen verklaren. Enige hunner spraken het Portugees, hij vergaderde hen bij zich, de beide geestelijken, die het Malabaars spraken, dienden hem zowel als deze inlanders tot leermeesters en na enige dagen was hij in staat in de landtaal ene vertaling te leveren van het heilig kruisteken, van de geloofsartikelen, het gebed des Heren, de groetenis des engels, de geboden Gods, het “confiteor,” de “Salve Regina,” in één woord, van de ganse catechismus. Nu leerde hij die vertaling van buiten, doorliep alle dorpen en gehuchten van de kust, zoals hij zelfs in zijn verslag, hetwelk hij naar Europa overmaakte, zegt: “Ik ging met de bel in de hand, verzamelde allen die ik ontmoette, kinderen en andere mensen; ik leerde hun de Christelijke leer; binnen ene maand leerden de eersten de catechismus zeer gemakkelijk van buiten, en wanneer zij dezelve wel kenden, beval ik hen dezelve aan hunne ouders, dienstboden en geburen te onderwijzen. Des Zondags vergaderde ik in de kapel mannen en vrouwen, jongens en meisjes; allen kwamen met onbeschrijfelijke vreugde en vurige verlangens Gods woord aanhoren. Ik begon met te belijden, dat God één is in wezen en drievuldig in persoon; vervolgens zei ik overluid en duidelijk het gebed des Heren, de groetenis des engels en de geloofsbelijdenis der Apostelen; allen zeiden mij die gebeden en waarheden na en men kan zich het genoegen niet verbeelden wat zij smaakten; vervolgens herhaalde ik alleen het geloofssymbool en nu op elk artikel aandringende, vroeg ik hen of zij hetzelve zonder twijfel geloofden; met de handen kruislings over de borst verzekerden zij mij niet te twijfelen. Ik liet hen nu het symbolum meermalen en dan de andere gebeden herhalen en verklaarde hun, dat degenen, die de inhoud vastelijk geloofden, zich Christenen noemden. Van het symbolum ging ik tot de tien geboden des Heren over en verklaarde hun, dat de Christelijke wet in deze tien geboden opgesloten was, dat hij een goed Christen en voor het eeuwige leven bestemd is, die deze zoals het behoort, onderhoudt; dat degene daarentegen, die slechts één van deze geboden schendt, een slecht Christen is en eeuwig verloren zijn zal, indien hij zijnen misslag niet beweent. Heidenen en nieuw bekeerden bewonderden onze wet. Wanneer ik op deze wijze met hen gehandeld had, was ik gewoon met hen het gebed des Heren en de groetenis des engels te bidden; dan herhaalden wij opnieuw het symbolum, en bij elk artikel voegden wij behalve het “onze Vader” en “wees gegroet,” een kort gebed, want na met luide stem het eerste geloofsartikel gezegd te hebben, begon ik, terwijl zij vervolgden: “Jezus, Zoon van de levende God, schenk ons de genade van dit eerste artikel zonder twijfel te geloven; wij offeren U met dit inzicht het gebed op,…. hetwelk Gij zelf gemaakt hebt.” Wij voegden daarbij: “O Maria, Heilige Moeder van onze Heer Jezus Christus, verwerf ons van uwen teder beminde Zoon de genade, om dit artikel zonder enige twijfel te geloven.” Op dezelfde wijze werden de overige artikels behandeld en de geboden des Heren doorlopen. Zodra wij het eerste gebod met elkander hadden opgezegd, hetwelk gebiedt God te beminnen, baden wij op deze wijze: “Jezus, Zoon van de levende God, verleen ons de genade van U boven alles te beminnen;” vervolgens zeiden wij onmiddellijk het gebed des Heren en voegden daarbij: “O Maria, Heilige Moeder van Jezus, smeek gij voor ons van uwen Zoon de genade af, om dit eerste gebod getrouw te volbrengen,” en wij baden de groetenis des engels. Wij gingen op gelijke wijze met de overige geboden voort, die wij volgens de omstandigheid een weinig veranderden. Ziedaar hetgene ik hen bij het gemeenschappelijk gebed gewoon maakte van God te verzoeken en ik liet niet na hen nu en dan te verklaren, dat zij, wanneer zij verkregen wat zij verzochten, het overige veel rijkelijker dan zij het konden verzoeken zouden verwerven. Allen, maar vooral zij, die het doopsel moesten ontvangen, liet ik het “Confiteor” de algemene schuldbekentenis opzeggen, aan de laatsten legde ik nog op de geloofsbelijdenis te herhalen; bij elk artikel ondervroeg ik hen of zij het zonder twijfelen geloofden en wanneer zij mij dit verzekerden, gaf ik hun gewoonlijk ene vermaning, die ik in hunne taal had opgesteld; deze bevatte een korte inhoud van de waarheden der Godsdienst en van de tot de zaligheid noodzakelijke plichten eens Christen; dan doopte ik hen en wij eindigden met het zingen van het “Salve Regina,” ten einde de bijstand van de Heilige Maagd in te roepen.”
Nadat vader Xaverius de bewoners van een dorp omtrent ene maand op die wijze onderwezen had, vergaderde hij de bekwaamsten onder hen, gaf hun dan schriftelijk wat hij hun geleerd had, opdat zij het op de Zon- en feestdagen, volgens deze wijze, in de vergaderingen zouden voorlezen. Hij belaste insgelijks aan deze Godsdienstonderwijzers, die in hunne taal canacopolen genoemd werden, de zorg over de kerken, welke hij op openbare plaatsen liet bouwen en vermaande hen om deze, in zoverre hunne armoede zulks gedoogde, te versieren; de heilige was er evenwel op bedacht, dat hunne moeite niet onbeloond bleef; hij verkreeg trouwens van de onderkoning van Indië ene zekere som geld voor hun onderhoud uit de schatpenningen, welke de bewoners van de ganse kust aan de kroon van Portugal betaalden. Wij kunnen onmogelijk de vruchten vermelden, welke de heilige voor de Godsdienst inoogstte, evenmin als de vurige ijver, welke deze nieuwe Christenen aan de dag legden. De heilige verklaart zelf in ene brief, welke hij aan de vaders te Rome schreef, dat hij geen woorden genoeg heeft om alles te vermelden; dat het getal der gedoopten zo groot was, dat hij ten gevolge van het gestadig dopen, zijne arm nauwelijks meer kon opheffen en dat de stem hem meermalen begaf, met zo dikwijls het symbolum der Apostelen en de tien geboden Gods te herhalen, bij welke hij altijd een klein onderricht over de plichten van ene ware Christen voegde, voor hij aan de groteren het heilig doopsel toediende.
Alleen het getal kinderen, welke na gedoopt te zijn gestorven waren, beliep volgens zijne berekening meer dan duizend.
Het opkomende geslacht, door de grote dienaar van Jezus Christus gedoopt en onderwezen, was zo hongerig naar de wetenschappen des heils, dat zij de heilige Xaverius nauwelijks de tijd lieten om enig voedsel of rust te nemen; zodat hij meermalen gedwongen was zich te verbergen, om zijn brevier en andere gebeden te lezen. Deze zo ijverige nieuwelingen op de weg der waarheid waren hem dierbaar en God gaf hun zelfs deel aan het verrichten der wonderbare genezingen, die bij de bediening van Gods gezant plaats hadden; nooit waren de zieken aan die kusten talrijker en het scheen, zoals de heilige vermeldt, alsof God dit volk zijne beproevingen toezond, om het ondanks zich zelve tot zich te trekken, want wanneer zij tegen alle vermoeden, zodra zij gedoopt werden of de naam van Jezus aanriepen, hunne gezondheid herkregen, dan werden zij klaarblijkelijk van de almacht van de God der Christenen en van de onmacht hunner pagoden (met die naam bestempelde men de afgoden en hunne tempels) overtuigd. Men nam bij ziekte zijne toevlucht tot Xaverius, die, daar hij niet op alle plaatsen gelijktijdig zijn kon, de schuldeloze kinderen afvaardigde; de één nam zijnen rozenkrans, de andere zijn kruisbeeld of enige overblijfselen van heiligen, welke hij hun meegaf en met een levendig geloof bezield, verspreidden zij zich door de gehuchten en dorpen, verzamelden dan de zieken zoveel volk als zij konden, baden volgens het voorschrift van Xaverius meermalen bij de zieken de geloofsbelijdenis der Apostelen, de geboden Gods, het gebed des Heren en verklaarden al wat zij van de Christelijke Godsdienst van buiten wisten, vroegen vervolgens de zieke of hij met een goed hart in Jezus Christus geloofde en verlangde gedoopt te worden; indien de lijder zulks verzekerde, raakten zij hem met de rozenkrans of het kruisbeeld des heiligen aan, en de zieke kreeg op staande voet zijne gezondheid terug. Xaverius verklaarde bij een zekere gelegenheid, aan ene grote menigte de geloofsgeheimen, toen men hem kwam berichten, dat één der aanzienlijksten van Manapar van de duivel bezeten was en men smeekte hem, om die ongelukkige te helpen. Xaverius meende het geloofsonderricht niet te moeten afbreken; hij riep slechts enige jeugdige Christenen, gaf hun het kruisbeeld, dat hij op zijne borst droeg en zond hen naar Manapar met last om de boze geest uit te drijven. Nauwelijks waren zij daar gekomen, of de bezetene, woedender dan gewoonlijk, maakte de verschrikkelijkste wringingen met handen en voeten en liet een afgrijselijk gebrul horen; verre van daardoor afgeschrikt te worden, begonnen zij bij hem de gebeden der Kerk te spreken, dwongen de gekwelde het kruis te kussen en op hetzelfde ogenblik werd de ongelukkige verlost van Satan. De meeste heidenen, die daarbij tegenwoordig waren en zo zichtbaar de macht van het kruis zagen, bekeerden zich dadelijk en werden vervolgens ijverige Christenen.
Een ander heiden was ongelukkiger; hij was insgelijks één der aanzienlijkste inwoners van Manapar, een dolzinnig en oplopend man. Xaverius ging hem bij een zekere gelegenheid bezoeken, sprak hem op ene beleefde wijze aan en smeekte hem van toch in het belang van zijne ziel en eeuwig geluk, de waarheid, welke hem van Gods wege verkondigd werd, niet te verwerpen. De aan de afgodendienst en zijne afschuwelijke hartstochten verslaafde mens gewaardigde zich niet de dienaar des Heren aan te horen en deed hem bovendien op ene zeer onbeschofte wijze uit zijn huis verdrijven en voegde hem bits toe, dat hij wenste, zo hem ooit in de gedachte kwam ene kerk der Christenen binnen te treden, dat hem de toegang geweigerd werd. Weinige dagen daarna werd hij door ene bende gewapende heidenen vervolgd, die het op zijn leven toelegde; hij trachtte hunne handen te ontvluchten en zag in de verte de deur van ene Katholieke kerk open staan; hij liep uit alle macht, terwijl hij steeds vervolgd werd. De gelovigen, die daar vergaderd waren, het geschreeuw horende en de gewapende heidenen, voorafgegaan van de vijand der Christenen, ziende toesnellen, vreesden, dat die woeste menigte, aangevoerd door hunnen dodelijke vervolger, aanrukte om de kerk te plunderen en hen van kant te maken; zij sloten dus met alle haast de deur, zodat hij, die zijn leven in deze geheiligde plaats meende te redden, in de handen van zijne moordenaars viel, die hem op staande voet ombrachten. Zonder twijfel beschouwden de heidenen zowel als de Christenen hierin de werking der Goddelijke rechtvaardigheid, die toeliet dat de rampzalige getroffen werd door de vloek, welke hij zich zelven had toegewenst.
De mirakelen, welke de heilige Xaverius doormiddel der kinderen verrichtte, maakten hem niet slechts bij de Christenen eerbiedwaardig, maar deden ook de heidenen verwonderd staan, doch zulk ene voorbeeldeloze straf boezemde allen een groot ontzag jegens hem in, zo zelfs, dat de braminen hem eerden. Deze waren aan de afschuwelijkste hartstochten verslaafd en meenden dat al wat hun voor de geest kwam, hoe schandelijk ook, hun geoorloofd was. Men moet zich derhalve niet verwonderen, dat ofschoon de braminen Xaverius schenen te achten, zij evenwel de Christelijke Godsdienst niet konden dulden en al hun gezag en list te hulp riepen, om dezelve in de Indiën uit te roeien. Daar zij in de gunst der afgodische vorsten stonden, slaagden zij ogenschijnlijk in hetgene zij verlangden, en daar blinde ijver voor hunne pagoden en haat tegen de Christenen hen aanvoerden, zo was het niet gemakkelijk hen te bekeren.
De heilige Xaverius begreep, dat indien er geen braminen in de Indiën waren, het Evangelie de grootste overwinning op de harten zou behalen, en dat weldra in de uitgestrekte rijken van Azië geen afgodendienaars meer zouden gevonden worden; hij spaarde dus gene moeite om deze rampzalige verleiders tot de kennis van de ware God te brengen. Hij handelde met hen meermalen over de Godsdienst en er bood zich spoedig ene gunstige gelegenheid aan, om de waarheid van het Christendom door die verleiders des volks te doen bewonderen. Gods dienaar in de nabijheid zijnde van een zogenaamd klooster, waarin meer dan tweehonderd afgodenpriesters tezamen woonden, werd door de voornaamsten hunner bezocht; want zij waren zeer begerig om een man te zien, wiens roem zo algemeen schitterde; Xaverius ontving hen volgens zijne gewoonte, zeer vriendelijk en wist weldra het gesprek op het eeuwig belang der ziel te brengen; hij verzocht hun dat zij er eens vrijmoedig voor zouden uitkomen, welke verplichtingen hunne goden toch wel van hen vorderde, om na het tijdelijke leven gelukkig te kunnen zijn. Verbaasd over die vraag, zagen zij elkander stilzwijgend aan en toefden geruime tijd voor dat iemand durfde te antwoorden; eindelijk nam een tachtigjarige bramin het woord op en zei op ene voor de zijnen ontzag inboezemende toon, dat om gelukkig te worden, twee zaken vereist werden en dat men door dezelve te volbrengen, in het gezelschap der goden zou opgenomen worden, te weten nooit een kalf te doden en aan de braminen rijke aalmoezen te geven. Allen bekrachtigden het antwoord van de oude en juichten het toe als ware het ene godsspraak. Dusdanige afzichtelijke verblindheid perste de heilige tranen uit de ogen. Hij stond op, want allen waren gezeten en zei zeer langzaam, maar met duidelijke en doordringende stem, de geloofsbelijdenis der Apostelen en de Goddelijke geboden op, hield bij elk artikel stil en verduidelijkte het in hunne spraak, verklaarde hun wat de hemel en de hel is en door welke handelingen men de ene of de andere verdient.
De braminen, nooit iets van de Godsdienst van Jezus vernomen hebbende, hoorden de vader met bewondering deze heilvolle waarheden voordragen en stonden insgelijks met eerbied op; nauwelijks had de heilige hun de verhevene geheimen van de Goddelijke veropenbaring voorgedragen, of zij omhelsden hem en verklaarden uit enen mond, dat de God der Christenen de enige ware God was, en dat zijne wetten volmaakt overeenstemden met de grondbeginselen van het natuurlijk verstand en licht. Zij stelden hem vervolgens onderscheidene vragen voor, te weten of de ziel onsterfelijk is, of niet alles met het lichaam vernietigd wordt, uit welk gedeelte van het lichaam de ziel bij haar afscheiden vertrok; of wanneer men bijvoorbeeld in de slaap droomde, dat men zich in ene verwijderde streek bevond, of zich alsdan met één of ander persoon onderhield, de ziel voor die tijd het lichaam verlaten had; of God blank of zwart van, wijl men daarover met hunne geleerden steeds twistte; dat de blanken zeiden dat Hij wit, de zwarten dat Hij zwart was en dat vermits men veronderstelde, dat de meeste mensen zwart waren, ook de meesten hunner pagoden zwart voorgesteld werden. Xaverius, die zich zeer verwonderde, dat deze mensen, welke onder de hunnen als geleerd doorgingen, in ene zo’n grove onwetendheid verkeerden, beantwoordde al hunne vragen zo gepast en duidelijk, dat zij verklaarden nu geheel andere mensen te zijn en niets meer wensten dan vrienden, en eindelijk aanbidders en aanschouwers van de grote God te worden; zij verzekerden zijn geluk te benijden en toonden, dat zij in hun hart gevoelden wat koning Agrippa gevoelde toen hij tot Paulus zei: “Gij beweegt mij bijna Christen te worden.” Toen Xaverius hen genoegzaam onderricht en voorbereid zag, verzekerde hij hun, dat zij het geloof van Jezus Christus moesten omhelzen en dat, daar zij nu van de waarheid overtuigd waren, hunne onwetendheid hen niet meer van de helse straffen kon redden. Doch wat vermag de kennis der waarheid op hen, die hunne rekening vinden bij het volgen der dwaling en daarbij volksbedriegers van beroep zijn? Zij antwoordden, zoals de heilige in één zijner brieven verzekert, hetzelfde dat nog heden zovele dwalenden en zovele aan de wereld verslaafde Katholieken antwoorden: “Wat zal de wereld van ons zeggen, indien zij ziet, dat wij van Godsdienst en van zeden veranderen? Wat zal van ons gezin worden, hetwelk het bestaan vindt in de offers, welke men aan de pagoden aanbiedt?” Zo doen het menselijk aanzien en het eigenbelang de kennis der wereld voor dusdanig ongelukkigen slechts tot groter schuld strekken. Overtuigd als zij waren, weigerden zij evenwel de waarheid te omhelzen en van de grote menigte afgodspriesters waren er slechts weinigen, die met een goed hart de waarheden van de Christelijke Godsdienst omhelsden. Xaverius wrochtte in hunne tegenwoordigheid menig mirakel, dat aan de leer, die hij voordroeg, gezag gaf. Hij ontmoette een arm man, die schier naakt en van het hoofd tot de voeten met afschuwelijke zweren overdekt was; de heilige wies hem met eigene hand, dronk iets van het water dat aangebracht was om de lijder te wassen, bad vervolgens met ongelooflijk vertrouwen de algemene geneesheer Jezus Christus en nauwelijks had hij zijn gebed geëindigd, of het lichaam van de man was zo gezond en zuiver als dat van een kind.
Het rechtsgeding zijner heiligverklaring maakte melding van vier doden, welke God door zijnen dienaar ten leven opwekte. De eerste, een nog nieuw aangesteld geloofsonderwijzer, Antonius Miranda geheten, die des nachts door één van die slangen gebeten was, wier verwonding altijd dodelijk is; de tweede, een kind, dat in een put gevallen en gesmoord was, de beide anderen waren een jongeling en een jonge dochter, welke voor weinige dagen door ene aanstekende ziekte van het leven beroofd waren.
Maar door deze mirakelen, welke Xaverius onder de Christenen de titel van ene heilige en onder de heidenen die van ene beheerser der natuur gaven, werd de geest der braminen nog meer verblind en dewijl Gods dienaar zag, dat hij op deze versteende harten niets vermocht, dat zij tegen beter weten aan, de belangen van de Godsdienst tegenwerkten, oordeelde hij het nodig al hunne schelmerijen en boosheden aan de dag te brengen, en hij slaagde zo gelukkig, dat die rampzaligen, die zoveel kwaads op het hart van het volk bewerkten, nu van elk veracht, zelfs van de kinderen bespot werden, terwijl men hun bedrog in het aangezicht verweet; zij zochten wel de menigte met de wraak hunner pagoden te bedreigen, doch toen zij evenwel zagen, dat men met al hunne woelingen de spot dreef, meenden zij andere listen te moeten bezigen, om hun gezag te herstellen. Hoezeer ook tegen vader Xaverius gebelgd, gedroegen zij zich jegens hem op ene wijze, alsof zij zijne vrienden waren, bezochten hem, smeekten hem, dat hij toch rekkelijk ten hunnen opzichte zijn zou, spraken met lof van hem, zonden hem geschenken, geld en paarlen; maar Xaverius, die slechts Jezus en dien gekruiste beminde, was ongevoelig voor alles en zond hunne geschenken, zonder ze gezien te hebben, aanstonds terug.
De minachting, waarin die rampzaligen om hunne schuldige hardnekkigheid vervallen waren, strekte om langs de gehele kust de afgoderij te vernietigen. De levenswijze van de heilige droeg insgelijks zeer veel bij om de Godsdienst van Jezus te doen hoofschatten. Zijn voedsel was aan dat der armen gelijk, een weinig rijst en water, hij sliep in de hut van een visser en dan nog op de grond, want het matras en het beddengoed, door de onderkoning van Indië hem van Goa gezonden, had hij spoedig tot een ander einde gebezigd; na hoogstens drie uren enige rust genomen te hebben, bracht hij het overige van de nacht met God en tot heil van zijne naasten door.
De heilige Xaverius verklaarde zelf, dat zijnen arbeid rusteloos was en dat, zo God hem niet ondersteunde, hij weldra zou bezweken zijn, want ofschoon zijne heilige bedieningen hem dag en nacht bezig hielden, zo nam men bovendien bij elk geschil of twist zijne toevlucht tot hem als tot ene scheidsman en bevrediger, en dewijl deze kustbewoners van aard oplopend en toornig van gemoed waren, leefden zij veeltijds in verdeeldheid; de heilige had om bevrediging en verzoening te bewerken geschikte uren vastgesteld. Elke zieke liet hem roepen en daar hij om de verre afstanden niet altijd dadelijke hulp verlenen kon, gevoelde hij in zulk geval een ongelooflijk hartenleed. God evenwel deelde hem, die niets als het kruis zocht, onbeschrijfelijke zoetigheden naar de geest mee, en die overvloed van inwendige vertroostingen verplichtte hem meermalen, om de Goddelijke goedheid te bidden van dezelve enigszins te matigen. Hij meldde zulks de heilige Ignatius in algemene bewoordingen, zonder evenwel zich zelven te noemen. Want na de werkzaamheden, welke aan deze kust zo veelvuldig waren, verhaald te hebben, schrijft hij: “Ik kan u betrekkelijk deze landstreek niets anders melden, als dat zij, die hier aan de bekering der heidenen komen arbeiden en zich voor dat grote werk opofferen, zovele vertroostingen van de hemel ontvangen, dat zo er al enige vreugd in deze wereld bestaat, het die alleen is, welke zij smaken. Het gebeurt mij meermalen, dat ik één van die Evangelische mannen hoor uitroepen: “Heer, geef mij in dit leven zovele vertroosting niet, of, indien Gij mij met dezelve wilt overladen, trek mij dan uit overmaat uwer barmhartigheid tot U en doe mij uwe heerlijkheid genieten, want te leven zonder U te aanschouwen, is voorwaar ene al te grote beproeving en kwelling.”
Meer dan een jaar had de grote Xaverius aan de bekering van deze kustbewoners gearbeid; ondertussen waren zijn beide metgezellen, Paulus de Camerino en Franciscus Mansilla, ofschoon zij zich reeds voor enige maanden te Goa bevonden, niet komen opdagen. Het getal der Christenen groeide van dag tot dag aan, en het was een enkel priester niet mogelijk aan het geloof en de Godsvrucht van al deze nieuw bekeerden voedsel te verschaffen; de heilige meende derhalve medehelpers te moeten zoeken; ook had hij nog enige jongelingen van goed verstand uitgekozen, die allen aanleg lieten blijken om zich in menselijke en Godgeleerde wetenschappen te oefenen en die, wanneer zij eens wel opgeleid waren, hunne landslieden met het beste gevolg zouden kunnen onderwijzen; hij oordeelde deze met zich te moeten meenemen en zijne reis niet langer te mogen uitstellen. Xaverius ging dus omtrent het einde van het jaar 1543 scheep en na omtrent het midden van Januari 1544 te Cochin gekomen te zijn, begaf hij zich enige dagen daarna naar Goa.
In het jaar 1541 was Jacobus Borba, Portugees Godgeleerde, door koning Joannes III naar de Indiën gezonden en er reeds op bedacht geweest, om te Goa een seminarie op te richten, waarin men kinderen van bekeerde Indiërs zou kunnen opleiden; hij vertrouwde zijn plan aan de grootvicaris, de grootrechter, de onder-gouverneur en de secretaris van staat, die zijne bijzondere vrienden en deugdzame mannen waren; Borba wendde zich vervolgens tot de gelovigen in het algemeen, en stelde bij een zekere gelegenheid in een Goddienstig onderhoud de rampzalige staat van zovele duizenden Indiërs voor, die bij gebrek aan genoegzaam onderwijs de eeuwige verdoemenis tegemoet gingen; hij gaf zijne hoorders tekenen, dat het eeuwig geluk van deze ongelovige bevolking enigermate van hunne medewerking afhing. “Ik vorder niet,” zei hij., “dat gij zelf op het veroveren der zielen uit de klauwen van Satan optrekt, evenmin dat gij de barbaarse tongval van die onderscheidene stammen aanleert, ten einde hunne bekering te bewerken. Hetgeen ik u in de naam van Jezus Christus smeek, is, dat gij elk iets toebrengt om de nieuwe Christenen te ondersteunen; hierdoor zult gij doen, waartoe gij door de bediening van het Goddelijke woord niet in staat zijt, en met een weinig van uwe tijdelijke goederen af te zonderen, zult gij onsterfelijke zielen winnen, voor welke de Zaligmaker der wereld zijn bloed vergoten heeft.” De Heilige Geest, die hem deed spreken, roerde de harten zijner hoorders, men besloot weldra om ene maatschappij te vormen, welke zich met de opvoeding van jonge Indiërs zou belasten en deze vereniging noemde zich eerst broederschap van de Heilige Maria des lichts, naar de naam der kerk waar de leden vergaderden, om hunne nieuwe stichting te regelen.
Grote ondernemingen komen niet opeens tot stand; in het begin vestigde men slechts een klein seminarie, waarin de kinderen der stad en omstreken opgenomen werden, maar de inkomsten stegen merkelijk door de milddadigheid van Stephanus de Gama, gouverneur der Indiën en van koning Joannes III, zodat men al de kinderen der bekeerde heidenen, van welk gewest ook, kon opnemen, terwijl men bovendien nog gelden overhield om op ene veel ruimere plaats der stad een schoon huis met prachtige kerk te bouwen. Borba, die het bestuur over het gesticht op zich genomen had, noemde het vervolgens het seminarie van het “Heilige Geloof.” Meer dan zestig kinderen waren daarin uit verschillende koninkrijken opgenomen; negen of tien verschillende tongvallen waren er in te vinden, om in Godsvrucht en wetenschappen opgekweekt te worden, doch het ontbrak weldra aan bekwame leermeesters om deze jeugdige planten te vormen. Het seminarie was bestemd om onder de leiding der vaders van de Sociëteit van Jesus te komen, en het scheen ene bijzondere besturing der Voorzienigheid te zijn, dat de kinderen van Ignatius in hetzelfde jaar, toen men het seminarie stichtte, van Lissabon naar de Indiën reisden.
Zodra was Xaverius niet te Goa, of Borba bood hem het bestuur van deze nieuwe stichting aan en stelde alle pogingen in het werk, om hem daartoe te verbinden, doch de grote apostel gevoelde zich nog tot hogere bestemming geroepen en hij, die het plan vormde, om al de heidenen te bekeren, wilde zich geenszins in ene enkele stad opsluiten. In zijnen geest bestemde hij reeds één zijner metgezellen tot dat grote werk, hetwelk men hem op de schouders wilde leggen. Middelerwijl schreef Borba aan vader Simon Rodricus in Portugal en verzocht hem aanstonds enige vaders van de Sociëteit af te zenden, wijl God voor hen in de nieuwe wereld reeds een huis bestemd had voor zij er nog waren.
Onder deze onderhandeling waren Paulus van Camerino en Franciscus Mansilla van Mozambic te Goa aangekomen. Borba had hen met toestemming van de onderkoning, in het seminarie geplaatst en dit was de oorzaak, dat zij de heilige Xaverius niet gevolgd waren.
De heilige bestelde nu zijne jeugdige Indiërs in het seminarie te Goa en hoezeer hij gebrek aan bekwame medearbeiders ook had, hij wilde echter het verzoek van de overste Borba niet geheel afslaan en liet vader Paulus van Camerino de zorg over de jeugdige seminaristen, want eerst in 1548, na de dood van Borba, werd de sociëteit in het gehele bezit gesteld van dat gesticht, hetwelk toen de naam van collegie aannam en daar de kerk aan de heilige Paulus, onder de titel van de bekering van die grote Apostel der heidenen, toegewijd was, werd het gesticht Sint Paulus collegie genoemd en vandaar insgelijks, dat de Jezuïeten te Goa en door het ganse rijk vaders van Sint Paulus of Paulisten geheten werden.
Vader Xaverius bleef slechts een korte tijd te Goa en keerden weldra met enige medearbeiders naar zijne Paravas terug; hij nam het lot van de bewoners van Socotora steeds ter harte en had de belofte niet vergeten, welke hij ten hunne behoeve God gedaan had; doch het getal zijner metgezellen, over welke hij beschikken kon, was te gering en niet genoegzaam voor de Indiën; eerst drie of vier jaren later zond hij vader Alphonsus Cyprianus naar Socotara.
Xaverius nam behalve Franciscus Mansilla, die nog geen priester was, naar de kust der visserij twee priesters mee, die Indiërs waren en een Biscayer, Joannes van Ortigia geheten; zij doorkruisten spoedig alle vlekken en dorpen, en Xaverius onderwees hen omtrent de wijze om de heidenen te bekeren en de gelovigen in de Godsdienst te versterken. Na zijne medearbeiders hunne wijk aangewezen te hebben, drong hij dieper landinwaarts, waar Gods Geest hem geleidde en kwam in een koninkrijk waar hij niets van de taal verstond, zoals uit de brief blijkt, welke hij aan Mansilla schreef. “Uit hetgene ik u zal zeggen, kunt gij gemakkelijk beseffen, welk leven ik hier leid. Ik versta evenmin de taal van dit volk als zij de mijne; daarbij ontbreekt het mij nog aan enen tolk. Al wat ik hier verricht, bestaat in het dopen der kinderen en het oppassen der zieken, welke men, zonder behulp van enen tolk, uit hetgene men hen ziet lijden, zeer wel verstaat.” De heilige hield zich evenwel niet lang onder deze heidenen bezig; hij zag zich, door ene treurige omstandigheid, op een ogenblik, dat hij er het minst aan dacht, teruggeroepen. De Bagaden, een roofzuchtig volk dat in het koninkrijk Bisnajar, ook Carnata geheten, huisvestte, vijanden van de naam van Christus, wreed van aard, niet slechts onderling verdeeld, maar gestadig in oorlog met hunne naburen, hadden met geweld van wapenen het koninkrijk Pandi, tussen Malabar en de visserskust gelegen, overmeesterd en vielen in deze streken, toen Xaverius afwezig was. De Paravas, welke hen vreesden, namen de vlucht, lieten hun land ten prooi en waren slechts bedacht om hun leven te redden; zij scheepten zich met hunne vrouwen en kinderen in en begaven zich naar bijgelegen, doch woeste en onvruchtbare eilanden, alwaar velen hunner stierven van gebrek. De heilige vernam de ellende, in welke zich zijne geliefde schare bevond en getroffen tot in zijne ziel, spoedde hij zich om hen te ondersteunen; hij verkreeg op zijne bede van de Portugezen, aan welke hij zich gewend had, twintig schuiten met levensmiddelen beladen en kwam in persoon deze ongelukkigen troosten. Op zijne komst vergaten zij om zo te spreken hunne rampspoeden; hij scheen hen het leven teruggegeven te hebben en geleidde hen, daar de rovers de kust verlaten hadden, naar hunne woningen terug. Daar de Bagaden alles meegevoerd hadden, zamelde Xaverius overal aalmoezen in en de Paravas zagen zich allengs in hunnen vorige stand hersteld. Nu begaf zich de ijverige geloofsprediker naar het koninkrijk Travancar, hetwelk met dorpen en gehuchten vervuld is. Door tussenkomst der Portugezen verkreeg hij weldra van de koning vrijheid, om het geloof te verkondigen en in weinige tijd werd dit land tot God bekeerd, zodat men er weldra vijfenveertig kerken zag prijken; hij schreef, dat hij in één maand met eigen hand tienduizend heidenen gedoopt had; op een dag doopte hij al de inwoners van een volkrijk dorp, en de heilige getuigt, dat het hem een aangenaam schouwspel was te zien, dat deze ongelovigen, zodra zij het doopsel ontvangen hadden, zich haastten om zelf hunne afgoden en tempels onder de voet te halen.
Voorts kan men hier eigenlijk stellen, dat God zijner dienaar de gave van talen mededeelde, volgens bericht van ene jonge Portugees van Coimbriga, Vaz geheten; deze volgde de heilige op verschillende tochten en verklaarde, toen hij in Europa teruggekeerd was, alles waarvan hij zelf getuige geweest was. Zonder ooit de tongvallen van die onderscheidene volken te hebben geleerd, sprak Xaverius dezelve volkomen en had verder geen vertolker nodig. Daar hij gene kerken vond, noch stichten kon, die de menigte, welke hem kwamen horen, konden bevatten, geleidde hij hen in een ruim veld en meermalen waren daar tussen de vijf- en zesduizend mensen bijeen; hij klom dan op enen boom of ene hoogte en verklaarde hun de eeuwige waarheden; zo diende het veld tot kerk en men spande vervolgens scheepszeilen, onder welke hij het altaar opsloeg en de Heilige Geheimen in tegenwoordigheid van alle aanwezigen, die hem van alle kanten zien konden, opdroeg.
De braminen konden niet langer dulden, dat de dienst hunner pagoden veracht werd en poogden zich op hem, die zij als de enige oorzaak van hun verderf beschouwden, te wreken. Zij wisten enige ongelovigen te bewegen zich in hinderlaag te leggen en de heilige op die wijze, zonder enig gerucht, van kant te maken; meer dan eens wachtten zij hem op, om hem dan met pijlen te doorschieten. Op een zekere nacht werd Xaverius overvallen, maar de Voorzienigheid waakte over haren dienaar; ene menigte pijlen werd tevergeefs afgeschoten, slechts één bracht hem een lichte wond toe; drie of viermaal stak men de huizen in brand, waarin men meende dat hij zich ophield, en hij was bij een zekere gelegenheid gedwongen zich ene ganse dag in een bos te verbergen; hij bracht de nacht op ene boom door, middelerwijl de heidenen niet ophielden hem bij fakkellicht te zoeken, doch wie zal degene hinderen, die door God beschermd wordt?
De Bagaden, die tot het vorige jaar de visserskusten verwoest hadden, werden meer en meer tegen de Christenen aangevuurd door Satan, die zijn rijk van dag tot dag zag vervallen. Zij vielen in het koninkrijk Travancor; hunne vroegere voordelen deden hen onbeschaamd worden en zij meenden, dat niets hunne veroveringen kon tegenhouden; doch dewijl zij niet zoals vroeger met eenvoudigen en ongewapenden te doen hadden, rukten zij wel gewapend en in goede orde onder de leiding van een moedig overste aan. De bewoners van de zeekusten, verschrikt door de inval dezer bende, vluchtten landinwaarts en verspreiden overal het gerucht van de strooptocht der Bagaden. De koning van Travancor verzamelde al zijne troepen, trok hun tegemoet en een aller bloedigst treffen scheen de zaak te zullen beslissen, want deze rovers waren in veel groter getal en beter gewapend dan de bewoners van het koninkrijk. Vader Xaverius vernam de verschrikkelijke ramp, die het land bedreigde; hij wierp zich op zijne knieën en zei: “Heer, gedenk dat gij een God vol barmhartigheid en de beschermer uwer gelovigen zijt, laat deze kudde, welke gij mij toevertrouwd hebt, niet over aan de woede dezer wolven, dat de nieuwe belijders van uwen naam, die nog zo zwak zijn in het geloof, zich niet beklagen het omhelsd te hebben en dat de ongelovigen niet vergund wordt van hen, die hunne hoop op U gevestigd hebben, te onderdrukken.” Toen hij zijn gebed geëindigd heeft, staat hij op, neemt het kruisbeeld in de hand, stelt zich aan het hoofd van enige moedige Christenen, gaat met dezen naar de plaats, waar de vijanden reeds in slagorde gereed staan om aan te vallen en roept met luide in het oor der gelovigen donderende stem: “Ik berbiedt u in de naam van de levende God, een voet voorwaarts te rukken, ik beveel u uit zijnen naam aanstonds terug te keren.” Deze weinige woorden werpen schrik onder de eerste gelederen der rovers, zij staan onbeweeglijk, zij die volgen vragen de reden waarom zij niet oprukken; de eersten antwoorden, dat zij voor zich ene onbekende zien, die in het zwart gekleed, meer dan menselijke grootte en een verschrikkelijk voorkomen had, terwijl zijne ogen als bliksemstralen uitschoten, de stoutmoedigsten willen zich hiervan overtuigen; zij naderen, doch de angst overmeestert hen en allen nemen in de grootste wanorde de vlucht. Zij, die de heilige gevolgd waren, keerden naar onderscheidene dorpen terug en verspreidden overal de mare dezer wonderbare en ontzettende gebeurtenis; de koning, die reeds was komen oprukken, ontbood Gods dienaar, hij omhelsde hem als de bevrijder van Travancor en na hem voor de ganse menigte met dankbetuigingen overladen te hebben, zei hij: “Ik noem mij de grote koning, maar voortaan zult gij de grote vader heten.” Xaverius verklaarde de koning, dat men aan Jezus Christus, de God der Christenen, dankbaar zijn moest en dat hij, die uit zelven niet kon verrichten, slechts een werktuig in de hand van de almogende God was. De ongelovige vorst, die aan de twee ondeugden, welke een hinderpaal in de bekering zijn, te weten aan de hoogmoed en de onkuisheid, verslaafd was, begreep de woorden des heiligen niet en zulks belette hem het geloof te omhelzen. Hij liet evenwel door het ganse koninkrijk afkondigen, dat men aan Xaverius dezelfde gehoorzaamheid behoorde te betonen, welke men hem verschuldigd was en dat men zonder vrees de Godsdienst der Christenen kon omhelzen; hij noemde Xaverius zijnen broeder, gaf hem aanzienlijke sommen geld, welke Gods dienaar tot ondersteuning der armen besteedde. Het voor de verbreiding van de Godsdienst gunstig besluit was oorzaak dat, niettegenstaande het kwade voorbeeld van de vorst, niet slechts ene overgrote menigte gewone onderdanen, maar zelfs hovelingen en rijksgroten zich bekeerden; daarbij brachten de mirakelen, door de heilige Xaverius verricht, de bekeringen van het ganse koninkrijk tot stand. Behalve de menigvuldige zieken, welke hij genas, wekte hij vier doden, twee vrouwen en twee mannen ten leven op. De akten der heiligverklaring, ofschoon zij slechts eenvoudig van de opwekking der vrouwen spreken, vermelden die der mannen zeer omstandig. Xaverius predikte trouwens te Coulan, één der zeesteden van Travancor, nabij de kaap Comorin; ofschoon enigen het geloof aannamen, bleven de meesten aan de afgodendienst verslaafd, doch hoorden hem gaarne en bevonden, dat de grondstellingen van het Evangelie overeenkwamen met het licht der rede; doch zij vergenoegden zich met de wet der Christenen te bewonderen. Xaverius ziende, dat hij hen te vergeefs van God sprak, begon met aandrang God zelf aan te spreken; hij sloeg zijne ogen ten hemel, zijn aangezicht schitterde en hij riep onder het storten van overvloedige tranen uit: “Alle harten, o Heer, zijn in uwe handen; indien Gij wilt, dan kunt Gij de meest versteende harten bewegen en verhardste harten vermurwen. Schenk heden die glorie aan het bloed en de naam van Uwen Zoon.” De heilige gevoelde dat hij verhoord was; als een mens van boven ingelicht, wendt hij zich tot de menigte en zegt: “Welnu, wijl gij mij op mijn woord niet wilt geloven, welke getuigenis vordert gij van de waarheden, die ik u verkondig?” Nu herinnert hij zich, dat men daags te voren een man begraven had en op krachtige toon vaart hij voort: “Opent het graf, hetwelk gij gisteren gesloten hebt, neemt er het lijk uit, doch onderzoekt wel of degene, die gij begraven hebt, werkelijk dood is.” De hardnekkisten waren de eersten om het lichaam op te graven en zij ontwaarden, dat hetzelve reeds stonk; zij nemen het doodskleed af, leggen de dode voor de voeten van Xaverius, die zich intussen naar de begraafplaats begeven had, en met verbazing en ontsteltenis verwacht elk, terwijl men het oog op het lijk gevestigd hield, wat er zou gebeuren. Gods dienaar werpt zich op zijne knieën, verricht een zeer kort gebed en zich tot de dode kerende, roept hij met vaste stem: “In de naam van de levende God, gebiede ik u, tot bewijs der waarheid van de Godsdienst, welke ik predik, op te staan.” Aanstonds richt de dode zich op en toont zich niet slechts levend, maar gezond en vol kracht te zijn; nu roept elk met luide stem uit, dat de God der Christenen de enige machtige God, en dat de leer, welke de grote vader verkondigde, de enige ware is. Zij wierpen zich voor zijne voeten, verzochten gedoopt te worden en wijl zij de waarheden meermalen gehoord hadden, kenden en bekenden zij dezelve en ontvingen het kostbaar Sacrament der wedergeboorte.
De andere dode, welke de apostel ten leven opwekte, was een jong Christen, die te Mutan, tussen Cargapatam en Alicala op dezelfde kust overleden was; meer dan vierentwintig uren was hij reeds aan ene besmettelijke koorts gestorven; juist bevond Xaverius zich op de weg, langs welke men de dode naar de begraafplaats bracht; de ouders van de jongeling, van de aanzienlijksten des lands, vergezelden met al hunne bloedverwanten deze treurige plechtigheid; zij waren ontroostbaar, doch werden bij het ontmoeten van de heilige bemoedigd. Zij omhelsden zijne knieën, bezworen hem hun hunnen zoon terug te schenken, want zij hielden zich overtuigd, dat hetgene de macht der natuur te boven ging, door een enkel woord van hem kon bewerkt worden. Xaverius werd levendig aangedaan en door het geloof versterkt, riep hij de bijstand des hemels in, maakte over de dode het heilig kruisteken, besproeide het lijk met gewijd water, nam het bij de hand, richtte het in de naam des Heren op en gaf de ten leven opgewekte jongeling gezond aan zijne ouders terug. Om deze zo voortreffelijke en wonderdadige gebeurtenis te vereeuwigen stelden de ouders op de plaats, waar het mirakel geschied was, een groot kruis en deze plaats werd in ene algemene bidplaats herschapen. Deze wonderwerken maakten in het ganse koninkrijk zoveel indruk op de harten, dat men van alle zijden toesnelde om de vader te zien en te horen, en door zijne hand gedoopt te worden; binnen weinige maanden was het ganse koninkrijk Travancor voor Jezus Christus gewonnen; slechts de koning met de voornaamsten van zijn ontuchtig hof wilden de dienst der vuile afgoden niet verlaten. Nu Jezus heeft het in zijne ondoorgrondelijke raadsbesluiten gezegd: “Ik dank U Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen, en aan de kleinen veropenbaard hebt; ja Vader, omdat het U alzo behaagd heeft.”
De roem van de heilige Xaverius bleef niet binnen de grenzen van het koninkrijk Travancor beperkt, maar verspreidde zich weldra door de Indiën, de Godsdienst van Jezus werd terzelfdertijd zo eerbiedwaardig, dat zelfs de afgelegenste volken, welke nog in de afgoderij verzonken waren, hunne gezanten naar de heilige afvaardigden en hem smeekten van hen te komen onderwijzen. Hoe moet het hart van de verheven dienaar Gods van vreugde opgesprongen hebben, toen hij overtuigd werd, dat de heidenen zo zeer verlangden de weg te kennen, die hen tot het eeuwige leven leidde, hoezeer beklaagde hij zich, uit hoofde van gebrek aan priesters, niet in staat te zijn deze afgedwaalde menigte op de weg der zaligheid te kunnen brengen. Daar hij zag dat de oogst zo groot, doch het getal werklieden zo gering was, schreef hij aan de heilige Ignatius en aan vader Simon Rodricus, en verzocht dat zij hem spoedig enige zendelingen en geloofspredikers zouden zenden. Groot is de ijver, waarmee hij zich in één zijner brieven uitdrukt, en wij kunnen ons niet weerhouden enige regels van denzelven af te schrijven:
“Meermalen komt bij mij het denkbeeld op om de universiteit van Europa en vooral die van Parijs te bezoeken, en aan degenen, die meer wetenschap dan liefde bezitten, toe te roepen: Ach, welke menigte zielen verliezen door uwe schuld de hemel en gaan naar de hel! Hoe ware het te wensen, dat die mannen zich evenzeer op het bekeren der zielen, als op de beoefening der wetenschappen toelegden, opdat zij de Heer van hunne leer en van de talenten, welke Hij hun gegeven heeft, rekenschap zouden kunnen geven. Velen hunner zouden dan, door dat denkbeeld getroffen, zonder twijfel zich van de wereld afzonderen, om des Heren wil te vernemen, zich op de overweging van de hemelse waarheden toeleggen; zij zouden hunne hartstochten bedwingen, de ijdelheid der wereld onder de voet trappen en zich in staat stellen, om de Goddelijke wil te volgen. Zij zouden van ganse harte uitroepen: zie hier ben ik, o Heer! zendt mij waar gij wilt, zelfs naar de Indiën, indien het U behaagt. Mijn God, hoeveel meer tevreden zouden die wijzen leven, hoeveel meer verzekerd zou hunne zaligheid zijn! terwijl zij in het uur des doods, en nu bereid om de vreselijke oordelen Gods, die niemand ontwijken zal, alle vertrouwen op de barmhartigheid Gods konden stellen, wijl zij dan konden zeggen: Heer, Gij hebt mij vijf talenten gegeven, zie ik heb vijf anderen overgewonnen. Daar ik onmogelijk naar Europa kan terugkeren, zo neem ik God tot getuige, dat ik vast besloten heb, om naar de universiteit van Parijs en wel bepaaldelijk aan onze leermeesters Cornet en Picard te schrijven, en hen te verzekeren, dat miljoenen afgodendienaars zich bekeren zouden, indien er vele mannen gevonden werden, die niet hun belang, maar dat van Jezus Christus zochten.”
Het is in de daad jammer, dat de brief, welke de heilige Xaverius naar de hoogleraren van Soibonne schreef, niet meer bestaat; hij schreef hun, dit is onbetwistbaar, uit de Indiën, om hen te doen besluiten daar het Evangelie te komen verkondigen.
Onder de afgodendienaars, welke zo zeer verlangden om in de leer van Jezus Christus vonderwezen te worden, willen wij in de eerste plaats de Maranezen noemen, want zij waren het, die het eerste de heilige hunne afgevaardigden zonden.
Het eiland Manaär ligt op de noordelijkste punt van Ceylon en aan de spits van de banken van Remananlouc en heeft ene voortreffelijke haven; er werd grote handel gedreven, de grond is er evenwel zo zandig en droog, dat hij slechts op een klein gedeelte vruchtbaar is en nog met veel moeite moet bearbeid worden. Vader Xaverius ontving in het koninkrijk Travancor de gezanten van Manaär; daar hij evenwel de nieuwe door hem gestichte kerk niet zo spoedig kon verlaten, zond hij één zijner priesters naar Manaär en God zegende de arbeid van deze ijvervolle zending zo zeer, dat de Maranezen niet slechts Christelijke Godsdienst omhelsden, maar zelfs met hun bloed bezegelden en de palm der martelaren waardig werden. Toen zuchtte het eiland onder de overheersing van de koning van Jafanatapan, die de kroon op zijnen broeder overweldigd had en al zijne onderdanen als slaven behandelde. Een onverzoenbaar vijand van de Christenen zijnde, veinsde hij nochtans een vriend der Portugezen te zijn, want hij vreesde hunne macht, wijl deze paal en perk aan zijne wreedheid kon stellen, maar nauwelijks had hij vernomen, dat de Maranezen de naam van Jezus beleden, f hij ontvlamde in ene woede, welke tirannen, die van de duivel bezeten en aan Nero gelijk zijn, alleen bezielen kan. Hij gaf aanstonds bevel om alles, wat in Manaär weigerde de afgoden te offeren, om hals te brengen, en dit bevel werd zo stipt opgevolgd, dat alle mannen, vrouwen en kinderen, die de Godsdienst omhelsd hadden, door het staal omgebracht werden. De genade had de harten der nieuwe Christenen zo overmeesterd, dat niemand hunner, na over hun geloof ondervraagd te zijn, het wilde verzaken; elk verklaarde Christen te zijn en ging de marteldood heldhaftig tegemoet. De ouders spraken voor hunne zuigelingen, die gedoopt waren en offerden hen aan de dood met ene bereidwilligheid, welke de beulen zelfs deed verstommen; zes- tot zevenhonderd Christenen lieten hun leven voor Jezus Christus en de streek van Manaär, welke geheiligd werd door het bloed dezer helden en vroeger Pasim heette, verkreeg van toen af de naam van “martelaars-grond.” Deze vervolging, verre van de Godsdienst uit te roeien, diende om haar meer te doen veld winnen; de tiran onderging de schande van te moeten zien, dat zijne hofbeambten en dienaren hunne oude valse eredienst verzaakten en hetgeen hem van woede schier deed sterven was, dat zijn oudste zoon zich bekeerde; deze getroffen door de Goddelijke genade, liet zich door een Portugees koopman onderwijzen, doch daar zulks niet langer in het geheim geschieden kon, liet de koning, nadat hij zulks vernomen had, zijnen zoon de keel afsteken en het lichaam op het open veld tot voedsel voor het roofgedierte werpen. De koopman vond gelegenheid om des nachts het lichaam van de martelaar te begraven; aanstonds zag men op het graf een schitterend wonderkruis blinken. De heidenen stelden alle pogingen in het werk om het te vernietigen, wierpen er aarde op, stampten deze aan, doch de volgende dag verscheen het teken opnieuw; men trachtte het kruis weer te doen verdwijnen, maar nu zag men het in de lucht, waar het glansrijke stralen spreidde. Door dit wonder verschrikt en inwendig getroffen, toonden zich talrijke afgodendienaars bereid de Godsdienst der Christenen te omhelzen. ’s Konings zuster had reeds vroeger in stilte het geloof aangenomen; zij onderwees zelve haren zoon en haren neef, de broeder van de martelaar, maar met hun de weg ten hemel te wijzen, wist zij hen insgelijks aan de woede van de tiran te onttrekken en onder geleide van de koopman naar Goa te zenden. Hier werden zij door de heilige Xaverius opgenomen, onderwezen, aan de onderkoning van Indiën voorgesteld en verkregen de verzekering dat zij zich niet zouden beklagen alles om Jezus Christus verlaten te hebben. De woede van de overweldiger van Jafanatapan kende nu gene palen meer, en vrezende dat zijn broeder, die nadat zijn troon overweldigd was, een zwervend leven leidde, door de Portugezen weer in zijn rechten hersteld worden, deed hij hem overal opsporen, doch die prins had zich met tien ridders naar Negapatan en vervolgens naar Goa begeven; hij werd Christen en zwoer plechtig, dat hij, wanneer hij in zijn rijk hersteld zou worden, zelf zou arbeiden om zijne onderdanen onder de gehoorzaamheid van Jezus Christus te brengen.
Ofschoon de heilige Xaverius zich terecht mocht verheugen, dat deze nieuwe Christenen, die nauwelijks de naam van Jezus kenden, voor de Godsdienst reeds wisten te sterven, achtte hij het evenwel noodzakelijk de onderkoning van de Indiën op het hart te drukken, om aan de wreedheid en onrechtvaardigheid van de tiran, die Jafanatapan overweldigd had, paal en perk te stellen, te meer omdat, wanneer deze booswicht ongestraft bleef, alle andere heidense vorsten hunne gelovige onderdanen zouden vervolgen. De heilige ontbood vader Mansilla naar de visserskust en begaf zich naar Cambaya, waar de onderkoning zich onthield; de ijverige apostel meende bovendien die tocht te moeten onder ondernemen, wijl de Europeanen en vooral de beambten der kroon van Portugal in de Indiën, een te ongeregeld en ongebonden leven leidden, waardoor zij zowel aan de ongelovigen als gelovigen tot grote ergernis verstrekten.
In Goa bleef de eredienst der pagoden zelfs in het openbaar geduld, zodat de sekte der braminen, die door geld de Portugese beambten omkochten, van dag tot dag in macht toenam, het volk mocht in het openbaar afgoderij bedrijven, indien het slechts nauwgezet de schatpenningen betaalde; openbare bedieningen werden aan de Saracenen verkocht en de inboorlingen, die Christen waren, uitgesloten; de slavenhandel werd meedogenloos gedreven en men verkocht zelfs Christenen aan de heidenen; men duldde dat de koning van Cochin, ofschoon schatplichtig aan de kroon van Portugal, de goederen van zijne onderdanen, die zich lieten dopen, verbeurd verklaarde. Xaverius ziende, dat de Christenen zelve de grootste hinderpalen in de verbreiding van de Godsdienst waren, droeg te Cochin, alwaar hij de vicaris-generaal der Indiën ontmoette, al zijne belangen voor en gaf deze de beweegredenen van zijne reis te kennen; hij verklaarde hem duidelijk, dat de zwakheid van de regering de voornaamste oorzaak was der geldzucht en gewelddadigheden der beambten, dat Alphonsus de Sosa wel veel Godsvrucht, maar geen kracht genoeg bezat om zich te doen eerbiedigen, dat het van het grootste gewicht was, dat de koning van Portugal omtrent alle ongeregeldheden, die plaats hadden, onderricht werd door een man, die aan Joannes III niet verdacht kon voorkomen. Michael Vaz, de vicaris-generaal van Indië, trad volkomen in de gevoelens van de heilige Xaverius en wijl hij zelf de reis naar Portugal ondernam, gaf Xaverius hem ene brief aan de koning mee, waarin hij de ganse zaak voorstelde. Volgens de onderrichtingen van vader Franciscus, wist Michael Vaz het bij de vorst daarheen te brengen, dat er een andere gouverneur over de Indiën in de persoon van Don Joannes de Castro aangesteld werd. Enige jaren daarna kwam de troonoverweldiger van Jafanatapan met zijnen zoon jammerlijk om het leven, nadat hij zich met slechts jegens zijne onderdanen, maar zelfs jegens de kroon van Portugal hoogst schuldig gemaakt had. De heilige ondernam nu van Cambaya de terugtocht naar Cochin, waar hij omtrent drie weken vertoefde en zeilde omtrent het einde van de maand Mei, van de kust van Ceylon naar Negapatan, hij verlangde nochtans het eiland Manaär, waar meer dan zeshonderd Christenen de marteldood ondergaan hadden, te bezoeken en terwijl hij zich hier over de gelukzalige bestemming van deze schare van heiligen verheugde, werd zijn hart gewond door de ramp, welke de bewoners van dit eiland trof. Ene aanstekende ziekte woedde er zo, dat dagelijks meer dan honderd mensen stierven, maar nauwelijks waren de Maranezen onderricht, dat de grote vader zich te Pasim bevond, of wel drieduizend, meest heidenen, smeekten hem om het eiland van die pestziekte te bevrijden. Xaverius bad gedurende drie dagen en stelde de Heer de verdienste van zijne martelaren, die hier voor Hem hun leven geofferd hadden, voor; reeds voor het einde van de aan de heidenen bepaalde tijd werd hij verhoord, de pest hield op, al de zieken werden op staande voet gezond en dit mirakel bewerkte de bekering van al de ongelovigen, welke hij met eigene hand doopte.
Na hier nog enige tijd vertoefd te hebben, begaf hij zich naar Negapatan en dewijl hij zijne onderneming van Jafanatapan moest opgeven, verlangde hij om naar het koninkrijk Travancor terug te keren; daar de wind zo gunstig bleef, dat men niet eens de kust kon naderen, oordeelde de heilige, dat God hem tot andere bestemming beschikte; hij besloot derhalve het licht des Evangeliums van eiland tot eiland, van koninkrijk tot koninkrijk tot aan de uiterste grenzen van de Oost-Indiën te ontsteken, en de berichten, welke hij gedurende zijne tochten inwon, deden hem aan een eiland denken, dat onder de evennachtslijn tussen de Molukse eilanden en Borneo lag, in onderscheidene koninkrijken verdeeld en van het noorden naar het zuiden tweehonderd mijlen lang was; het eiland werd Celebes of Makassar geheten, was zeer bevolkt en rijk. Voor aleer Xaverius zijne reis naar Makassar bepaalde, wilde hij evenwel eerst des Heren wil raadplegen en hij besloot ene bedevaart naar het graf van de heilige Apostel Thomas, dat te Meliapour was, te ondernemen; Meliapour lag slechts vijftig mijlen van Negatapan, doch wegens tegenwind kon hij met gene scheepsgelegenheid die plaats bereiken; hij ging dus te voet derwaarts en kwam binnen enige dagen op de bestemde plaats. Zodra hij de stad binnen trok, kwam de vicaris van Meliapour hem tegemoet en bood hem zijne woning tot intrek aan; de heilige nam dit aanbod te gewilliger aan, wijl het huis bij de kerk gelegen was, in welke de overblijfselen van de heilige Thomas rustten, zodat hij met alle gemak, zelfs des nachts, deze heilige plaats kon binnentreden en de Heer over zijne onderneming betrekkelijk Makassar raadplegen. Xaverius ging dan werkelijk een groot gedeelte van de nacht in de kerk doorbrengen, doch moest steeds over de begraafplaats, welke haar van het huis scheidde, gaan; de geestelijke onderrichtte hem, dat die nachtreis niet altijd veilig was en men er meermalen vervaarlijke verschijnselen ontmoette, doch de nieuwe apostel meende, dat men hem slechts vrees trachtte aan te jagen en vervolgde zijne gewone handelswijze, maar weldra ondervond hij dat men hem waarheid gezegd had, want de volgende nacht zag hij dusdanige verschrikkelijke verschijnselen, die hem steeds wilden terug houden; hij spotte evenwel met dezelve en hield ze voor begoochelingen van Satan.
De boze geesten zijn veel te hoogmoedig, indien God hun toelaat om zich te wreken, om te kunnen dulden, dat men hen ongestraft durft te verachten. Toen de heilige op een zekere nacht zijne gebeden voor het altaar van de Heilige Moedermaagd stortte, vielen zij hem aan en sloegen hem zo vreselijk, dat hij gedwongen was enige dagen het bed te houden; hij had evenwel niets van dit ongeval gemeld, doch een jongeling, die in de nabijheid van de kerk sliep, was door het gerucht ontwaakt. Na opgestaan te zijn, hoorde hij de slagen en tevens de gebeden, welke de heilige aan de Heilige Maagd opzond, om haren bijstand tegen de pogingen der hel af te smeken; nauwelijks zag Xaverius zijne krachten hersteld, of hij begaf zich volgens gewoonte weer des nachts naar de tempel, en ofschoon de boze geest hem niet meer zo geweldig kwelde, stelde hij altijd nog middelen in het werk om hem te verontrusten; evenwel moest hij voor de moed des heiligen, die hem bleef verachten, onderdoen, terwijl Xaverius hem schier al de zielen te Meliapour ontrukte, welke hij in zijne slaafse boeien meende gekluisterd te hebben. De ijverige dienaar des Heren arbeidde ook hier rusteloos aan het heil der zielen; zijne heilige levenswandel gaf kracht aan zijne woorden en de inwoners meenden, dat degenen, die zijnen raad niet opvolgden, onherstelbaar verloren gingen, wijl onderscheidene grove zondaars, die hunne bekering uitstelden, door ene rampzalige dood getroffen werden. Hij verrichtte dus te Meliapour al wat hij verlangde en toen hij eindelijk de stad verliet, was zij geheel bekeerd. Xaverius was zo tevreden, dat hij haar duizendmaal zegende en verklaarde, dat in gans Indië geen stad was waar men Christelijker leefde; hij voorzei, dat zij eens zeer bloeiend en vermogend zou worden, en slechts weinige jaren daarna werd zijne voorspelling vervuld. Vier maanden bracht hij te Meliapour door en vertrok in de maand September 1545. De ganse bevolking, welke in hem haren vader stond te missen, stortte tranen en poogde hem in haar midden te houden, doch Xaverius had vast besloten van Malakka en vandaar naar Makassar over te steken. Reeds op 25 September stapte de heilige te Malakka aan wal; doch daar hij, zoals wij verder zullen zien, meermalen in die stad vertoefde en er grote zaken verrichtte, komt het ons niet ongepast voor, dat wij ons enigszins met die stad bekend maken. Zij ligt nabij het hoofd van het schiereiland van die naam, aan de overzijde van de golf van Bengale, over het eiland Sumatra. Malakka stond onder het beheer van de koningen van Siam, doch de Saracenen, die er zeer machtig geworden waren, wisten door ene opstand te bewerken, dat de stad zich aan de overheersing van een Mahomedaans vorst onderwierp; zij was als handelsstad zeer vermaard, onderscheidene Indische volkeren dreven er handel en voor het gemak der menigte, welke hier koopwaren aan de markt bracht, had men aan de stad ene grote uitgestrektheid gegeven. Onder alle Aziatische volksstammen waren de bewoners het meest tot de wellust genegen; het luchtgestel schijnt hier toe mee te werken, want ofschoon in de nabijheid van de evennachtslijn, is het alsof men aanhoudende lentedagen geniet en de bewoners volgen hunne natuurlijke geneigdheden, en kennen in het genot van de vleselijke wellust gene palen, alles is daar vrolijk en feestmaal; de taal, welke men er spreekt, te weten het Maleis, doet ons reeds de werkelijkheid des lands kennen, want van alle talen, welke men in de Indiën spreekt, is zij de zachtste en sierlijkste, alles draagt dus bij om de vleselijke lusten te ontvlammen.
In het jaar 1511 veroverd Don Alphonsus d’Albuquerque Malakka; de stad, ofschoon door dertigduizend man, enige hinderden stukken geschut en talrijke schepen verdedigd, moest bezwijken, zij werd door de Portugezen veroverd en de Moorse vorst was gedwongen om met een gering getal der zijnen de vlucht te nemen; nu bouwden de overwinnaars een sterk kasteel, hetwelk de landvoogden van tijd tot tijd meer versterkten, want de barbaren legden zich dikwijls toe om de stad en het kasteel te heroveren en richtten veeltijds grote verwoestingen aan.
Nauwelijks had de heilige de stad bereikt, of hij begaf zich naar de stadvoogd en gaf deze zijn voornemen te kennen, om zo spoedig mogelijk naar Makassar te vertrekken, doch de Heer liet toe, dat deze beambte hem gedurende enige tijd terug hield; hij verklaarde naar die streek een Godvruchtig priester en enige soldaten gezonden te hebben, dat hij dagelijks bericht wachtte omtrent de toestand der Christenen van Makassar en overreedde hem om zolang te Malakka te vertoeven. Xaverius nam met zijnen metgezel zijn intrek in het hospitaal en het volk, dat van de Portugezen van hem zoveel goeds gehoord had, kwam in menigte om hem te zien; de ouders brachten zelfs hunne kinderen bij de heilige en men merkte weldra op, dat, ofschoon hij nooit in de stad geweest was en er niemand kende, hij de kinderen, die hij liefkoosde, bij hunnen naam noemde, als ware hij geen vreemdeling onder hen. Hij zuchtte zonder ophouden, toen hij ontdekte, dat de stad in ene afgrijselijke zedenbederf verzonken lag; de Portugezen, verre verwijderd van het opzicht van de bisschop en de onderkoning, leefden in ene tomeloze ongebondenheid, zonder vrees voor kerkelijke en burgerlijke wetten; er heerste de afschuwelijkste misdaden, geldzucht, onmatigheid, oneerbaarheid, roof en andere goddeloosheden onder hen, hunne kleding en de overmaat hunner boosheden onderscheiden hen slechts van de ongelovigen. Dusdanige rampzalige ondervinding deed de heilige begrijpen, dat zijn verblijf te Malakka aan de bekering dezer ellendigen hoogst nuttig zijn kon, doch voor hij de hervorming ener in goddeloosheid verzonken stad ondernam, bracht hij enige nachten in het gebed en buitengewone strenge oefeningen en de dagen in de verzorging en het oppassen der zieken door. Dus gesterkt, begon hij op dezelfde wijze als vroeger te Goa zijne openbare onderrichtingen, liep tegen de avond de straten der stad met ene bel in de hand door, en riep met luide stem: “Bidden wij God voor hen, die in staat van doodzonde leven.” Deze vreemde handelswijze werkte op de geest van menig zondaar; zij begonnen over de ellendige toestand van hunne ziel na te denken en zagen de slechte gesteltenis van hun hart, want de heilige matigde daarenboven meer dan anders zijnen ijver; ofschoon hij steeds een vergenoegd uitzicht had, zo scheen hij zijne opgeruimdheid en het aanvallige van zijnen omgang in Malakka als te verdubbelen, zodat zijn metgezel Joannes Deyro verklaarde, dat hij over zijne innemendheid ten hoogste verbaasd stond.
Door deze handelswijze won Xaverius aller harten en overmeesterde om zo te spreken de ganse stad, want hij zorgde eerst ene schandelijke daar gevestigde gewoonte uit ge roeien, volgens welke jonge dochters zich nu en dan als jongelingen verkleedden; deze tegenstrijdigheid was de oorzaak van grote ergernis en schandelijk misdrijf, hij slaagde er in de bijvrouwen te verjagen, of als wettige vrouwen te doen huwen. De kinderen waren zelfs in de eerste beginselen van de Godsdienst geheel onkundig en leerden, zodra zij begonnen te spreken, reeds schadelijke woorden te spreken, onzedelijke liederen te zingen, doch de heilige wist hen weldra te hervormen; nu hoorde men hen openlijk des Heren lof verbreiden; de beginselen van de Godsdienst schoten wortel in de jeugdige harten en hunne kinderen stemmen verkondigden de grootheid van de Goddelijke Barmhartigheid; niet minder slaagde Xaverius om het waardig gebruik van het Heilige Sacrament der biecht, dat afgeschaft scheen, te herstellen; mannen en vrouwen, rijken en armen kwamen zich in de rechterstoel der genade aanbieden, en de heilige wenste slechts op ene behoorlijke wijze aan elks verlangen te kunnen geven; hij legde zich vooral toe om het Maleis zuiver te spreken, want deze is op al die eilanden de algemene taal; hij vertaalde de kleine catechismus, van welke hij zich aan de visserskust bediende, bij welke hij nog ene uitgebreider onderrichting betrekkelijk de voornaamste plichten van de Christen voegde, en met deze hulpmiddelen bekeerde hij en zijne metgezellen talrijke heidenen, Mahomedanen en Joden, onder welke laatsten een beroemde rabbijn openlijk het Jodendom afzwoer en het geloof in Jezus Christus omhelsde. Deze rabbijn, die in het begin al wat men wonderbaars van Xaverius verhaalde voor fabelen hield, erkende de waarheid door eigene ondervinding, want nergens verrichtte Gods vriend zovele wonderen als te Malakka, en de geestelijke berichten vermelden, volgens de met eden bekrachtigde getuigenissen, dat alle zielen, welke hij aanraakte, genezen werden en dat zijne handen ene genezende kracht tegen elke soort van kwaal schenen te bezitten.
Wij willen slechts één mirakel onder zovelen vermelden. Terwijl Xaverius ene kleine reis in de omstreken van Malakka deed, kwam ene jonge dochter, wier moeder zowel als zij voor enige dagen gedoopt was, te sterven; de moeder had hem gedurende de ziekte van hare dochter overal tevergeefs gezocht; nauwelijks had zij evenwel zijne terugkomst vernomen, of zij wierp zich wenende aan zijne voeten en zei hem nagenoeg als ene andere Martha aan Jezus, dat wanneer hij in de stad geweest was, zij, welke zij thans beweende, niet gestorven zou zijn, doch dat hij slechts de naam van Jezus Christus had aan te roepen, om hare dochter ten leven op te wekken. Xaverius stond verbaasd over het vaste geloof van deze onlangs eerst Christen geworden vrouw en oordeelde, dat zij de gunst verdiende, welke zij afsmeekte; na zijne ogen ten hemel opgeheven en enige tijd in stilte gebeden te hebben, keerde hij zich tot de moeder en zei haar: “Ga, uwe dochter leeft.” deze bedroefde moeder, die verwacht had dat de heilige met haar ter plaatse, waar hare dochter begraven was, zou gegaan zijn, zei tussen hoop en vrees wankelende, dat hare dochter reeds voor drie dagen begraven was. “Wat doet het er toe?” hernam de heilige, “ga, open het graf en gij zult haar levend vinden.” Zonder hiertegen iets in te brengen, gaat de vrouw vol geloof en betrouwen, vergezeld door ene talrijke menigte, naar de kerk, men neemt de steen die het graf dekt af, opent de kist en zij, die dood was, staat op en keert met hare moeder huiswaarts.
Een schip van Goa bracht hem enige brieven uit Italie en Portugal, welke hem de gelukkige vorderingen van de maatschappij van Jesus meedeelden; de heilige kon zich niet onthouden deze brieven meermalen te herlezen, hij kuste dezelve en bevochtigde ze met zijne tranen, terwijl hij uitriep, dat hij zich dan verbeeldde met zijne broeders in Europa te zijn, of hen bij zich in de Indiën te bezitten; hij ontving terzelfdertijd de zo belangrijke tijding, dat drie nieuwe zendelingen aangekomen waren, welke vader Ignatius hem gezonden had en die Joannes de Castro, welke Alphonsus de Sosa in het bestuur der Indiën verving, uit Portugal naar Goa meegebracht had. Xaverius beschikte aanstonds over hunne dienst; Antonius Criminal, een Italiaan, die het eerste onder de kinderen van de heilige Ignatius de kroon der martelaren verwierf en Joannes Beira, een Spanjaard, werden door hem naar de visserskust gezonden. Nicolaus Lancilotti liet hij in het seminarie van het Heilige Geloof te Goa blijven, om het Indische jongelingschap in de wetenschap te onderwijzen.
Na gedurende drie maanden te Malakka vertoefd en op tijding uit Makassar gewacht te hebben en ziende, dat tevens de tijd verstreken was waarin het schip, door de gouverneur van Malakka afgezonden, had kunnen terug zijn, oordeelde hij, dat het de Heer niet behaagde om hem onder deze volkeren, die ene priester in hun midden hadden, te zenden; hij maakte zich derhalve gereed om andere eilanden, die geheel ontbloot waren van geestelijke bijstand, te bezoeken. Voor hij Malakka verliet openbaarde God aan zijnen dienaar, dat deze stad om hare trouweloosheid met verschrikkelijke rampen, zoals oorlog en pestziekte zou bezocht worden. Xaverius bedreigde de inwoners met de wraak des hemels, welke enige jaren later over hen afdaalde, want zij, die bij de komst van de heilige hunne zeden verbeterd hadden, hervielen ongevoelig in hunne misdrijven en werden nog meer ongebonden dat zij geweest waren, zoals gewoonlijk plaats heeft bij mensen van losbandige aard, die wel voor enige tijd zich geweld aandoen, maar door de kracht van hunne schandelijke hebbelijkheden in hunne vroegere zonden hervallen. Xaverius voorspelde hun de gesel van Gods gramschap, trachtte hen op alle wijze tot de deugd te vermanen, om hun eigen belang te bevorderen, maar zijne bedreigingen en vermaningen waren tevergeefs; hij zei het tegenovergestelde van hetgene hij van Meliapour gezegd had, welke stad hij zo zeer prees, dat hij in gans Indië gene zo slechte stad als Malakka kende.
De apostel scheepte zich vervolgens op 1 Januari 1546 naar Amboina in, op een schip, hetwelk de eilanden van Banda zou bezoeken; de scheepsbevelhebber was een Portugees, het overige volk, zowel soldaten als matrozen, Indiërs en kwamen verder uit verschillende streken, meestal heidenen of Mahomedanen; allen werden door hem voor Jezus Christus gewonnen en wat hen zoveel te meer van de waarheid overtuigde was, dat wanneer de heilige Xaverius de geheimen des geloofs in ene taal verklaarde, zij hem elk in hunne spraak verstonden, als of hij tegelijkertijd verschillende talen sprak. Op 16 Februari zette men te Amboina voet aan wal. Dit eiland ligt omtrent tweehonderdvijftig mijlen van Malakka en heeft dertig mijlen in de omtrek. De dienaar des Heren vond er geen priester; degene die de zeven dorpen, welke door Christenen bewoond werden, bediend had, was gestorven; Xaverius begon aanstond met die plaatsen te bezoeken en ene menigte kinderen te dopen, die onmiddellijk na het doopsel ontvangen te hebben stierven. “Het scheen,” zegt hij in één zijner brieven, “dat de Goddelijke Voorzienigheid hun leven verlengde tot zolang men hun de ingang des hemels opende.” Na de Christenen door zijn onderwijs en door de Heilige Sacramenten opnieuw versterkt te hebben, begaf de ijverige apostel zich meer landinwaarts en ging in de holen der bergen onderscheidene huisgezinnen opzoeken, die de kusten bewoond hadden, maar nu geheel arm en hulpeloos binnenlands gevlucht waren, om zich tegen de zeerovers en Saracenen te beveiligen; hij verschafte hun allen geestelijke en lichamelijke bijstand. Vervolgens richtte de heilige Xaverius zich tot de afgodendienaars en Saracenen, onder welke hij het geloof verkondigde en God zegende de woorden en de arbeid van zijnen dienaar zo zeer, dat het grootste gedeelte der bevolking Christen werd; hij bouwde in elk dorp kerken, koos de geschiktste en ijverigste Christenen uit, welke hij met het onderwijs der anderen zolang belastte, totdat er door de vaders der maatschappij van Jesus in zou voorzien worden. Hij schreef naar Goa en gelastte Paulus de Camerino om hem Franciscus Mansilla, Joannes Beira en één of twee van de eerste missionarissen, welke uit Europa zouden overkomen, te zenden; hij gelastte vooral aan Mansilla spoedig over te komen, ten einde op één van deze eilanden een collegie der maatschappij op te richten en gestadig Evangeliedienaars voor deze grote Archipel te kunnen aankweken.
Terwijl hij te Amboina werkzaam was, kwam er ene Spaanse vloot van zes schepen voor anker; zij had zich aan ene onrechtvaardige onderneming tegen de kroon van Portugal schuldig gemaakt en keizer Karel V, aan wie koning Joannes III zijne billijke klachten ingeleverd had, gaf vrijheid om de Spanjaarden evenals zeeschuimers te behandelen; maar de Portugezen waren te edelmoedig, wijl de eerste van hunne onrechtmatige handelwijze afgezien hadden en naar Europa stevenden. Ondertussen brak op die vloot ene aanstekende ziekte uit en zij was in de uiterste behoefte en zonder hulp; matrozen en soldaten lagen in de schepen en op het strand verspreid en aan de vreselijkste ellenden schier zonder hulp ten prooi, wijl elk hen ontvluchtte. Xaverius had nauwelijks hunnen nood vernomen, of zijne liefde kende gene palen; dag en nacht bracht hij aan de zieken en stervenden alle bijstand, hij zelf bestelde hunne doden ter aarde, na eerst de stervenden tot de overgang naar het andere leven voorbereid te hebben. Dewijl het de zieken aan voedsel en geneesmiddelen ontbrak, wist hij hen deze van alle zijden te doen toekomen. Een Portugees, Joannes van Araus geheten, een vermogend man, die de heilige van Malakka naar Amboina vergezeld had, bewees de meeste hulp, dan vermits de ellende van dag tot dag toenam, vreesde Araus, dat hij zich door zijne liefdewerken zou verarmen en werd, hoe tederhartig hij vroeger ook was, zo ongevoelig, dat men op hem niet meer rekenen kon. Bij een zekere gelegenheid verzocht hem de vriend der ongelukkigen om een weinig wijn voor ene stervende; Araus gaf die, doch zei, dat men zich niet meer tot hem moest wenden, wijl hij niets meer gaf. Nauwelijks had men zulks aan vader Xaverius bericht, of deze riep in verontwaardiging uit: “Wat meent Araus, terwijl hij zijn wijn voor zich behouden wil en deze aan de lijdende ledematen van Jezus Christus weigert! Zijn einde is nabij en al zijne goederen zullen na zijnen dood onder de armen verdeeld worden.” De heilige kondigde Araus in persoon deze onheilspellende boodschap aan, die weldra hare vervulling naderde; toen trouwens enige tijd daarna Xaverius zich te Ternate bevond en de heilige offerande opdroeg, keerde hij zich tot het volk, om “Orate fratres, bidt broeders,” te zeggen en voegde er aanstonds bij: “Bidt insgelijks voor Joannes van Araus, die te Amboina gestorven is.” Die tegenwoordig waren tekenden de dag en het uur aan, en tien of twaalf dagen later kwam een schip van Amboina te Ternate en bracht brieven mee, die het afsterven van die mens berichtten; daarenboven bevond zich een Portugees op het schip, die hem op het ogenblik, dat de heilige zijnen dood afkondigde, had zien sterven; nauwelijks had vader Xaverius Amboina verlaten of Araus werd ziek en daar hij geen kinderen of erfgenamen had, werd volgens de gewoonte, die te Amboina heerste, zijne ganse bezitting onder de armen verdeeld.
Toen de Spanjaarden vertrokken waren, bezocht Xaverius enige kleine eilanden in de nabijheid van Ambonia en wachtte naar ene scheepsgelegenheid, om meer nabij Makassar te komen. Op één der Molukse eilanden, Bacanara geheten, kreeg hij zijn kruisbeeld, hetwelk hij in zee verloren had, op ene wonderdadige wijze terug. Faustus Rodricus, wiens beëdigde getuigenis in het rechtsgeding der heiligverklaring is opgenomen, verhaalt het voorval op deze wijze: “Wij waren op zee, vader Franciscus, Joannes Ragosa en ik, toen opeens een storm uitschoot, waardoor al de matrozen in angst geraakten. De vader nam een klein kruisbeeld, hetwelk hij altijd op zijne borst droeg, bukte neer en wilde het in het water laten zakken, doch het ontglipte aan zijne hand en werd door de golven meegesleept; dit verlies smartte hem gevoelig en hij kon zijne droefheid voor ons niet verbergen; de volgende dag stapten wij op het eiland Bacanara aan wal; vierentwintig uren waren sedert hij het kruis verloren had, verstreken en in gevaar doorgebracht, toen vader Franciscus en ik tezamen langs het strand naar het vlek Talamo wandelden; wij hadden omtrent vijfhonderd schreden afgelegd, toen wij beiden ene kreeft uit zee zagen opdagen, die het kruis omhoog geheven tussen zijne scharen hield. Ik zag, dat de kreeft rechtstreeks op de heilige aankwam en voor hem rustte; Xaverius viel op zijne knieën, nam zijn kruis terug en de kreeft toog weer naar zee; hij omhelsde en kuste het kruis, bleef op dezelfde plaats omtrent een half uur, de handen kruiselings op de borst in het gebed neergeknield, terwijl ik met hem was; beiden dankten wij de Heer voor dit zo blijkbaar wonder en na opgestaan te zijn vervolgden wij onze weg.”
Zij bleven acht dagen te Bacanara en zeilden vervolgens naar Rosalao, maar de heidenen, die deze beide eilanden bewoonden, waren zeer goddeloos, hadden niets als het uitwendig voorkomen van de mens en waren in beestachtige wellust verzonken; niemand wilde zich bekeren en de ijverige apostel trok, toen hij het eiland verliet zijne schoenen uit, schudde het stof van dezelve en reinigde zijne voeten, want hij wilde van deze aan de duivel der schandelijkste zonden overgeleverde streek niets meenemen. Het eiland Ulato, dat meer bevolkt en minder woest is dan de beide andere eilanden, was niet zo doof en verhard tegen de stem, die de zaligheid kwam aankondigen. Het ganse eiland was onder de wapenen en de koning, in zijne hoofdstad belegerd, stond gereed om zich aan zijne vijanden over te leveren, niet zo zeer omdat het hem en de zijnen aan moed ontbrak, maar de vijanden hadden al de waterleidingen afgesneden en de fonteinen onbruikbaar gemaakt; daarbij was er geen vooruitzicht op regen, zodat bij de schier ondragelijke hitte er de grootste behoefte aan water was; mensen noch paarden konden langer leven. Deze gelegenheid om de overwonnenen en wellicht de overwinnaars voor Jezus Christus te winnen, scheen de heilige uitmuntend; vol vertrouwen op de Goddelijke barmhartigheid, vindt hij middel om in de stad te komen, laat zich de koning voorstellen en biedt hem de hulp aan, die hij nodig had te verschaffen. “Veroorloof mij,” zegt Gods dienaar, “hier een kruis te planten, betrouw op God, die ik u kom verkondigen; Hij alleen is Heer en meester over de natuur, die, wanneer het Hem behaagt, de bronnen des hemels kan openen, om de aarde te bevochtigen, maar ingeval het regent, beloof mij da zijne macht te erkennen en met uwe onderdanen zijne wetten aan te nemen.” In de noodzakelijkheid, waarin de vorst zich geplaatst zag, beloofde hij van zijnen kant al wat de heilige hem voorstelde en verplichtte zich, indien de uitkomst aan zijne wensen beantwoordde, om zijn woord nauwgezet te vervullen.
Xaverius had een groot kruis doen maken en plantte het op de verhevenste plaats in de stad, en te midden der soldaten en de gehele verbaasde bevolking neerknielende, stelde hij het belang der zielen, voor welke Jezus Christus de dood ondergaan had, aan de hemelse Vader voor en smeekte Hem om de verdiensten van de gekruiste Zaligmaker, die voor allen zijn bloed vergoot, om voor het zielenheil ener ontelbare schare geen water te weigeren. Nauwelijks had de vriend des Allerhoogste zijn gebed begonnen of de hemel begon te bewolken en toen het geëindigd had, viel er een overvloedige regen. De belegeraars stonden verstomd, zij zagen dat de hemel de stad onoverwinbaar maakte, want zij kenden de moed der nu versterkte en gelaafde belegerden, trokken dus af en verlieten de omtrek. De koning en al zijn volk werd genoegzaam onderwezen en door Xaverius gedoopt; hij wilde zelfs, dat al die hem onderdanig waren Christenen werden en Jezus zouden aan bidden. Meer dan drie maanden bracht Xaverius op deze kleine tochten door en keerde naar Amboina terug, waar Joannes Deyro steeds bezig was de nieuwe Christenen te versterken; de heilige liet hem daar werkzaam en ging op een Portugees schip naar de Molukse eilanden om er het geloof te verbreiden.
Ternate, één der grootste dezer eilanden, ontving het eerst de heilige, die ene zeer gevaarlijke zeeboezem van negentig mijlen overgestoken was, te midden van welke de reizigers door een stormwind werden overvallen en meermalen op het punt waren van in de golven begraven te worden. Xaverius werd als door een mirakel behouden, en daar men te Ternate reeds zijne heiligheid had horen roemen, verkreeg hij spoedig het vertrouwen van de inwoners. Een man als Franciscus werd daar gevorderd, niet alleen om de misdaden, die er heersten, uit te roeien, maar om het zover te kunnen brengen, dat een geheel losbandig volk, hetwelk zich zonder schaamte aan misdaden, welke de welvoeglijkheid gebiedt te zwijgen, schuldig maakte, hem slechts aanhoorde. Van de grote menigte goddelozen, welke Gods dienaar daar aantrof, bleven bij zijn vertrek slechts twee hardnekkig in de misdaad. Overal zag men het onrechtvaardig verkregene goed herstellen en de aalmoezen waren zo menigvuldig, dat de liefdegestichten, die zeer arm waren, overvloed hadden en vermogend werden. Deze verbetering van zeden onder de Christenen werkte weldadig op de heidenen en Saracenen, van welke ene talrijke menigte het geloof omhelsden; doch de grootste overwinning behaalde hij op de dochter van Almansor, koning van Tidor; deze Saraceense vorstin heette Neachilis Pocaragu en was de echtgenote van Boëlif, koning van Ternate, voordat de Portugezen het eiland veroverd hadden. Deze prinses was zeer verstandig en edelmoedig, doch gehecht aan hare sekte en haatte de Portugezen, omdat zij, na hem zeer gewillig ingenomen en veroorloofd te hebben zich daar te vestigen, door hen mishandeld werd, zodat, na de dood van haren echtgenoot, haar slechts de naam van koningin overbleef en hare drie zonen door list, de kroon, de vrijheid en het leven verloren; hare onheilen deden haar gedurende enige jaren van eiland tot eiland omdolen, maar de Goddelijke Voorzienigheid deed haar naar Ternate, juist op het ogenblik dat de heilige Xaverius zich daar bevond, terugkeren. Zij leefde, ofschoon zonder enig gezag, evenwel luisterrijk en had ene fierheid behouden, die de machtigen dezer aarde, zelfs wanneer zij in boeien zijn, niet afleggen. Xaverius werd in de gelegenheid gebracht de verdrukte vorstin te spreken en reeds bij het eerste onderhoud wist hij haar een verheven denkbeeld van het koninkrijk Gods in te boezemen; hij verklaarde haar hoe gemakkelijk dat rijk te winnen was en dat, wanneer men het eens in bezit had, men niet behoefde te vrezen het te verliezen; de Saraceense prinses, die op aarde niets meer te verwachten had, begeerde de hemel te winnen; de vader wist al hare twijfelingen zo op te lossen, dat zij zich weldra van de valsheid van de alcoran en van de waarheid van het Evangelie overtuigd gevoelde. Zij beantwoordde aan de genade van Jezus Christus, werd door Xaverius in het openbaar gedoopt en ontving de naam van Isabella; de vorstelijke Christin werd voor allen een voorbeeld van nederigheid, ingetogenheid, zachtmoedigheid en liefde tot God en de naaste, en werd zowel door de Indiërs als Portugezen meer geacht en geëerbiedigd, dan toen zij met koninklijke luister de scepter voerde.
Terwijl de heilige zich te Ternate ophield vernam hij, dat enige eilanden omtrent zestig mijlen ten oosten verwijderd, haren naam van het voornaamste, dat Moro heette, ontleenden; men verhaalde hem, dat de bewoners vroeger het doopsel ontvangen, doch schier even spoedig het geloof verzaakt hadden; zij hadden Simon Vaz, hunnen eerste herder, omgebracht en zouden zijnen medehelper Franciscus Alvarez insgelijks gedood hebben, indien deze het niet had weten te ontvluchten; later wel is waar had Antonius Galvan, een edelmoedig en Godvruchtig man, die gouverneur van Ternate was, hun weer een zeer geschikt en ijverig priester gezonden, maar ofschoon hij de geest van het Christendom enigszins deed herleven, keerde het volk door deszelfs natuurlijke onstandvastigheid, toen het zich van deze priester beroofd zag, tot de vorige ongebondenheid terug. De ijverige apostel wenste zo gaarne deze afgedwaalden voor Jezus te herwinnen, maar toen zijn voornemen om naar het eiland Moro over te steken bekend werd, trachtten zijne vrienden hem terug te houden; zij stelden hem al het gevaar voor, waaraan hij zich onder een volk, dat in wreedheid en trouweloosheid alle barbaarse volkeren overtrof, opofferde, daar zij op hunne feestmalen zich met mensenvlees voedden en zich niet ontzagen hunne bloedverwanten en tederste betrekkingen te slachten; alles was tevergeefs, Xaverius veranderde niet van plan en terwijl men niets op hem vermocht, namen zijne vrienden toevlucht tot een zeker soort van geweld; zij verzochten de gouverneur van Ternate een bevel te geven, waarbij onder zware straffen verboden werd vader Franciscus naar het eiland Moro over te brengen. Hij gevoelde al de smart, welke deze strenge maatregelen in zijn hart veroorzaakten en kon zich niet onthouden in het openbaar zich over de bemoeiingen van zijne vrienden te beklagen. “Ach wat zijn het toch voor mensen,” zei hij, “die de Goddelijke macht beperken en een zo gering denkbeeld van de genade des Zaligmakers hebben? Kunnen er dusdanige verharde harten gevonden worden, die de kracht des Allerhoogste, wanneer het Hem behaagt dezelve te veranderen, tegenstand zullen bieden aan deze even zoete als sterke kracht, die dorre stronken kan doen worden en uit de stenen kinderen van Abraham schenken? Hoe! zou Hij, die door de bediening der Apostelen het ganse heelal aan het gebied van het kruis onderworpen heeft, deze kleine streek der wereld niet kunnen doen gehoorzamen! Zullen dan de eilanden van Moro alleen geen deel mogen hebben aan de weldaad der verlossing! Zullen deze volken uitgezonderd blijven, ofschoon Jezus Christus alle geslachten als zijn erfdeel de hemelse Vader heeft opgedragen! Ik beken het, dat zij zeer wreed en onmenselijk zijn, dat zij nog erger zijn dan men van hen zegt; ik heb evenwel een goed vertrouwen van hen, wijl ik door mij zelven niets kan. Ik kan alles in Hem, die mij versterkt, van wie alleen al de kracht ontspruit, welke de Evangeliearbeiders doet werken.”
Vervolgens verklaarde de heilige, dat het aan andere minder woeste volkeren aan gene arbeiders voor de Heer ontbreken zou, maar dat deze eilanders hem schenen voorbehouden te zijn, wijl niemand zich hunner wilde aantrekken; vervoerd door ene heilige gramschap, welke elk deed verbaasd staan, zei hij: “Wanneer deze eilanden kostbaar welriekend hout opleverden en er goudmijnen gevonden werden, dan zouden de Christenen, hoe woest en wreed ook de bewoners waren, moed genoeg hebben daarheen te stevenen en voor gene gevaren terugdeinzen; maar zij zijn lafhartig en vreesachtig nu er slechts zielen te winnen zijn; moet dan de liefde minder moed hebben dan de zucht naar ijdele goederen, dan de begeerte naar geld? Zij zullen mij, zegt gij, door het staal of door vergif om hals brengen. O! deze genade is geenszins weggelegd voor een zondaar gelijk ik ben, maar ik durf u stoutmoedig te zeggen, dat ik bereid ben, welke folteringen en welke dood men mij (ook) zou willen aandoen, voor de zaligheid van ene ziel duizendmaal meer te lijden. Wanneer ik door hunne handen omgebracht word, zullen zij misschien allen Jezus Christus eenmaal aanbidden, want van de eerste eeuwen der Kerk af, heeft het bloed der martelaren het zaad van het Evangelie in de onbebouwde grond des heidendoms vruchtbaarder doen zijn, dan al het zweet der geloofspredikers.” Xaverius eindigde zijne reden met te verklaren, dat men niets voor zijne onderneming te vrezen had, dat God hem naar Moro riep en dat de mensen hem nooit zouden beletten de stem des Heren te volgen. Deze apostolische taal maakte ene diepe indruk op aller harten, het tegen de onderneming uitgevaardigd bevel werd niet alleen ingetrokken, maar zeer velen boden zich aan om hem te geleiden en alle gevaren met hem te delen.
Toen hij al de hinderpalen uit de weg geruimd zag, scheepte hij zich met enige vrienden in; zij, welke hem naar de oever begeleidden, beweenden hem als een tederhartig vader, die men niet dacht terug te zien; voor hij evenwel vertrok, schreef hij naar Rome en gaf aan de vaders van de maatschappij verslag van de reis, welke hij ging ondernemen.
“De streek, naar welke ik zal afreizen,” schrijft hij, “is vol gevaar en wegens de wreedheid der bewoners en de gewoonte van in drank en voedsel verschillende giften te mengen, is voor de vreemdelingen hoogst rampspoedig, daardoor wordt de priester belet om hen te gaan onderwijzen. Ik heb slechts het oog op de uiterste nood, waarin zij zich bevinden en op mijne bediening gevestigd, die mij verplicht om zelfs ten koste van mijn leven, zielen aan de eeuwige dood te ontroven; ik heb besloten alles voor de zaligheid van die volken te beproeven. Al mijne hoop is op God gevestigd en mijn verlangen is, om zoveel in mij is, het woord van Jezus Christus te gehoorzamen: die zijn leven lief heeft, zal het verliezen en die zijn leven ter mijner liefde haat, zal het vinden. Gelooft mij, mijne geliefde broeders, ofschoon deze Evangelische grondstelling in het algemeen gemakkelijk te bevatten is, zij wordt duister, hoe klaar zij is, wanneer de tijd van beoefening aangebroken is en het er op aankomt om voor God te sterven; Hij alleen heeft daarvan het begrip, die van God in zijne barmhartigheid is ingelicht, want dan kent men eerst het zwakke en wankelende der menselijke natuur. Onderscheidene personen, welke mij teder beminnen, hebben al het mogelijke in het werk gesteld, om mij van die tocht terug te houden, en nu zij zagen, dat ik mij noch aan hunne gebeden, noch aan hunne tranen liet gelegen liggen, hebben zij mij tegengift aangeboden, doch ik wil er geen gebruik van maken, uit vrees, dat wanneer ik dit behoedmiddel meenam, ik dan het onheil, dat men mij aankondigde, meer vrezen zou en daar ik mij in handen van de Goddelijke Voorzienigheid gesteld had, meende ik gene behoefte te hebben aan enig behoedmiddel tegen de dood, te meer dewijl mij voorkwam, dat ik te minder vertrouwen zou hebben op God, wiens grootheid ik mij van dusdanige middelen, die toch altijd onzeker zijn, bediende.”
Xaverius en zijne reisgezellen genoten ene gunstige wind en zetten weldra voet aan wal; de heilige, die zich voor de zaligheid van geheel het eiland wenste op te offeren, spoedde zich aanstonds naar het nabijgelegene dorp, welks meeste bewoners vroeger gedoopt waren; zij hadden slechts een flauw denkbeeld van deze bijzondere genade overgehouden, en hunne Godsdienstige verering was een mengelmoes van afgodendienst en Mahomedismus.
Zodra de eilanders de vreemdelingen zagen landen, namen zij de vlucht, want zij vreesden, dat men wraak zou nemen over de Portugezen, welke zij in vroegere tijd om hals gebracht hadden. Xaverius volgde hen in hunne bossen, hij maakte jacht op zielen en dewijl de vluchtelingen in zijne gehele houding ene zachtmoedige zending bemerkten, oordeelden zij terecht, dat hij hun vijand niet kon wezen; enigen hielden stand en aan degenen, welke hij aansprak, gaf hij aanstonds het doel zijner zending te kennen; zij waren Christenen, tenminste in naam en hij boezemde hun de geest des Christendoms dadelijk in, die geest van liefde en zachtmoedigheid. Hoe verwilderd en barbaars de mens immer worden kan, hij, die enig denkbeeld van de Godsdienst van Jezus heeft, weet en gevoelt, dat de ware Christen volgens de grondbeginselen van de Godsdienst handelt, vooral wanneer het er op aan komt om ongelukkige afgedwaalden tot de schaapsstal terug te brengen. Hoe verwilderd en wreed ook deze eilanders waren, zij konden aan de beminnelijke aanvallen van de heilige niet langer tegenstand bieden; hij geleidde hen naar het dorp terug, gaf hun alle blijken van zijnen zachtmoedige aard en bezong in hun midden in het Maleis, hetwelk allen verstonden, de barmhartigheden des Heren; de eerste grondbeginselen der Godsdienst wist hij insgelijks bij wijze van gezangen voor te dragen en dan aanstonds naar gelang van hun begrip, te verklaren. Door dit middel keerden degenen, die vroeger het geloof ontvangen hadden, maar afgevallen waren, tot de schaapsstal des Heren terug; zelfs onderscheidene nog geheel ongelovigen werden door zijne pogingen voor Jezus Christus gewonnen. Er was geen dorp, geen vlek, hetwelk hij niet bezocht en overal werden kruisen geplant en kerken gebouwd; de stad Tolo, voornaamste van het gehele eiland, telde vijfentwintigduizend zielen en zij werd zowel als de stad Momoya voor de Heer gewonnen. Het eiland werd dus voor de heilige apostel het eiland van Goddelijke hoop, hoe gaarne zou hij gewenst hebben, dat Moro die naam gedragen had, omdat men niet had mogen verwachten, dat God hier zoveel wonderdadigs zou verricht hebben en wijl de vruchten, welke hij inoogstte, zijne verwachting zoverre overtroffen.
Op dat eiland bevonden zich onderscheidene kolken en afgronden, welke meermalen onder zwarte rook, die de dag verduistert, met gestadige vuurvlammen en groot geraas, ene menigte stenen uitwerpen; aan de rand van deze onderaardse vuurovens wist hij hun al het verschrikkelijke van de heiligheid te beschrijven, die degenen verbiedt, welke zijnen God ontrouw is en weigert Hem te aanbidden; bij grote aardbevingen, de gevolgen van die onderaardse woelingen, waarbij men zich op geen plaats schier zeker kon achten, maande hij hen tot boetvaardigheid aan en overtuigde hen, dat deze gebeurtenissen, niet zoals zij meenden, door de afgestorvenen, welke de aarde bedekten, bewerkt werden, maar of door de duivel, die zich op de roof hunner ziel toelegde, of door de hand Gods, die deze natuurlijke dingen bezigde om de vrees voor zijne rechtvaardigheid en voor zijne oordelen dieper in hunne harten te prenten. Eén der vreselijkste aardbevingen had plaats op de feestdag van de heilige Aartsengel Michael; de Christenen waren in de kerk vergaderd en te midden van de heilige offerande begon de aarde zo te schudden, dat schier allen de tempel ontvluchtten. Xaverius vreesde, dat het altaar zelfs ten onderste boven zou geworpen worden; hij bleef evenwel bedaard en voltrok de Heilige Geheimen, steeds in het denkbeeld verkerende, zoals hij later zei, dat de heilige Aartsengel al de duivelen op dat ogenblik van het eiland verdreef, en dat deze helse geesten, wijl zij uit hunne bezitting verjaagd werden, ene gehele omkering wilden bewerken. De moed en de standvastigheid van de heilige verbaasde de heidenen en zij begonnen te beseffen, dat een mens, die terwijl de bergen schudden en de rotsten scheurden, kalm bleef, iets goddelijks in zich verenigde; dat verheven denkbeeld, hetwelk zij van hem opvatten, maakte hem meester van hunnen harten en terwijl hij hen onderrichtte en hun de grondbeginselen der Godsdienst van Jezus verklaarde, werden zij door de werking der genade in hunne zielen zo veranderd, dat zij, die in hunne handelingen aan wolven en tijgers gelijk geweest waren, nu even handelbaar, zachtmoedig en vredelievend werden als schapen.
Enige dezer eilanders legden evenwel, in weerwil van alle pogingen, hunne woestheid niet af; zij werden Javaren geheten, bewoonden slechts bossen en bergholen, en hadden niets menselijks als het uitwendig voorkomen; deze rampzaligen durfden hunnen weldoener, welke hen onvermoeid zocht, met de dood te bedreigen; trouwens toen hij hun aan de boord van ene rivier de Evangelische waarheid verklaarde en zij niet langer wilden dulden, dat hij hen over de verbetering van hunne bedorvene zielen onderhield, namen zij stenen op, om hem op ene wreedaardige wijze te doden. Xaverius had voor zich ene woedende menigte en achter zich ene brede, diepe en snelstromende rivier, zodat hij hunne aanslagen niet scheen te kunnen ontwijken; maar niets kan de mens hinderen, die door de hemel beschermd wordt; hij ziet op de kant van de stroom ene zware balk liggen; zonder moeite brengt hij die te water, begeeft zich op denzelven, bevindt zich aanstonds op de andere oever en ontwijkt door de Goddelijke hulp het gevaar, aan hetwelk hij zich enige ogenblikken te voren blootgesteld zag. Ofschoon in een woest en onvruchtbaar land, overgeleverd aan alle bedenkelijke ellenden, honger, dorst en naaktheid, smaakte Xaverius nochtans de zoetste vertroostingen. Wij willen slechts enige regels afschrijven van de brief, die hij aan de heilige Ignatius zond. Na eerst ene getrouwe schildering van het land geschetst te hebben, zegt hij: “Ik heb u dit alles willen melden, opdat gij enigszins de overmaat van hemelse zoetigheden, welke men hier geniet, zou kunnen bevatten; de gevaren, aan welke men zich voor het belang van God blootstelt en de arbeid, welke men onderneemt, zijn onuitputbare bronnen van geestelijke blijdschap; zo zelfs, dat men op deze eilanden, waar alles ontbreekt, door de overvloed der tranen, die de blijdschap doet storten, in gevaar is het gezicht te verliezen. Ik herinner mij niet ooit meerdere inwendige zoetigheden gemaakt te hebben, en de vertroosting, welke de ziel geniet, is zo zuiver, zo aanhoudend en uitgezocht, dat zij alle gevoel van lichamelijke ellende doet vergeten.”
De grote apostel der Indiën bleef drie maanden op Moro; toen keerde hij naar de Molukse eilanden terug, om vandaar naar Goa te reizen; hij wilde trouwens in al hetgene de maatschappij van Jesus betrof, die zich van dag tot dag in de nieuwe wereld vestigde, voorzien en door andere zendelingen de nieuwe Christenen, welke zich op alle eilanden bevonden, versterken, wijl het niet mogelijk was, dat hij alleen in alle geestelijke behoeften voorzag.
Hij bleef te Ternate gedurende drie maanden; de vaste bezigde hij om allen tot het Paasfeest voor te bereiden, doch hij legde zich bijzonder toe op de bekering van Casil Aërio, koning van Ternate; deze vorst ontving en behandelde hem vriendelijk, hoorde hem gaarne, maar kon zich aan zijne vleselijke geneigdheden niet onttrekken; hij bleef aan zijne dwalingen en afschuwelijke wellust gehecht, beloofde evenwel op zijn koninklijk woord, dat hij zijnen zoon, indien deze door de Portugezen in het gezag bevestigd werd, zou doen dopen. Xaverius wist die gunst te verkrijgen, maar ondervond helaas! hoe weinig men op het woord der ongelovige en vleselijke tirannen rekenen mag, de koning begon met de Christenen te vervolgen; evenwel was zijn arbeid niet vruchteloos, behalve andere hovelingen bekeerde hij twee zusters van de koning, die zich veel liever de mishandelingen van hunnen broeder lieten welgevallen, dan dat zij het geloof verzaakten.
Xaverius had te Ternate enige deugdzame jongelingen uitgekozen, welke hij naar Goa meenam, opdat zij, na in het seminarie van het Heilige Geloof onderwezen en voorbereid te zijn, naar de Molukse eilanden zouden kunnen terugkeren, om onder hunne landgenoten het geloof te verbreiden; hij verliet zijne geliefde schare en bereikte weldra de haven van Amboina. Hier bezocht hij de zeven Christen dorpen, bevestigde de bewoners in het geloof en scheepte zich in naar Malakka. Het kan bij deze gelegenheid geweest zijn, dat hij Macassar aandeed, want ofschoon men niet stellig weet wanneer hij op dat grote eiland geweest is en welke vruchten hij daar voor het koninkrijk des Heren inzamelde, vinden wij toch in het rechtsgeding zijner heiligverklaring de beëdigde getuigenis van ene aanzienlijke vrouw van Malakka, Joanna Melo geheten, vermeld, die zei, dat zij meermalen de prinses Eleonora, dochter van één der koningen van Makassar, had horen zeggen, dat de heilige apostel de koning haren vader, haren broeder en onderscheidenen zijner onderdanen gedoopt had; wat er van zij, de heilige keerde in de maand Juli van het jaar 1547 naar Malakka terug.
Hij ontmoette aldaar drie religieuzen van de maatschappij van Jezus, die uit kracht zijner brieven, naar de Molukse eilanden vertrokken; Mansilla, hoe dringend het bevel ook was, was niet gekomen; hij volgde liever zijnen eigen wil, met ter plaatse waar hij zich bevond te arbeidden, doch zijne ongehoorzaamheid kwam hem duur te staan; Xaverius dreef hem uit de maatschappij, want hij oordeelde terecht, dat een ongehoorzaam religieus meer nadeel aanbrengt, dan een ijverig arbeider in des Heren wijngaard goeds verrichten kan.
Daar de zendelingen eerst op het einde van de maand Augustus naar hunne bestemming konden vertrekken, mochten zij gedurende ene ganse maand zich in de tegenwoordigheid van de heilige Xaverius verheugen, en werden door hem zelven tot de grote onderneming der apostolische bediening gevormd; hij vertoefde zelfs vier maanden te Malakka, ontdeed zich hier nog van ene andere metgezel, die, ofschoon aan hem gehecht, evenwel niet tot de maatschappij van Jesus behoorde. Franciscus had hem om zijne gehechtheid aan het tijdelijke meermalen scherp moeten berispen en was nu en dan, om de ziel te behouden, in de treurige noodzakelijkheid geweest, zijne zachtmoedigheid, waarmee hij veeltijds de schuldigen behandelde, te vergeten; doch nu liep de zaak zo hoog op, dat hij de omgang met een belang zoekend man, die bovendien niet zeer oprecht voor hem was, moest ontwijken; hij ontdeed zich dus van hem, doch voorzegde hem insgelijks, dat God hem de genade zou schenken van zijne neigingen te overwinnen, en dat hij eenmaal het armoedig kleed van de heilige Franciscus zou aantrekken. Deze voorzegging werd bewaarheid, want toen men later in de Indiën berichten inwon betreffende de zeden, deugden en wonderwerken van de heilige Xaverius, droeg Joannes Deyro, zo heette die mens, het ordekleed van de heilige Franciscus en leefde als een deugdzaam religieus.
De grote apostel was na het vertrek der zendelingen alleen werkzaam in de menigvuldige bedieningen op Malakka; in die tijd deed Alaradin, koning van Achem op het eiland Sumatra, een inval op Malakka; deze Mahomedaan was een onverzoenbaar vijand der Christenen en der Portugezen. Hij had een grootleger en ene talrijke vloot bijeengebracht, en beproefde om het kasteel en de stad Malakka te veroveren; de vijanden verschenen op 9 Oktober 1547 voor de stad, doch vonden zoveel tegenstand, dat zij het beleg, na eerst schier alle schepen, die in de haven van Malakka voor anker lagen, verbrand of verstrooid te hebben, moesten opbreken en naar het eiland Upe uitwijken. Ofschoon de macht der Portugezen zeer gering was, wist Xaverius door zijne aanmoediging de gouverneur te overreden, met weinige schepen de vijanden aan te grijpen; na menig hevig gevecht bleven de Portugezen, zoals Xaverius, die altijd in het gebed verzonken lag, voorzegd had, overwinnaars. Op de vierde Zondag van December, terwijl hij tussen negen en tien uur des morgens predikte, geraakte hij eensklaps buiten zich zelven; hij zweeg een ogenblik en in plaats van zijn onderwerp te vervolgen kondigde hij, onder bedekte woorden, de menigte aan, dat de vloten slaags waren; naarmate de strijd zich verhief, werd hij meer en meer vervoerd van geest. Opeens roept hij, terwijl hij het kruisbeeld aanzag, uit: “Jezus, God van mijne ziel, Vader vol barmhartigheid, ik smeek U door de verdiensten van uw heilig lijden, verlaat uwe soldaten niet” te spreken; na ene korte poos richt hij zich op en roept met ene blijdschap, die hem buiten zich zelven bracht, uit: “Mijne broeders, Jezus heeft voor ons overwonnen; in dit uur, dat ik tot u spreek, drijven de soldaten van de heilige naam des Heren de vijanden op de vlucht en maken onder dezen ene grote slachting, vier Portugezen zijn gevallen; aanstaande Vrijdag zult gij de uitslag vernemen en wij zullen de vloot weldra terugzien.” Hoe ongelooflijk die aankondiging ook scheen, zij, die hem hoorden, stelden vertrouwen op zijn woord; na de middag vergaderde hij de vrouwen en moeders der soldaten in de kerk van de Heilige Maria en herhaalde zeer duidelijk al wat hij voor de middag gezegd had, zodat niemand meer aan de goede uitslag twijfelde. Op de bestemde Vrijdag kwam een fregat, door de scheepsvoogd Deza afgezonden, de heugelijke voorzegging bekrachtigen. Weldra zag men de overwinnende vloot in de haven, de heilige bracht het volk naar de oever met een kruisbeeld in de hand en zei, dat men de overwinning aan Jezus Christus te danken had; niemand twijfelde meer of Gods dienaar had door zijne gebeden die goede uitslag van de hemel verkregen.
Xaverius zich sedert zijne terugkomst van de Molukken vier maanden te Malakka opgehouden hebbende, meende naar Goa op reis te gaan, toen enige schepen, die jaarlijks naar China stevenden, de haven binnenzeilden; op één van deze bodems bevond zich een Japannees, Anger geheten, die bepaaldelijk kwam om de heilige te zien en te spreken; hij was vijfendertig jaren oud, gehuwd, vermogend, van aanzienlijke geboorte en had een losbandig leven geleid. De Portugezen hadden hem voor twee jaren te Cangoxima leren kennen en uit zijnen eigen mond de gemoedsangsten, die hem kwelden, vernomen. Hij had zich reeds vroeger onder de bonzen afgezonderd, doch de afgetrokkenheid, noch het onderhoud met die geestelijken van Japan kon zijner ziel rust verschaffen; zelfs gevoelde hij zich door gewetenswroegingen meer ontrust en zocht die nu andermaal door het verkeer met de wereld te verdoven. Portugese kooplieden, welke zich te Cangoxima onthielden, knoopten met Anger vriendschapsbetrekkingen aan, en terwijl hij hun zijne gemoedsangsten mededeelde, zeiden zij hem, dat zich te Malakka een heilig kloosterling onthield, die wel in staat zou zijn hem de zielskalmte terug te geven en dat, indien hij slechts wilde, zij hem tot vader Franciscus Xaverius, hunnen vriend, zouden geleiden. Ene bijkomende omstandigheid deed Anger te meer tot die langdurige reis van achthonderd mijlen besluiten; hij had namelijk ene manslag gedaan en daar hij door het gerecht vervolgd werd, wist hij aan zijne vervolgers niet beter te ontkomen, dan door het hem gedane aanbod aan te nemen en op een Portugees schip te gaan. Hij begaf zich des nachts op reis, vergezeld van twee zijner dienstknechten en na enige tijd rondgedwaald te hebben zonder Xaverius te vinden, besloot hij om naar Japan terug te keren; doch dezelfde hand, die de schuldige in de eindeloze afgrond neerwerpt, leidde hem nu en dan van de dwaling terug en schonk hem vrede. Alvarez Vaz ontmoette Anger in ene haven van China en daar hij gereed stond om naar Malakka te reizen, overreedde hij hem om me te gaan; hij kwam in die stad en werd door Georgius Alvarez, die zich verheugde hem terug te zien, bij de heilige Xaverius gebracht. De heilige, die toen reeds voorzag, dat Anger niet slechts de eerste Japanse Christen zou worden, maar dat hij het middel in Gods hand zou kunnen zijn, om het Evangelie in Japan te verbreiden, omhelsde hem met de tederheid eens vaders.
Anger gevoelde zich bij deze eerste ontmoeting reeds zo getroost, dat hij niet twijfelde of hij had in Xaverius de man gevonden, die hij overal tevergeefs gezocht had; daar hij een weinig Portugees sprak, verzekerde de heilige hem, dat hij, wanneer hij de kalmte des gemoeds wilde terugkrijgen, eerst de ware God moest leren kennen en diens wetten beoefenen. De Japannees, die niets zo zeer verlangde als inwendige vrede te smaken, was spoedig bereid om zich te doen onderwijzen. Zijn leermeester verklaarde hem nu de grondbeginselen van het geloof, welke de Portugezen hem reeds enigszins hadden doen kennen, doch opdat zijne bekering meer geregeld zou kunnen bewerkt worden, zond vader Xaverius hem en zijne beide knechten naar het seminarie te Goa, opdat zij voor zij gedoopt werden ene volmaakte Godsdienstige kennis zouden bezitten. Hij verlangde insgelijks, dat de eerstelingen van de Japanse Christenschare door bisschop Joannes van Albuquerque in de hoofdstad der Indiën aan God zouden toegeheiligd worden.
Daar Xaverius op zijne reis naar Goa de visserskust wilde bezoeken, liet hij de drie Japannezen met Georgius Alvarez vertrekken, gaf dezen ene brief mee aan de bestuurder van het colegie van de heilige Paulus en gelastte hem de meest mogelijke zorg voor deze geloofsleerlingen te dragen. Op een ander Portugees schip, dat aan Gonzales Fernandez behoorde, plaatste hij twintig of dertig jonge mensen van de Molukken, om hen in hetzelfde collegie te doen onderwijzen, en vertrok weldra op ene andere bodem, welke rechtstreeks naar Cochin stevende. Xaverius werd bij de meerengte van het eiland Ceylon door een verschrikkelijke storm overvallen; men was gedwongen alles over boord te werpen en de winden waren zo hevig, dat de stuurman het schip aan de golven moest overlaten; gedurende drie dagen en evenzovele nachten had men de dood voor ogen; Xaverius alleen bleef kalm en opgeruimd, hij hoorde de schepelingen biecht, riep de bijstand des Heren in, vermaande elk zich in leven en dood aan de beschikking des Heren te onderwerpen en begaf zich in ene kamer, waar hij voor zijn kruisbeeld geknield gevonden werd; door een hevige golfslag werd het schip tegen de banken van het eiland Ceylon gestoten en allen meenden reeds verloren te zijn, toen Xaverius boven kwam en de stuurman het dieplood verzocht, hetwelk hij in zee liet zakken onder het uitspreken van deze woorden: “Grote God, Vader, Zoon en Heilige Geest ontferm u onzer.” Op hetzelfde ogenblik bedaarde de storm, de zee werd stil, men vervolgde de reis en lande op 21 Januari 1548 te Cochin in veilige haven.
De heilige Xaverius schreef hier enige brieven naar Europa, welke hij met één naar Lissabon zeilvaardig schip meegaf; als een brief aan koning Joannes III, waarin hij die vorst de beste raad omtrent de vervulling van zijne plichten gaf en andermaal de koning eraan herinnerde, dat hij zich voor God door het kwalijk bestuur zijner ambtenaren schuldig maakte en eenmaal rekenschap voor de zielen zou moeten afleggen, welke bij gebrek van voorzorg en onderricht verloren gingen. Ook schreef hij aan vader Simon Rodricus, die veel vertrouwen bij de vorst bezat en verzocht deze de zaak der Godsdienst bij de koning te ondersteunen; eindelijk schreef de heilige Xaverius insgelijks naar de vaders in Rome. Na over zijne tochten naar Malakka, Amboina, de Molukken en Moro breedvoerig uitgeweid en de zegen, waarmee God zijnen arbeid bekroond had, bericht te hebben, vergat hij geenszins het gevaar te beschrijven, waaraan hij op de kusten van Ceylon blootgesteld was; ter onzer stichting schrijven wij die regels af.
“In het woedendste van de storm nam ik tot voorsprekers bij God allereerst alle in leven zijnde metgezellen onzer maatschappij, met degenen die haar genegen zijn; vervolgens alle Christenen, om door de verdiensten van de bruid van Jezus Christus, de heilige Katholieke Kerk, welker gebeden, ofschoon zij op aarde verkeert, in de hemel verhoord worden, geholpen te worden. Ik richtte mij nu, om de gramschap des Heren te bevredigen, tot de overledenen en voornamelijk tot Petrus Faber, ik doorliep alle koren der engelen en der heiligen, ik riep hen allen aan, maar opdat ik zoveel te gemakkelijker vergiffenis voor mijne ontelbare zonden zou verkrijgen, wendde ik mij tot de allerheiligste Moeder Gods, de koningin des hemels, als tot mijne beschermster en patrones, wijl zij zonder moeite van haren Zoon al wat zij vraagt verwerven kan. Eindelijk stelde ik al mijn betrouwen op de oneindige verdiensten van onze Heer Jezus Christus, en na op deze wijze versterkt te zijn, smeekte ik te midden van deze woedende stormen grotere vreugde, dan wanneer ik buiten alle gevaar geweest ware.
Terwijl ik in waarheid mij als de ondeugendste der mensen beschouw, schaam ik mij, dat ik uit overmaat van hemels genoegen, toen ik op het punt was van te vergaan, zovele tranen gestort heb. Ik smeekte in allen ootmoed des harten de Heer mij niet uit de schipbreuk te redden, tenzij Hij mij tot het doorstaan van grotere gevaren voor zijne glorie en dienst bewaarde.
Ik voeg hier nog bij, dat God mij meermalen inwendig heeft te kennen gegeven aan hoeveel gevaren en moeilijkheden ik ontkomen ben door de gebeden en heilige offerande van degenen der maatschappij, die op deze wereld arbeiden en van hen, die in de hemel de kroon hunner werkzaamheden verkregen hebben. Heb ik eenmaal aangevangen met over onze maatschappij te spreken, dan is het mij niet wel mogelijk te eindigen; het vertrek der schepen dwingt er mij echter ondanks mij zelven toe, en ziet hier waarmee ik eigenaardig meen te moeten eindigen: Indien ik u, o maatschappij van Jezus, ooit vergeet, dat dan veeleer mijne rechterhand onnut worde en ik haar gebruik vergete!.”
Van Cochin nam hij koers langs de kaap Comorin en kwam aan de visserskust. De Paravas, zijne eerste kinderen in Jezus Christus, waren buiten zich zelven van vreugde, toen zij hun goede en heilige vader, zoals zij hem noemden, terug zagen; alle dorpelingen kwamen hem overal tegemoet, dankten God voor zijne terugkomst en zongen liederen, welke de waarheden van de Godsdienst behelsden; de vreugde van Xaverius was niet minder groot, want hij genoot de troost van te zien, dat door de arbeid zijner medebroeders het getal der Christenen zeer vermeerderd was. Nu alle dorpen der visserskust doorkruist te hebben, hield hij zich vijftien dagen te Manapar op, en daar zijn doel was om het geloof door gans Indië voort te planten, wilde hij hier de maatschappij vestigen; hij begon dus de zaak volgens de beginselen en de geest van de heilige Ignatius te regelen, wilde dat elk lid der maatschappij de Mala-baarse taal zou aanleren, en na dus alles geregeld te hebben, wilde hij, alvorens naar Goa op reis te gaan, Ceylon aandoen; hier bekeerde hij de koning van Cande en wist de anderen dwingeland, die de Christenen zo zeer vervolgd had, te overreden om ongestoord toe te laten, dat de Godsdienst van Jezus in zijne staten toegelaten werd, en te beloven zelf het geloof te zullen omhelzen, hetwelk echter niet gebeurde. Tevreden met boven verwachting geslaagd te zijn, vertrok Xaverius en kwam op 20 Maart 1548 te Goa; daar de onderkoning Joannes de Castro zich te Bazaïn aan de golf van Cambaye bevond, scheepte de heilige zich opnieuw in en werd van de Castro met alle eerbied ontvangen.
Zijn verblijf te Bazaïn, hoe kortstondig ook, was zeer voordelig aan Rodricus Segucyra, een jongeling van aanzienlijke stand, die Xaverius sedert twee jaren kende; behalve dat de ongelukkige zich te Malakka aan ene manslag schuldig gemaakt had, leefde hij zeer ongebonden; zodra hij hem had leren kennen, trachtte hij die ongelukkige door zachtmoedigheid op het rechte spoor terug te brengen; Segucyra hield zich in het hospitaal buiten bereik voor zijne vervolgers, keerde in zich zelven terug en verzoende zich door ene algemene biecht met God. Ten einde hem op de goede weg te bevestigen, wist Xaverius zijne zaak met de verwanten van de vermoorde te schikken en verkreeg voor hem van de landvoogd kwijtschelding van straf. Daar echter de losbandige levenswijze des lands hem, niettegenstaande zijne goede stemming, ten verderve zou kunnen zijn, raadde Xaverius hem aan om de Indiën te verlaten en naar Europa terug te keren. Rodricus kende zijne zwakheid, beloofde het en begaf zich op weg naar Goa, met het doel om zo spoedig mogelijk naar Lissabon scheep te gaan; maar te Goa ene ontvangersplaats verkregen hebbende, vergat hij zijn eerste belofte en herviel in vroegere ongeregeldheden. Hij dacht niet meer aan vader Xaverius, toen deze hem eensklaps te Bazaïn ontmoette; dus overvallen, stond hij uiterst verlegen, herstelde zich echter en wilde hem de hand kussen, maar hij zag zich afgewezen en hoorde zich dit verwijt toevoegen: “Hoe, mijn zoon, gij zijt dan nog in Indiën? Zijt gij dan niet van Malakka vertrokken om zo spoedig mogelijk naar Portugal over te steken?” De Portugees stond stom, wilde zich evenwel verontschuldigen en schoof de schuld op de gouverneur, als of deze hem teruggehouden had. Nu hernam de heilige: “Maar heeft de landvoogd u ook gelast een zo ongeregeld leven te leiden en twee jaren te laten voorbijgaan zonder aan biechten te denken? Wat er ook van zij, weet dat zolang gij Gods vijand zijt, wij nooit met elkander wel kunnen zijn.” Segucyra werd door levendig berouw getroffen; hij verzocht de heilige om vergeving dat hij zijn woord niet gehouden en geweigerd had om aan de genade te beantwoorden; dezelfde dag biechtte hij en veranderde zijn gedrag onder de leiding van degenen, welke God hem had beschikt om hem op de goede weg terug te brengen.
De onderkoning, die zo gaarne de onderrichtingen van Xaverius zich ten nutte maakte, wenste hem nog enige tijd te Bazaïn te houden; toen hij evenwel zag, dat hij zijne reis bepaald had, liet hij hem vettrekken, doch drong er op aan, dat hij de winter te Goa zou doorbrengen, ten einde met hem over de staat van zijn geweten te kunnen handelen.
Xaverius kwam te Goa en ontmoette in het collegie van de heilige Paulus een zekere Cosmas de Torrez, een Spaans priester, die voor één der grootste geleerden van zijne eeuw gehouden werd; te Amboïna hadden zij elkander leren kennen en toen had de Torrez reeds het voornemen opgevat, om zich onder zijne leiding te begeven; hij wilde echter niets zonder raad van de bisschop doen, die hem met alle achting ontving en met één der voornaamste bedieningen van het bisdom belastte. Daar hij echter in gestadige onrust verkeerde, opende hij zijn hart aan de overste van het collegie van de heilige Paulus en verlangde de geestelijke oefeningen van de heilige Ignatius te volbrengen; reeds de tweede dag werd zijn hart meer en meer verlicht, doch bij bleef besluiteloos, totdat vader Xaverius kwam en nu drong hij er sterk op aan, om onder de kinderen van Ignatius te worden opgenomen; de heilige vormde hem met nog enige andere Portugezen, die van ijver brandden, in de geest der maatschappij. Ofschoon de heilige apostel zijne Japannezen Anger en diens knechten tot het heilig doopsel voorbereidde, wilde hij, dat Torrez hun al de geheimen van de Godsdienst opnieuw verklaarde. Anger en zijne knechten werden op Pinksterdag, door de bisschop van Goa, plechtig gedoopt en zo nam de heilige Kerk in deze personen bezit van een verre van het vaste land verwijderd volk, op de dag zelven, dat de Heilige Geest over de Apostelen afdaalde en hun in de zending bevestigde om het licht des Evangelies aan alle volken der aarde te verkondigen.
Anger verlangde ter gedachtenis van het collegie van de maatschappij van Jezus, waar hij onderwezen was en dat of het collegie van de heilige Paulus, of het seminarie van het Heilige Geloof genoemd werd, bij de Heilige Doop de naam van Paulus van het Heilig Geloof te ontvangen; één zijner knechten werd onder de naam van Joannes en de andere onder dien van Antonius gedoopt; nu werd vader Torrez door de heilige gelast de drie bekeerlingen tot leidsman bij de geestelijke oefeningen van de heilige Ignatius te verstrekken. Anger, die de zielsvrede verkregen had, sprak altijd met verrukking over God, terwijl hij bij de overdenking van het lijden, de smarten en de dood van Jezus Christus, zo ontvlamd werd van ijver voor de zaligheid van zijn landgenoten, dat men hem meermalen hoorde uitroepen: “O mijn God! hoe gelukkig zou ik zijn, wanneer ik voor U mocht sterven! Mijne teder beminde Japannezen, ach hoezeer zijt gij te beklagen, welk diep medelijden wekt uwe verblindheid in mijn hart!”
Anger en zijne knechten waren zo vol ijver, dat de heilige Xaverius in zijne brieven verzekert, dat hij, door hun voorbeeld aangevuurd, hen niet kon zien zonder over zijne lauwheid te blozen. Hij leerde door hen de gesteldheid der Japannezen meer en meer kennen en het scheen hem, dat zij waarlijk geschikt waren om het geloof te ontvangen; Xaverius aanbad de inzichten der Voorzienigheid, die deze drie mensen hun vaderland had doen verlaten, ten einde hem tot gidsen te verstrekken naar de afgelegenste gewesten, om het zaad van het Goddelijke woord te strooien.
Joannes de Castro, onderkoning van Egypte, had ene vloot uitgerust en wendde ene poging aan om de stad Aden in gelukkig Arabië op de Turken te veroveren. Acht schepen werden met het ondernemingsleger bemand en onder de krijgsknechten bevond zich een moedig en dapper soldaat, maar nog meer bekend door zijn onzedelijk levensgedrag, dan door zijn heldhaftige hoedanigheden; hij had slechts het uitwendige van ene mens en was Christen in naam; gedurende achttien jaren had hij de Heilige Sacramenten veronachtzaamd en toen hij zich eens bij de vicaris te Goa aanmeldde, was zulks slechts om niet onder de heidenen of Turken gerekend te worden. Vader Xaverius had het oog op die ongelukkige gevestigd en wachtte slechts naar ene gunstige gelegenheid, om aan zijne bekering met vrucht te arbeiden. Toen hij vernam, dat de soldaat zich op een vaartuig begaf, dat hem naar de vloot zou overbrengen, verliet hij het collegie van de heilige Paulus en ging in hetzelfde vaartuig. Allen meenden, dat de heilige Franciscus van de landvoogd bevel ontvangen had om diens zoon Alvarez de Castro, die het bevel voerde, te begeleiden; elk verheugde zich, behalve degene om wie hij gekomen was. Zodra men het anker gelicht had, begon de heilige zo gemeenzaam met die soldaat te verkeren, dat de anderen, die minder ongeregeld van leven waren, er over verbaasd stonden en enigen zelfs zeiden: “Indien hij ene heilige man was, zou hij weten wie degene is, met wie hij zo gemeenzaam omgaat.” Hoe ongebonden die krijgsman ook was, gewende hij zich toch ongevoelig aan het bijzijn van iemand, die hem vroeger scheen te hinderen. Hij begon er behagen in te scheppen, wanneer hij niet slechts over het zeewezen en de krijgsmanstand, maar over Godsdienst en zeden sprak; eindelijk begon hij enigszins over het afschuwelijke van zijn levensgedrag na te denken en zijn geweten scheen te ontwaken. Toen beide tezamen aan ene hoek van het schip alleen waren, vroeg Xaverius hem of hij voor zijn vertrek nog gebiecht had. “Ach vader,” zei hij, “er zijn reeds zovele jaren verstreken, dat ik niet biechtte.” Xaverius maakte van deze gelegenheid gebruik, stelde hem al het verschrikkelijke van zijnen zielsstaat voor ogen, en deze soldaat legde onder het storten van oprechte boette tranen, ene algemene biecht af. Bij gelegenheid dat het schip ene haven aandeed, waren zij aan land gestapt en hiervan maakte Xaverius gebruik, om de krijgsman zijne biecht te horen. De heilige, na hem ene lichte boete opgelegd te hebben, ging middelerwijl landinwaarts de bossen in en tuchtigde zich ten bloede; de soldaat, deze handeling ziende, werd schaamrood, begon zich even streng te tuchtigen en Xaverius verzekerde hem, dat het om zijnentwille geweest was, dat hij de vloot gevolgd was, gaf hem de beste raad om de genade te bewaren en keerde met het eerste schip naar Goa terug. Zodra de onderneming van Aden geëindigde was, begaf zich de krijgsman in ene stevige kloosterorde en stierf als een heilige.
Enige tijd later werd de onderkoning, die in Indië en vooral te Goa zeer bemind was, bedenkelijk ziek; zijn sterfuur naderde en hij verlangde, dat de heilige hem in zijne laatste ogenblikken zou bijstaan. Even voor zijn sterven, toen men hem in naam des konings zijne hernieuwde aanstelling als onderkoning over Indië bracht en gans Goa hierover juichte, zei hij lachende aan Xaverius: “Hoe ijdel en belachelijk is de wereld, met ons ereambten voor drie jaren te vergunnen op een ogenblik, dat men slechts ene schrede van het graf verwijderd is!” Xaverius, die zijne laatste zucht ontving, had de troost van een groot man naar de wereld met de gevoelens van een heilig religieus te zien sterven.
Thans geheel zich zelven meester, wilde hij, alvorens naar Japan te vertrekken, andermaal de visserskust bezoeken; doch het ongunstig jaargetijde vertraagde de tocht. Terwijl hij op scheepsgelegenheid wachtte, besteedde hij als andere apostolische mannen zijnen tijd, om zich door geestelijke oefeningen te versterken en tot zijne grote onderneming de nodige krachten te verschaffen. Het was in die tussentijd, dat hij wandelende in de tuin van het collegie, of zich in ene kleine kluis afzonderde, uitriep: “Het is genoeg, Heer, het is genoeg!” zelfs opende hij zijn kleed om een weinig lucht aan zijn hart te geven, hetwelk van liefdegloed brandde; hij smeekte zelfs de Heer, dat Hij hem die zalige ondervinding tot in het andere leven geliefde te besparen en hem in dit tijdelijke alle moeilijkheden toe te zenden. Deze bespiegelingen beletten hem evenwel niet om aan het zielenheil van zijn naasten te arbeiden, en de zieken en verlatenen in de hospitalen en gevangenissen te troosten en te helpen; hoe meer trouwens de liefde tot God in hem toenam, te meer wenste hij deze in aller hart te ontsteken. De liefde deed hem meermalen de rust der eenzaamheid en de zoetigheden des gebeds opofferen, volgens het grondbeginsel van de heilige Ignatius: “dat men God om God behoort te verlaten.” Xaverius bereidde zich voor om naar kaap Comorin te zeilen, toen een Portugees schip van Mozambique met vijf zendelingen der maatschappij aankwam; de beroemdste deze zendelingen en van vijf anderen, die met de vloot uit Europa aankwamen, was vader Casparus Barsea, een Vlaminger, welke vader Franciscus reeds had horen roemen als een uitmuntend arbeider voor de Heer en als een vermaard prediker; maar door zijne tegenwoordigheid werd hij in zijne opvatting omtrent hem zo versterkt, dat hij hem van toen af als een apostel van het Oosten beschouwde en zond hem met een metgezel, die nog geen priester was, naar Ormuz aan de golf van Perzië.
Op 9 September ging de heilige op reis naar de visserskust, alwaar hij de gelovigen, die nog altijd aan de vervolgingen der Bagaden, de dodelijke vijanden der Christenen, blootgesteld waren, troostte en bemoedigde. Deze ondersteuning kwam vader Franciscus Henriquez, die te Travancor werkzaam was, zeer wel te pas; want deze anderszins ijverige man begon nu en dan de moed te verliezen, omdat enige nieuw bekeerden, door de beloften en bedreigingen van ene nieuwe koning, die de Christenen ene onverzoenlijke haat toedroeg, bevreesd gemaakt of misleid, tot hunne vroegere schandelijke afgoderij teruggekeerd waren. Xaverius schreef hem moed te houden en verzekerde hem, dat zijn arbeid verdienstelijker was dan hij wel dacht; wanneer slechts de vruchten zich alleen bepaalden bij de kinderen, die na gedoopt te zijn stierven, God reeds over zijne diensten tevreden zijn zou; dat bovendien een zendeling zich genoegzaam beloond moet achten, wanneer hij de zaligheid van slechts ene ziel bewerkte, terwijl God zijne goede mening zag en men nooit nutteloos gearbeid had, indien men al zijne pogingen aanwendde, hoe gering de uitslag dan ook ware.
Na zich enige tijd aan de visserskust opgehouden te hebben, keerde Xaverius naar Cochin terug, waar hij twee maanden bleef en zonder tussenpozen zich met het onderwijs der kinderen en de verzorging der zieken bezig hield; vervolgens ging hij naar Bazaïn, ten einde van Don Garcia de Sa, onder-gouverneur van Indië, brieven van aanbeveling aan de gouverneur van Malakka te verwerven, om zich met minder moeilijkheid naar Japan te kunnen inschepen. Nauwelijks was hij te Goa teruggekeerd, of hij had daar met zeer vele moeilijkheden te kampen, want zijne vrienden wilde hem volstrekt van zijn voornemen terughouden; doch noch de afstand van meer dan dertienhonderd mijlen, noch gevaren, hetzij van in handen der zeerovers te vervallen, of van schipbreuk op de bedekte banken, welke de ervarenste stuurlieden vrees inboezemen, noch meer andere onbeschrijfelijke rampen konden hem afschrikken. “Ik sta verwonderd,” zei hij, “dat gij, die om ene tijdelijke winst die reis onderneemt, mij, die de zaligheid der zielen zoekt te bevorderen, tracht af te schrikken en mij een beletsel te stellen; ik schaam mij over uw gering geloof. Ik schaam mij insgelijks, dat men mij voorkomen heeft en ik kan onmogelijk dulden dat kooplieden meer moed zouden hebben dan zendelingen.”
Vervolgens verklaarde hij hun, dat hij, die zo dikwijls de vaderlijke zorgen der Goddelijke Voorzienigheid ondervonden had, zeer onbillijk zou zijn met daarop niet te vertrouwen; dat zij hem voor het zwaard der Bagaden en voor het vergift, hetwelk men op het eiland More mengde, niet zou behoed hebben, wanneer zij hem bij ander gevaar zou verlaten; dat overigens Indië de grens zijner zending niet was, en dat met hier te komen zijn doel altijd geweest was, om het geloof tot de uiterste palen der aarde te verbreiden.
Xaverius gaf van alles de heilige Ignatius bericht en maakte hem met zijn voorgenomen reis bekend. Wij kunnen ons niet onthouden om de apostolische geest, die hem bezielde, te bewonderen. “Ik kan de blijdschap niet uitdrukken,” zo schrijft hij de heilige insteller van de maatschappij van Jezus, “die van de vier schepen slechts twee behouden terug bracht, meent ene zeer gelukkige tocht gedaan te hebben; ofschoon deze gevaren die, welke ik reeds uitgestaan heb, overtreffen, wil ik evenwel van mijne onderneming niet afzien; want de Heer heeft mij doen kennen, dat het kruis, eenmaal daar geplant, grote vruchten zal dragen.” “Hier komen schepen van Malakka,” zo schreef de heilige aan Simon Rodricus, “die verzekeren, dat alle havens van China gewapend en versterkt worden, en dat de Chinezen in openbare oorlog met de Portugezen willen komen. Ik ga evenwel naar Japan; want niets is in deze wereld zoeter en aangenamer, dan voor de eer van Jezus Christus en voor de belangen van het geloof in gestadig doodsgevaar te verkeren. Ja het is de Christen eigen, meer genoegen in het kruis dan in de rust te scheppen.”
Acht dagen na het vertrek van vader Casparus Barsea met Raimondus Peyrera naar Ormuz, scheepte Xaverius zich in de maand April 1549 naar Japan in. Behalve Paulus van het Heilige Geloof, Joannes en Antonius, de bekeerde Japannezen, nam hij met zich vader Cosmas de Torrez en broeder Joannes Fernandez. Zij gingen slechts tot Cochin, want zij moesten daar het vaartuig wachten, dat hen naar Malakka zou overbrengen. De weinige dagen, welke de heilige op dat eiland vertoefde, waren niet vruchteloos; op een zekere dag ontmoette hij in de straten der stad een Portugees, die hij zeer wel kende en vroeg hem naar zijnen welstand. “Ik ben zeer welvarend,” antwoordde deze. “Ja,” hernam de heilige, “zover uw lichaam betreft, doch met betrekking tot uwe ziel kan niets rampzaliger zijn dan gij.” De mens, die ene zeer slechte daad dacht uit te voeren, erkende, dat de vader hem tot in het hart zag; hij keerde in zich zelven terug, volgde Xaverius, biechtte en veranderde van leven.
Men vertrok van Cochin op 25 April en stapte op 31 Mei te Malakka aan wal. De grootvicaris Alphonsus Martinez was dodelijk ziek en worstelde met verschrikkelijke zielsangsten, zodat hij in ene wanhopige toestand verkeerde. Wanneer men hem van de Goddelijke barmhartigheid sprak, verklaarde hij, dat hij zich verloren achtte. Xaverius bezocht de zieke en vond hem zo beklagenswaardig, dat hij meende de hemel geweld te moeten aandoen; hij droeg de Heilige Geheimen voor hem op, deed geloften van ter ere van de Heilige Drie-eenheid, van de koningin der engelen en andere heiligen, welke hij bijzonder vereerde, Missen te zullen lezen; nauwelijks had de heilige deze gelofte gedaan, of de zieke werd rustig, ontving de Heilige Sacramenten en stierf in de armen van Xaverius.
De heilige Xaverius bleef tot 24 Juni te Malakka en had in die tussentijd enige nadere berichten van Japan ingewonnen; zelfs dat één der Japanse vorsten verlangde, dat enige Evangeliepredikers in zijn staten zouden verschijnen en had om die rede zelfs een gezant naar de gouverneur der Indiën gezonden. Deze berichten troostten Xaverius e deden hem zijne reis verhaasten. Ofschoon in de haven van Malakka onderscheidene Portugese schepen voor anker lagen, die spoedig naar Japan stonden te vertrekken, kon de heilige Xaverius evenwel zich van deze niet bedienen, wijl zij verschillende plaatsen moesten aandoen voordat zij zich naar hunne bestemming begaven. Juist lag er een Chinees vaartuig, welks bevelvoerder een Chinees maar berucht zeerover en een vriend der Portugezen, niettegenstaande men in openbare oorlog met China was; zijn vaartuig werd gewoonlijk de “jonk van de rover geheten.” Neceda, de bevelhebber, beloofde op zijn woord Xaverius en zijne tochtgenoten naar Japan over te brengen. Franciscus verkeerde evenwel in groot gevaar, omdat al de schepelingen heidenen waren en zich aan afgodenrij gedurende de reis schuldig maakten en ook de dochter van de bevelhebber bij een hevige storm van het schip werd geslagen en in de golven omkwam, zodat Neceda op het punt stond om zelfs Xaverius en zijne reisgenoten over boord te werpen, doch de storm bedaarde; toen men echter vreesde, dat de rover naar China stevende, wijl hij op Kanton aanhield, veranderde eensklaps de wind en Neceda zag zich tegen wil en dank gedwongen met volle zeilen de zee van Japan in te varen. Men zette op 15 Augustus 1549 te Cangoxima, de geboorteplaats van Anger, nu Paulus van het Heilige Geloof geheten, voet aan wal.
Wij willen hier geen beschrijving leveren van de Japanse eilanden en slechts in het kort herhalen, hetgene wij reeds eerder over dezelve vermeld hebben. In het midden van de Chinese oceaan, te oosten van China en Korea, ten zuiden van Tartarije en Jesse, ten westen van de Filipijnse eilanden en het eiland Formosa, vindt men een aanzienlijk getal eilanden van onderscheidene grootte, die de grote Archipel en het keizerrijk Japan vormen. Al deze eilanden zijn als een lichaam en het voornaamste geeft de naam aan allen; deze wereld van eilanden is bezet met bergen, van welke enige onbeklimbaar en schier boven de wolken verheven zijn; de kou is er ondragelijk en aarde, vruchtbaar aan goud- en zilvermijnen, brengt weinig tot onderhoud der bewoners voort, omdat zij niet bebouwd wordt. Vroeger was Japan ene monarchie en de keizer, wien al die eilanden onderworpen waren, werd Dayri geheten en stamde van de Camis af. Volgens de algemene mening des volks daalden dezen in de rechte lijn van de zon af; de eerste waardigheid in het keizerrijk was die van Cubo, algemeen veldoverste der legers, en ten einde deze uit zich zelve reeds zo verhevene waardigheid nog meer te doen uitblinken, voegde men er de titel van Suma, Heer, bij en dus wordt het hoofd van het Japanse leger Cubo-Sama geheten. Voor meer dan driehonderd jaren zag de Cubo Sama de scepter in ene lafhartige en verwijfde hand, stond tegen de Dayri op en overweldigde het koninklijk gezag; hij kon evenwel slechts Meaco, waar de keizer zijn verblijf hield en de daaraan afhankelijke gewesten overmeesteren; de gouverneurs der overige gewesten wisten zich door kracht van wapenen staande te houden en weldra werd het keizerrijk verbrokkeld in zesendertig gedeelten, welke allen de naam van koninkrijken aannamen.
Zodanig was de staat van beheer, toen de heilige Xaverius in Japan kwam; enige jaren later wist Nobunaga, één der vorsten, de Cubo-Sama ten onder te brengen en zijne overwinning zich zo te nutte te maken, dat hij al de bijzondere koninkrijken vernietigde en gans Japan onder zijnen scepter verenigde.
Wat nu het Godsdienstig gevoelen der Japannezen betreft, uitgezonderd enige godloochenaars, die ook de onsterfelijkheid der ziel verwerpen, zijn zij afgodendienaars en nemen het stelsel van Pythagoras omtrent de zielsverhuizing aan; zij aanbidden zin en maan, anderen de Camis of oude koningen, de afgoden der Chinezen en onderscheidene anderen; sommigen vereren onder de afzichtelijkste afbeeldsels de duivel. Wij kunnen de verblinding, onder welke Satan hen gevangen hield en de afschuwelijke bijgelovigheden, in welke de bewoners van het keizerrijk vervallen waren, niet beschrijven; sommigen trouwens wierpen zich ter ere van Amida en Xaca van de steenrotsen, of begroeven zich levendig in onderaardse holen; men zag zelfs vaartuigen met mannen en vrouwen beladen, die, na zich zware stenen aan de hals gebonden te hebben, zich onder het zingen van lofliederen, ter ere hunner afgoden, in de diepte der zee wierpen en verdronken.
Toen nu Xaverius met zijne tochtgenoten te Cangoxima aangekomen was, begaf zich Paulus van het Heilig Geloof naar de koning van Saxama, die slechts zes mijlen van Cangoxima woonde. De vorst, die hem vroeger gunstig was, ontving hem met te grotere welwillendheid, wijl men meende dat hij reeds gestorven was; dit gunstig onthaal moedigde Paulus aan om de vorst lijfs-genade voor de daad te vragen, die zijne verwijdering noodzakelijk had gemaakt, en deze gunst werd hem zonder bezwaar toegestaan. Daar de Japannezen zeer weetgierig zijn, werd Paulus over alle bijzonderheden en voornamelijk over de Godsdienst, welke de Europeanen in Indië overgebracht hadden, ondervraagd. Het spreekt van zelve, dat Paulus de koning, de koningin en alle hovelingen met de geheimen van onze heilige Godsdienst bekend maakte en het ganse hof wenste dezelve meer van nabij te kennen.
De heilige Xaverius, die zijn intrek in de woning van Paulus van het Heilige Geloof genomen had en door zijne drie Japannezen reeds enigszins in de grondbeginselen van de Japanse taal onderwezen was, doch zich nog niet wel kon uitdrukken, legde zich met alle vlijt op het aanleren van deze moeilijke spraak toe; hij verklaarde zelf, dat hij en zijne metgezellen, toen zij in Japan kwamen, aan stomme beelden schier gelijk waren. “Wij zijn kinderen geworden,” zei hij, “en onze bezigheid bepaalt zich om de eerste beginselen van de Japanse spraakkunst te leren. God geve, dat terwijl wij ons de beoefening en studiën der kinderen getroosten, wij hunne onschuld en eenvoudigheid navolgen.” Er bestond in Japan slechts één taal, waarin de wijze van uitdrukking evenwel naar de stand der mensen, waarmee men zich onderhield, verschilde; geheel anders sprak men met mensen van aanzien, met kooplieden of soldaten; de vrouwen bedienden zich van eigenaardige uitdrukkingen en woorden; om over de Godsdienst of de staat te handelen, moest men in meer verheven zin spreken en vandaar, dat de vreemdeling zovele moeilijkheden ontmoet.
Vader Xaverius, buiten zich zelven van vreugd over de gezindheid van het hof van Saxama, legde zich met kracht toe om de Japanse taal te leren spreken. Men moet zich niet verwonderen, wanneer een man, aan wie God meermalen de gave van talen verleende, het Japans niet sprak en zich de moeite moest geven deze te beoefenen; deze gunsten, op welke Xaverius nooit rekende, zijn voorbijgaande, maar de Heilige Geest stond hem wonderdadig bij en men kan niet verklaren hoe gemakkelijk hij alle talen aanleerde; zodat men zulks in de daad als ene blijvende gunst des hemels mag beschouwen.
Middelerwijl hij zich met zijne metgezellen toelegde om de nodige kennis te verwerven, ten einde de naam des Heren aan de bewoners van Cangoxima te verkondigen, onderrichtte Paulus van het Heilige Geloof zelf zijn huisgezin. De Heer zegende de pogingen van die ijverige Christen; niet slechts zijne moeder, vrouw en dochter, maar velen zijner bloedverwanten bekeerden en werden door de heilige Xaverius gedoopt. In minder dan veertig dagen was hij in staat om de verklaring van het symbolum der Apostelen, door hem i Indië bewerkt, te vertalen. De apostel van Indië was niet meer onbekend aan het hof van Saxama; Paulus had reeds van hem gesproken en men verlangde hem te zien; hij werd minzaam ontvangen en het onderhoud duurde tot in de nacht; men kon niet genoeg bewonderen, dat hij onmeetbare zeeën en de grote gevaren getrotseerd had, niet uit winzucht om zijne koffers met Japans goud te vullen, maar om de Japanners de weg des hemels te wijzen.
Reeds bij het eerste gesprek vermaande de vorst hem van zorgvuldig de schriften te bewaren, welke de leer van de Christelijke Godsdienst bevatten. “Want,” zei hij, “indien uwe wet de enige ware is, zullen de boze geesten tegen dezelve losbarsten en gij zult alles van hunne woede te vrezen hebben.” Vervolgens verleende hij de vader vrijheid om in zijne staten de Godsdienst te verkondigen, en gaf zelfs enige dagen daarna open brieven, waarbij hij zijne onderdanen veroorloofde om, indien zij zulks begeerden, Christenen te worden. Xaverius begon nu in het openbaar Gods woord te verkondigen; ofschoon allen hem met bewondering hoorden, konden zij evenwel niet spoedig besluiten zich aan het geloof dier onbegrijpelijke waarheden te onderwerpen. De eerste, die zich bekeerde en gedoopt werd, was een mens van geringe stand en het scheen, dat God de kerk van Japan, evenals de algemene Kerk, op de grondslag van armoede en nederigheid wilde gevestigd hebben; de nieuw bekeerde ontving de naam van Barnardus en werd om zijne deugd in het vervolgd van tijd zeer beroemd. De heilige trachtte de welwillendheid der bonzen te winnen, want hij voorzag, dat hun tegenstand hem veel moeilijkheid zou opleveren. Ningit, het hoofd der bonzen, een man die zeer gezien was en bij de vorst van Saxuma in hoge achting stond, scheen de heilige gunstig te zijn. Hij prees de kennis van de apostel, doch bleef betrekkelijk de Godsdienst in het onzekere; hij kon niet wel zijne oude begrippen afleggen, schaamde zich eensdeels om in gevorderde leeftijd van denkbeeld te veranderen, en anderdeels had het eigenbelang te veel invloed op zijn hart; het voorbeeld van Ningit werkte insgelijks gunstig op de andere bonzen. Zij hoorden de heilige rustig aan, bewonderden de verhevenheid van zijne Godsdienst, maar hier bleef het bij, want de ongebondenheid van hunne levenswijze verhinderde hen ene dusdanige wet te volgen; twee hunner, minder bedorven en dus meer bereid om aan de genade te beantwoorden, werden Christen en hun voorbeeld werkte zo krachtig op de bevolking van Cangoxima, dat een groot getal het heilig doopsel verzocht. De bonzen hadden meermalen met de heilige over hunne gevoelens getwist, doch waren altijd uit het veld geslagen; deze schande konden zij niet langer verduren en daar zij zagen, dat het getal gelovigen dagelijks toenam, werden zij zo zeer tegen Xaverius ingenomen, dat zij eerst alle lasteringen uitdachten, om hem in de geest der menigte verachtelijk te maken en vervolgens tot ene openbare vervolging overgingen. Ofschoon zij op hunnen gestrenge levenswandel roemden en Xaverius ene duivel in menselijke gedaante noemden, kon hunne valse gestrengheid niet opwegen tegen de verstervingen, welke Xaverius deed, die zich van alle vlees en vis onthield en zich slechts voedde met bittere wortelen en moeskruiden in het water gekookt.
De verbittering der bonzen miste de uitwerking, welke zij beoogden; de Japaners trouwens, die verstandig en oprecht van aard zijn, begrepen zeer wel waarom hunne priesters van gedrag en houding veranderd waren en stelden zoveel te meer vertrouwen in het woord van de ijverige geloofsverkondiger. Daarenboven bekrachtigde de mirakelen, welke Gods dienaar onder hen wrochtte, de Godsdienst der Christenen. Xaverius eens aan de oever der zee wandelende, ontmoette enige vissers, die zich beklaagden dat zij vergeefse arbeid verricht hadden; na een kort gebed zei hij hun van hunne netten weer in zee te werpen, en niet slechts die dag, maar zelfs de volgende dagen, vingen zij overvloedig en hetgeen hun nog meer verbaasde was, dat het meer van Cangoxima verder visrijk bleef. Een zekere vrouw van de wonderdadige genezingen hebbende horen gewagen, welke Xaverius in Indië gewrocht had, bracht hem haar kind, welks lichaam door ene opzwelling geheel misvormd was; Xaverius nam het in zijne armen, zag het met medelijden aan, zei tot driemaal: “God zegen u,” en gaf het zijne moeder gezond en welgemaakt terug, zodat elk van verwondering opgetogen stond. Dit mirakel werd weldra door de ganse stad ruchtbaar en wekte vertrouwen bij ene melaatse op, die sedert geruime tijd tevergeefs alle middelen van genezing beproefd had; hij durfde wegens het afschuwelijke van zijne kwaal niet meer in het openbaar te verschijnen en liet de heilige verzoeken om bij hem te komen. Xaverius met het onderwijs van enige nieuwe leerlingen bezig zijne, zond hem één zijner gezellen, met bevel van de lijder driemaal te vragen of hij in Jezus Christus zou geloven, wanneer hij genezen werd, en indien hij beloofde het geloof te zullen omhelzen, driemaal het kruisteken over hem te maken; de melaatse gaf zijn woord en nauwelijks had hij het kruis over hem gemaakt, of zijn lichaam werd zo rein, als ware het nooit melaats geweest. Zijne spoedige genezing versterkte hem zonder moeite in het geloof in Jezus Christus en zijn levendig geloof verhaastte zijn doopsel. Doch het vermaardste mirakel, hetwelk Xaverius te Cangoxima wrochtte, was de opwekking van ene dochter van aanzien, die in de bloei van haren jaren stierf; de vader, die heiden was en zijne dochter teder beminde, was ontroostbaar en zijne vrienden, die hem zochten te troosten, vermeerderden daardoor zijn leed. Twee nieuw bekeerden kwamen hem insgelijks bezoeken en wisten hem, die reeds van de heilige Xaverius gehoord had, te overreden om hem te gaan opzoeken; zoals het gewoonlijk met troostelozen gesteld is, die zich zelfs tegen alle hoop met ene gunstige uitkomst vleien, volgde de man die raad, wierp zich aan de voeten van Xaverius, bezwoer hem met tranen van toch zijne enige dochter op te wekken en zei, dat hem hierdoor zelven het leven teruggeschonken zou worden. e heilige werd getroffen; hij zag het geloof van die heiden, zonderde zich met zijnen metgezel Fernandez af, om God te bidden, kwam enige tijd daarna terug en zei tot de vader: “Ga uwe dochter leeft” De heiden, die gedacht had dat Xaverius met hem zou gaan en bij het lijk van zijne dochter de naam van de God der Christenen aangeroepen hebben, ging ontevreden huiswaarts, omdat hij meende, dat men de spot met hem dreef, want zij was reeds vierentwintig uren dood. Nauwelijks had hij zich echter enige schreden verwijderd, of hij zag één zijner knechten aansnellen, die hem reeds toeriep, dat zijne dochter leefde. Weldra ontmoette hij haar en zij verhaalde haren vader, dat toen zij overleden was, twee afschuwelijke duivels haar hadden aangevallen, om haar in een onpeilbare vuurgloed te werpen, doch dat twee onbekende mannen, eerwaardig van voorkomen, haar uit hunne klauwen verlost en aan het leven teruggegeven hadden, zonder dat zij kon verklaren op welke wijze dit plaats gegrepen had. De Japannees keerde met zijne dochter naar de heilige terug en nauwelijks zag zij Xaverius en Fernandez, of zij riep uit: “Zie hier mijne bevrijders!” Vader en dochter wierpen zich voor Gods dienaar neer en verzochten met de meeste aandrang onderwezen en gedoopt te worden. Deze gebeurtenis gaf aan het volk een hoog denkbeeld van de macht van Jezus Christus, en deed de naam van Xaverius overal eerbiedigen, zodat velen zich bekeerden.
De straf des hemels, welke een Japannees trof, die door eigene boosheid of op aanstoken der bonzen, Xaverius bij een zekere gelegenheid met versmading, belediging en scheldwoorden overlaadde, maakte ook diepe indruk. Xaverius duldde zulks met zijne gewone zachtmoedigheid en zei slechts: “God behoede uwen mond.” Aanstonds gevoelde de rampzalige dat zijn tong door ene afschuwelijke kanker werd aangetast, doch deze zo zichtbare en vaardige wraak des hemels verschrikte de bonzen geenszins, en wat hen nog meer verbitterde was, dat de vrouw van een aanzienlijk en machtig hoveling, die vroeger zeer milddadig jegens de pagoden geweest was, met haar huisgezin plechtig gedoopt werd. Ziende echter, dat zij langs de door hen ingeslagen weg niets vorderden, dat lieden van aanzien zowel als het volk de Godsdienst der Christenen bewonderden en omhelsden, en dat zij uit hoofde der bevelschriften door de vorst uitgevaardigd, geen openbaar geweld mochten ondernemen, namen zij andere listen te baat en gingen zich in naam van hunnen goden bij de koning beklagen. Na in vergadering beraadslaagd te hebben, zonden zij enige afgevaardigden naar het hof, om de vorst op dreigende toon te zeggen, dat zij in naam van Xaca, Amida en andere goden van Japan, hem kwamen vragen, naar welk oord der wereld hij hen wilde verbannen; dat zij een ander rijk en andere tempels zouden zoeken, daar hij hen zo schandelijk uit zijn koninkrijk verdreef en een vreemde God, die alle Goddelijke rechten overweldigde en niets boven zich duldde, in hunne plaats huldigde; dat hij wel is waar koning was, doch dat een koning slechts mens is en dat hij zich niet langer moest verstouten, om als rechter over de goden des rijks te handelen; dat de naburige gewesten hen zouden wreken en dat bij dusdanige omstandigheden, alles tegen hem geoorloofd was; dat burgeroorlog en opstand, die zoveel te kwaadaardiger zijn zouden, omdat deze om de godsdienst der vaderen te wreken zouden ontstaan, het geringste was wat hij te vrezen had.
Deze uitval tegen de koning deed goede werking, vooral ook omdat hij vernomen had, dat enige schepen met koopwaren, welke vroeger te Cangoxima losten, naar Firando gezeild waren, welks koning zijn vijand was. Al deze omstandigheden bewerkten, dat de vorst de bonzen alles inwilligde en onder straf des doods aan zijne onderdanen verbood, om de oude godsdienst van Japan te verlaten en die aan te nemen, welke de Europese bonzen verkondigden. Hoe gunstig de gemoederen in Cangoxima voor de drie geloofspredikers ook gestemd waren, ’s konings besluiten beletten echter gemeenschap met de geloofspredikers te onderhouden. Een honderdtal, dat het geloof in Jezus Christus omhelsd had, weigerde echter om aan de genade van hunne roeping ontrouw te worden; de vervolging moedigde hunnen ijver aan en allen verklaarden, dat zij bereid waren voor de eer van Jezus Christus verbanning en dood te verduren.
Ofschoon vader Xaverius hunne getrouwheid niet betwijfelde, wilde hij evenwel voor zijn vertrek uit de stad en het koninkrijk, waar hij geen uitzicht had het geloof te verbreiden, de gelovigen versterken; hij vergaderde hen dagelijks in het geheim, verklaarde hun met de Godsdienstige grondbeginselen en schriftuurplaatsen één of ander geheim van het leven, lijden en de dood des Heren, en zijne hoorders werden dan zo doordrongen van de inwendige zalving des Heilige Geestes, dat zij door hunne tranen en gezucht de rede des sprekers meermalen onderbraken.
Xaverius had meerdere afschriften van zijne onderrichtingsboekjes ten dienste der gelovigen vervaardigd, en dezelve met een uitgebreider verklaring van het symbolum vermeerderd, er onderscheidene onderwijzingen met het leven des Heren, hetwelk hij in het Japans overgezet had, bijgevoegd en had zijne werkjes met Japanse letters laten drukken, om ze overal te kunnen verspreiden.
Hij vertrok, na een jaar in deze wijngaard gearbeid te hebben, met Cosmas de Torrez en Joannes Fernandez, in het begin van September 1550, van Cangoxima en droeg zelf, volgens gewoonte, de gewijde vaten; hij had Paulus van het Heilige Geloof met het toezicht en het onderwijs der gelovigen belast, en het moet ons verbazen, dat geen der nieuwe bekeerden, ofschoon beroofd van priesters, te midden der afgodendienaars en de vervolgingen der bonzen, enige ogenblikken wankelde; integendeel hunne stichtende levenswandel won onderscheidene heidenen voor Jezus Christus, zodat binnen weinige jaren hun getal tot meer dan vijfhonderd aangroeide; zelfs schreef de koning van Saxuma aan de onderkoning van Indië en verzocht hem om enige priesters van de maatschappij van Jesus, om in zijn geheel koninkrijk de zo reine Godsdienst van de Eeuwig Geborene te verbreiden.
Xaverius vertrok naar Firando en onderweg vond hij ene vesting, welke aan een zekere prins Ekandono geheten, behoorde; deze was leenplichtig van de koning van Saxuma en de plaats was zeer sterk en met afgronden omgeven. Enige bewoners van het kasteel hadden Xaverius te Cangoxima leren kennen, en daar zij niet twijfelden of Ekandono zou een man, die zo vermaard was, welwillend ontvangen, nodigden zij hem om hunnen meester te begroeten. De dienaar des Allerhoogsten, die gene gelegenheid om het Evangelie te verkondigen liet verloren gaan, nam de uitnodiging bereidvaardig aan en werd zeer wel ontvangen; hij sprak met hen over de Godsdienst en de eeuwige gelukzaligheid. De hovelingen van de vorst en de soldaten der bezetting werden door de heiligheid, die zelfs van zijn aanschijn blonk, zowel als door de waarheden, welke hij verkondigde, zo getroffen, dat aanstonds zeventien, na genoegzaam onderwezen te zijn, het doopsel verzochten. Xaverius diende hun in persoon het Sacrament der wedergeboorte toe, in tegenwoordigheid van Tono, één der prinsen van het vorstelijk huis; de overigen zouden insgelijks dezelfde genade ontvangen hebben, indien Ekandono zich niet uit staatkunde en tegen zijn gevoelen, verzet had; hij vreesde zich de gramschap van het hof van Saxuma op de hals te halen, doch veroorloofde niettemin aan Xaverius om zijne vrouw en zijnen oudste zoon in het geheim te dopen en beloofde het doopsel te ontvangen en zich Christen te verklaren, zodra zijn vorst zich meer gunstig voor de Godsdienst zou betonen. De hofmeester van de prins, een reeds bejaard en verstandig man, omhelsde het geloof en Xaverius droeg hem het toezicht over de nieuw bekeerden op, gaf hem het doopformulier, de geschrevene verklaring van het symbolum, ene korte inhoud van het leven des Heren en andere gebeden en onderrichtingen. De heidenen vergaderden des Zondags in één der vertrekken van het paleis; de hofmeester las hun dan een gedeelte van de grondbeginselen des geloofs voor en het geestelijk zaad groeide zo welig in deze kleine akker, dat enige jaren daarna meer dan honderd Christenen in die vesting gevonden werden; deze Christenen leefden zo geregeld, zedig en onschuldig, zo Godvruchtig, ingetogen en liefdadig, dat men die vesting voor een monnikenklooster zou begroet hebben. De Tono, ofschoon nog heiden, wilde evenwel dat zijne beide kinderen het heilig doopsel zouden ontvangen.
Wij mogen niet nalaten van de indruk te gewagen, welke de genade op het hart der nieuw bekeerden maakte. Eén hunner had in nette stijl in het Japans de geschiedenis van de verlossing van het menselijk geslacht, van de val van Adam tot de afdaling van de Heilige Geest, beschreven; ondervraagd zijnde wat hij de koning zou antwoorden, indien deze hem gebood om het geloof in Jezus Christus te verzaken, zei hij stoutmoedig: “Ik zou hem zeggen: Heer, gij vordert zonder twijfel dat ik als uw onderdaan u getrouw blijve; gij vordert bovendien van mij, dat ik in uwe dienst voor uw belang leve en sterve; gij wilt nog, dat ik eendrachtig met mijns gelijken, zachtzinnig jegens mijne minderen, onderdanig jegens mijne meesters en rechtvaardig jegens allen leve. Beveel mij dan Christen te zijn, want een Christen is tot dat alles verplicht. Indien gij mij verbieden wil belijdenis van de Christelijke Godsdienst te doen, zou ik tevens oplopend, wreed, trots, onrechtvaardig en goddeloos worden; ik zou voor mij zelven niet meer kunnen instaan.”
Na hier heerlijke vruchten voor de Heer ingeoogst te hebben, vervolgde Xaverius met zijne metgezellen zijnen weg en bereikte, na onderscheidene vermoeienissen en gevaren, eindelijk Firando. De Portugezen stelden alles in het werk om zijne intrede luisterrijk te maken en hoezeer tegen zijn zin, werd vader Xaverius in praaltocht naar het paleis geleid. De vorst van Firando, die zag met welk aanzien en eerbied de heilige onder de Portugezen behandeld werd, ontving hem met de grootste welwillendheid en verleende aan de drie religieuzen uitgestrekte vergunning, om in zijne staten de leer van Jezus Christus te verkondigen. Xaverius en zijne reisgenoten predikten in de stad en de bevolking stroomde toe om hen te horen; zijne eerste leerrede maakte reeds diepe indruk op de gemoederen, en in minder dan twintig dagen doopte hij te Firando meer ongelovigen, dan hij er in een geheel jaar te Cangoxima bekeerd had.
Toen hij zag, dat deze mensen zo buigzaam voor het Evangelie waren, liet hij de verdere zorg hunner bekering aan Cosmas de Torrez en begaf zich middelerwijl naar Meaco, de hoofdstad van het keizerrijk, want hij meende, om volgens de mens te spreken, niet ten onrechte, dat, wanneer het Evangelie zich hier vestigde, de leer der zaligheid weldra gemakkelijker door geheel Japan zou verbreid worden.
Op het einde van Oktober met Fernandez en nog twee Japannezen, Mattheus en Bernardus geheten, vertrokken zijnde, kwam Xaverius te Fakatta, twintig mijlen van Firando gelegen, aan en van hier scheepten zij zich in naar Amanguchi, meer dan honderd mijlen verder gelegen. Amanguchi was de hoofdstad van het koninkrijk Nangatto en één der rijkste steden van Japan, doch dewijl misdaad en ondeugd veelal de rijkdom en overvloed vergezellen, was Amanguchi insgelijks ene geheel bedorven en aan de schandelijkste ongebondenheden overgeleverde plaats. Ofschoon Xaverius slechts in deze stad gekomen was om naar Meaco door te reizen, kon hij, wiens hart zo gevoelig getroffen werd bij het zien van zoveel ondeugd, niet nalaten te beproeven paal en perk aan de boosheid te stellen. Zijn ijver deed hem vergeten om zich eerst bij de vorst te doen aanmelden; hij verscheen aanstonds in het openbaar, droeg stoutmoedig aan het volk de eeuwige waarheden voor, zoals Fernandez aan de andere zijde der stad verrichtte; men hoorde hem aan, riep hem in de huizen en verzocht hem zijne leer meer uitgebreid te verklaren, “want,” zei men, “indien uwe Godsdienst ons redelijker dan de onze voorkomt, beloven wij u deze te zullen volgen.”
Ach, hoe moeilijk valt het de mens, wanneer hij eenmaal slaaf zijner schandelijke hartstochten geworden is, ene andere wet aan te nemen en met meer billijkheid te oordelen. Na beide wetten overwogen te hebben, stemde men wel in, dat het geloof der Christenen in bespiegeling meer met de gezonde rede overeenkwam, doch voor zoveel de beoefening er van betrof, begreep men hoezeer die Godsdienst de wraakzucht, veelwijverij, ontucht en ongebondenheid veroordeelde, en men verklaarde haar onnavolgbaar, wijl de boosheid van hun hart bij die mensen alle licht der rede uitgedoofd had. Die rampzaligen, terwijl zij weigerden om in Jezus Christus te geloven, zeiden, dat de Godsdienst door Xaverius en zijnen metgezel gepredikt, ene fabel was en zij beiden een paar kwakzalvers waren. Het volk werd tegen de beide geloofsverkondigers aangehitst, liep hen na, niet om hen te horen, maar om hen met stenen te werpen en schreeuwden: “Ziedaar twee dwaze bonzen; zij willen dat wij slechts ene God aanbidden en ons met ene brouw tevreden houden!” De vorst van Amanguchi ontbood de beide vreemdelingen, hoorde hen met oplettendheid aan en zond hen vervolgens welwillend terug, doch de menigte jouwde hen uit, dreef de spot met hen en vooral met de geheimen van de Christelijke Godsdienst. Na zich een maand in die stad opgehouden en belediging op belediging ingeoogst te hebben, vervolgde de heilige met Fernandez, Mattheus en Bernardus de reis naar Meaco. Zij beweenden de verblindheid van deze mensen, die het Evangelie des heils verwierpen, doch vertrouwden op Gods barmhartigheid en ene inwendige stem verzekerde hem, dat het Goddelijke zaad niet geheel vruchteloos gestrooid was.
Op het einde van de maand December 1550 namen deze moedige dienaren des Allerhoogste de reis aan in de vreselijke kou, vergezeld van stormwinden, sneeuw en regen, blootsvoets langs moeilijke wegen, over beken en sloten, armoedig en beladen met de gewijde vaten en andere noodwendigheden tot het vieren der aanbiddelijke geheimen, zonder andere voorraad als een weinig gedroogde of gebrande rijst, welke Bernardus droeg. Had de heilige het geld aangenomen, hetwelk de Portugese kooplieden te Firando hem aanboden, of zich van de penningen voorzien, door de onderkoning der Indiën, in naam van de koning van Portugal, beschikbaar gesteld, dan zouden deze lievelingen des Heren onbekommerd hebben kunnen voortreizen, doch deze ijverige mannen zouden gemeend hebben de vaderlijke Voorzienigheid te beledigen, en zij bezigden het geld, dat hun vanwege de regering overgemaakt werd, altijd om in de behoeften der armen te voorzien.
De afstand van Amanguchi tot Meaco, wanneer het weer en de weg gunstig zijn, is slechts vijftien dagreizen, doch nu waren de zendelingen twee maanden op weg; de vermoeienissen veroorzaakten aan Xaverius ene hevige koorts, zodat hij enige tijd te Sacay moest uitrusten. Reeds spoedig zien wij echter de ijverige dienaar des Heren de tocht voortzetten. De gestadige vereniging, in welke hij met God verkeerde, gaf hem nieuwe kracht en zijn aanhoudend gebed werd slechts onderbroken door zijne vermaningen, waarmee hij de moed zijner metgezellen opwekte. Kwam men door ene stad of dorp, dan verklaarde Xaverius één of ander punt van de geloofsleer, maar ondervond meestal belediging. De kinderen zelfs schreeuwden hem na: “Deos! Deos! Deos!” wijl de heilige gewoonlijk deze Portugese bewoording bezigde, want hij wilde, wanneer hij van God sprak, het Japanse woord niet gebruiken voordat de Japannezen genoegzaam nopens het Wezen en de volkomenheden der Goddelijke Majesteit onderwezen waren; dit woord herhaalde hij dan met ene stem en tekenen van eerbied, waarbij de heidenen zelf gevoelden hoe eerbiedwaardig en ontzagwekkend de naam van God onder de Christenen was. De ijverige bestrijder der ondeugd en der logentaal ondernam om in twee steden langs zijnen weg, de valsheden en afschuwelijke misdaden, welke daar heersten, openlijk aan te vallen, doch de bewoners, die hem wilden stenigen, sleepten hem buiten de plaats; toen zij echter met hunnen afschuwelijke aanslag een begin dachten te maken, ontstond er eensklaps zulk een vervaarlijk onweer, dat allen de vlucht namen. Xaverius bleef te midden van de donder en de bliksems, welke alles schenen te zullen vernielen, bedaard en dankte de Goddelijke Voorzienigheid, welke hem zo zichtbaar beschermde.
In de maand Februari 1551 kwam hij met zijne drie tochtgenoten te Meaco. De naam van deze vermaarde stad, de zetel van het oppergezag en van de godsdienst, waar de Cubo-Sama, de Dayri en Saco of opperpriester van de eredienst der Japannezen hun verblijf hielden, beloofde de heilige Xaverius grote overwinning op de hel, maar de uitkomst beantwoordde geenszins aan de wens. Meaco, welks benaming in het Japans betekent ene zaak waardig om gekend te worden, had slechts een schaduw van vroegere luister behouden; oorlog en verwoesting hadden de stad schier in ene puinhoop laten verkeren en alles scheen haar met verdelging te bedreigen; alle naburige vorsten spanden tegen de Cubo-Sama samen en men hoorde overal het geraas der wapenen. Vader Xaverius trachtte bij de Cubo-Sama en de Dayri gehoor te verwerven, doch onderging ene stellige weigering en om bij de Saco toegelaten te worden, werd van hem, die niets had, eerst ene opoffering van meer dan zesduizend gulden gevorderd.
Daar de heilige van die zijde niets gunstigs kon verwachten, gebruikte hij de macht, welke hem door God geschonken was en predikte op de pleinen en openbare plaatsen. De ganse stad verkeerde nochtans in onrust; aller geest hield zich slechts met oorlogsplannen onledig, zodat men geen acht op zijne woorden gaf. Na vijftien dagen te Meaco doorgebracht te hebben, maakte hij zich gereed om naar Amanguchi terug te keren. Vader Xaverius, ofschoon hij gene vruchten voor dit ogenblik scheen ingeoogst te hebben, hield zich evenwel overtuigd, dat zijn verblijf in deze hoofdstad van het afgodendom niet tevergeefs was; hij had de weg gebaand voor zijne broeders, die na enige jaren daar het Christendom zouden planten, en zijne vermoeienissen en lijden beschouwde deze apostolische man terecht als een gewin voor de hemel.
De apostel der Indiën scheepte zich in, doch kon zijne ogen van deze hoogmoedige stad niet afwenden; hij zong, volgens de getuigenis van zijnen medearbeider Fernandez, meermalen het begin van de 113e psalm: “Als Israël uit Egypte trok, het huis van Jakob uit dat vreemde volk.” Hetzij dat hij zich zelven aanzag als een Israëliet, die op bevel des hemels een ongelovig land verliet, of dat hij dit hoogmoedig volk van Meaco beschouwde als eenmaal bestemd om een volk Gods te worden. Van Sacay begaf de apostel zich naar Firando, alwaar hij enige kostbaarheden had achtergelaten, welke de onderkoning van Indië en de gouverneur van Malakka hem opgedrongen hadden, te weten een klein slaguurwerk, een zeer wel gestemd speelwerk en andere zeldzame kunstwerktuigen. Hij wilde alles voor allen zijn en de apostolische man, die meende, dat om de wereldlingen te winnen, men zich enigszins naar hunne zwakheden diende te voegen, liet zich een nieuw kleed vervaardigen, wijl de Japannezen zich niet schenen te verwaardigen naar ene man om te zien, die armoedig gekleed was.
Zijne geschenken maakten dat hij bij de koning Oxindono gehoor verkreeg; de vorst stelde prijs op de Europese kunstwerken en zond hem dezelfde dag ene aanzienlijke som geld, doch Xaverius dankte voor die ijdelheid en nu steeg de bewondering van de koning ten top. “Hoeverre zijn de Europese bonzen boven de onze verheven,” zei de vorst; “trouwens deze beminnen de tijdelijke goederen zo hartstochtelijk en denken slechts aan eigenbelang.” De volgende dag overhandigde Xaverius de koning de brieven van de onderkoning en de bisschop van Indië, en verzocht als enige gunst vrijheid om de Godsdienst van Jezus te verkondigen, wijl zulks het enige doel van zijne reis was. De koning gaf niet slechts bij mondeling, maar ook bij schriftelijk besluit vrijheid, om de Godsdienst van Jezus in zijne staten te verkondigen; dit besluit werd op de pleinen en openbare wegen aangeplakt en hield in, dat elk vrijheid had om de Christelijke Godsdienst te omhelzen, terwijl onder zware straffen verboden werd de predikers in hunne bediening te hinderen. Een oud klooster der bonzen werd aan de geloofsverkondigers tot verblijf aangewezen, en weldra stroomde ene overgrote menigte naar hen toe; allen stelden hun twijfelingen voor en zij hielden niet op met vragen, totdat zij door onomstotelijke bewijzen overtuigd waren. De last, welke zij hem veroorzaakten, was aan vader Xaverius hoogst aangenaam en had de schoonste gevolgen; de Japannezen toch hebben een goed verstand en hoe meer zij hem door hunne twistredenen aanvielen, hoe meer zij ook de waarheden van de Godsdienst leerden kennen, zodat, wanneer hunne twijfeling opgelost werd, zij begonnen te beseffen, dat in de Godsdienst der Christenen alles verheven was en er niets tegenstrijdigs in gevonden werd.
Het was te midden van deze ondervragingen, waarmee de heilige Xaverius bestormd werd, dat hij door één tot nu toe ongehoord wonder, met een enig antwoord aan ene menigte lieden, die hem onderscheidene opwerpingen van verschillende aard deden, voldoening gaf. De vragen, welke men hem deed, betroffen de onsterfelijkheid der ziel, de beweging der hemeltekenen, de verduisteringen van zon en maan, de kleuren van de regenboog, de zonde, de genade, de hemel of de hel; het verbazende was hierin gelegen, dat, wanneer hij allen aangehoord had, hij met weinige woorden antwoordde, welke in hunne oren zich door een wonderdadige kracht vermenigvuldigden en hen deed vernemen wat zij verlangden te weten, als had hij elk in het bijzonder geantwoord. De aanwezigen stonden verbaasd, zagen elkander en vader Xaverius aan, en wisten niet wat zij denken, veel minder wat zij zeggen moesten. Na een weinig van deze lastige bezoeken ontslagen te zijn, predikte Xaverius en zijn metgezel Fernandez tweemaal daags op de pleinen en openbare plaatsen der stad, en de Heer schonk hem evenals vroeger in Indië, de gave der talen, want ofschoon hij zich nooit toegelegd had op het Chinees, predikte hij evenwel elke morgen aan de kooplieden van China, die te Amanguchi in grote getale ter markt kwamen; na de middag sprak hij tot de Japannezen in hunne taal en zo gemakkelijk en sierlijk, dat zij, die hem hoorden, verklaarden, dat deze hem zo eigen was als of hij een inboorling was.
De kracht der waarheid, tegen welke de geleerdsten onder he niets redelijks konden opwerpen, de drie mirakelen, te weten dat waarbij een man die stom en beroerd was, de spraak en gezondheid terugkreeg, dat waarbij doven het gehoor en een ander waarbij stommen het gebruik der spraak verkregen, bij zovele andere mirakelen, welke hij wrochtte, zijn onschuldig en gestreng leven en de Geest Gods, die zijne woorden kracht bijzette, dat alles maakte zoveel indruk op de harten, dat in minder dan twee maanden, ruim vijfhonderd personen uit de aanzienlijksten en geleerdsten gedoopt werden. Zij hadden de Godsdienst van Jezus Christus in de grond onderzocht en bekeerden zich, wijl zij aan de kracht der waarheid gene tegenstand konden bieden. Het was niet te verwonderen, dat de heilige zich bovenmate verheugde wegens de overwinning, welke het kruis op de hel behaalde; hij gaf zijne blijdschap in ene brief te kennen, welke hij enige tijd later aan de vaders Jezuïeten van Europa zond. “Ofschoon reeds geheel grijs zijnde, ben ik evenwel sterker en moediger dan ooit, want de moeilijkheden en vermoeienissen, welke men doorstaat om een verstandig volk, dat de waarheid bemint en zijne zaligwording verlangt, te onderwijzen, schenken overvloedige blijdschap; zo lang ik geleefd heb, heb ik zovele vertroostingen niet gesmaakt als te Amanguchi, waar met verlof van de koning, ene grote menigte mij kwam aanhoren. Ik zag de hoogmoed der bonzen verslagen en de grootste vijanden van de Christennaam aan de nederigheid van het Evangelie gehoorzamen. Ik was getuige van de overmatige vreugde van deze nieuwe Christenen, die, wanneer zij in hunne twisten de bonzen overwonnen hadden, zegevierend terugkwamen. Ik was niet minder verrukt bij het zien van de moeite, welke zij zich als om strijd gaven, om de heidenen te overtuigen en over het vermaak dat zij genoten, wanneer zij hunne veroveringen verhaalden en te kennen gaven, met welke middelen zij het verstand overmeesterden en de heidense bijgelovigheden uitroeiden; dat alles verschafte mij ene dusdanige blijdschap, dat ik het gevoel van mijne eigene ellende vergat. Geef God, dat ik mij deze vertroostingen, welke ik te midden van mijnen arbeid van de Goddelijke barmhartigheid ontving, steeds herinnere en die niet slechts kon verhalen, maar insgelijks doen ondervinden en een weinig op onze hogescholen in Europa doen beseffen. Ik hou mij verzekerd, dat onderscheidene jonge lieden, die er de wetenschappen beoefenen, wanneer zij slechts eenmaal de hemelse zoetigheden, die onze vermoeienissen vergezellen, geproefd hadden, hunne kennis en krachten tot het bekeren van een afgodisch volk zouden komen besteden.”
Deze inwendige blijdschap werd evenwel door bitterheden vergald. Xaverius beweende steeds de dwaasheid van Oxindono; deze vorst gevoelde al de schoonheden van het Christendom, doch werd in de dienst der afgoden door de vleselijke vermaken en de ontucht teruggehouden, terwijl Neatondone, de eerste staatsdienaar van het koninkrijk, wiens geneigdheden edel en deugdzaam waren, de heilige evenzeer bedroefde; die prins had een apostel aan het hof kunnen zijn, indien nietswaardige en onverschoonbare beweegredenen hem niet belet hadden om Christen te worden; hij zowel als zijne vrouw vereerden Xaverius en eerbiedigden hem; zij achtten de gelovigen en ondersteunden hen in hunne behoeften, maar verwierpen de hemelse goederen, welke de Godsdienst van Jezus aanbiedt. Ofschoon het voorbeeld van het koninklijk gezin, hetwelk door de hovelingen veeltijds gevolgd wordt, niet scheen aan te moedigen, drong de Godsdienst evenwel in de harten der aanzienlijken door en ene edelmoedige handelswijze van vader Fernandez droeg zeer veel bij, om zelfs de hardnekkigsten voor Jezus te winnen. Deze medearbeider van de heilige Xaverius predikte in één der volkrijkste gedeelten van de stad; onder zijne hoorders bevonden zich lieden, welke met de meeste verhardheid de dienst der afgoden aankleefden en daarom de geloofsverkondiger slechts aanhoorden, om met hem en het Evangelie de spot te drijven. Te midden van zijne leerrede kwam een onbeschaamde, naderde Fernandez, als wilde hij deze iets in het oor zeggen en spuwde hem in het aangezicht. Zonder zich te ontstellen of een woord te spreken, nam de vader zijnen zakdoek, reinigde zich het gelaat en vervolgde zijne leerrede. Allen stonden verbaasd over die gematigdheid; de grootste spotters, die eerst over die belediging juichten, waren verslagen en erkenden, dat een mens, die zijne hartstochten zo zeer meester is, ene onbegrijpelijke grootheid van ziel bezitten moest en door gevoelens van ware Godsdienst moest geleid worden. Eén der voornaamste mannen, die er tegenwoordig was, die zich het meest tegen het Evangelie verzette en voor de geleerdste van Amanguchi gehouden werd, begon, zoals hij later verklaarde, op deze wijze te oordelen: “deze geloofspredikers, die met ene zo grote standvastigheid de wreedste beledigingen verdragen, kunnen ons niet willen bedriegen, het zou hun al te veel kosten en men bedriegt geen ander tot zijne eigene schande. Hij, die het hart van de mens gevormd heeft, kan het alleen in zodanige rust stellen, doch de krachten der natuur gaan zover niet en de Christelijke lijdzaamheid moet wel iets Goddelijks ten beginsel hebben. Deze mensen bezitten zonder twijfel ene onfeilbare zekerheid van de waarheden die zij geloven en van de beloning op welke zij hopen, want zij zijn bereid voor hunnen God alles te lijden en verwachten niets van de mensen. Welke onbetamelijkheid en welk gevaar bestaat er met hunne wet te volgen? Indien hetgene zij omtrent de eeuwigheid voordragen, waarheid is, dan zal ik in alle eeuwigheid rampzalig wezen, en wanneer er al geen ander leven als dit bestond, moet men dan toch niet veeleer ene Godsdienst omhelzen, die de mens zo hoog boven zich zelven verheft en hem zoveel vrede schenkt, dan gevoelens te volgen, die ons in al onze zwakheden laten en de macht niet hebben de onrust van ons hart te stillen.” Deze opmerkingen werden door de bewegingen der genade ondersteund, zodat hij, toen Fernandez geëindigd had, beleed, dat de deugd van deze man hem overtuigd had; hij verzocht gedoopt te worden en het Heilige Sacrament werd hem met de meeste plechtigheid toegediend.
Deze uitstekende bekering had de schoonste gevolgen; zeer velen openden hunne ogen voor de waarheid en ontvingen de Goddelijke lichtstralen van het Evangelie. Onder de bekeerlingen was een jongeling, die een verheven verstand bezat, vijfentwintig jaren oud was en zich in de voornaamste scholen der bonzen in Japan geoefend had. Na door de heilige Xaverius onderwezen en gedoopt te zijn, ontving hij de naam van Laurentius, werd in de maatschappij van Jesus aangenomen en later in de heilige bedieningen geplaatst; hij bekeerde ene ontelbare menigte van zijne landslieden, onder welke men de aanzienlijkste en edelste geslachten telde, die later zuilen werden, welke de kerk van Japan door hunne geleerdheid, deugd en kloekmoedigheid onderschraagden. De zogenaamde kloosters, welke de bonzen bewoonden, werden allengs ontvolkt; onderscheidene jongelingen, in wie nog enige schaamte en braafheid huisvestte, schaamden zich langer het volk te bedriegen; zij verlieten hunnen staat, keerden onder de mensen terug, om zich zoveel te gemakkelijker aan de volgelingen van de Godsdienst van Jezus te kunnen aansluiten, en maakten weldra al de schandelijke kunstgrepen der bonzen, die tot nu toe onbekend waren, ruchtbaar. De oude bonzen zagen spoedig in, dat het volk hen verachtte en daar zij niet in staat waren hunnen tegenstrever te overwinnen, stelden zij alle listen in het werk, om Xaverius en de Christenen in de ogen des konings gehaat te maken; zij zeiden, dat de Christenen oproer verwekten, vijanden van het openbaar welzijn en van de persoon des vorsten waren, en wisten het zover te brengen, dat Oxindono, die hun steeds gunstig geweest was, eensklaps van gevoelen jegens hen veranderde. Ofschoon hij het niet waagde, om zijne plechtige besluiten ten voordele der Christelijke Godsdienst in te trekken, liet hij evenwel de gelovigen mishandelen, hen van hunne goederen en ereambten beroven, en ving ene vervolging onder de voornaamste rijksgroten en aanzienlijken aan, die de Godsdienst omhelsd hadden; dan noch de lasteringen der bonzen, noch de veranderende gevoelens des konings konden de voortgang en de verbreiding van het Evangelie stuiten; in weinige dagen klom het getal der gelovigen in Amanguchi tot meer dan drieduizend man, die allen zo vurig waren, dat zij niet slechts bereid waren voor het behoud des geloofs hunne goederen op te offeren, maar zelfs hun bloed te storten, indien de koning er toe kwam om de kerk te vuur en te zwaard te vervolgen. De roem van Xaverius nam steeds meer toe; overal werd zijn naam in alle naburige koninkrijken vermaard, zodat alle volken en vorsten hem verlangden te zien en te horen. De grote apostel, die zelf de bekering van Japan bestuurde en reeds het oog op China gevestigd had, dacht naar Indië terug te keren en uit de collegiën zodanige arbeiders, die het beste voor Japan geschikt waren, te kiezen, vervolgens naar China te vertrekken en vandaar naar Japan terug te keren, want daar hij te Amanguchi dagelijks met de Chinese kooplieden verkeerde, dacht hij dat dit beschaafd en geestig volk wel aan de heilige wetten van het Evangelie zou te onderwerpen zijn. Eduard de Gama was met ene Portugese vloot in de havens van het koninkrijk Bungo binnengelopen, en nauwelijks had de heilige hiervan bericht ontvangen, of hij zond één der bekeerde Japannezen met ene brief aan Eduard de Gama; deze vlootvoogd bevond zich met zijn schip in de haven van Figen, vijftig mijlen van Amanguchi en ene mijl van Facheo, de hoofdstad van het koninkrijk Bungo. De gezondenen kwamen na vijf dagen terug, brachten hem behalve brieven van de scheepsbevelhebber en enige der voornaamste kooplieden, nog brieven van Goa, waarin de vaders van het collegie van de heilige Paulus hem berichtten, dat zijne tegenwoordigheid dringend gevorderd werd om de zaken der maatschappij te regelen. Zonder tijd te verliezen, na de gelovigen van Amanguchi aan vader Cosmas de Torrez en aan broeder Joannes Fernandez aanbevolen te hebben, begaf hij zich in het midden van September 1551 op weg. Ofschoon de ijverige apostel van Indië met meer gemak zijne reis over zee had kunnen ondernemen, wilde hij evenwel liever, volgens zijn gewoonte, over land en te voet reizen. Mattheus en Bernardus, van welke wij eerder spraken, waren met twee aanzienlijke bekeerlingen, wier goederen, omdat zij het geloof aangenomen hadden, verbeurd verklaard waren, zijne reisgenoten. Nog een ander moedig Christen, te weten Laurentius, wiens bekering wij vermeld hebben, had zich bij hem gevoegd. Men wandelde moedig voort tot aan Pinlaschau, welk dorp één of twee mijlen van Figen verwijderd lag. Hier waren de krachten van Xaverius uitgeput; zijne voeten waren zeer gezwollen en hij werd door hoofdpijn overvallen, zodat het hem niet mogelijk was nog verder te gaan. Na een weinig uitgerust en versterkt te zijn, wilde hij zijnen weg naar gewoonte vervolgen, doch Eduard de Gama intussen zijne komst vernomen hebbende, ging hem met de aanzienlijkste Portugezen tegemoet. Toen Franciscus de haven van Figen binnengekomen was, werden tot viermaal achttien stukken geschut gelost, terwijl men hem bovendien, ofschoon hij slechts te voet was, met alle eer ontving, waarmee men een vorst zou kunnen begroeten. Daar men het gebulder van het geschut te Fucheo hoorde, werden de bewoners van die stad ontsteld en de koning van Bungo menende, dat de Portugezen door zeerovers aangevallen werd, zond één zijner edellieden naar de scheepsbevelhebber, om te vernemen welk ongeval er plaats had; maar deze gelegenheid maakte de heilige bij de vorst bekend en deze zond hem met ene jonge prins van koninklijke bloede ene brief, waarin hij vader Xaverius dringend en met alle eerbied uitnodigde, om aan het hof te verschijnen. De Portugezen hielden raad hoe men zich hierbij te gedragen had en op welke wijze men de dienaar des Allerhoogste tot de koning zou geleiden; allen stemden in, dat de optocht luisterrijk moest zijn, en dat men bij deze gelegenheid de Godsdienst en de Portugese natie moest trachten te verheffen, om de bonzen te beschamen, die, uit hoofde van de armoede, welke de apostel overal deed blijken, hem als ene ellendeling en eerloze wilden doen doorgaan. De heilige liet eerst grote tegenzin en afschuw blijken voor ene praal, welke met zijne religieuze staat niet overeenstemde, doch gaf eindelijk toe, omdat men hem overtuigde, dat het van het hoogste belang was de valse denkbeelden, welke het volk van de Christenen had, weg te nemen en aan hetzelve te doen zien, hoezeer de gelovigen hunne priesters vereren. De optocht langs de rivier tot aan de hoofdstad Fucheo en door de straten der stad, tot aan het paleis van de vorst, was niets minder dan die van de machtigste koning der wereld. De luister en toestel waren aller-schoonst en wij zeggen alles, wanneer wij verklaren, dat nooit een heilige meer rede had van zich te verootmoedigen en te zuchten, wanneer hij in de staat, waarin hij geplaatst was, aan Jezus Christus en aan zich zelven dacht.
Xaverius werd door de koning van Bungo met alle luister en volgens het verheven denkbeeld, dat hij van hem had, ontvangen; al de aanzienlijken der stad kwamen hem vervolgens met de meest plechtige gebruiken des lands hun eerbewijs betuigen, en de koning scheen zelfs de grootheid van zijnen stand uit het oog te verliezen; hij hield langdurige gesprekken met hem over de Godsdienst der Christenen, en gaf hem vrijheid om het Evangelie in zijne staten te verkondigen. De bonzen, die zich bij deze ontmoetingen zo zeer vernederd zagen, stelden alle middelen in het werk om de heilige tegenstand te bieden, doch men dreef de spot met hunne laagheden en machteloze woede. Xaverius overtuigde hen van de dwaasheid hunner inbeeldingen, zonder dat iemand iets zakelijks tegen hem kon inbrengen; meermalen redetwistte hij met hen over de Godsdienst en zij moesten altijd met schaamte aftrekken; hij bevestigde duidelijk de waarheden van de Christelijke Godsdienst en de koning, de rijksgroten en het volk verleenden hem allen bijval. Men kwam van alle zijden naar hem toe, om hem over de enige ware God te horen spreken en zijne openbare onderrichtingen, zowel als bijzondere gesprekken bleven niet zonder vrucht; ontelbaren verzaakten de dienst der afgoden en beleden de Godsdienst van Jezus Christus; ganse dagen was hij bezig met de heidenen te dopen en de nieuwe Christenen te onderwijzen. Onder deze bekeerlingen vermelden wij een zekere Sacai Feran, een vermaarde bonze van Canafama en de steun van zijne sekte; toen hij vernam, dat de anderen Xaverius niet durfden aanranden, ondernam hij om met hem in het openbaar te twisten; het twistgeding geschiedde op één der voornaamste pleinen der stad en in tegenwoordigheid van ene talrijke menigte volk. Nauwelijks had Xaverius de grondbeginselen van de Godsdienst van Jezus Christus verklaard, of de bonze erkende zijne blindheid, doch liet na de waarheid, die hij reeds zag schitteren, te bestrijden; dan eindelijk door de kracht der waarheid uit het veld geslagen, en door de genade Gods in het hart getroffen, wierp hij zich op de knieën, hief oog en handen ten hemel en riep met luide stem, terwijl hij overvloedige tranen stortte: “Jezus Christus, enige en waarachtige Zoon Gods, ik geef mij geheel aan U, ik belijd met hart en mond, dat Gij de eeuwige en almachtige God zijt, en ik bis alleen, die mij horen, van mij te vergeven, dat ik hen zo menigmaal zaken als waarheid voorgedragen heb, welke ik heden erken en verklaar valsheden en verdichtselen te zijn.” Deze gebeurtenis verbaasde elk; vijfhonderd mensen verzochten om het heilig doopsel te ontvangen en Xaverius, ware hij in Indië geweest, zou aan die dringende bede wellicht gehoor gegeven hebben, omdat de nieuw bekeerden daar niet zo zeer gevaar liepen van door de bedrieglijke schijnredenen der geleerden onder de heidenen verstrikt te worden; nu kwam het de voorzichtige man hoogst noodzakelijk voor deze geloofsleerlingen eerst door het onderricht tegen de drogredenen der heidense wijsgeren te versterken. Hij trachtte dus allen, die het heilig doopsel verlangden te ontvangen, tot dit eerste Sacrament door verbetering van hunne zeden voor te bereiden, en wat de koning van Bungo aanbelang, meende hij terecht, dat zijne bekering tijdig genoeg zou zijn, wanneer de vorst eerst blijken van oprechtheid en standvastigheid zou gegeven hebben. De koning hoorde hem gaarne en begon weldra zijn levensgedrag te veranderen en de schoonste bewijzen van die verandering te geven, met zich aan de ondeugd te onttrekken, de armen, welke hij vroeger met verachting behandelde, te hulp te komen en door de schoonste bevelschriften en besluiten de openbare zeden te handhaven, en onder doodstraf de afschuwelijkste misdrijven, onder welke de kindermoord en afgrijselijke zonden, waarover de natuur bloost, te verbieden.
De bonzen zaten van hunne zijde niet stil; zij zagen dat hun gezag en aanzien weldra zou vernietigd worden, en stelden dus alle middelen in het werk om deze ramp te voorkomen; zij zochten eerst, maar tevergeefs, de heilige apostel in de geest der menigte hatelijk te maken en slaagden niet beter bij de koning, die zij vrees meenden aan te jagen. Zij geloofden veel gemakkelijker oproer te kunnen maken en vleiden zich te midden der verwarring hunnen vijand te kunnen om hals brengen, doch Civandono, koning van Bungo, van hunnen aanslag verwittigd, wist zo streng de orde te handhaven, dat niemand hunner zich durfde te verroeren.
Xaverius bevond zich meer dan één maand te Fucheo, toen de Portugezen zich gereed maakten om naar China te zeilen; alles was tot de inscheping in gereedheid en de heilige ging met hen bij de vorst afscheid nemen; deze verklaarde de kooplieden, dat hij hun geluk benijdde, daar hij door vader Xaverius te verliezen, meende dat zijn vader hem ontnomen werd en de gedachte daaraan wekte bij hem gevoelige droefheid op.
Na afscheid van de koning genomen te hebben, begaf de heilige zich dezelfde dag naar Figen. Ene omstandigheid wilde, dat de reis voor enige dagen uitgesteld werd; Xaverius keerde dus nogmaals naar de koning terug, om hem andermaal te groeten, doch nauwelijks was hij in het paleis of Fucharandone, de vermaardste bonze van geheel Japan, verzocht gehoor en verkreeg het op aanzoek van de apostel van Indië. Er had over de Godsdienst ene twistrede plaats, die enige dagen voortduurde en ten nadeel der heidenen uitviel; de koning geleidde zelf de geloofsverkondiger naar het voor hem bestemd verblijf en het volk, dat hem in menigte volgde, bezong zijne overwinning, of veeleer die der Godsdienst, middelerwijl de bonzen woedend van gramschap uitschreeuwden: “Dat het vuur des hemels over een prins afdaalt, die zich door ene vreemde kwakzalver zo gemakkelijk laat verleiden.” op deze wijze eindigde de twistrede, welke voor Xaverius en de Godsdienst zo glansrijk was. Ofschoon de koning en zijne hovelingen, welke daarbij tegenwoordig waren, de Godsdienst der Christenen bewonderden en eerbiedigden, verzaakten zij evenwel de afgoderij en de ondeugden niet; trouwens in zaken van bekering is het niet genoeg, dat het licht de geest bestraalt, het hart moet getroffen zijn, zij waren evenals de wijsgeren, van welke Paulus spreekt, die nadat zij God kenden, weigerden Hem als God te verheerlijken; maar deze gesprekken bleven evenwel niet geheel zonder vrucht en waren het zaad van die wonderdadige en menigvuldige bekeringen, welke in de volgende jaren plaats hadden.
Vader Xaverius ging de volgende dag de koning weer groeten en deze gaf opnieuw vele blijken van zijne welwillendheid en genegenheid; op 20 November 1551 vertrok hij uit Japan, na twee jaren en vier maanden in dat rijk doorgebracht en menige overwinning voor de hemel behaald te hebben. Daar hij over deze aangroeiende gemeente zeer bezorgd was, beloofde hij de vorst zo spoedig mogelijk enige Jezuïeten te zenden, en reeds in de maand Augustus 1552 zetten vader Balthasar Gago, priester, Eduard de Sylva en Petrus van Alcaceva te Figen voet aan wal, welke weldra door andere zendelingen gevolgd werden.
Enige dagen eerder had God aan zijnen dienaar veropenbaard, dat de stad Malakka zowel te water als te land door de koning van Gentana, een Saraceense vorst, belegerd werd; deze bevond zich met twaalfduizend strijders om die vesting; noch de voorzorg van de gouverneur Don Pedro de Sylva, noch de bijstand van Don Fernandez Cazvaglia, waren in staat die stad tegen de aanval der barbaren te beschermen. De heilige gaf aan Eduard de Gama en de Portugezen, zijne tochtgenoten, deze ramp te kennen voordat men de haven van Figen verlaten had en verklaarde, dat de zonden, welke in deze bedorvene stad bedreven werden, haar die vreselijke straf des hemels, waarmee hij haar bedreigt had, berokkenden en gebood allen om, door vurige en ootmoedige gebeden, de gramschap des Heren af te wenden. Xaverius had de twee Japannezen Mattheus en Bernardus met zich mee genomen, met oogmerk om hen naar Rome te zenden, opdat zij daar, getuigen van al de majesteit van de Godsdienst, meer versterkt werden en later in hun vaderland zoveel te beter zouden kunnen arbeiden.
Reeds de zevende dag werden zij door ene hevige storm overvallen, welke het schip in ene aan de Portugezen en Indiërs onbekende zee voortzweepte; gedurende vijf dagen en nachten was het zo duister, dat de stuurman en het scheepsvolk de hoogte waarop zij zich bevonden niet konden ontdekken. Men had ene sloep met vijftien man uitgezet en deze werd van het schip, doordien er onweer oprees, afgeslagen; de zware kabeltouwen hadden de woede der rukwinden gene tegenstand kunnen bieden; toen men het gekerm der mannen hoorde, wilde men het schip wenden, om hun hulp te kunnen aanbrengen, doch nu werd het vaartuig door de golven als overstroomd en stond op het punt van te zinken. Xaverius riep de Goddelijke Verlosser aan en eensklaps hief zich het schip op en allen schreven hun behoud aan de kracht van dit gebed toe. De sloep was intussen verdwenen en men twijfelde niet meer of deze was in de baren verzwolgen; men beweende deze vijftien mensen, doch de heilige nam zijne toevlucht tot de Heer der zeeën; nauwelijks had hij zijn gebed geëindigd, of hij gevoelde door de ingeving van de Heilige Geest, dat hij verhoord was, hij keerde zich naar de bevelhebber, die zijnen neef, welke zich in de sloep bevond, beweende en zei: “Wees getroost broeder, binnen drie dagen zal de dochter hare moeder terugzien, de sloep zal zich bij ons bevinden.” De storm bleef aanhouden en eensklaps schreeuwde men, terwijl Xaverius bad, dat men de sloep tegen de golven zag oproeien en naderen; op de door de heilige bestemde tijd waren de manschappen aan boord en deze verklaarden, dat zij, ofschoon met de stormen en golven kampende, evenwel niets vreesden, wijl vader Xaverius stuurman geweest was; de anderen verklaarden dat hij geen ogenblik het schip verlaten had en men begreep terecht, dat God zijnen engel in de gedaante van de heilige gezonden had, die hen gered had; twee Saracenen, die mee in het gevaar der sloep gedeeld hadden, werden door deze wonderdadige gebeurtenis zo zeer getroffen, dat zij zonder uitstel hunne afschuwelijke ongelovigheid afzwoeren en de Godsdienst van Jezus omhelsden. Het onweer bedaarde en na ene worsteling van dertien dagen bereikte men de haven van Sancian, waar de Portugese kooplieden hunne stapelplaats hadden voor de Chinese handel. Hier ging de heilige op het schip van zijnen vriend Jacobus Pereyra over, want dat van Eduard de Gama was voor het ogenblik niet in staat om zee te bouwen, en men stak de laatste December 1551 weer in zee naar Malakka. Toen men te Malakka de komst van de heilige vernam, was de ganse stad verheugd en men vergat weldra al de rampen van de belegering, welke men verduurd had. Xaverius bezocht de oude gouverneur Don Pedro de Sylva en deelde hem zowel als de nieuwe gouverneur Don Alvarez d’Ataïde zijn doel mee, om door middel van een gezantschap van de onderkoning van Indië in China te kunnen komen; beide vonden zijne oogmerken even voordelig zowel voor de kroon van Portugal als voor de Godsdienst. Na enige dagen te Malakka vertoefd te hebben, kwam hij op 24 Januari 1552 behouden te Cochin aan; hier vond hij de koning der Maldivische eilanden, die zijne oproerige onderdanen ontvlucht was en zich onder de bescherming der Portugezen gesteld had. Daar hij door vader Herida reeds enigszins onderwezen was, voltrok Xaverius het grote werk zijner bekering en doopte hem. De vorst, die zijne staten niet meer herwinnen kon, huwde met een Portugese vrouw en beschouwde voortaan het verlies van ene vergankelijke kroon als het middel, dat hem de gave des geloofs en de genade van het doopsel verkregen had.
De grote apostel van Indië nam hier de gelegenheid waar, om naar Europa te schrijven en de koning van Portugal en de heilige Ignatius over zijne werkzaamheden in Japan bericht te geven. Hij kwam vervolgens in het begin van Februari 1552 te Goa, bezocht aanstonds de ziekenhuizen der stad en begaf zich vervolgens naar het collegie van de heilige Paulus. De ontmoeting met de broeders was roerend. Zijne tegenwoordigheid was zeer gelukkig voor ene zieke, die op sterven lag en aan wiens herstel de geneesheren wanhoopten, zodat men reeds alle toebereidselen maakte voor de ter aarde bestelling. De zieltogende zei evenwel met stervende lippen, dat hij zou herstellen in God hem de gunst verleende Xaverius te zien. De heilige bezocht hem, bad bij hem en de zieke werd dadelijk volkomen gezond. Xaverius was uitermate verblijd toen hij de gelukkige staat vernam, waarin zich de Indiën met betrekking tot de voortplanting der Godsdienst bevonden; alle zendelingen, welke hij voor zijn vertrek had uitgezonden, waren te Goa verenigd en het scheen als of de Heilige Geest hen naar die stad geleid had, opdat de tegenwoordigheid van de grote dienaar des Heren hunnen apostolische ijver zou verdubbelen. God had al hunne pogingen gezegend. De stad Ormuz was geheel bekeerd, heidenen, Saracenen en Joden hadden het geloof aangenomen, afgodstempels, moskeeën en synagogen waren verlaten, de zeden hervormd en alles had een ander aanzien. Aan de visserskust telde men meer dan vijfmaal honderdduizend Christenen zo vol ijver, dat zij allen bereid waren hun bloed voor het geloof in Jezus Christus te storten. Te Cochin, Coulain, Bazaïn, Meliapour, in de Molukken, de eilanden van Morro bloeide de Godsdienst, en te Goa leefden de groten en zelfs de krijgsknechten bijna als kloosterlingen. De koning van Tanor en die van Trichenamalo hadden het geloof omhelsd, andere rijksgroten waren zijn voorbeeld gevolgd en met hunnen koning gedoopt. Xaverius loofde God uit geheel zijn hart, daar hij zag, dat door de bediening van de kinderen van de heilige Ignatius, het rijk van Jezus Christus alom verbreid werd, en deze vreugde vermeerderde toen de bisschop van Goa, Don Joannes d’Albuquerque, hem zijne hoge tevredenheid betuigde wegens het gedrag van de leden der maatschappij van Jezus; de prelaat deelde de heilige de brief mee, welke hij betrekkelijk hunne ijvervolle diensten aan vader Ignatius geschreven had. Wij delen te eerder een uittreksel daaruit mee, wijl een zekere bevoordeelde schrijver het wil doen voorkomen, als of de bisschop van Goa, omdat hij geen bepaald gewag van Xaverius maakt, die in afgelegene streken werkzaam geweest was, hem niet meer zo hoogachtte als eerder en hem door dit schrijven vernederde. Deze brief was van 28 November 1550 en vereerde de heilige te meer, wijl hij getuigde van de ijver zijner medebroeders, die aan zijne leiding en zijn gezag in de Indiën onderworpen waren.
“De grote dingen, welke de aan uwe eerwaardigheid onderhorigen in al deze streken van het Oosten verrichten, de heiligheid van hun leven, de reinheid van hunne leer, hun ijver om voor de bediening van het Goddelijk woord en het Sacrament van boetvaardigheid aan de zaligheid der Portugezen te arbeiden, hunne onvermoeide tochten om in al de koninkrijken van Indië de bekering der heidenen en Moren te bewerken, hunne aanhoudende zorg om de talen van deze nieuwe wereld aan te leren en de geheimen van het geloof in te prenten en vooral aan de kaap Comorin werkzaam te zijn; al deze omstandigheden verplichten mij, uwe eerwaardigheid te schrijven en haar getuigenis te geven van hetgene ik onder mijne ogen zie gebeuren.
In waarheid de vaders van uwe maatschappij zijn uitmuntende arbeiders in des Heren wijngaard, en zijn zo getrouw en behulpzaam aan de bisschoppen, dat hunne diensten ten nutte der zielen, welke mij zijn toevertrouwd, mij doen hopen, dat ik minder tijd in de plaats der zuivering vertoeven zal. Ik durf het niet te ondernemen om in bijzonderheden te treden en wanneer ik ook al wilde, zou mij de tijd ontbreken. Ik zal u slechts zeggen, dat zij hier fakkels zijn, aangestoken om de dikke duisternis te verdrijven, waarin deze barbaarse volkeren begraven lagen, en dat reeds verschillende ongelovige volken door hunnen arbeid, de enige God in drie Personen aanbidden. Voorts sta ik hun alles toe, wat zij mij voor het heil der zeden verzoeken; ik deel elk hunner in het bijzonder de macht en het gezag mee, welke ik bezit, zonder mij iets voor te behouden, en ik reken mij zelf onder de leden van dit heilig lichaam, ofschoon mijn levensgedrag verre beneden het hunne is; in één woord, ik bemin hen in Jezus Christus met ene zuivere en oprechte liefde.”
De grote apostel van Indië werd insgelijks onderricht, dat de koninklijke beambten van Portugal, die te Goa gevestigd waren, nopens de goede diensten en de arbeid der leden van de maatschappij van Jesus naar Lissabon geschreven hadden. De nieuwe onderkoning Don Antonius de Norogna vooral berichtte zijnen vorst, dat men in Indië over het gedrag der Jezuïeten zeer tevreden was en dat men God loofde over al het goede, hetwelk zij uitwerkten, terwijl hun levensgedrag volkomen aan de geest van hunne roeping beantwoordde.
Ofschoon de heilige Xaverius alle rede had van zich te verblijden over de schone vruchten, door zijne medearbeiders in de wijngaard ingeoogst, veroorzaakte het gedrag van Antonius Gomez evenwel aan zijn hart grote droefheid. Hij had hem voor zijn vertrek naar Japan tot bestuurder van het collegie van de heilige Paulus aangesteld, daar hij grote begaafdheden bezat, een groot wijsgeer, diepzinnig Godgeleerde, vermaard canonist, uitmuntend prediker, in één woord een zeer geschikt persoon was om zielen te bekeren, maar hij volgde helaas zijne eigene denkbeelden, handelde meer naar zijne luimen dan volgens de Geest Gods en miste de in de priester en zendeling zo noodzakelijke deugd van ootmoed en zelfverloochening.
Voordat Xaverius naar Japan vertrok, ontdekte hij reeds dat Gomez, die door vader Simon Rodricus voorgedragen en volgens diens wil als bestuurder van het collegie van Goa aangesteld was, naar eigen zin begon te handelen en dat zijne handelswijze met de geest der instelling weinig strookte; de voorzichtige apostel had hem wel ene andere zending naar Ormuz willen opdragen, doch de onderkoning verzette zich tegen dit voornemen. Door vader Paulus de Camerino tot algemeen overste der zendelingen van Indië aan te stellen, dacht Xaverius, dat Gomez binnen de palen der gehoorzaamheid zou blijven, doch na het vertrek des heiligen beproefde hij alles te veranderen; onverdraaglijk wegens zijne heerszucht voor de religieuzen, die hij, wanneer zij zich tegen zijne verkeerdheden verzetten, met gevangenis of terugzending naar Portugal bedreigde, handelde hij insgelijks zeer onregelmatig omtrent de jeugdige kwekelingen van het seminarie, welke hij uiterst streng behandelde, zodat velen hunner des nachts het collegie ontvluchtten en al de anderen door hem weggejaagd werden. De bewoners van Cochin, welke hij wederrechtelijk hunne kerk ontnomen had, klaagden over hem bij de koning van Portugal en bij vader Ignatius. Zo stonden de zaken toen vader Xaverius uit Japan terugkeerde; hij deed alle mogelijke pogingen om de misslagen, door de bestuurder Gomez te Cochin begaan, te herstellen en het collegie te Goa weer te doen bloeien. Hij stelde Gomes voor ogen hoezeer hij zich tegen de orde vergrepen had; deze toonde zich bovenmate trots en weinig gestemd om te gehoorzamen, zodat Xaverius oordeelde, dat een man, die, ofschoon aan zovele ergernissen schuldig, noch ootmoedig, noch onderworpen zijn wilde, maar in zijne trotse eigenzinnigheid volharde, onwaardig geworden was om tot de maatschappij van Jesus langer te behoren; hij werd naar Dui gezonden, om daar door de vaders uit de orde verwijderd te worden, doch het schip verging, Gomes kwam op ene jammerlijke wijze in de baren om en hij, die de geest van ootmoed en gehoorzaamheid miste, werd voor Gods rechterstoel ter verantwoording opgeroepen.
De zorgvuldige Xaverius, slechts bedacht om Indië met goede arbeiders te voorzien, zond Melchior Nugnez naar Bazaïn, Gonzalez Rodricus naar Cochin, Joannes Lopez naar Meliapour en Lodewijk Mendez naar de visserskust; hier bekrachtigde hij insgelijks de keuze der zendelingen, die tot hunnen overste vader Henricus Henriquez in plaats van vader Antonius Criminal gestemd hadden. Alvorens naar Japan terug te keren had de heilige de verdienstvolle Gasparus Barseus uit Ormuz teruggeroepen; hij meende hem naar Japan te zenden, om hem met zich naar China mee te nemen, doch oordeelde nu hem te Goa achter te moeten laten, wijl het collegie va de heilige Paulus een overste behoefde, die de misbruiken en ongeregeldheden van Gomez kon herstellen. Xaverius had bij zijne terugkomst uit Japan twee bezegelde akten van 10 Oktober en 23 December 1549, uit Rome afgezonden, gevonden, in de eerste van welke de heilige Ignatius de apostel van Indië tot provinciaal van Indië en van alle koninkrijken van het Oosten benoemde en er ene van Portugal afgescheidene provincie van maakte; in de andere deelde hij hem alle macht en voorrechten mee, welke de Pausen aan het hoofd van de orde en aan de leden, aan welke het hoofd dezelve wilde mededelen, geschonken had. Uit hoofde van deze volmachten stelde Xaverius nu vader Gasparus tot bestuurder van het collegie van Goa en tot onder-provinciaal van Indië aan. Vervolgens richtte hij al zijne gedachten op de bekering van China, verkreeg van de onderkoning Alphonsus de Noragna ene aanstelling, waarbij Jacobus Pereyra tot gezant des konings in China benoemd werd; hij koos zich vervolgens drie metgezellen, schreef koning Joannes III en berichtte hem zijn voornemen, vergaderde de broeders, gaf hun de nodige onderrichtingen, omhelsde hen en vertrok van Goa op Witte Donderdag, 14 April 1552, naar Malakka, om vandaar over te steken naar China.
Malakka was door ene hevige aanstekende ziekte aangetast en de sterkste mensen werden weggesleept. Nooit kon dus de komst van Xaverius aan de inwoners aangenamer zijn; elk beloofde zich lichamelijke en vooral geestelijke bijstand, en men zag zich in deze verwachting niet teleurgesteld; zodra trouwens de heilige voet aan wal gezet had, zocht hij de zieken op, allen wensten zich bij hem voor te bereiden en in zijne armen te sterven; met zijne metgezellen zocht en vergaderde hij van straat tot straat de armen, welke hij naar het hospitaal en naar het collegie, hetwelk insgelijks tot zodanig gesticht ingericht was; vervoerde en daar de huizen weldra opgevuld waren, liet hij langs de oever hutten opslaan, in welke de overigen opgenomen werden; hij zorgde voor hunne voeding en geneesmiddelen, welke hij bij de Godvruchtigen ging vragen en bewees aan de zieken nacht en dag alle diensten. Wij willen bij deze gelegenheid insgelijks melding maken van de opwekking van een dode, welke de heilige bewerkte. Franciscus Ciavus, enige zoon van ene vrome weduwe, had zonder zich te bezinnen, het ijzer van ene vergiftigde pijl, welke men in het Oosten bezigde, in de mond gestoken en wijl het gift spoedig werkte, stierf hij eensklaps. De gestorvene werd reeds ten grave gedragen, toen Xaverius de straat doortrok; hij werd getroffen door de klaagtonen en tranen der moeder, hij nam de hand van de jongeling en riep vol vertrouwen uit: “Franciscus, in de naam van Jezus Christus, zeg ik u, sta op!” De jongeling stond op en was aan het leven teruggegeven, doch oordeelde, dat hij voortaan de Heer, die hem op ene zo wonderdadige wijze het leven geschonken had, uitsluitend toebehoorde; hij wijdde zich aan de dienst van God, hechtte zich aan Xaverius en nam het ordekleed van de maatschappij van Jesus aan.
Toen de rampen, welke Malakka drukten en de bevolking wegsleepten, ophielden te woeden, begon Gods dienaar ernstig uit te zien om naar China te vertrekken en handelde over deze onderneming met Don Alphonsus d’Atayde, gouverneur van Malakka, die, zoals wij reeds aanstipten, de oogmerken van Xaverius niet slechts goedgekeurd, maar beloofd had hem te begunstigen. Dan afgunst en eigenbelang verstikken niet zelden de redelijkste gevoelens en doen de plechtigste beloften in rook verdwijnen; Don Alvarez werd door beiden overheerst en kon niet dulden, dat Pereyra, een koopman, die hem het vorige jaar geweigerd had tienduizend rijksdaalders voor te schieten, tot gezant benoemd was bij één der machtigste vorsten der wereld en hij was er dus op bedacht om de ganse onderneming te verijdelen. Ofschoon hij bedekt te werk ging en hoezeer hij, om in zijne afschuwelijke oogmerken beter te slagen, de heilige scheen te willen behulpzaam te zijn, ontdekte deze evenwel de loze bedoelingen van de landvoogd; deze nam het schip van Pereyra onder de bedrieglijkste voorwendsels in beslag en verklaarde openlijk, dat hij nooit zou dulden, dat Pereyra als gezant of als koopman naar China vertrok en dat Xaverius zich naar Brazilië en Monomotapa kon begeven, indien het hem lustte heidenen te bekeren. Noch de brieven van koning Joannes III, noch die van de onderkoning, in welke men degenen, die Xaverius in zijne ondernemingen durfden tegen te werken, als schuldigen veroordeelde, vermochten iets op het gemoed van Alvarez; hij joeg met geweld de grootvicaris, die hem dit schrijven durfde mede te delen, weg en met de voet op de grond stampende, riep hij uit: “De belangen des konings willen de uitvoering, ik wil niet en zal de meester blijven.” Gedurende ene ganse maand gaf Xaverius zich alle moeite om de gouverneur te bewegen, maar de Godsdienst en zijne eeuwige belangen kon evenmin als de menselijke rede iets op hem uitwerken. Deze vreemde hardnekkigheid deed Xaverius eindelijk gebruik maken van de macht, welke hij als apostolische nuntius bezat; behalve de bisschop van Goa droeg niemand kennis van deze verhevene bediening des heiligen, maar nu meende hij zijn gezag te moeten bezigen en liet door de grootvicaris van de bisschop, de gouverneur Alvarez vermanen en zelfs bedreigen met de kerkelijke straffen. Deze spotte echter met één en ander en haastte in de onterendste uitdrukkingen jegens Xaverius los; de grootvicaris sprak nu over die ongelukkige en zijne medeschuldigen het banvonnis uit, maar die mens zonder Godsdienst, grondbeginsel en eergevoel, eigende zich het schip van Pereyra toe, stelde er een ander scheepsbevelhebber aan en plaatste er vijfentwintig matrozen op, die allen aan hem verknocht waren en gelaste hen naar Sancian te zeilen, waar de Portugezen grote handel dreven. De reis naar China scheen nu geheel verijdeld, evenwel wanhoopte de apostel nog niet en meende, dat wanneer hij zich op een naburig eiland zou bevinden, hij dan wel gelegenheid zou hebben om in het geheim in China voet aan wal te zetten; hij besloot derhalve om zich met het schip, dat naar Sancian voer, op reis te begeven, maar nam slechts één broeder der maatschappij, Antonius van het Heilige Geloof, die een geboren Chinees was en een jonge Indiër mee, en zond zijne drie andere gezellen naar Japan. Voor zijne afreis voorzei hij de straffen, waarmee de hemel de gouverneur van Malakka zou treffen, toonde door zijn gedrag hoe men een hardnekkig mens, die het banvonnis belopen had, diende te behandelen; hij bad voor hem en voorspelde, dat hij goed, eer en leven zou verliezen. “God geve,” zei hij, “dat zijne ziel behouden blijve; Don Alvarez zal mij in deze wereld niet meer terug zien, ik verwacht hem voor Gods oordeel, waar hij strenge rekenschap naf te leggen heeft;” hief andermaal zijne ogen ten hemel, bad met luide stem voor de ongelukkige, wierp zich ter aarde en ontdeed zich van zijn schoeisel, sloeg dit tegen elkander en zei, dat hij niet wilde, dat het stof van die veroordeelde grond aan zijne voetzolen zou kleven.
Meer dan vijfhonderd mensen bevonden zich op het schip, waarmee hij vertrok en men had reeds enige mijlen afgelegd, toen eensklaps de wind ging liggen en het schip meer dan veertien dagen voor anker moest blijven; het water begon te ontbreken en het scheepsvolk werd door ene ziekte aangetast, die ene brandende dorst verwekte. Xaverius deed het vaatwerk met zeewater vullen, zegende het en het werd beter bevonden dan het water van Bangar, hetwelk voor het beste in gans Indië gehouden wordt. Dit mirakel werkte op de harten der Saracenen, die zich aan boord bevonden; zij wierpen zich aan de voeten van de heilige, verklaarden de God der Christenen voor de enige ware God, en verzochten onderwezen en vervolgens gedoopt te worden; de schepelingen bewaarden dit miraculeus water, brachten het in Indië en vele zieken werden door het gebruik er van hersteld. Het was genoeg slechts twee of drie druppels in te nemen, om de gezondheid te herkrijgen. Op de reis viel een kind van vijf jaren in zee; de vader, een Mahomedaan, was ontroostbaar, kwam in geen drie dagen te voorschijn en bleef voortdurend zijnen eigen zoon bewenen. De heilige, die van het ongeval niets wist, vroeg de vader naar de oorzaak van zijne tranen, hield zich enige ogenblikken met God bezig en zei: “Belooft gij mij, wanneer God u uwen zoon terug schenkt, in Jezus Christus te geloven en een getrouw Christen te worden?” e ongelovige beloofde het en na drie dagen zag men voor zonsopgang het kind op het scheepsdek; het wist niet wat gedurende zes dagen gebeurd was, doch herinnerde zich slechts van in zee gevallen te zijn, zonder te kunnen zeggen hoe hij weer aan boord was gekomen. De vader was buiten zich zelven van vreugde. Xaverius had niet nodig hem zijne belofte te herinneren; hij, zijne vrouw, zoon en dienstknecht lieten zich onderwijzen en dopen en het kind werd Franciscus geheten. Wij gaan andere mirakelen, welke de heilige gedurende deze langdurige tocht wrochtte, voorbij en na ene reis van drieëntwintig dagen, zette hij te Sancian voet aan wal.
Het gebied van Sancian bestaat in drie zo nabij elkaar gelegen eilanden, dat zij van verre slechts één eiland schijnen te zijn; de Chinezen noemen dezelve in hunne taal “Sanceu,” van “sam,” drie en “ceu,” eiland; het voornaamste van deze drie, door de Portugezen Sancian geheten, heeft ene zeer goede haven in ene halve cirkel, omgeven en beveiligd door bergen, van welke men Macao ziet, een Chinees eiland aan de mond van de rivier van Canton, hetwelk zeer onvruchtbaar, onbebouwd en woest was en meer naar een oord van ballingschap van koophandel geleek, en tot stapelplaats diende voor de handel met China; het was, ofschoon de Portugezen zich daar gevestigd hadden, evenwel hun niet toegelaten om er huizen te bouwen en slechts hutten van boomtakken met matten bedekt dienden hun; wanneer zij hunne schepen verlaten hadden, tot verblijfplaats.
De blijdschap, welke de Portugezen bij de aankomst van Xaverius aan de dag legden, veranderde weldra in droefheid, zodra zij vernomen hadden, dat hij slechts Sancian aangedaan had, om zoveel te gemakkelijker naar China over te steken. Men zocht hem op alle wijzen van zijn voornemen terug te brengen, stelde hem de strenge wetten van het gebied des keizers van China voor, verzekerde dat alle havens van dat grote rijk door ijverige getrouwe ambtenaren, die zich niet lieten misleiden noch omkopen, bewaakt werden, dat de mandarijns omtrent vreemdelingen wreed waren en dat nog het vorige jaar enige matrozen, die het ongeluk hadden van door de storm op de kust van Canton geworpen te zijn, na eerst op ene wrede wijze gegeseld te zijn, in akelige kerkers geworpen waren, waarin zij, wanneer zij nog niet bezweken waren, nieuwe folteringen te verduren hadden; dat men derhalve hem evenmin zou ontzien en dat het geringste, dat hem wachtte, ene levenslange gevangenis was, gene bestemming voor een apostel, die zich aan het zielenheil van het ganse Oosten toegewijd had. Niets echter was in staat zijnen ijver en moed te verminderen; hij had zijn besluit genomen en gaf aan deze handelaren tot antwoord, wat hij aan vader Ignatius geschreven had, te weten, dat men nooit de Goddelijke goedheid mocht mistrouwen; dat zijn mistrouwen zoveel te misdadiger zou wezen, wijl ene inspraak van de Heilige Geest hem aanzette, om de wet van de enige ware God aan de Chinezen te verkondigen. “Ik ben,” zei hij, “door ene bijzondere gunst des hemels tot deze grote onderneming verkozen; mocht ik aan de uitvoering twijfelen, of door moeilijkheden afgeschrikt worden, zou ik tonen de moed verloren te hebben en zou dat niet veel rampzaliger wezen dan al de kwellingen en rampen, waarmee men mij bedreigt? En zullen de duivels en hunne dienaren tegen mij wel iets meer vermogen dan hun door de Heer der ganse wereld toegelaten wordt6? Wat heb ik te vrezen wanneer de grote God mij onder zijne bescherming neemt? Daarenboven wanneer ik mij opoffer, zal ik aan Jezus Christus gehoorzamen, die duidelijk verklaart, dat hij, die zijn leven bemint, het verliezen zal en dat hij, die uit liefde tot Hem zijn leven geeft, het zal vinden en behouden; daarbij verzekert de Heer, dat hij, die zijne hand aan de ploeg slaat en achterwaarts omziet, ongeschikt voor Gods koninkrijk is…. Mijn besluit is genomen; dat de ganse hel zich ontketent, ik spot met alles, wanneer de hemel mij slechts gunstig blijft, want is God met ons en voor ons, wie zal dan tegen ons zijn?”
Hij werd nog meer in zijn voornemen gesterkt door enige Chinese kooplieden, welke Portugezen hem zonden, om hem van zijn doel af te brengen. Xaverius verklaarde hun de Christelijke Godsdienst; zij waren geschikte mensen, raadden hem aan naar China te gaan en zeiden, dat de keizer enige geleerden naar de naburige rijken gezonden had, om de verschillende Godsdiensten buiten die der Chinezen te onderzoeken. Hierdoor aangemoedigd, begon hij naar een goed taalkenner om te zien, want de Chinees Antonius, welke hij van Goa meegenomen had, kende de spraak niet, die aan het hof gebezigd werd. Hij vond er één, die de vereiste taalkennis bezat en daarenboven regelmatig en juist schreef; deze beloofde alles, maar niemand der schepelingen wilde zich wagen om mee te gaan. Een Chinees koopman beloofde hem om hem voor ene grote som geld naar Canton over te brengen, doch vorderde ene eed van Xaverius, dat hij de persoon nooit zou noemen, die hem overbracht, al ware het, dat hij de grootste folteringen te verduren zou hebben. De heilige beloofde alles en deed wat men van hem verlangde, ofschoon hij zeer wel het gevaar inzag, waaraan hij zich blootstelde. “Ik zie,” schreef hij aan één zijner vrienden, “een dubbel bijna onoverkomelijk gevaar. Doch indien ik slechts de stem volg, die mij roept, en aan de Heer gehoorzaam, dan reken ik mijne vrijheid en mijn leven als niets.”
Toen nu alles tot de reis geschikt en gunstig scheen, wisten de Portugezen weer nieuwe hinderpalen in de weg te leggen, welke hij niet voorzien en herkend had. De zucht naar tijdelijk gewin deed hem beducht zijn, dat zijn ijver hun nadelig zou wezen; zij zeiden onder elkander, dat de mandarijn, gouverneur van Canton, zich op hen zou wreken, wanneer één hunner landgenoten de stoutheid had van over te steken, dat hij hunne schepen zou doen plunderen en dat hun leven zelfs niet meer veilig zou wezen. De voornaamsten hunner gingen daarom naar Xaverius en bezworen hem van toch medelijden te willen hebben met hen, hunne vrouwen en kinderen, wanneer hij al geen medelijden met zich zelven had. Hij gaf hun nu zijn woord van niet naar China te zullen gaan, voordat zij hunne zaken verricht en van Sancian vertrokken waren. Onder deze bedrijven werd Xaverius door ene hevige koorts, welke omtrent veertien dagen aanhield, overvallen. Middelerwijl de kooplieden zich reiswaardig maakten, hield hij zich dag en nacht met de plannen ter bekering van China bezig en verheugde zich bovenmate bij de gedachte aan het geluk, dat hem te beurt zou vallen, indien hij dat uitgestrekte rijk van de heerschappij der hel mocht bevrijden. “Mocht het slechts God behagen een zo gering en verachtelijk werktuig als ik ben, tot deze glorievolle onderneming te gebruiken!”
Eindelijk waren alle Portugese schepen onder zeil gegaan, behalve dat, hetwelk de gouverneur zich zo wederrechtelijk toegeëigend had en Xaverius verkeerde in zodanige behoefte, dat hij nauwelijks iets vond om zijn leven te kunnen onderhouden. Het is inderdaad ontzettend te zien, dat mensen, wier leven hij gered had, toen hij het zeewater in zoet water veranderde, de hardheid hadden hem van hoger te laten sterven; wat hem echter nog meer trof was, dat de Chinees, die hem zijn woord gegeven had, hetzelve verbrak, hetzij uit vrees voor het gevaar of door aanzetten der schepelingen, die zich aan de gouverneur van Malakka aangesloten hadden.
Xaverius verloor de mond niet en ontdekte weldra een ander middel om zijn doel, Jezus Christus in China te verkondigen, te bereiken. Men had de tijding vernomen, dat de koning van Siam, nabuur van Malakka en vriend van Portugal, voor het volgende jaar een luisterrijk gezantschap naar de keizer van China zou zenden. De heilige besloot derhalve om met de eerste scheepsgelegenheid naar Malakka terug te keren en alles in het werk te stellen om met de gezant van Siam naar China te kunnen reizen. Doch de eeuwige wijsheid, die meermalen grote plannen ingeeft, wil evenwel niet altijd, dat zij dadelijk ten uitvoer gelegd worden, ofschoon zij vordert, dat hare dienaren van hunne zijde alles beproeven om die plannen te volvoeren. God handelde met zijnen vriend Xaverius als vroeger met zijnen dienaar Mozes, die insgelijks in het gezicht van het land stierf, in hetwelk hij volgens Gods bevel Israël moest geleiden. Op 20 November 1552 werd vader Franciscus door ene hevige koorts overvallen en hem werd kenbaar op welke dag en welk uur hij uit deze wereld zou scheiden. Hij deelde één en ander mee aan Franciscus d’Aghiar, stuurman van het schip, die zulks later met plechtige eed bekrachtigde. Van dat ogenblik toonde de grote heilige ene walg van al het aardse en richtte al zijne gedachten naar het hemelse vaderland, waar God hem riep. Door de koorts afgemat, liet hij zich in het schip brengen, dat het gewone hospitaal der zieken was; de scheepsbevelhebber Lodewijk Almeyda nam hem in, ofschoon de strengste bevelen van zijnen meester Don Alvarez hem het tegendeel oplegden. Daar echter de gestadige beweging van het schip de stervende hinderde, en hij veel aan het hoofd te lijden had en zich niet gelijk hij wenste met God kon bezig houden, verzocht hij, dat men hem weer aan wal zou brengen; men voldeed aan zijn verlangen, doch liet hem op de oever, blootgesteld aan de guurheid van de lucht en het jaargetijde. Xaverius zou bij die onmenselijke behandeling bezweken zijn, indien Georgius Alvarez hem niet in zijne hut, ofschoon aan alle zijden open, had laten brengen. Daar de kwaal zich in de zijde, aan welke hij evenals aan grote benauwdheid op de borst veel te lijden had, gevestigd had, oordeelde Alvarez de heilige te moeten doen aderlaten, maar de scheepsheelmeester, een onhandig man, kwetste met die lating de pezen, de zieke viel in flauwte en had aan opkrimpingen der zenuwen te lijden; andermaal werd ene ader geopend, doch even onhandig; het kwaad verergerde van uur tot uur, maar zijn aangezicht bleef helder en zijne ziel kalm; nu eens sloeg hij zijne ogen ten hemel, dan weer op het kruisbeeld van Jezus en onderhield de tederste verzuchtingen met God, terwijl hij overvloedige tranen stortte. Tot 28 November bleef de lijder in die staat, als wanneer de koorts in het hoofd sloeg, doch gedurende deze verstandsverbijstering uitte hij de hartelijkste, tederste en vurigste uitdrukkingen steeds over God en China; eindelijk verloor hij de spraak, welke eerst na drie dagen terugkeerde. Nu hoorde men, daar zijn geest geheel vrij was, hem gestadig korte maar levendige en krachtige verzuchtingen doen. Zijn einde voelende naderen, liet hij de heilige vaten en andere benodigdheden tot de heilige offerande benevens de boeken, welke hij tot onderrichting der heidenen vervaardigd had, aan boord brengen en bereidde zich tot de laatste ogenblikken. Behalve Antonius van het Heilige Geloof bevond zich nog een Indische jongeling uit Goa bij hem. Stervende wierp Xaverius het oog op hem en herhaalde tot tweemaal toe, onder het storten van tranen: “Ach rampzalige!” God had zijnen dienaar het uiteinde van deze jongeling doen zien, die vijf of zes maanden later zich aan de schandelijkste ongeregeldheden overgaf, en in die staat opeens door een geweerschot getroffen stierf.
Eindelijk brak 2 December aan, welke dit jaar (1552) op Vrijdag viel; zijne ogen zwommen in tranen, hij hield dezelve onophoudelijk op het kruisbeeld gevestigd en herhaalde gedurig: “Op U Heer heb ik gehoopt, ik zal in eeuwigheid niet beschaamd staan,” ene hemelse blijdschap schitterde op zijn gelaat en de grote apostel van Indië gaf de geest, omtrent twee uren na de middag.
Xaverius was toen zesenveertig jaren oud, van welke hij er tien en een half in Indië had doorgebracht. Zijne lengte was een weinig meer dan middelmatig; hij had een sterk gestel, een aangenaam maar deftig voorkomen. Zijn ogen waren levendig en doordringend; reeds vroeg waren zijn hoofdhaar en baard grijs en in zijn laatste levensjaar geheel wit geworden. Toen men zijn afsterven vernam, spoedden zelfs zij, die het meest aan de gouverneur gehecht waren, zich naar de hut en vonden zijn gelaat nog zo blozend als of hij nog leefde, zodat men nauwelijks kon geloven dat hij gestorven was. Toen zij het lijk van nabij beschouwden, overwon mededogen alle ander gevoel; allen wierpen zich op de knieën, kusten eerbiedig de handen en bevalen zich met de ogen vol tranen in zijne gebeden, want niemand twijfelde of zijne ziel rustte van haren arbeid in Gods schoot. Des Zondags op de middag werd het lichaam begraven, doch zonder enige plechtigheid; behalve Antonius van het Heilige Geloof, Franciscus d’Aghiard en twee anderen was niemand bij die ter aarde bestelling tegenwoordig, ene verlatenheid, welke men minder aan de kou van het jaargetijde, dan aan de vrees om zich de gramschap van de gouverneur van Malakka op de hals te halen, moet toeschrijven. De vier mannen, die het lijk begroeven, verdeelden onder hen zijne versleten toog, want men had het lijk priesterlijke klederen aangedaan. Alvarez, welke de heilige in zijne hut had opgenomen, liet het lichaam, volgens de wijze der Chinezen, in ene ruime kist leggen en deze vervolgens met ongebluste kalk vullen, opdat het vlees spoediger verteerd zou zijn en men de beenderen met het schip, dat voor de lente naar Indië zou vertrekken, zou kunnen meegeven. Op 17 Februari 1553 werd het lijk tot dat einde opgegraven, doch zonder het minste bederf en nog zo onbeschadigd bevonden, als of de dode nog leefde en te midden der kalk lag te slapen. Hij, die de kist geopend had, onderzocht vervolgens het lichaam, welks leden nog beweegbaar waren en sneed bij de rechterknie, van de dij een klein stukje vlees, waaruit aanstonds bloed vloeide; het priesterlijk gewaad was even onbeschadigd en het lichaam verspreidde ene aangename geur. Zij die om de gouverneur van Malakka te believen, de heilige gedurende zijn leven mishandeld hadden, begonnen hem na zijnen dood te vereren; de meesten smeekten openlijk en met tranen Gods dienaar om vergiffenis, dat zij hem om laag gunstbejag, gedurende zijne ziekte, aan zijn lot zo onbarmhartig hadden overgelaten; men begon reeds te zeggen, wat de onderkoning later verklaarde, dat de gouverneur, door zijne vervolgingen te Malakka en door de wreedaardige behandelingen van zijne aanhangers te Sancian, de heilige vermoord had. Men bracht vervolgens het heilig overblijfsel scheep en reeds op 12 Maart kwam die grote schat te Malakka aan. Voor men de haven binnenzeilde zond men ene sloep naar de stad, om bericht te brengen dat het lijk zich aan boord bevond. Ofschoon zich geen lid van de maatschappij van Jesus te Malakka bevond en de pestziekte er sterk woedde, kwamen de adel en de ganse geestelijkheid met Jacobus Pereyra, allen met brandende kaarsen, aan de oever, om het lichaam te ontvangen. Het werd met grote plechtigheid naar de kerk van de Heilige Maria gedragen, terwijl niet slechts de Christenen, maar zelfs Mahomedanen en heidenen het lijk eerbiedig volgden. De gouverneur Don Alvarez d’Atayda zat in zijn paleis aan het spel, toen de lijkstatie voorbij toog e toen hij het gedruis van het volk hoorde, zag hij uit het venster en bespotte deze openbare verering als ene dwaasheid en zette zich vervolgens weer aan het spel; maar zijne misdaden bleven niet ongestraft en de voorspellingen van de man Gods begonnen zich weldra te verwezenlijken.
De pest, welke sedert enige weken gewoed had, hield bij de aankomst van het lijk plotseling op en zij, die nog ziek waren, genazen ogenblikkelijk; ook de hongersnood, die vele slachtoffers maakte, verdween, want met het schip, hetwelk het lichaam overgevoerd had, waren onderscheidene schepen met levensmiddelen beladen binnengekomen.
Deze grote gunsten, welke de hemel bewees ter verering van zijnen grote dienaar, hadden het volk hunnen weldoener de grootste eer moeten doen bewijzen, maar hetzij uit vrees voor de gouverneur, het God zulks ter grotere glorie van zijnen heilige toeliet, het lichaam, na uit de kist genomen te zijn, werd op het gewone kerkhof begraven, zonder dat men enige acht sloeg op zijn karakter van apostolisch zendeling, van legaat van de Heilige Stoel en van provinciaal van Indië.
Het heilig lichaam bleef aldaar tot de maand Augustus, toen drie Jezuïeten, die van Goa naar de Molukken reisden, zich met Jacobus Pereyra en andere vertrouwelingen onderhielden over het plan om het te vervoeren; men groef des nachts het lijk op, hetwelk slechts hier en daar door de onheuse behandeling beschadigd was, doch overigens geheel gaaf en zonder bederf bevonden werd. Pereyra liet ene kostbare kist maken met damast bekleed en het lijk in een goud laken gewikkeld er in sluiten. Men bewaarde deze schat, totdat zich ene geschikte gelegenheid opdeed om die naar Goa te vervoeren. Op 15 Maart 1554 kwam men met het heilig overblijfsel aldaar aan, en werd het met meer dan koninklijke luister ontvangen. De onderkoning, de adel, de hoge beambten verschenen met de geestelijkheid in prachtgewaad, om het lichaam te ontvangen, hetwelk, terwijl God zijnen dienaar door onderscheidene mirakelen op de tocht verheerlijkte, in de grote kapel van het collegie werd ten toon gesteld; het was geheel zonder bederf, gelijk het ook nog in het jaar 1744 bevonden werd te zijn. Van toen af werkte men aan de heiligverklaring, want de mirakelen, die op het inroepen zijner voorspraak geschiedden, waren ontelbaar, zodat men in Indië de uitspraak van de Heilige Stoel niet afwachtte en men reeds overal kapellen ter zijner verering aantrof. Eindelijk sprak Paus Paulus V op 26 Oktober 1619 zijne zaligverklaring uit, Gregorius XV stelde in 1621 Xaverius onder de heiligen, maar de bulle werd eerst door Urbanus VIII op 6 Augustus 1623 uitgevaardigd; de feestdag, die door deze Paus op 2 December, de sterfdag des heiligen, vastgesteld was, werd door Alexander VII, bij ene breve van 1633, naar 3 December verschoven.
De heilige Franciscus Xaverius wordt als Patroon in de Rooms Katholieke kerk de Krijtberg te Amsterdam en in die te Enkhuizen vereerd.
4 December
De heilige Barbara (derde of vierde eeuw).
Maagd en Martelares.
Onder de heiligen wier gedachtenis de Kerk op deze dag vereert, lezen wij in het Rooms Martelaarsboek de naam van de heilige Barbara, welke door de kerkelijke geschiedenisschrijvers als ene uitmuntende martelares voorgesteld wordt, die aan haren Goddelijke Bruidegom Jezus Christus de schoonste getuigenis van hare getrouwheid gaf en met blijdschap de smartelijkste folteringen verduurde, welke de bloeddorstige woede der tirannen kon uitvinden, waarom zij dan ook door de Griekse, Latijnse, Russische en Syrische Christenen bijzonder vereerd wordt. Wij willen geenszins in geschil treden, welke de oude en nieuwere schrijvers van hare geschiedenis bezig gehouden hebben, noch de tijd bepalen, wanneer deze doorluchtige maagd voor de naam van Jezus Christus haar bloed vergoten heeft. Enige stellen het tijdstip in het begin der vierde eeuw onder Galerius Maximinus, of onder diens opvolger Maximinus Daja, anderen in de derde eeuw onder Maximinus, de eerste van dien naam, die van 235 tot 238 regeerde. Wanneer men deze laatste mening aanneemt, kan men haar, zoals sommigen willen, onder de leerlingen van de grote Origenes tellen; zij zeggen, dat Barbara tenminste door zijne brieven onderricht ontvangen heeft, indien dit al niet bij monde zou geschied zijn; zelfs worden er nog enige brieven van beiden aangewezen. Zij gronden zich op de Oosterse jaarboeken, welke verhalen, dat de heilige Barbara de marteldood ondergaan heeft toen Heraclius, leerling van Origenes, de kerk van Alexandrië van het jaar 231 tot 248 bestuurde. Zij, die Metaphrastes en anderen volgen, houden, dat zij te Heliopolis in Egypte onder Galerius, omtrent het jaar 306, zou gestorven zijn, enige oude handschriften verzekeren, dat zij te Nicomedie de kroon der martelaren verkregen heeft. Wij laten deze geschillen in het midden en volgen de geest der Kerk, welke ons voorstelt om op deze dag in Barbara ene heilige te vereren, die, na geruime tijd in de kerker gezucht en de vreselijkste martelingen verduurd te hebben, eindelijk onthoofd werd. Deze heilige maagd, die zich derhalve in hare gevangenis door vurige gebeden tot de roemvolle strijd voorbereid had, en aan zuiverheid van lichaam de schoonheid van een reine ziel paarde, bleef standvastig onder de hardste beproevingen, welke, zoals de onderscheidene akten voordragen, haar zelfs door haren vader Discorus berokkend werden. Na door deze aangeklaagd, vervolgd en aan de rechter overgeleverd te zijn, wierp Barbara zich geheel in de armen van God, een Vader, die oneindig barmhartiger is dan haar vleselijke vader wreed kon wezen. Zij had zich aan Jezus, de Goddelijke Bruidegom der maagden, gehecht en de liefde, welke in haar hart gloeide, deed haar de waarheid ondervinden van hetgene de grote Apostel zegt, dat noch dood, noch leven, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch enig ander schepsel in staat zijn de uitverkorenen van de liefde Gods in Jezus Christus te scheiden, als verdrukking, benauwdheid, honger, naaktheid, gevaar, vervolging of het zwaard. De onderscheidene akten verzekeren, dat haar vader haar beul was en zijne dochter onthoofde, maar terzelfder tijd door de bliksem getroffen, zijne afschuwelijke ziel aan de eeuwige straffen overleverde, terwijl Barbara de lauwerkrans der overwinning ontving.
De heilige Barbara wordt bijzonder aangeroepen om van de Heer de genade van ene zalige dood te verkrijgen, en deze Godvruchtige gewoonte is meer en meer verbreid geworden door het mirakel, hetwelk in het jaar 1448 te Gorcum plaats had; men vindt trouwens opgetekend, dat in het huis van een zekere vleesschouwer, een vroom en bemiddeld man, Henricus Kok geheten, des machts een felle brand ontstond, dat hij, nauwelijks buiten zijnde, terugkeerde om ene aanzienlijke som te redden, schier onder de brandende puinen begraven werd, maar nu volgens zijne dagelijkse gewoonte, de heilige Barbara aanriep, opdat hij de Heilige Sacramenten der stervenden mocht ontvangen. Zij verscheen hem, leidde hem uit de vlammen en Henricus, ofschoon overal gekwetst, begaf zich evenwel zonder hulp naar het huis van zijne dochter, ontving vervolgens met de meeste eerbied de heilige genademiddelen, beval zich aan de heilige Barbara, de heilige Laurentius en aan alle heiligen en ontsliep zo in de Heer. Dat wij dan, in navolging van zovele vrome Katholieken, insgelijks dagelijks de voorbede van de heilige Barbara inroepen, om van God de genade te verwerven van goed voorbereid in de vrede des Heren te sterven!
Zij wordt als Patrones vereerd in de Rooms Katholieke kerken te Herwijnen, Breda, Dreumel en Ravestein.
De heilige Petrus Chrysologus (±450).
Aartsbisschop van Ravenna.
Enige leerredenen des heiligen, in welke hij verplicht was van zich zelven te spreken, Hieronymus Rubens in zijne geschiedenis van Ravenna, de abt Ughelli in zijn geheiligd Italië, Agnellus in de levens der bisschoppen van Ravenna, zullen ons in dit opstel tot leidraad verstrekken.
De heilige Petrus, om zijne begaafdheid in het spreken Chrysologus (gulde mond) bijgenaamd, werd uit ene aanzienlijke familie te Imola, ene stad in de Kerkelijke Staat, vroeger Forum Cornelii geheten, geboren; hij werd gedoopt, vervolgens in de grondbeginselen van de Godsdienst, in de wetenschappen en oefeningen van Godsvrucht opgekweekt door de heilige Cornelius, bisschop van die stad, die hem van zijne tederste jeugd de liefde tot Jezus Christus inprentte en het juk des Heren buiten het gewoel ener ijdele wereld leerde dragen. De heilige Petrus getuigt zulks zelf in ene leerrede, welke hij ter gelegenheid van ene bisschoppelijke zalving hield, die hij als aartsbisschop, aan Projectus, welke Cornelius op de zetel van Imola volgde, toediende. Bij ene andere gelegenheid spreekt hij nog met de diepste eerbied en gevoelens van dankbaarheid van die bisschop, welke hij zijnen vader noemt, in wiens gedrag, zoals hij zegt, alle deugden uitblonken en die zich door zijne grote daden de algemene achting verwierf. Cornelius waakte met de meeste zorg over de zeden en de wetenschappelijke oefeningen van Petrus, die meer en meer op de weg der volmaaktheid vorderde en met de jaren insgelijks sterker werd in de beoefening van alle deugden, zowel als in de kennis van de kerkelijke en Godgeleerde wetenschappen, zodat de bisschop van Imola hem aan de dienst des Heren verbond en hem de heilige wijdingen tot die van diaken toediende. Petrus bediende reeds enige jaren, met grote stichting der geestelijken en van het volk, dit heilig ambt in de kerk van Imola, toen de kerk van Ravenna haren opperherder Joannes verloor. De geestelijkheid en het volk waren eenstemmig in de keuze van ene persoon, die de opengevallen zetel van Ravenna zou vervullen, zonden gezanten naar Rome om die keuze te doen bekrachtigen en baden de bisschop van Imola Cornelius, om zich aan het hoofd der gezanten te stellen en hunne keuze en verzoek te Rome te ondersteunen. De bisschop, die hun verzoek niet kon afslaan, nam zijnen diaken Petrus met zich naar Rome en werd door Paus Sixtus III, die de heilige Celestinus in het jaar 432 op de Stoel van Petrus volgde, met de andere afgezondenen zeer wel ontvangen. Zij stelden de heilige Vader degenen voor, die met algemene stemmen tot opvolger van Joannes verkozen was, maar de Paus verklaarde, dat hij in hun verlangen niet kon instemmen; hij had trouwens, zoals men verzekert, een gezicht gehad, waarin de heilige Apostel Petrus en de heilige Apollinaris van Ravenna, leerling van de Petrus, hem verschenen waren en God had hem door deze heiligen degene bekend gemaakt, die bestemd was om Joannes op de zetel van Ravenna te volgen; de heilige Vader verklaarde vervolgens, dat aan niemand anders als aan de diaken van Imola de kerk van Ravenna kon toevertrouwd worden. In de Kerk van Jezus was Sixtus bij deze gelegenheid een Samuel, die in Petrus de zoon van Jesse bestemde, om ene meer dan koninklijke zalving te ontvangen en in de kerk van Ravenna de kudde des Heren te geleiden. De heilige Paus verklaarde aan de gezanten de wil des Heren omtrent de diaken der kerk van Imola, die de bisschop Cornelius naar Rome begeleid had. deze verzetten zich wel eerst tegen de keuze van de heilige Paus en voerden aan, dat zoiets tegen de kerkelijke tucht streed en dat men geen persoon, welke aan ene andere kerk behoorde, op de zetel van Ravenna moest plaatsen, vooral niet wijl men zelf een geschikt man kon voorstellen; doch toen Sixtus hun het gezicht, waarmee hem de diaken van Imola als bisschop aangewezen was, verhaalde, berustten zij zeer gaarne in deze beschikking en betuigden hunne gemoedelijke onderwerping en blijdschap, wijl zij ene herder verkregen, die hun uit Gods hand geschonken werd.
Zodra de heilige Petrus, van Paus Sixtus bijgestaan door Cornelius van Imola en andere prelaten, de bisschoppelijke zalving ontvangen had, geleidden de gezanten hem naar Ravenna en hij werd in deze stad ontvangen als een man, die haar van God zelf gezonden was. Petrus, op ene wonderdadige en buitengewone wijze tot de bisschoppelijke waardigheid verheven, geleidde zijne kudde met ene bekwaamheid, Godsvrucht en kennis, welke aan al het verhevene beantwoordde dat men van een man kan verwachten, die van God zo blijkbaar geroepen was; hij legde zich met de meeste zorg, waakzaamheid en liefde toe om de geestelijke kwalen van zijne schapen te kennen, die te genezen en hen met het brood des levens en het heilig woord Gods te voeden. Het laatste deed hij met zo aanhoudende ijver, dat men nog het aanmerkelijk getal van honderdzesenzeventig leerredenen van hem bezit; zij zijn wel is waar kort en merendeels slechts gemeenzame onderwijzingen, maar zijn stijl heeft ene andere beknoptheid van uitdrukking en stelling aan welke hij grote juistheid wist te paren en die zijne wijze van schriftverklaring en wendingen zeer aangenaam maakt. Hij heeft ene goede keuze van woorden, ene eenvoudige en natuurlijke bevalligheid in zijne denkbeelden, en ofschoon hij de kracht en verhevenheid van zeggen mist, welke men in de welsprekendheid van ene Chrysostomus aantreft, verdiende Petrus van Ravenna evenwel de bijnaam van Chrysologus (gulden mond), welke hem later gegeven werd. Deze toenaam schijnt hem eerst tweehonderdvijftig jaren na zijnen dood geschonken te zijn en wel omtrent het begin van de achtste eeuw, toen Felix, één zijner opvolgers op de zetel van Ravenna, zich beijverde om de leerredenen des heiligen bijeen te zamelen. Wanneer men het al zou beproefd hebben, om hem tijdens zijn leven die erenaam te schenken, zou zijne nederigheid zich daartegen verzet hebben. Petrus trachtte slechts de glorie van zijnen Goddelijke Meester, die hij diende, te verbreiden en arbeidde onvermoeid, om de zeden en de levenswandel der gelovigen, die hij onderrichtte, zowel als al zijne handelingen te volmaken; zo wist hij insgelijks de veelvuldige misbruiken en heidense bijgelovigheden, welke in zijn bisdom aangetroffen werden, grotendeels uit te roeien. “Hij kan met Jezus Christus niet heersen,” roept hij uit, “die met Satan zijn genoegen neemt.” In verschillende leerredenen maant hij de gelovigen aan, om zich dikwijls in de Heilige Communie met het brood der engelen te voeden en wenst, dat de Heilige Eucharistie, door hem meestal het lichaam van Jezus Christus genoemd, in hetwelk wij de Verlosser, zo hij zegt, nuttigen, het dagelijks voedsel der ziel ware. Het schijnt uit zijne leerredenen, dat hij meermalen voor keizer Valentiniaan III en deszelfs moeder Galla Placida, die in Ravenna hun hof hielden, predikte.
Wij merken uit de woorden van de heilige aartsbisschop, dat ten zijnen tijde de bisschoppelijke zetel van Ravenna door de Paus tot ene aartsbisschoppelijke zetel verheven werd; Ravenna was reeds geruime tijd de hoofdplaats van de Flaminiaansche provincie, doch de bisschop der stad bleef ondergeschikt aan de aartsbisschop van Milaan, totdat de Paus haar onder de heilige Petrus Chrysologus, tot ene aartsbisschoppelijke stad verhief.
Omtrent dezelfde tijd 448 en 449, werd de Kerk vooral door de nieuwe ketterij van Eutyches, abt van Konstantinopel, aangevallen; deze ketter ziende, dat zijn vals gevoelen omtrent de beide naturen van Jezus Christus in het Oosten kwalijk opgenomen en door de heilige Flavianus, bisschop van Konstantinopel, gedoemd werd, schreef aan enige der voornaamste bisschoppen in het Westen en beproefde om hunne gunst te winnen en hen te misleiden. De heilige Petrus, die om de verhevenheid van zijnen zetel en om zijne persoonlijke verdiensten, één der eerste rangen bekleedde, beantwoordde de brief van Eutyches op een wijze, die ons zijne gehechtheid aan de waarheid en zijne liefde voor de eenheid der Kerk doet kennen. Na hem dan eerst zijne droefheid betuigd te hebben, dat hij met zijnen bisschop Flavianus in onenigheid was, vermaande hij hem van zich te onderwerpen aan hetgene de bisschop van Rome geschreven had; “omdat,” zei hij, “de heilige Petrus nog leeft, altijd op zijnen zetel zit en de waarheden des geloofs verklaart aan hen, die dezelve zoeken.” De bisschop van Rome was toen de heilige Leo de Grote en hij had die beroemde brief, volgens welke de Kerk om zo te spreken geregeld heeft hetgene men omtrent het grote geheim der menswording tegen Nestorius en Eutyches te geloven hebbe, aan de bisschop Flavianus gezonden. Het antwoord van de heilige Petrus Chrysologus bezitten wij in de akten van het concilie van Chalcedonie, hetwelk in het jaar 451 tegen deze ketterij gehouden werd, en insgelijks vinden wij de brief aan het einde der werken van de heilige Gregorius de Wonderdoener.
Ter ere van de heilige Apostel, liet de heilige aartsbisschop ene grote en prachtige kerk bouwen, en nog andere openbare gebouwen ter verfraaiing en gerief van Ravenna optrekken; hij bewees insgelijks de laatste diensten aan twee heiligen, die zich reeds bij hun leven door wonderwerken vermaard gemaakt hadden; de één was de heilige priester Barbasianus, wiens gedachtenis de Kerk op 31 December viert, de andere de heilige Germanus, bisschop van Auxerre, die uit Gallië naar Ravenna gekomen was, om de edelmoedigheid en goedertierenheid van keizer Valentiniaan in te roepen over de oproerlingen, welke hij tot hunnen plicht had doen terugkeren; deze heilige stierf in de armen van de aartsbisschop van Ravenna, die van zijnen vriend een gering bovenkleed en haren boetkleed erfde, dat voor hem meer waarde had dan alle goederen en schatten der wereld.
De heilige menende, dat zijn uur om deze wereld te verlaten zeer nabij was, ging naar Imola, zijne geboortestad en wenste daar te sterven; de kerk van de heilige Cassianus ontving van hem ene in het vuur vergulde zilveren kroon, die met edelgesteenten omzet was, benevens een gouden kelk met zilveren pateen, welke men nog toont. De heilige Petrus stierf waarschijnlijk op 2 December 450 en werd in de kerk van de heilige Cassianus begraven; één zijner armen bevindt zich in Ravenna en wordt er in ene rijke kas bewaard.
5 December
De heilige Sabas (532).
Stichter en algemeen overste van onderscheidene kloosters in Palestina.
De monnik Cyrillus, leerling van de heilige Sabas, heeft de levensgeschiedenis van die heilige beschreven, maar het is te bejammeren, dat het werk in handen van Metaphrastes vervallen is, wijl deze, behalve veranderingen en bijvoegselen, welke men zeer wel kon missen, zich onderscheidene uitlatingen veroorloofd heeft. Joannes Baptist Cotelier heeft zich de moeite gegeven, om het oorspronkelijke stuk in het derde deel van zijne gedenkstukken der Griekse kerk te leveren. Men kan insgelijks Bulteau in zijne kloostergeschiedenis van het Oosten, P. Maxin en J. F. Villefort in hunne levens van de vaders en woestijnbewoners van het Oosten nazien, die getracht hebben de oorspronkelijke geschiedenis op te sporen.
Het leven van die beroemde woestijnbewoner leert ons, dat droefheid en kwelling van het leven eens Christen onafscheidelijk zijn, en dat deze de heilige aanspoorden om een afgetrokken en eenzaam leven te omhelzen, en ofschoon God toeliet, dat hij in zijne eenzaamheid, van zijne medebroeders en geestelijke kinderen zeer veel te verduren had, bleef hij evenwel kalm en gerust; hij beschouwde zijne vijanden slechts als zieken, aan wier herstel hem meer dan aan zijne eigene belangen moest gelegen zijn, en hierdoor leert hij ons, dat wij, willen wij oprechte Christenen zijn, zijn voorbeeld moeten volgen en onze vijanden bij de ongelegenheden, die zij ons berokkenen, veel meer dan ons zelven moeten beklagen, opdat het geheime medelijden, hetwelk wij hun betonen, ons evenals Sabas alle middelen doet uitdenken, om hun hart te winnen.
De heilige Sabas of liever Sabba werd in het jaar 439, in het vlek Mutalascus op het grondgebied van Cesarea in Cappadocië, geboren; tot die tijd was die plaats schier onbekend, doch werd vervolgens zeer vermaard, omdat deze heilige daar het eerste levenslicht aanschouwde. Hij was de zoon van Joannes en Sophia, beiden om deugd en adel in aanzien; Joannes zijn vader was krijgsman en voerde het bevel over ene bende Isauriërs. Enige onlusten in Egypte noodzaakten hem om zich met zijne bende naar Alexandrië te begeven, werwaarts zijne vrouw Sophia hem volgde. Sabas was toen slechts vijf jaren oud en zijne ouders gaven hem met hunne goederen aan de zorg over aan Hermias, zijnen oom van moederszijde. Twee of drie jaren later niet langer de mishandelingen der vrouw van Hermias, die uiterst streng was, kunnende verduren, begaf het kind zich naar ene andere oom van vaderszijde, Gregorius geheten, die enige mijlen verder in het vlek Scanders woonde. Gregorius met de opvoeding van zijnen neef belast, wilde insgelijks het beheer over zijne goederen hebben, en beide ooms geraakten daardoor in hevige twist. Sabas, door hunne gedragingen ontsticht, verliet, ofschoon hij slechts acht jaren oud was, het huis en al zijne bezittingen, opdat zijne ooms onderling vrede zouden hebben. Van toen af verzaakte hij al zijne goederen, verliet zijne vrienden en alles wat de ijdele mens kan vleien en begaf zich in het klooster Flaviana, omtrent ene mijl van Mutalascus gelegen, waarin nagenoeg zeventig monniken leefden, die de regel van de heilige Basilius volgden. Deze kloosterlingen namen hem met blijdschap aan, onderwezen hem met de meeste nauwkeurigheid in de Heilige Schrift en in al wat de kloostertucht betreft, om hem van jongs af tot de volmaaktheid van die staat, welke hij verlangde te omhelzen, te doen opklimmen. Enige jaren later verzoenden zich zijne ooms en beiden wensten, dat Sabas zijne eenzaamheid zou verlaten en uit het klooster huiswaarts keren, terwijl zij beloofden, wanneer hij de jaren bereikt had en gehuwd zou zijn, hem zijne vaderlijke erfgoederen terug te geven. Niets was echter in staat hem zijne roeping te doen vaarwel zeggen; hij verklaarde, dat hij veeleer verlangde arm en de geringste in Gods huis te zijn, dan in overvloed en voorspoed in de wereld te leven. De jeugdige kloosterling beoefende met de meeste ijver en nauwgezetheid al de kloosterregels; de versterving scheen zijne hoofddeugd geworden. Eens, terwijl hij in de tuin arbeidde, lust gekregen hebbende om ene schone appel te plukken en te eten, wierp hij deze echter, na zich bedacht te hebben, weg, want hij meende dat het een strik van Satan was, niet ongelijk aan de bekoring, welke onze eerste ouders had doen vallen. Hij verdeelde zijnen tijd tussen arbeid en gebed, want hij vreesde niet zonder rede, dat traagheid het hart voor Satan opent. Met op zodanige wijze zijne dagen in de deugd, dat hij weldra aan de andere religieuzen ten voorbeeld strekte.
Ofschoon slechts achttien jaren oud, was hij zich reeds zover meester, dat zijn kloosteroverste hem vergunde, om zich naar Jeruzalem en de woestijnen van Palestina te begeven, ten einde de door Jezus Christus geheiligde plaatsen te bezoeken en zich de grote voorbeelden van de woestijnbewoners ten nutte te maken. Sabas ging op reis in het jaar 457, hetzelfde waarin keizer Marcianus en de bisschop van Jeruzalem Juvenalis ontslapen zijn. Hij bracht de winter door in het klooster van de heilige Passarion, hetwelk bestuurd werd door de heilige abt Elpidius. Zijne deugden maakten hem zo beroemd, dat alle omliggende kloosters hem gaarne in hun midden gezien hadden, doch de zucht tot volstrekte afgetrokkenheid en stilzwijgendheid deed hem het klooster van de heilige abt Euthymius boven alle anderen kiezen. Met aanbevelingsbrieven van Elpidius verscheen hij voor Euthymius, en verzocht met tranen om onder zijne leerlingen opgenomen te worden. Eutymius, een man reeds grijs geworden in het bestuur, meende dat Sabas te jong was om onder zijne leerlingen die afzondering te betrekken, wat slechts aan mannen van beproefde deugd en ijver werd toegestaan; hij zond hem derhalve naar het klooster van Eubas, hetwelk door de heilige abt Theoctistus bestuurd werd. De plaats, welke Euthymius bewoonde, was als een groot klooster, op ene berg, omtrent vierenvijftig mijlen van Jeruzalem gelegen; hier leefden de kluizenaars in hutten van elkander gescheiden, maar aan de voet van de berg was het klooster van Theoctistus, die er de jonge religieuzen tot het afgetrokken leven vormde, ofschoon zij tezamen woonden, totdat zij bekwaam waren om in de eenzame cellen van de heilige Euthymius overgeplaatst te worden. Onder de leiding van Theoctistus heiligde Sabas zich geheel en al aan God, zodat hij zich met niets anders als met zijnen Schepper bezig hield; de dag wijdde hij aan de arbeid en de nacht aan het gebed, en verrichtte alles in de geest van boetvaardigheid en liefde. Hij was belast om het benodigde water en hout aan te dragen, terwijl hij bovendien aan de andere broeders in hunne verrichtingen de behulpzame hand bood; vooral zorgde hij voor de zieken en ofschoon altijd bezig, was hij evenwel de eerste bij het kerkelijk officie en verliet als laatste de heilige plaats. Zo werd de heilige Sabas in de daad een voorwerp van bewondering voor alle broeders, maar de vermaardheid van zijne deugden groeide nog aan door de standvastigheid, welke hij deed blijken bij ene onvoorziene bekoring, welke hem overviel en hem ene hevige inwendige strijd veroorzaakte. Eén der kloosterlingen van Alexandrië, Joannes genaamd, had verlof verkregen om naar zijne vaderstad te reizen, ten einde over zijne ouderlijke erfgoederen ene schikking te maken en verkreeg, dat de heilige Sabas hem mocht vergezellen. Te Alexandrië gekomen, ontmoetten hem zijn vader en zijne moeder, die hem, onaangezien de verandering, welke hun zoon, sedert zij hem in zijn vijfde jaar verlaten hadden, ondergaan had, herkenden. Zij stelden alle pogingen in het werk om hem te overreden van het kloosterleven te verlaten en bij hen te blijven, doch Sabas ontdekte spoedig de strik, welke Satan hem onder de schone schijn van ouderlijke tederheid spande en de Heilige Geest herinnerde hem ogenblikkelijk de uitspraak des Heren, dat, wanneer men vader en moeder meer dan Hem bemint, men niet waardig is de Heer te dienen. Sabas verkreeg de nodige kracht, om aan die gevaarlijke bekoring tegenstand te bieden. Hij zei tot zijnen vader, en dit moest vooral een oud en braaf soldaat treffen: “Wanneer de krijgswetten de soldaat, die zijn vaandel verlaat, streng straffen, welke kastijding zou hem dan wachten, die lafhartig de dienst van de Koning des hemels, aan welke hij zich verbonden had, verliet en van het geheiligde vaandel wegliep, om zich weer aan de wereld te hechten?” Deze en meer andere redenen, welke de Geest des Heren hem ingaf, troffen het hart van zijne ouders, zodat zij hem gaarne alle vrijheid lieten; zij drongen hem om ene aanmerkelijke som geld aan te nemen, en om hen niet te bedroeven nam hij drie goudstukken aan, welke hij zijnen abt Theoctistus ter hand stelde, wijl hij voor zich zelven niets verlangde.
De gelukkige Theoctistus stierf in het jaar 466 en de heilige Euthymius stelde ene zekere Marinus in zijne plaats. Deze leefde slechts twee jaren en werd door Longinus opgevolgd. De heilige Sabas, die toen dertig jaren oud was, was op de weg der volmaaktheid zover gevorderd, en in de wetenschappen der heiligen zo ervaren, dat noch Euthymius noch Longinus zwarigheid maakten, om hem te vergunnen van zich volgens zijn verlangen, in strengere afzondering op te sluiten. Hij koos daartoe ene kleine hut en hier diende hij met vernieuwde ijver zijnen Schepper, terwijl hij zijne gestrenge oefeningen verdubbelde. In zijne afzondering mocht hij vijf dagen in de week zich in afgetrokkenheid en stilzwijgendheid oefenen, slechts Zaterdags en Zondags voegde hij zich bij zijne medebroeders. Volgens de verzekering van zijnen leerling Cyrillus, bracht hij die vijf dagen zonder voedsel door en besteedde al de tijd aan het gebed en handwerk; hij vervaardigde geregeld tien korven van palmtakken daags, bracht Zaterdags zijne vijftig korven mee en nam Zondagsavond zoveel palmtakken mee, als nodig waren om na de vijf volgende dagen, hetzelfde getal korven te kunnen leveren; hij hield zich overigens buiten alle gewoel in zijne grot opgesloten. Op deze wijze leefde hij geruime tijd, totdat de heilige Euthymius, die hem, uit hoofde van zijne wijsheid en kennis gewoonlijk de “jeugdige oude” noemde, hem bij zich nam, om hem met een zekere Domitianus, zijn beminde leerling, meer bijzonder in het beoefenen van de verhevenste deugden te onderrichten; jaarlijks op 14 Januari nam hij hen met zich mee in de woestijn, Ruhan geheten, welke volgens de mening der bewoners dezelfde was, waarin Jezus zich na zijnen doop afzonderde en veertig dagen en nachten gevast heeft. Euthymius bleef daar met zijne beide leerlingen tot Palmzondag. Onder de verstervingen, welke zij daar oefenden, werd bij een zekere gelegenheid de heilige Sabas, door brandende dorst uitgeput, zo zwak, dat hij de dood nabij scheen. Euthymius begon te bidden, sloeg met zijnen stok op de grond en eensklaps ontsprong ene wel; Sabas dronk en was op staande voet hersteld. Het schijnt, dat Euthymius hem slechts tweemaal heeft meegenomen, daar men meent dat deze abt in het jaar 473 gestorven is.
Al zeer spoedig na de dood van deze heilige begon de tucht in het klooster van Theoctistus te verflauwen, en Sabas zag zich gedwongen een ander oord te kiezen; hij vestigde zich in de woestijn, welke in de nabijheid van de Jordaan was en door de heilige Gerazim bewoond werd. Hij zal destijds omtrent vijfendertig jaren oud geweest zijn en men merkt op, dat Satan zich vooral toelegde om hem, niet meer in het geheim en inwendig, maar openlijk onder allerlei gedaanten aan te vallen. Gewapend met het gebed wist hij evenwel altijd die vijand van het menselijk geslacht te overwinnen. Vier jaren bewoonde Sabas deze eenzame afzondering, toen hij ten gevolge van ene verschijning, een hol op een berg, aan welks voet de beek Cedron vloeide en die drie uren van Bethlehem en vier of vijf van Jeruzalem gelegen was, ging bewonen; zijn grot was op de spits en de toegang tot dezelve zo steil en moeilijk, dat wanneer hij water uit ene fontein, welke twee uren verwijderd was, ging halen, hij genoodzaakt was om zich van een koord, dat hij boven vatgemaakt had, te bedienen, om met zijnen last op te klimmen. Overigens voedde hij zich met wilde kruiden en wortelen, die om en bij de berg gevonden werden. Dit koord werd door enige bewoners van die streken ontdekt en dezen meenden, dat het tot één of ander einde moest dienen, stegen langs hetzelve de berg op, tot aan de verblijfplaats van Sabas, die zich hier verborgen hield. Verbaasd vandaar een mens aan te treffen, die in strenge boetvaardigheid leefde, achtten zij zich gelukkig hem enige dienst te bewijzen. Zij verzorgden hem en brachten hem op vastgestelde dagen brood, kaas en dadels, opdat hij met minder moeite zou kunnen bestaan.
Vijf jaren bewoonde hij deze plaats, slechts voor de Heer levende, doch God gaf hem te kennen, dat hij aan zijne medemensen nog nuttiger kon zijn. Van alle zijden kwam men hem bezoeken en onder deze bezoekers waren er velen, die verlangden in de eenzaamheid te wonen. Sabas onderrichtte hen en daar hun getal dagelijks vermeerderde, wees hij hun ene plaats aan, waar zij zich afgezonderde cellen bouwden; reeds was hun getal tot zeventig aangegroeid en allen waren met Gods Geest vervuld. Zij kozen de heilige Sabas, die toen omtrent vijfenveertig jaren bereikt, tot hunnen overste, en weldra was hij gedwongen uitgestrekter en ruimere verblijfplaatsen op richten. Deze woningen onderscheidden zich van een klooster, omdat de cellen hier van elkander verwijderd lagen. Men moest twee uren ver het water halen, ene zwarigheid, welke verslapping en tegenzin zou kunnen veroorzaken. Sabas bad en overtuigd, dat hij verhoord was, liet hij aan de voet van de berg graven en aanstonds ontsprong ene wel, welke sedert die tijd overvloedig water opleverde. In de nabijheid van de kluizenaarshutten liet hij ene kleine kapel bouwen, waar de Heilige Geheimen opgedragen werden, zo menigmaal één of ander priester hem kwam bezoeken; later vond hij ene ruimere grot, welke in de vorm ener kerk was uitgehouwen, waarin zelfs een altaar en andere behoeften voorhanden waren. Sabas wilde deze plaats bestemmen om er Zaterdags en Zondags, wanneer de kluizenaars vergaderden, de heilige offerande te doen opdragen, maar de vrees, dat men hem de priesterlijke waardigheid zou opdringen, deed hem dat voornemen uitstellen. Sabas trouwens achtte zich deze hoge bediening niet waardig en hij wilde niet, dat iemand dergenen, die onder zijne leiding waren, deze verkreeg, omdat hij meende, dat van de wereld afgetrokken kluizenaars in het gevaar zouden kunnen komen van door eergevoel te vallen. Het getal zijner leerlingen was tot honderdvijftig geklommen en verplichtte hem om cellen aan de andere oever van de beek Cedron te doen oprichten; Sabas bezigde daartoe de penningen, welke enige zijner leerlingen aanbrachten. Hij voorzag insgelijks in hunne behoeften, om hen aldus de gelegenheid te ontnemen van met mensen ten nadele der stilzwijgendheid en afgetrokkenheid te verkeren.
Hoe nauw onder elkander door de band van liefde en eensgezindheid ook verenigd, wist Satan evenwel onrust onder de broeders te zaaien. Enigen werden ontevreden en verstoutten zich om klachten bij Salustius, patriarch van Jeruzalem, die in het jaar 368 Martyrius was opgevolgd, in te brengen. Zij stelden hem voor, dat daar het getal der kluizenaars aanmerkelijk vermeerderde, degene, die met het bestuur belast was, daartoe ongeschikt was, wijl hij een eenvoudig ongeleerd man zijnde, de angstvalligheid zover dreef, van zelf niet alleen geen priester te willen zijn, maar bovendien nog belette, dat men de priesterwijding aan enig ander religieus toediende. Salustius, ofschoon van de verdiensten en heiligheid van Sabas overtuigd, gedroeg zich nochtans als erkende hij de billijkheid van hunne klachten en zei daarover ernstig te zullen nadenken. De bisschop ontbood tegen de volgende dag de heilige, die van het voorgevallene niets wist en gelastte de kluizenaars dan insgelijks terug te komen; zij meenden nu dat hij de bisschop Sabas zou afzetten, doch hoe verbaasd en beschaamd stonden zij, toen hij in volle vergadering de heilige de handen oplegde en hem de heilige priesterwijding toediende. Vervolgens richtte hij het woord tot deze ontevredenen en zei: “Ziet hier uw overste, niet door mensen, maar door God zelf met die last beladen. Wij hebben onze handen als werktuigen van de Heilige Geest gebezigd, om hem de priesterlijke waardigheid te verlenen. Vereert en eerbiedigt hem als uwe vader en bewijs hem de gehoorzaamheid, welke gij hem verschuldigd zijt,” De bisschop geleidde hen zelf naar hunne kluizen en wijdde de kerk, van welke wij reeds melding maakten. Sabas was toen omtrent drieënvijftig jaren oud en deze gebeurtenis had plaats in het jaar 491, in het begin der regering van keizer Anastasius.
Sedert die tijd werd zijn naam schier door alle gewesten van het keizerrijk verbreid en men stroomde van alle zijden toe, om onder zijne leiding de Heer te dienen. Onder zijne leerlingen tellen wij de vroegere bisschop van Colonia in Armenië, de heilige Joannes de Zwijger en ook kwamen zich onderscheidene Armeniers bij hem vervoegen, aan welke hij zijne vroegere cel met de kleine kapel gaf, om in dezelve in hunne taal de heilige offerande op de vastgestelde dagen te kunnen opdragen. Sophia, de moeder van de heilige Sabas, sedert enige jaren weduwe en als zovele anderen getroffen door de roem van zijne deugden, verkocht al hare goederen, kwam tot hem en eindigde onder de leiding van haren zoon hare overige levensdagen in de vrees des Heren. Van het geld, dat zij meebracht, bouwde de heilige Sabas twee zeer ruime gasthuizen, het ene ten behoeve der reizigers en arme zieken, het andere om vreemde religieuzen te herbergen; het overschot bezigde hij tot stichting van een gasthuis in Jericho en tot opbouw van een nieuw klooster op de nabijgelegen berg Castel. God gaf hem te kennen hoe aangenaam deze nieuwe stichting was, door aan Marcianus, abt te Bethlehem, de gedachte in te geven, om in ene nijpende behoefte, het klooster van al het nodige te voorzien. Salas had in hetzelve enige religieuzen geplaatst, welke hij uit zijne leerlingen gekozen had en het gesticht leverde later onderscheidene bisschoppen voor Palestina, Cyprus en andere gewesten op. Omtrent een half uur van zijn verblijf stichtte de heilige Sabas een ander klooster, waarin de nieuwelingen geplaatst en onderhouden werden; waren deze nog jong, dan stelde hij ze onder de leiding van de heilige Theodosius, zijnen vriend, die ruim anderhalf uur verder woonde. “Want,” zei hij, ‘evenals de bloesem voor de vrucht verschijnt, behoort het geregeld kloosterleven de kluizenaarsstaat vooraf te gaan.” In zijne afgezonderde cellen nam hij trouwens alleen diegenen op, die door langdurige boetoefeningen in de deugd en op de weg der volmaaktheid reeds versterkt waren.
In het jaar 493 werd de patriarch van Jeruzalem, in het zevende jaar van zijne bisschoppelijke bediening, door ene dodelijke ziekte overvallen; de kluizenaars en kloosterlingen van Jeruzalem en omstreken vervoegden zich bij die prelaat en verklaarden, dat zij niets zo zeer verlangden, als dat Sabas en Theodosius tot oversten aangesteld en bevestigd werden. De patriarch verheugde zich hartelijk, dat hij aan hun verlangen kon beantwoorden; hij bevestigde de heilige Sabas als algemeen overste over de kluizenaars en woestijnbewoners, welke de verschillende kluizen in Palestina bewoonden en de heilige Theodosius tot overste over de gestichten, in welke men het gemeenschappelijk kloosterleven leidde. Korte tijd na deze beschikking stierf Salustius en had de heilige Elias, wiens gedachtenis de Kerk op 4 Juli vereerd, tot opvolger.
De heilige, die het ganse jaar over al de kluizenaars met meer dan vaderlijke tederheid en zorgvuldigheid waakte, onderhield de gewoonte, welke hij van zijnen leermeester de heilige Euthymius overgenomen had, namelijk van zich op de achtste dag na Drie Koningen, door slechts één leerling vergezeld, in de diepte der woestijn te begeven en daar in strenge afzondering tot Palmzondag te blijven. Zijn leerling veroorloofde hij om enig brood tot voeding mee te nemen, terwijl hij gedurende deze tijd niets nuttigde dan de Heilige Eucharistie, welke hij de Zaterdags en Zondags ontving en op deze strenge wijze bereidde hij zich jaarlijks tot het vieren van het Paasfeest. Sabas ontmoette eens een kluizenaar, die sedert achtendertig jaren geen ander voedsel genuttigd had als wilde kruiden, die in de nabijheid van zijne cel groeiden; deze ontmoeting was voor hem een waar genot; hun onderhoud liep over God en het volgende jaar wenste Sabas weer zo gelukkig te zijn; doch hij vond de kluizenaar ontslapen, had nu bij het lijk de gebruikelijke gebeden en bestelde het vervolgens ter aarde. Na onder zijne leerlingen teruggekeerd te zijn, moest Sabas zijne afzondering duur betalen; de rust en stilzwijgendheid toch werden zeer verstoord door de aanhoudende bezoeken, welke hij moest ontvangen en om zich derhalve van die overlast te ontslaan, onttrok hij zich in ene afgelegene grot en nam het besluit om hier zijne overige levensdagen te eindigen. God liet evenwel niet toe, dat hij zich aan de opleiding zou voltrekken van hen welke zijne tegenwoordigheid en onderricht zo zeer behoefden. De Heer gaf hem in ene openbaring kennis van het voornemen en het verblijf des heiligen; zij vervoegden zich bij hem en verplichtten hem om onder zijne broeders terug te keren; maar er waren onder dezen ook valse broeders, die tegen hem opstonden en hem elke dag nieuwe strikken spanden. Sabas meende voor enige tijd aan hunne kwade zin te moeten toegeven; na de zorg over zijne kluizen en de andere gestichten aan enige geschikte mannen te hebben toevertrouwd, onttrok hij zich in ene woestijn nabij Seythopolis en bewoonde ene geruime tijd een hol, vroeger de verblijfplaats van een leeuw. Toen Sabas er zijn intrek had genomen, kwam het dier tegen middernacht, vond hem slapende, greep met de tanden de boord van zijn kleed, om hem uit het hol weg te slepen; doch de heilige ontwaakte en zonder te verschrikken begon hij luid te bidden; de leeuw verliet de plaats, maar keerde terug toen Sabas zijn gebed geëindigd had en begon hem opnieuw aan zijn kleed te trekken; de heilige sprak het dier aan en zei: “Het hol is groot genoeg en kan ons beiden gemakkelijk herbergen.” Op deze woorden verliet de leeuw zijne verblijfplaats en liet dezelve ter beschikking van Sabas. Enige rovers overvielen hem, maar werden door zijne vermaningen zo getroffen, dat zij onder zijne leiding een boetvaardig leven leidden. Hij werd ook door de menigte, welke de weg der volmaaktheid wenste te bewandelen, zo lastig gevallen, dat er weldra een nieuw klooster als van zelve tot stand kwam, waarom de heilige, die zich van de gewenste eenzaamheid verstoken zag, zijne grot weer verliet. Hij meende, dat vermits enige jaren verlopen waren, de vrede onder zijne vroegere leerlingen, welke hij zo teder beminde, hersteld zou zijn en keerde onder hen terug, maar moest tot overmaat van smart ondervinden, dat hunne hoofdigheid sterker geworden was; het getal der misnoegden was tot veertig geklommen en Sabas, die de boze geesten wist te bestrijden en kwaadwillige mensen te ontwijken, vertrok andermaal, om verergernis en tweedracht te mijden. Hij vestigde zich op het grondgebied van Nicopolis onder ene boom, die hem met zijne takken overlommerde en met zijne vruchten voedde, totdat de eigenaar van die grond hem ene hut bouwde en in zijne behoeften voorzag; later stichtte Sabas hier een klooster, hetwelk zeer vermaard werd. Op een vals gerucht, door zijne vijanden uitgestrooid, dat hij nabij de Rode zee door een leeuw verscheurd was, begaf hij zich naar Jeruzalem tot de patriarch Elias, die hem bij zich hield, totdat hij orde op de zaak zou gesteld hebben en gaf hem slechts de vrijheid om ene overste in zijn nieuw klooster van Nicopolis aan te stellen; hij zond hem vervolgens met enige brieven naar zijne vroegere afzondering terug en gelastte de oproerigen zich te onderwerpen, of de kluizen en het ganse bisdom van Jeruzalem te verlaten. Deze rampzaligen, die zich nu niet meer tegen zijne herstelling verzetten, doch evenmin zijne tegenwoordigheid dulden konden, verwijderden zich, na eerst een toren verwoest en de daarin bewaard wordende goederen meegenomen te hebben. Zij werden echter overal teruggestoten en de overste van het klooster van Suca ontzei hun zelfs de toegang; de heilige Sabas was de enige die zich hunner nog aantrok en hen zijne liefde en goedheid deed ondervinden, want nauwelijks was hem bericht, dat zij zich in slechte en verlatene kluizen wensten te vestigen, en bezorgd over het heil hunner ziel, of hij stelde alle middelen in het werk om in hunne lichamelijke behoeften te voorzien; hij liet hun ene genoegzame som geld geworden, verkreeg voor hen de eigendom van de kluizen, welke zij betrokken hadden, ondernam de reis naar hunne woningen en bouwde ene kerk. Met deze wapenen der liefde wist hij hen te overwinnen, smoorde alle nijd en kwade wil, en de vrucht van zijne overwinning was ene gewillige onderwerping aan zijne leiding. Sabas gaf hun de voornaamste zijner leerlingen, Joannes geheten tot overste en hun klooster werd de nieuwe kluizen genaamd. Andere afzonderingen werden gesticht, in welke hij de heilige en geschiktste mannen aanstelde, en daar hij gene mindere ijver toonde voor de reinheid des geloofs als voor de bewaring der tucht, waakte hij onophoudelijk dat het gif der ketterij van zijne stichtingen geweerd bleef. Hij bekeerde onderscheidene kluizenaars, die met de ketterij van Nestorius besmet waren en werkte met het beste gevolg aan de terugkeer tot de waarheid van hen, die de dwalingen van Eutyches en Dioscorus aankleefden.
Keizer Anastasius begunstigde de Eutychianen en verdreef Macedonius, patriarch van Konstantinopel, van zijnen zetel, omdat hij zich aan het concilie van Chalcedonie hield, of wat hetzelfde zegt, het geloof der Katholieke Kerk verdedigde. In zijne plaats had de vorst aan een zekere Timotheus de patriarchale waardigheid geschonken; deze werkte vooral om met de andere bisschoppen van het Oosten de patriarch van Jeruzalem Elias op zijne zijde te trekken, met hem kerkelijke gemeenschap te onderhouden en hem de afzetting van Macedonius te doen onderschrijven; doch Elias, die het geweld aan de patriarch van Konstantinopel gepleegd veroordeelde, weigerde het laatste, doch menende dat Timotheus, ofschoon een groot huichelaar, rechtzinnig was, hield hij kerkelijke gemeenschap met hem. De keizer, hiermee niet tevreden, vorderde dat hij de afzetting van Macedonius zou bekrachtigen. Elias nu vrezende, dat zijne schapen de gramschap des keizers zouden ondervinden, vaardigde een gezantschap van kloostervoogden aan de keizer en stelde de heilige Sabas aan het hoofd. Sabas, ruim zeventig jaren oud zijnde, begaf zich naar Konstantinopel, doch werd door de lijfwacht des keizers, die hem niet kende en wegens zijne armoedige kleding hoonde, niet toegelaten. De vorst ontdekte uit de brieven van de patriarch van Jeruzalem, dat deze arme man de algemeen overste der woestijnbewoners in Palestina en het hoofd van het gezantschap was; hij behandelde hem dus met de meeste onderscheiding en eerbied, vooral toen hij zag, dat een engel des Heren in schitterende glans hem begeleidde. Sabas verwierf evenwel niets van een vorst, die geheel tegen de patriarch Elias en het concilie van Chalcedonie gestemd was. Slechts enige beleefdheden en aalmoezen voor zijn klooster verworven hebbende, bracht Sabas de winter door in ene abdij in de voorstad van Chalcedonie, waar hem onderscheidene groten en hovelingen kwamen bezoeken. Met het voorjaar keerde hij naar Konstantinopel terug en smeekte de keizer, dat hij toch enig mededogen aan de arme bewoners van de omstreken van Jeruzalem zou betonen. Anatasius, op het punt van zijne bede toe te staan, werd echter teruggehouden door ene hofbeambte, die Eutychiaan was en de keizer verzekerde, dat zij, voor wie Sabas sprak, Nestorianen (zo werden door de Eutychianen de Katholieken genoemd) waren, welke slechts verdienden uitgeroeid te worden. Alvorens naar Palestina terug te keren, ging Sabas zijn vaderland bezoeken, kwam te Mutalascus en verbouwde zijn vaderlijk huis in ene kerk, welke hij onder de aanroeping van de heilige Cosmas en Damianus, de Heer toeheiligde. Te Jeruzalem versterkte hij de patriarch Elias in het besluit, om het concilie van Chalcedonie te blijven verdedigen; de moed, welke hij hem inboezemde, bewerkte, dat Anastasius de heilige Elias achttien maanden later verbande, onder voorwendsel dat hij geweigerd had om met Severus, de valse bisschop van Antiochië en het hoofd der Acephalen, kerkelijke gemeenschap te houden.
Een zekere Jannes, die het concilie van Chalcedonie verworpen had, was op die zetel geplaatst. De heilige Sabas het gevaar ziende, waarin de kerk van Jeruzalem verkeerde, ging met enige voorname kluizenaars de patriarch bezoeken, sprak hem met zoveel kracht aan, dat hij niet slechts de kerkelijke gemeenschap met Severus afsneed, maar insgelijks beloofde om het rechtzinnig geloof en het concilie van Chalcedonie te omhelzen en te verdedigen, en hij hield woord, want toen de landvoogd hem uit naam des keizers drong, om het concilie van Chalcedonie te doemen, nam de patriarch de heilige Sabas aan de ene en de heilige Theodosius aan de andere hand, steeg op het spreekgestoelte en sprak met luide stem het doemvonnis uit tegen allen, die de gevoelens van Eutyches, Nestorius en Severus aankleefden. De landvoogd was verontwaardigd, doch daar het volk de patriarch toejuichte en hij dus ene opstand vreesde, verliet hij Jeruzalem en keerde naar Cesarea terug. Sabas schreef vervolgens de keizer, niet zo zeer om deze tevreden te stellen, als wel om zich over de versmading en de hoon te beklagen, welke de priesters en kloosterlingen ondervonden en beschuldigde Severus van Antiochië als de oorzaak van al de onrust, verklaarde bovendien in naam van alle Katholieken, dat zij steeds bereid waren de leer der vier algemene conciliën van Nicea, Konstantinopel, Ephese en Chalcedonie met hun bloed te bezegelen. De keizer, die naar het leger moest vertrekken, stelde de zaak tot zijne terugkomst uit.
De heilige Sabas beijverde zich intussen met de grootste inspanning, om de zuiverheid der rechtzinnige leer en de tucht in al de kloosters van Palestina te bewaren, en zijne pogingen waren te onvermoeider, wijl de monniken, die de Eutychiaanse dwalingen toegedaan waren, zich zochten in te dringen en evenals in Syrië, alles te bederven. Terzelfdertijd, te weten in het jaar 1515, ontstond een vreselijke hongersnood; ontelbare sprinkhanen en ander ongedierte tuchtigden bij ene aanhoudende droogte, gedurende vijf jaren het gewest; de zeven door de heilige Sabas gestichte kloosters waren weldra in de uiterste nood, daar zij geen vast inkomen hadden. De heilige vergaderde de oversten dier gestichten, vermaande hen de moed niet te verliezen, belastte hen wat zij te doen en aan de andere religieuzen voor te dragen hadden, opdat zij niet door mistrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid zouden zondigen. Enige dagen later kwam de opzichter over de levensmiddelen hem zeggen, dat de nood zo hoog geklommen was, dat zelfs het nodige tot de heilige offerande ontbrak. Sabas verklaarde hem, dat men zijn betrouwen slechts op de hemelse Vader te stellen had, die hunne armoede en nood kende en door zijne macht spoedig in alles kon voorzien. De uitkomst beantwoordde aan zijn vertrouwen; voor het einde van de week werden hem dertig wagens met levensmiddelen geladen toegezonden.
De patriarch van Jeruzalem zuchtte intussen voor de verdediging van de ware leer in ballingschap; Sabas ging hem met twee andere kloosteroversten te Ailah, waar hij zich bevond, bezoeken. De vreugde, welke de vrome Elias genoot, deed hem nu al zijn lijden vergeten; hij kwam hen dagelijks bezoeken en met hen eten; na het middagsmaal onderhielden zij zich enige tijd en openden voor elkander hunne harten. Op 9 Juli 518 bevonden de drie kloostervoogden zich op de gewone tijd om drie ure ter bepaalde plaatse, doch wachtten tevergeefs de heilige Elias, die eindelijk omtrent middernacht aankwam; men kon uit zijne gelaatstrekken lezen, dat hem iets buitengewoons moest zijn overkomen; het smartte hem, dat men hem gewacht had en hij bad hen, dat zij iets zouden nuttigen, terwijl hij verklaarde, dat hij noch tijd noch lust had om iets te gebruiken. De heilige Sabas drong zeer sterk aan, dat hij hun zijn wedervaren zou mededelen. “Ach,” zei Elias, terwijl hem enige tranen ontvielen, “juist op dit ogenblik, dat wij met elkander spreken, sterft de ongelukkige keizer Anastasius, en ik zelf zal hem over tien dagen in de eeuwigheid volgen.” De heilige Sabas, die de vorige nacht ene dergelijke veropenbaring betrekkelijk de dood des keizers gehad had, ontstelde niet. Toen Anastasius de ogen sloot, werden insgelijks als van zelve alle deuren en kerkers gesloten, welke de tirannie en verdrukking gedurende de ganse regering van die keizer geopend had. Justinus, die hem opvolgde, was een rechtzinnig Katholieke vorst en vaardigde reeds in het begin van zijne regering een bevelschrift uit, waarbij gelast werd het concilie van Chalcedonie door het ganse keizerrijk te erkennen. Ofschoon de heilige Sabas, nu tachtig jaren oud, door arbeid en boetoefening uitgeput was, toonde hij evenwel nog genoegzame kracht te bezitten, om naar Cesarea, Scythopolis en andere steden van Palestina te reizen. Hij deed in de kerken de vier conciliën inschrijven en bracht ene grote menigte kloosterlingen en andere personen, die door de Eutychianen verleid waren, tot de eenheid der Katholieke Kerk terug; weldra hield insgelijks de droogte op, welke Palestina omtrent vijf jaren teisterde, Sabas verkreeg door zijn gebed ene overvloedige en vruchtbare regen.
Omtrent negen of tien jaren later begaf zich de heilige Sabas, op dringend verzoek van Petrus, patriarch van Jeruzalem, weer naar Konstantinopel, om voor Justinianus, de troonopvolger van Justinus, de zaak der Christenen te bepleiten. Men had hen trouwens valselijk beschuldigd, dat zij in Samarie en omstreken ene opstand verwekt hadden; hij betoogde voor de keizer, dat de Samaritanen de opruiers waren, die zich in de persoon van Julianus ene koning gekozen hadden, en zich de afschuwelijkste wreedheden tegen de Christenen veroorloofden. Zodra Justiniaan in de oude schier negentigjarige abt de moed en de andere gunsten, welke God zijnen dienaar geschonken had, ontdekte, ontving hij hem als ene engel des Heren, hij zond hem de patriarch van Konstantinopel en de voornaamste hovelingen, welke de heilige bij de keizer binnen leidden en bewilligde gaarne in zijn verzoek; want niet tevreden met de Christenen van poging tot opstand vrij te spreken, gaf hij bevel om alle Samaritanen uit Jeruzalem te verdrijven, deed hunne synagogen sluiten, liet naar de voornaamste belhamers onder hen een streng onderzoek doen, en na hen overtuigd en aan misdaad van gekwetste majesteit schuldig bevonden te hebben, ter dood brengen. Hij deed meer, want hij verminderde bovendien de ondragelijke lasten, waaronder het volk onder keizer Anastasius gebukt ging.
Op verzoek van de heilige Sabas stichtte de keizer te Jeruzalem nog een hospitaal, deed de door de Samaritanen verwoeste kerken herstellen en het verblijf van Sabas en zijne kluizenaars tegen de invallen der barbaren versterken. Toen de keizer in persoon met de penningmeester Tribonianus over deze belangen handelde, was Sabas daarbij tegenwoordig; het derde uur waarvan hij het kerkelijk officie moest bidden aangebroken zijnde, verwijderde Sabas zich, doch de monnik Jeremias, die hem vergezelde, zei: “Waaraan denkt gij toch, nu keizer zelf waakzaam voor u is?” De heilige antwoordde, dat elk zijn plicht moest vervullen en dat alsdan alles volgens de regel ging, zowel van zijnen kant als van die des keizers. Na de keizer nog enige zeer gewichtige mededelingen betrekkelijk de ketters gedaan, en de vorst de voorspoed zijner wapenen op de Gothen en Wandalen, die met hunne overheersing het Arianisme in Italie en Afrika ingevoerd hadden, voorspeld te hebben, verliet hij Konstantinopel en keerde naar Palestina terug. Hij begaf zich insgelijks naar Scythopolis en omstreken, bracht de bewoners de gelukkige tijding van het welslagen zijner pogingen en na in die streken de rust hersteld te hebben, begaf hij zich naar Jeruzalem, om voor zijnen dood de heilige plaatsen te bezoeken. In zijne woestijn teruggekeerd, werd hij enige dagen later ziek; zodra de patriarch van Jeruzalem dit vernam, ging hij Sabas bezoeken en ontdekte dat deze aan alles behoefte had; hij liet hem derhalve in een huis nabij ene kerk, welke van hem afhankelijk was, vervoeren en gaf last hem van alles te verzorgen; hij diende zelf de zieke, die de grootste smarten met een bewonderenswaardig geduld verduurde; toen Sabas zijn laatste uur voelde naderen, liet hij zich naar zijne cel terug brengen, gaf aan Melitas van Berytus, welke hij tot zijn opvolger bestemd had, zijne laatste bevelen en raad, onderhield zich de laatste vier dagen uitsluitend met God en stierf op 5 December in het jaar 531, of volgens anderen in het jaar 532, in ene drie- of vierennegentigjarige ouderdom. God verheerlijkte de rustplaats van zijnen grote dienaar door onderscheidene mirakelen; zijn lichaam werd in de voornaamste afzondering tussen de beide door de heilige gestichte kerken begraven; talrijke bisschoppen, kluizenaars en andere voorname personen woonden zijne uitvaart bij. In de twaalfde eeuw werd zijn graf met marmer bedekt nog gezien. Men wil dat de liturgie, bij de Grieken in gebruik, dezelfde is, welke men in het klooster van de heilige Sabas, die deze van zijne leermeesters, de heilige Euthymius en de heilige Theodosius, ontvangen had, gebruikte.
6 December
De heilige Nicolaus (350).
Bisschop van Myra in Lycie, Belijder.
De naam van Sint Nicolaus was sedert vele eeuwen zo vermaard in Gods Kerk, dat men niet twijfelt of God wilde zijne buitengewone verdiensten vergelden door de bijzondere verering, welke alle gelovigen hem bewijzen. De eerbied, waarmee de Latijnse zowel als Griekse kerk zijne gedachtenis houdt, doet ons hem als ene bevoorrechte vriend Gods beschouwen. Het vervoer van zijne overblijfselen naar Italië deed deze verering wel meer toenemen, doch zij kan geenszins als de eerste oorzaak daarvan beschouwd worden. De geschiedenis zelf van dit vervoer getuigt, dat te dien tijde reeds zijn feestdag onder de Christenen algemeen gehouden werd, terwijl onder zijnen naam ene grote menigte tempels aan God toegeheiligd waren en dat de Heer daarin, op de voorspraak van de heilige bisschop van Myra, vele wonderwerken wrochtte en ongemene gunsten verleende. De oude handvesten der stichting van het kapittel van Sint Nicolaus te Beauvais, van het jaar 1079, negen jaren voordat het lichaam des heiligen naar het westen vervoerd werd, houden, dat die kerk herbouwd en onder de namen van de heilige Lucianus en de heilige Nicolaus de Heer toegeheiligd is, en de wijze, waarop Usuardus in zijn martelaarsboek spreekt, doet ons zien, dat de gedachtenis des heiligen reeds drie eeuwen eerder in de kerk van het Westen gehouden werd. Het schijnt evenwel blijkbaar, dat de Latijnse kerk in de algemene verering van de heilige Nicolaus de Griekse is gevolgd, die steeds ene bijzondere eerbied voor de heilige bisschop aan de dag legde. Keizer Justiniaan bouwde ter zijner eer, in het jaar 430, in Blaghuna, ene wijk van de stad Konstantinopel, ene kerk, die insgelijks de heilige Priscus toegewijd werd, en men merkt op dat nog drie andere kerken in die stad aan God onder de voorspraak van de heilige toegeheiligd werden. Onderscheidene Griekse schrijvers, onder welke Baronius, de heilige Methodius, patriarch van Konstantinopel en onder de Latijnen een zekere Joannes, diaken der kerk van Rome, noemt, hebben de levensgeschiedenis des heiligen opgesteld, doch het is te bejammeren, dat wij, ofschoon van de verdiensten van deze alom vereerde bisschop overtuigd, zo weinig staat kunnen maken op hetgene ons door de geschiedschrijvers betrekkelijk zijn leven medegedeeld wordt. Wij durven slechts de daadzaken mede te delen, in welke de onderscheidene schrijvers overeenstemmen.
De heilige Nicolaus schijnt te Patara in Lycie uit aanzienlijke ouders geboren te zijn, beoefende van zijne tederste jaren grote gestrengheid en waakzaamheid over zijne hartstochten, werd om zijne bijzondere deugdzame levenswandel en zijne geleerdheid door de bisschop van Myra onder de kerkbedienaars aangenomen, toonde zich hoogst milddadig jegens de armen en wist bij onderscheidene gelegenheden drie jonge dochters, die wegens armoede in het gevaar verkeerden van hare onschuld te verliezen, tegen de val te bewaren, met haar op ene of andere wijze in het geheim de middelen te doen toekomen, om door haren vader uitgehuwelijkt te worden. De bisschoppelijke zetel van Myra door het afsterven van de bisschop opengevallen zijnde, werd de heilige Nicolaus, wiens deugd de bekwaamheid men kende, met algemene stem tot bisschop van die kerk verkozen; de gaaf der mirakelen, waarmee God zijnen dienaar begunstigd had en zijn onvermoeide ijver deden hem alom beroemd worden, en de Griekse schrijvers en na hen de Latijnse stemmen in, dat hij om het geloof in boeien geweest is. Men verzekert dat hij, na de dood der kerkvervolgers bevrijd en aan zijne schapen teruggegeven zijnde, in het jaar 325 onder de vaders, op de algemene kerkvergadering van Nicea, de ketterij van die snode Arius doemde. Sommige schrijvers schijnen deze bijzonderheid nog te betwijfelen, omdat men zijnen naam op de registers niet vindt, doch het is blijkbaar, dat de heilige onder hen geteld kan worden, wanneer hij ten tijde van de grote Constantijn de kerk van Myra omtrent die tijd bestuurde, wijl Myra niet ver van Nicea verwijderd was, en men zijnen naam, volgens Eustratius, in de zesde eeuw priester van Konstantinopel, op twee oude registers vindt.
De heilige Nicolaus stierf te Myra en werd in zi9jne hoofdkerk begraven. Het juiste jaar van zijn afsterven is niet bekend; de geschiedenis, welke het vervoer van zijne overblijfstelen vermeldt, stelt zijnen dood in het jaar 352.
Ofschoon hij reeds in de Westerse zowel als in de Oosterse kerk algemeen vereerd werd, heeft de vermaarde overbrenging van zijne heilige overblijfselen naar Bari, ene stad van Apulie in het koninkrijk Napels, aan de Adriatische zee, tegenover Ragusa, die verering door het ganse Westen verbreid. Sedert de Heer het graf van de heilige Nicolaus door ontelbare wonderwerken verheerlijkte, zag men naar hetzelve altijd ene grote menigte volk, onder welke zich zelfs ongelovigen mengden, toestromen, om zijnen bijstand te vragen. De heilige Theophanes verzekert, dat in zijnen tijd Chamid, die ook Achmid genoemd wordt, scheepsbevelhebber van Aron, vorst der Arabieren of Saracenen, op zijne terugreis van ene krijgstocht, waarbij hij, in het zesde jaar der regering van keizer Nicephorus, het eiland Rhodes geplunderd had, zich van de stad Myra meester gemaakt hebbende, de kerk binnen trad en het graf van de heilige Nicolaus wilde verwoesten, doch dat hij, verkeerd onderricht, zijne woede koelde aan ene andere grafzerk, welke in de nabijheid was. Achmid had zich nauwelijks ingescheept, of hij werd door ene vreselijke storm belopen, zodat de gehele vloot in de golven verging. Deze ramp werd terecht als ene straf van zijne heiligschennis beschouwd, en de vernederde volgelingen van Mahomed aarzelden niet, om in deze billijke straf de macht van de heilige Nicolaus te erkennen.
Sedert die gebeurtenis rustte het lichaam van de heilige Nicolaus nog tweehonderdtachtig jaren te Myra; daar nochtans elk rijk zich gaarne in het bezit van deze schat wenste te stellen, deed men meermalen pogingen om de heilige overblijfselen uit Myra te ontvoeren. Een veertigtal kooplieden van Bari slaagden eindelijk in hunne onderneming; zij zeilden met drie schepen naar Syrië, om in Antiochië handel te drijven en werden zo getroffen door de grote wonderen, die men hun betrekkelijk de relikwieën des heiligen verhaalde, dat zij met elkander overlegden om het lichaam in het geheim te ontvoeren. Te Antiochië deelden enigen hunner hun voornemen aan enige Venetiaanse kooplieden mee, die verklaarden, dat zij hetzelfde voornemen hadden en het zouden trachten te vervoeren; dit was genoeg om die van Bari aan te sporen hen te voorkomen; zij zeilden weldra af en zetten te Lycie voet aan wal; hunne afzendelingen berichten hun, dat de stad Myra schier geheel verwoest en verlaten was, en dat zij niemand in het klooster en de kerk, waar de heilige zijne laatste rustplaats had, aangetroffen hadden. Zij vonden er ook werkelijk slechts drie religieuzen, die die schat bewaarden, terwijl alles in de ellendigste toestand verkeerde wegens de gestadige strooptochten, welke de Mahomedanen zich aanhoudend veroorloofden. De kooplieden van Bari wisten deze kloosterlingen te doen geloven, als waren zij van de Paus van het oude Rome gemachtigd, om in de veiligheid en de verschuldigde verering dezer heilige overblijfselen te voorzien en tegen de beledigingen der vijanden van Jezus Christus te vrijwaren, met dezelve naar Italië over te brengen. Zij wonnen hen en gaven elk hunner honderd goudstukken. Na enige tijd in het gebed doorgebracht en zich aan de bescherming des heiligen aanbevolen te hebben, verbraken zij het marmer dat het graf dekte en vonden eerst ene vaas van dezelfde steen; deze was omtrent half gevuld met ene vloeibare stof van de zuiverste olie gelijk; zij vernamen van deze religieuzen, dat dit buitengewoon welriekend vocht uit het lichaam van de heilige vloeide, door het marmer drong en de wonderdadigste genezingen uitwerkte. Men nam nu met alle eerbied het heilig gebeente uit het graf; het hoofd lag afzonderlijk en na al de beenderen verzameld te hebben, werd deze kostbare schat op 20 April 1087 scheep gebracht. De overvaart slaagde zo gunstig, dat men in achttien dagen de haven van Bari bereikte. Het lichaam van de heilige werd op Zondag 9 Mei in de stad ontvangen, en de overbrenging had met de grootste plechtigheid plaats. De mirakelen, welke het graf te Myra verheerlijkte, werden te Bari nog menigvuldiger, zodat schier gans Europa de rustplaats van de heilige ging bezoeken en vereren. De heilige Godefridus, bisschop van Amiens, wiens gedachtenis de Kerk op 28 November vereert, bevond zich twintig jaren na deze vervoering te Bari en bracht een klein flesje, gevuld met het kostbare welriekende vocht, terug, hetwelk daar evenals vroeger te Myra uit het heilig gebeente droop en zelfs door het marmer, waarvan het graf van de heilige gevormd was, bleef zweten. Baronius zowel als onderscheidene andere schrijvers getuigen, dat uit de beenderen van de heilige Nicolaus dat vocht, hetwelk ene wonderdoende kracht bezit, blijft voortvloeien.
De van de Kerk afgewekenen mogen er mee lachen, wijl zij ziende blind willen blijven, doch waarom zou de Heer niet de beenderen van zijnen dienaar en vriend willen verheerlijken, Hij die zelfs uit een ezelskinnebak water deed ontspringen, om de van dorst schier versmachtende Samson te laven?
De heilige Sint Nicolaus wordt als Patroon der stad Amsterdan in onderscheidene kerken aldaar vereerd, als ook in de kerken te Helvoirt, Valkenswaard, Haps, Soetermeer, Edam, Lutjebroek, Monnikendam, den Helder, Kampen, Kolmschaten, Vollenhoven, Deenekamp, Sint Nicolaasga en Appingadam.
7 December
De Ambrosius (397).
Aartsbisschop van Milaan, Leraar der Kerk.
Wanneer de heiligen groot zijn, naarmate de genade welke God hun verleent, en wanneer God hun grotere gunsten schenkt, naar gelang de bestemming, tot welke Hij hen gebruikt, groter, verhevener en gewichtiger is, dan kan men enigszins oordelen over de grote en voortreffelijke verdiensten van ene heilige, die bestemd was om de bisschoppelijke waardigheid niet slechts door zijne uitstekende Godsvrucht te verheerlijken, maar om in deze hoge bediening het voorbeeld van alle deugden te zijn, welke in diegenen moeten schitteren, die in deze verhevene waardigheid geplaatst zijn. Want hoe groot de Godsvrucht, wetenschap en wijsheid in een bisschop ooit zijn moge, wanneer hem grootmoedigheid en kracht ontbreken, dan mag hij, wanneer er geen strijd te verduren is, enige vruchten voortbrengen, maar hij zal bij heftige tegenstand terug wijken en in zijne zwakheid datgene schier verwoesten, hetwelk zijne schijnbare vroomheid scheen opgebouwd te hebben; want hij zal vrezen zich vijanden te maken en zich aan gevaar en vervolging bloot te stellen.
Van deze grote hoedanigheden, die in ene bisschop gevorderd worden, heeft de Heer zich gewaardigd in de heilige Ambrosius een voorbeeld te geven; zijne grootmoedigheid was niet slechts onversaagd, maar ging gepaard met wijsheid en doorzicht, deze liet hij niet slechts bij enkele gelegenheden blijken, maar in alle bijzondere voorvallen, welke zijne bisschoppelijke deugden op de proef stelden. De levensgeschiedenis van deze grote man zal ons overtuigen, dat hij in alle gelegenheden groot bleef, hetzij hij de rechten der Kerk verdedigde tegen ene woedende keizerin, die aan de afschuwelijkste ketterij van Arius gehecht was, de macht in handen had en de Kerk vervolgde; hetzij hij een overwinnend keizer boetvaardigheid deed beoefenen, een andere keizer de gemeenschap der Kerk om zijne misdrijven ontzegde, of tegen een machtig staatsdienaar de vrijheden der Kerk met onwrikbare moed wist te handhaven.
Paulinus, de geheimschrijver van de heilige Ambrosius en zijn diaken, die door sommigen ten onrechte met de heilige Paulinus van Nola verward wordt, heeft het eerst de bijzonderheden der geschiedenis van de grote aartsbisschop opgetekend; hij schreef op dringend verzoek van de heilige Augustinus die geschiedenis, welke hij aan de grote bisschop van Hippone opdroeg, en de schrijver getuigt, dat hij niets te boek gesteld heeft, hetwelk de proef niet zou kunnen doorstaan, en niets schreef als hetgene hij zelf gezien en ondervonden heeft, toen hij met de heilige woonde, of dat hij niet van degenen, die voor hem met de grote prelaat verkeerden, vernomen heeft vooral van de heilige Marcellina, zuster van de heilige.
Ofschoon Paulinus de enige is, die het leven van de heilige Ambrosius allereerst beschreef, is hij evenwel onder de ouden niet de enige, die hem met lofspreuken overlaadt. De heilige Paulinus van Nola, de heilige Hieronymus, de heilige Augustinus, Rufinus, Theodoretus en anderen, spreken van de aartsbisschop van Milaan met uitbundige lof; de heilige Gaudentius van Brescia, die omstreeks het jaar 420 ontsliep, noemde hem een opvolger der Apostelen, in wiens hart, vol van de Heilige Geest, in overvloed de levende wateren van Gods woord opwelden. Idacius, van het jaar 382 schrijvende, zegt, dat Ambrosius in Italië en Martinus in Gallië door de verdiensten van hun leven en door de glans hunner mirakelen uitstekend waren.
De heilige Ambrosius, Romein van afkomst, zoon van de eerste overheidspersoon na de keizer in Gallië en insgelijks Ambrosius geheten, werd in het jaar 340 in één van de steden Arles, Trier of Lyon geboren; zijne zuster, de heilige Marcellina en zijn broeder, de heilige Uranus Satyrus, gewoonlijk alleen Satyrus geheten, waren ouder dan hij. De heilige werd zolang zijn vader leefde, die zich in Gallië gevestigd had, in diens paleis opgevoed. Toen het kind op een zekere dag op het voorplein van het paleis in de wieg met open mond sliep, kwam opeens een zwerm bijen zich op hetzelve neerzetten, overdekten het aangezicht en gingen de ene na de andere de mond in en uit. De voedster, die het kind verzorgde, bekommerd dat het enig letsel zou ontvangen, wilde de bijen verjagen; doch zijn vader, die met zijne vrouw en dochter wandelde, belette zulks; hij wenste de uitkomst van deze wonderbare zaak af te wachten. Na enige ogenblikken vlogen de bijen weg en men verloor hen in de lucht uit het gezicht. De vader, verbaasd over dit voorval, zei, dat zijn zoon, indien het God mocht behagen zijne dagen te verlengen, een groot man zou worden, en in de daad men mocht reeds zeggen, dat God zijnen dienaar van zijne kindsheid af voorbeschikte, dat in hem de woorden zouden bewaarheid worden, welke de wijze man door ingeving van de Heilige Geest te boek stelde: “Bevallige redenen zijn ene honigraat.” Want deze bijenzwerm, zegt Paulinus, was het zinnebeeld van zijne woorden en schriften, die de hemelse genadegunsten verspreidden en de geest en het hart der mensen van de aarde ten hemel zouden opheffen. Cicero en Valerius Maximus verhalen dat hetzelfde voorval aan Plato overkwam, en de oudheid beschouwde zulks als ene voorspelling der zachtheid van zijne rede en zeden. Doch wanneer de welsprekendheid van de heilige Ambrosius al niet groter en verhevener mocht geweest zijn dan die van Plato, was zij evenwel oneindig heilzamer voor de mens, dan die van de beroemdste heidense wijsgeer.
De heilige Ambrosius was nog kind, toen de dood hem zijn vader ontrukte; hij werd nu van Gallië naar Rome gebracht, waar zijne moeder en zuster Marcellina, die reeds de maagdelijke sluier ontvangen had, zich ophielden en met ene andere maagd woonden. Ambrosius werd opgekweekt in dit heilig gezelschap van maagden, en het is derhalve niet vreemd, dat hij te midden van ene stad, waar ongeregeldheid en losbandigheid woonden, de reinheid van zijne ziel bewaarde en zich de bisschoppelijke bediening, tot welke hij van God zo wonderdadig geroepen werd, waardig wist te maken.
Bij een zekere gelegenheid zag hij, dat zijne moeder, zuster en de andere maagd, welke bij haar woonde, de hand eens bisschops kusten; spelende bood hij haar insgelijks de zijne aan, zeggende, dat hij bisschop zou worden. Ofschoon zij zulks toen als kinderspel beschouwden, oordeelde men later dat de Heilige Geest, die hem tot die waardigheid bestemde, door hem gesproken had. De jonge Ambrosius zich te Rome op de letteroefeningen toeleggende, beantwoordde volkomen aan de verwachting van zijne leermeesters; zijne zuster Marcellina waakte met ijver over de vorming van zijne zeden. Ambrosius werd even ervaren in de taal en wetenschappen der Grieken, als in de welsprekendheid, welke in die tijd vooral door de jongelingen van aanzien, die naar enige staatsbediening omzagen, beoefend werd. Na afgelegde studiën, begaf hij zich met zijnen broeder Satyrus naar Milaan, bezocht de pleitzaal en sprak meermalen voor de rechtbank van de opperrechter Aunicius Petronius Probus. Ambrosius kweet zich zo wel van zijne bediening, dat Probus, die zijn vriend en het Christendom zeer genegen was, hem tot zijnen raad of bijzitter in de rechtbank verkoos. Deze Probus was de voornaamste en aanzienlijkste staatsman, welke men in het westerrijk kende; hij stelde de jonge bijzitter weldra tot praetor of landvoogd aan over Ligurie en Emilie, thans Milaan, Turin, Genza, Ravenna en Boulogne met de omstreken. Behalve de vriendschap van Probus, was hij evenzeer de vriend van Symmachus, die echter nog zeer gehecht aan de dienst der afgoden was. Door zijne eigene verdiensten en ondersteund door zulke vermogende vrienden, werd hij weldra tot de voornaamste bedieningen verheven. Probus, hem in naam van keizer Valentiniaan I aanstellende, zei hem bij die gelegenheid deze merkwaardige woorden: “Ga, handel en bestuur de aan u vertrouwde gewesten niet zo zeer als rechter, maar als een bisschop.” De uitkomst der zaak doet deze woorden als ene zekere voorspelling aanzien, ofschoon Probus slechts scheen bedacht te zijn, om hem van de weg der gestrengheid terug te houden, om niet van wreedaardigheid te spreken, welke de overheidspersonen merendeels uitoefenden, om de voorbeelden en geneigdheden van de keizer te volgen, wiens gestrengheid meermalen overgroot was. Zijn broeders Satyrus betrad dezelfde weg en zijne welsprekendheid in de rechtbank werd allerwege bewonderd; hij verkreeg insgelijks het bestuur over een gewest en zijne onderhorigen beminden hem als hunnen vader.
De heilige Ambrosius, van aard zachtmoedig, bescheiden en bezadigd, volgde geredelijk de voorschriften, hem door de opperrechter en eerste bewindsman na de keizer gegeven; hij liet weldra deze maatschappelijke deugden blijken bij de verkiezing van ene nieuwe aartsbisschop van Milaan. Auxentius, een Ariaansgezinde bisschop, door Constancius op die zetel verheven in plaats van de door de vorst verdreven heilige Dionysius, was in het jaar 374 gestorven. Deze rampzalige, die aan verschillende misdaden schuldig was, had schier twintig jaren de Katholieke Godsdienst in Italië en meer bijzonder in het uitgestrekt aartsbisdom van Milaan onderdrukt, ofschoon men kan aannemen, dat de Katholieken te Milaan zich van de Arianen afgezonderd hielden en door geestelijken bestuurd werden, die door de naburige bisschoppen gewijd werden, wijl in het jaar 372 een zekere Sabinus, die zich diaken van Milaan noemt, een zeer rechtzinnig man, door de Katholieken van het Westen naar de kerk van het Oosten in hoedanigheid van gezant vertrok. Auxentius dan gestorven zijnde, schreven de bisschoppen, onderhorig aan de kerk van Milaan, die volgens de voorschriften van de kerkelijke regel in die aartsbisschoppelijke stad moesten bijeenkomen om ene aartsbisschop te kiezen, daarover aan keizer Valentiniaan I, die zich in Gallië ophield en deze berichtte hun, dat zij zelve deze keuze doen moesten. “Opgekweekt in de beoefening der Heilige Schriften,” zo schrijft de vorst, “weet gij zeer goed welke de hoedanigheden van ene bisschop behoren te zijn. Zijn levensgedrag moet zowel als zijne leer aan degenen, die hij bestuurt, tot onderricht verstrekken. Hij moet een voorbeeld van alle deugden geven, en zijn wandel aan de heiligheid van zijne leer beantwoorden. “Schenkt dan aan de kerk van Milaan ene bisschop, die deze hoedanigheden bezit, opdat wij, die met het bestuur van het keizerrijk belast zijn, ons met vertrouwen aan hem kunnen onderwerpen en met ootmoedige gehoorzaamheid de heilzame geneesmiddelen van zijne berispingen ontvangen; want daar wij gelijk aan andere mensen zijn, zo kan het niet anders of wij bedrijven onderscheidene misslagen.” De bisschoppen verzochten de grootmoedige keizer om een persoon voor te stellen, wijl zij op zijne wijsheid zowel als op zijne Godsvrucht rekenden; doch de vorst schreef hun: “Deze zaak is boven mijne krachten, niemand kan er beter in slagen dan gij, die met de genade Gods vervuld en door zijn licht verlicht zijt.” De bisschoppen gingen dan met het volk van Milaan tot de keuze over, maar dit was geen zeer gemakkelijke zaak wegens de verdeeldheid, die onder de bewoners van Milaan bestond. De rechtzinnigen van de ene en de Arianen van de andere zijde, wilden elk ene aan hun gevoelen gehechte bisschop; de Arianen dreigden, volgens de gewoonte van de ketters, de Katholieken met hunne woede, wanneer dezen zich tegen hen, die zich de aanzienlijksten waanden, durfden te verzetten. Men had alle rede om een oproer te vrezen; Ambrosius, die zich juist te Milaan bevond en als landvoogd van de provincie met het handhaven der orde en rust belast was, begaf zich naar de hoofdkerk, sprak met krachtige stem het volk aan en trachtte allen te overreden om de verkiezing, zonder opschudding te verwekken, te volvoeren; hij sprak nog, toen de ganse vergadering, zowel de Arianen als Katholieken, uit ene mond, op hetzelfde ogenblik vorderden, dat Ambrosius bisschop van Milaan worden moest en allen verklaarden, dat zij nooit zich in hetzelfde geloof zouden kunnen verenigen, indien hun Ambrosius niet tot bisschop gegeven werd. Men verzekert, dat een kind het woord aanhief: “Dat Ambrosius bisschop zij!” welke uitroep door de ganse vergadering eenparig ondersteund werd.
Ambrosius was nog niet gedoopt en slechts geloofsleerling; hij stond derhalve nog meer verbaasd, dat men hem, die nog niet onder de gelovigen gerangschikt was, tot vader en opleider der gelovigen verlangde. Hij wist daarenboven wat van ene opvolger der Apostelen gevorderd werd, en was te zeer overtuigd dat de vereiste hoedanigheden hem ontbraken, om niet bevreesd te zijn bij de gedachten, welke zijnen geest bestormden. Hij verliet de tempel, als ware hij verontwaardigd over deze algemene samenspanning, ging naar de markt, liet enige gevangenen voorkomen en tegen zijnen aard deed hij he met gestrengheid ondervragen en pijnigen, ten einde de schijn te hebben van wreed en bijgevolg verre verwijderd te zijn van het karakter eens bisschops, die in alles de geest van zachtmoedigheid en mededogen moet kenmerken; maar hij vermocht door deze schijn het volk niet te misleiden; te zeer overtuigd van zijne geaardheid, begon men te schreeuwen, dat men, wanneer er ook al enige fout bij de verkiezing begaan was, die zonde op zich nam, terwijl de zijne door de genade van het heilig doopsel, dat hij zou ontvangen, vergeven en uitgewist zouden worden. Ambrosius spoedde zich naar huis en vormde het plan om zijne ambtsbedieningen en waardigheden neer te leggen, alles te verlaten en een afgetrokken kluizenaarsleven te leiden, maar de ganse stad stelde zich daartegen; eindelijk nam hij zijne toevlucht tot een buitengewoon middel, hij wilde zich bij het volk verachtelijk maken en zijne eer en goede naam prijs geven. Door ene min verlichte ijver, liet hij voor het oog van de ganse menigte, enige vrouwen van slechte zeden in zijn huis komen, maar het volk kende zijne deugden te goed, om zich door deze onbezonnen kunstgreep te laten misleiden en riep nog luider: “Uwe zonde kome over ons!” Hij zag nu dat al zijne listen ijdel waren en was op de vlucht bedacht; hij verliet te midden van de nacht de stad en wilde zich naar Pavia begeven, doch toen hij een groot eind weg meende afgelegd te hebben, stond hij des morgens weer voor de poort van Milaan, welke men de Romeinse noemt. Op deze wijze leverde God hem weer in handen van het volk, dat hem nu streng liet bewaken, opdat hij niet zou kunnen ontkomen. Men zond vervolgens van al het voorgevallene bericht aan keizer Valentiniaan, om de toestemming van de vorst te verwerven en smeekte hem van te vergunnen, dat de landvoogd Ambrosius tot de bisschoppelijke waardigheid verheven werd, welke toestemming nodig was wegens de bediening, welke hij in naam des keizers bekleedde. De keizer bevond zich toen te Trier en was zeer verheugd, dat men tot bisschop een mens verlangde, die in de hoge bediening van rechter en landvoogd geplaatst was; hij wenste zich gelukkig dat God zo zichtbaar de keuze billijkte, welke hij gezocht had te doen bij het aanstellen van hoge ambtenaren in het keizerrijk, daar de Heer degene, aan welke hij het tijdelijk bestuur toevertrouwd had, verkoos om zijn volk te leiden en op de weg des hemels voor te lichten. De vorst merkte nog aan, dat ene zo spoedige en onverwachte eensgezindheid van mensen, die uit hoofde van verschillende Godsdienstige gevoelens zo zeer van elkander verwijderd waren, slechts het werk van God kon zijn; hij kende de edelmoedige vrijheid van Ambrosius in het berispen zelfs van in waardigheid meest uitstekende personen, zodat hij niet alleen in de benoeming toestemde, maar bevel gaf om zo spoedig mogelijk tot de wijding van de nieuwe aartsbisschop van Milaan over te gaan en gelastte de stadhouder van Italië, Italicus geheten, om die zaak te bespoedigen.
Middelerwijl men het antwoord des keizers afwachtte, wist Ambrosius zich andermaal te verwijderen en hield zich op het landgoed van de senateur Leoncius verborgen. Toen echter het antwoord van de keizer ontvangen was, meende Leoncius verplicht te zijn hem te moeten ontdekken aan de landvoogd van Italië, belast met de uitvoering der keizerlijke bevelen. Deze gaf een bevelschrift uit, waarbij elk, die Ambrosius verborgen hield, of wetende waar hij zich ophield, hem niet aanbracht, met de strengste straffen bedreigd werd.
Ambrosius erkende nu in de gedane keuze des Heren wil en dat hem geen middelen van tegenstand overbleven; hij vroeg derhalve dringend van door ene Katholieke bisschop gedoopt te worden; hij wilde zich trouwens tegen de trouweloosheden der Arianen beveiligen. Zoals de oudste martelaarsboeken en gedenkschriften der kerk van Milaan opgetekend hebben, werd hij op 30 November gedoopt. Hij stelde vervolgens alle middelen in het werk om zijne wijding, welke hij niet meer kon ontwijken, te doen uitstellen en zijne voorname rede was, dat men de regels der Kerk, die verboden een nieuw gedoopte te wijden, niet mocht schenden, maar de gronden, welke men meende te hebben om deze regel voor zijn persoon op te heffen, behielden de overhand. Men vergenoegde zich met hem alle kerkelijke bedieningen achtereenvolgens te doen beoefenen en Ambrosius ontving de achtste dag na zijnen doop, op 7 December 374, in ene vier- of vijfendertigjarige ouderdom, de bisschoppelijke zalving. Deze wijding, die één der vermaardste is in de oudheid en welke gedachtenis jaarlijks door ene feestdag, zowel in de Griekse als Latijnse kerk, gevierd wordt, werd door alle bisschoppen van de Westerse kerk goedgekeurd.
De keuze en wijding van de heilige Ambrosius brachten aan het Arianisme ene dodelijke slag toe en bevestigden de Katholieke Godsdienst door gans Italië. Zijn ijver voor de waarheid deed de liefde en toegenegenheid tussen de bisschoppen en volken meer en meer veld winnen. Ofschoon Auxentius in de gunst der vorsten stond, grote behendigheid en list bezat, de Kerk gedurende twintig jaren verdrukt en het gift van zijne ketterij overal uitstrooide, wist de heilige Ambrosius met Gods Geest gevuld het werk van die goddeloze zo te verwoesten, dat de naam van Auxentius schier geheel en al uit het geheugen gewist werd en men slechts met afschuw en verachting aan hem dacht.
De heilige Ambrosius, op één der voornaamste zetels geplaatst, gevoelde, dat hij niets meer met de wereld te verrichten had, wijdde zich aan God en aan het heil der Kerk, en om zoveel te beter aan zijne verplichtingen te kunnen beantwoorden, wilde hij zich van alle aardse bekommeringen ontdoen. Zijn goud en zilver schonk hij aan de kerk en armen, zijn vaste goederen aan de kerk, doch vorderde het vruchtgebruik voor zijne zuster Marcellina, en om zich van het huishoudelijke te ontlasten, smeekte hij zijnen broeder Satyrus, die zoals het schijnt Rome verlaten had en zich te Milaan bevond, de zorg er van op zich te nemen; de heilige mocht deze broeder niet lang houden, hij stierf, zoals wij bij gelegenheid zullen opmerken, in het jaar 379; deze liet de prelaat de beschikking over al zijne goederen, welke in de schoot der armen gestort werden, want Ambrosius beschouwde zich niet als erfgenaam, maar als uitdeler, zodat hij terecht verklaarde toen hij vervolgd werd, dat al hetgene hij bezat aan de armen behoorde.
Sedert zijne verheffing tot de bisschoppelijke waardigheid leefde hij buitengewoon streng, sliep weinig, arbeidde veel, vastte dagelijks en gebruikte slechts Zaterdags, Zondags en op de feestdagen van de beroemdste martelaren een middagmaal; hij at Zaterdags, wijl te Milaan, zelfs in de veertigdaagse vaste, de gewoonte van vasten niet plaats had. Bevond hij zich op die dag evenwel op ene plaats, bijvoorbeeld te Rome, waar men die dag onthouding had, dan vatte hij insgelijks en volgde de regel, welke hij de heilige Augustinus voor zijne moeder Monica voorgeschreven had, te weten, dat men in zaken van die aard het gebruik moest volgen van de kerk, onder welker gebied men zich bevond. Men zag de heilige nooit bij feestmalen, tenzij hij nu en dan buiten zijn bisdom reisde, want hij vreesde dat dusdanige vermaken gelegenheid zouden geven tot onmatigheid; de waakzame kerkvoogd schreef zelfs die regel voor aan zijne onderhorige geestelijken. “Dusdanige gastmalen,” zei hij, “leveren grote zwarigheden op; zij, die er zich laten vinden; zijn geneigd tot goede sier of tonen dat zij die zoeken; men onderhoudt zich dan over ijdele zaken, waarover men de oren niet sluiten kan; indien men de ijdele redenen zou willen beletten, wordt men als een hooghartig en lastig mens veroordeeld; ongevoelig wordt men er tot drinken aangezet. Zelfs dan, wanneer men de feestmalen verlaat en binnen de palen der matigheid gebleven is, is het niet wel gehandeld u aan veroordelingen prijs gegeven te hebben, of deelgenoot geweest te zijn van de buitensporigheden of verkwistingen van anderen.” Gebeurde het, dat de heilige nu en dan enige groten en aanzienlijke personen aan zijnen dis ontving, dan onthaalde hij hen op ene wijze, welke de deugd der armoede, die hij zo zeer beminde en beoefende, niet kwetste en ongeacht de strenge matigheid, welke in zijn paleis heerste, werd hij van de vorsten der aarde, van consuls, graven en rijksgroten gezocht en hooggeacht. De heilige Augustinus prijst hem daarenboven nog in twee zaken: dat Ambrosius nooit door enige aanbeveling degene ondersteunde, die aan het hof of bij het leger in enige ambtsbetrekking wenste geplaatst te worden, om, wanneer zij voor die bedieningen ongeschikt bevonden werden, geen onaangenaamheden of verwijt te moeten ondervinden en dat hij zich niet inliet met huwelijksverbintenissen, omdat hij vreesde, dat wanneer die personen niet wel met elkander instemden, men hem als de bewerker van dusdanige rampzalige vereniging zou verwensen. Symmachus prijst de heilige nog, dat hij nooit ten gunste der benoeming van deze of gene persoon tot het rentmeesterschap sprak.
Deze grote bisschop wijdde de vrije ogenblikken van de dag en de nacht, welke hij aan zijne rust onttrok, aan het gebed en droeg dagelijks voor zijne schapen de aanbiddelijke geheimen op, terwijl hij zich geheel en al aan de hem toevertrouwde kudde opofferde, want hij meende dat allen, zonder onderscheid, aanspraak op zijne diensten hadden; zo was hij de armen een steun, de bedrukten een vertrooster en daar ieder vrije toegang tot hem had, want de deur van zijn vertrek was nooit gesloten, werd hij algemeen bemind. Het was hem een genoegen om voor de ter dood veroordeelden genade te verwerven. De armen noemde hij zijne schatbewaarders en zaakwaarnemers, want hij stortte het bedrag van zijne goederen en inkomen in hunnen schoot; hij wist het kwaad met goed te vergelden en zijne wraak bestond slechts in wel te doen aan degenen, die hem vijandig waren. Omtrent zijne wetenschappelijke oefeningen en het bestuur van zijne kerk onderrichtte hem de heilige priester Simplicianus, die hem later op de aartsbisschoppelijke zetel volgde. Deze priester woonde te Rome, waar hij de bekering van Victorinus bevorderde en was de geestelijk vader van de heilige bisschop, toen deze de genade des heilige doopsels ontving. Ambrosius beminde hem inderdaad als ene vader en hij zelf verklaart, dat hunne vriendschap zeer oud was. De grote prelaat beklaagt zich zeer, dat hij aan de tijdelijke rechtbank ontrukt geworden was, om eensklaps tot de bisschoppelijke waardigheid verheven te worden, zodat hij geen leerling had kunnen zijn, voordat hij leraar werd en dat hij aan anderen moest voorhouden, wat hij zelf niet geleerd had; doch overwegende, dat de verhevene bediening, welke men hem als opgedrongen had, van hem vorderde, dat hij het leraarsambt beoefende, smeekte hij God onophoudelijk, niet om de roem der Apostelen, noch om de genade der profeten, evenmin om de kracht der Evangelisten, of de bescheidenheid der herders, maar om oplettendheid en de nodige ijver, ten einde de kennis der Goddelijke Schriften te verkrijgen, opdat hij, anderen onderwijzende, zich zelven in de school van Jezus Christus in de waarheden des heils zou kunnen oefenen. God weigerde zijnen dienaar deze genade niet, en dewijl het de Heer was, die hem uit de vierschaar der aardse rechters tot de waardigheid der Apostelen geroepen had, zo was het van God en geenszins van de mensen, dat hij het Evangelie van Jezus Christus ontvangen had en er in onderwezen werd. Vandaar dat hij zo innig verheugd was als hij, zoals de heilige Augustinus van hem zegt, zijne ziel met het geestelijk brood van Gods woord voedde. Het blijkt insgelijks uit zijne werken, dat hij met grote inspanning de verschillende schriftverklaarders las, welke hij menigmaal in zijne werken aanhaalt. Als hij las, zegt de heilige Augustinus, liet hij zijne ogen over de bladen van het boek gaan, zonder zijne lippen te bewegen, of zijne stem te doen horen, maar zijn hart begreep de zin van hetgene hij las. Daar zijne kamer voor ieder open stond en het bij hem niet gebruikelijk was iemands komst aan te melden, was Ambrosius altijd door ene grote menigte mensen omgeven, welker zaken hij vereffende en in welker nood hij voorzag. Was hij van deze bezigheden ontheven, dan besteedde hij de weinige tijd, die hem nog overbleef, om zijne lichaamskrachten door het nodige voedsel te herstellen, of zijne ziel met iets goeds te lezen te verkwikken. De heilige Augustinus vond die verheven bisschop op deze wijze bezig, durfde hem alsdan niet te storen en ging menigmaal, na ene geruime tijd gewacht te hebben, weer stil heen. De heilige Ambrosius predikte elke Zondag en verklaarde dan op ene uitmuntende wijze het woord der waarheid; zijne leerredenen, die vol kracht en vuur waren, verwierven hem de roem van zeer welsprekend te zijn en de heilige Augustinus, die naast God zijne bekering aan de heilige Ambrosius te danken had, en te Milaan onderwijs in de redeneerkunde gaf, ging zijne uitmuntende leerredenen horen, die hij als een oprecht bedienaar van het woord der waarheid voor zijn volk hield, en werd, volgens zijne eigene belijdenis, hoe langer hoe meer overtuigd, dat al de bezwaren, welke de Manichesche verleiders boosaardig en lasterlijk tegen de heilige boeken inbrachten, zeer licht uit de weg konden geruimd worden.
De welsprekendheid van de heilige Ambrosius heeft te groter waarde, wijl God zich van deze begaafdheid van zijnen dienaar bediende, om de grote Augustinus tot zijne Kerk te trekken. Hij prijkt, zegt deze kerkvader, onder de Latijnse redenaars als ene bloem van bewonderenswaardige schoonheid.
De heilige Ambrosius, op zo’n buitengewone wijze bisschop geworden zijnde, schreef, gelijk te vermoeden is, aan de voornaamste bisschoppen der Kerk; het is tenminste zeker, dat hij de heilige Basilius, aartsbisschop van Cesarea in Cappadocië, zijne benoeming berichtte. Deze grote heilige, wiens geschiedenis wij op 14 Juni vermeld hebben, schreef de heilige aartsbisschop van Milaan, dankte God wegens die verkiezing, beschouwde dezelve als ene uitwerking van zijne bijzondere barmhartigheid en roemt onder de grootste gunsten, welke hij zelf ontvangen heeft, in zijnen brief de vriendschappelijke vereniging, welke daardoor tussen Ambrosius en hem gevestigd was. Hij schreef de heilige dus ene brief vol betuiging van blijdschap en hoogachting, en vermaant op het einde de dienaar van de Allerhoogste, om zoveel in hem is de overblijfselen van de goddeloze Ariaansche ketterij te vernietigen, terwijl hij vurig wenst van door zijne wederkerige brieven in beider ziel het gebouw der wederzijdse liefde, van welke Ambrosius zelf de grond gelegd had, te voltooien. Men houdt, dat de heilige Basilius hem het lichaam van de heilige Dionysius, zijnen voorganger op de zetel van Milaan, gezonden heeft.
Ambrosius gaf weldra de voortreffelijkste bewijzen van hetgene de Kerk van zijne moed verwachten kon; want enige dagen na zijne verheffing, klaagde hij bij keizer Valentiniaan over enige ongeregeldheden, welke de overheidspersonen toelieten en tegen welke sommige landvoogden niet genoegzaam waakten; de vorst, ofschoon van ene andere zijde trots op zijn gezag, zag deze vrijmoedigheid van die bisschop met welgevallen; hij antwoordde, dat hem sedert lang zijne vrijheid van spreken bekend was, dat zulks hem evenwel niet had doen afzien van in zijne verheffing op de aartsbisschoppelijke zetel toe te stemmen; dat hij gene rede had van hem tegen te spreken en hem smeekte om voort te gaan met voor de wonden van zijne ziel die heilmiddelen te bezigen, welke de wet des Heren voorschreef. deze keizer stierf in Pannonie, op 17 November 375, aan ene beroerte en liet behalve drie dochters twee zonen na, Gratianus, die zeventien jaren oud en reeds in het jaar 367 tot keizer verklaard was, en Valentiniaan II, slechts vier jaren oud; deze bevond zich bij zijne moeder Justina op de grenzen van Pannonie en werd zes dagen na de dood zijns broeders, door het leger tot keizer uitgeroepen. De heilige aartsbisschop beminde deze beide vorsten met vaderlijke tederheid en waakte met alle zorg voor de belangen van hunne ziel, terwijl hij insgelijks hun tijdelijke welvaren begunstigde; de prinsen vereerden hem van hunne zijde als ene vader en toonden hem hunne genegenheid zowel als hunnen eerbied. Indien Ambrosius later onder Valentiniaan II zware vervolgingen te verduren had, dan moet men de oorzaak er van zoeken bij zijne moeder Justina, ene vorstin, die met dolle drift de Arianen, wier ketterij zij hardnekkig toegedaan was, begunstigde en die de jonge jaren en zwakheid van haren zoon misbruikte, om de heilige Ambrosius te kwellen en de ketters ene dienst te bewijzen.
Na de dood van Valentitiaan I, die de heilige van zijne oprechte welwillendheid, om hem in zijn gezag tegen de ketters te ondersteunen, verzekerd had en voor men nog de gemoedsgesteltenis van Gratianus kende, begonnen de Arianen, die nog niet konden vergeten, dat zij, na onder de goddeloze Auxentius de kerk van Milaan zo schandelijk overweldigd te hebben, aan algemene verachting prijs gegeven waren, het hoofd weer op te steken; zij schenen weer ene bisschop van hunne partij op de zetel van Milaan te willen vestigen en hielden zich van de ondersteuning der keizerinmoeder verzekerd, tenminste in de lofspraak, welke de heilige Ambrosius in het jaar 378 aan keizer Gratiaan toevoegt, dankt hij hem van de vrede aan zijne kerk geschonken te hebben. “God,” zo spreekt de heilige, “die ons zal oordelen, weet het; de grote God, die gij als de Heer erkent, aan wiens woord gij gelooft, is mijn getuige, hoezeer ik door uw geloof mij vertroost gevoel, terwijl ik diep getroffen ben over de belangen van uwe zaligheid en van uwen roem. Hij weet met welke ijver wij, mijn volk en ik voor u bidden, niet slechts uit plicht, maar uit genegenheid en dankbaarheid. Aan u heb ik de vrede te danken, welke mijne kerk geniet. Het is uw werk, dat de ketterij tot zwijgen veroordeeld is, en gave de hemel, dat gij, met aan hare volgelingen de mond te sluiten, ook hunne harten kon veranderen. Gij hebt die overwinning zowel door het voorbeeld van uw geloof als door de kracht van uwe bevelschriften verkregen.” Het is mogelijk bij deze gelegenheid, dat Gratiaan aan Nitencius ene wet deed toekomen, bij welke hij aan alle ketters verbood enige kerkelijke bijeenkomst te houden en bevel gaf, dat de plaatsen, waar zij dezelve hielden, gesloten en verbeurd verklaard werden. Het gezag derhalve van Gratianus maakte aan de samenspanning der Arianen tegen de heilige Ambrosius een einde, en schonk aan de kerk van Milaan de vrede; deze rust werd evenwel weer verstoord door de pogingen van de rampzalige Justina, moeder van de jonge Valentiniaan II.
De heilige Ambrosius had nog geen drie jaren de zetel van Milaan versierd, of het gerucht van zijne Godsvrucht had zich reeds, niet slechts in Italië, maar zelfs in Mauritanië in Afrika verspreid. De ootmoedige bisschop getuigt, dat hij door de voorbeelden van heiligheid, welke de aan Jezus toegewijde maagden overal deden schitteren, ondersteund en aangemoedigd werd, waarom hij veeltijds de lof van de maagdelijke staat verkondigde, ofschoon met geen gunstige uitslag; velen die hem hoorden, toonden zich meer verstoord dan gesticht, want ofschoon onderscheidene jonge dochters zich geroepen meenden om het Goddelijke Lam in maagdelijke zuiverheid te dienen en te volgen, stelden de moeders en zelfs zij, die de weduwlijke staat, zoals de Apostel die bedoelt, omhelsd hadden, daartegen een beletsel, verboden zelfs dat hunne dochters de vermaningen van de heilige bisschop zouden aanhoren, wijl zij vreesden, dat deze haar de maagdelijke boven de huwelijkse staat zouden doen omhelzen. Maar hetgeen te Milaan werd tegengewerkt, bracht de schoonste vruchten in andere landstreken voort. Onderscheidene jonge dochters, door zijne woorden getroffen, kwamen van Boulogne, Placenza, zelfs uit Mauritania zich onder zijne leiding aan Jezus, de Bruidegom der maagden, toewijden, zodat de heilige bisschop meermalen zei, dat hij in vreemde landstreken zou gaan prediken, om die van Milaan te winnen. In zijne werken over de maagdelijke staat prijst Ambrosius bijzonder de maagden van Boulogne, welke hij ene vruchtbare schare in reinheid noemt; reeds een twintigtal had aan de genoegens der wereld vaarwel gezegd, het ouderlijk huis verlaten en leefde op ene die heilige staat waardige wijze; de bruiden van Jezus Christus moedigden door hare voorbeelden anderen aan, zodat het getal van haar, die zich aan de maagdelijke reinheid toewijdden en hare harten aan Jezus aanboden, vermeerderd werd. De heilige Ambrosius kon niet weigeren om aan haar verlangens te beantwoorden, met voor haar enige leerredenen over de maagdelijke staat te houden. Zijne zuster Marcellina, die in het jaar 352 de maagdelijke sluier uit de hand van Paus Liberius ontvangen had, verzocht haren broeder om hetgene hij over die staat de maagden voorgedragen had, ter verdere onderrichting te boek te stellen, en op haar verzoek vervaardigde hij in het jaar 377, drie boeken over de maagdelijke staat. Ambrosius begon dit schone werk op de feestdag van de heilige Agnes, wier lofrede hij het eerst in zijn werk stelt; hij verdeelt zijne verhandelingen in drie boeken, en terecht bewonderen de heilige Hieronymus en de heilige Augustinus de sierlijkheid en levendige welsprekendheid, welke het ganse werk kenmerkt. Welk uitmuntend bewijs van diepe ootmoed geeft hij reeds bij de aanvang van zijn werk, het welk wij niet kunnen nalaten aan te halen.
“Wanneer wij,” zegt de heilige Ambrosius in zijne voorrede, “volgens de uitspraak der eeuwige Waarheid, van elk ijdel woord rekenschap zullen moeten geven, en indien de knecht wegens het hem toevertrouwde talent der geestelijke genade, hetwelk hij onder de wisselaars had moeten uitzetten, om het met winst terug te ontvangen, door zijnen heer, bij zijne terugkomst, met de uiterste gestrengheid zal behandeld worden, omdat hij het als een bevreesd man in de aarde begraven of voor zich behouden heeft, in plaats van het hem bij zijne terugkomst met winst te kunnen overhandigen; wat heb ik dan niet te duchten, ik, die onaangezien mijne geringe begaafdheden, verplicht ben het aan mij toevertrouwd Goddelijk woord onder het volk te verspreiden? Wat, zeg ik andermaal, heb ik niet te duchten, wanneer mij ene gestrenge verantwoording van dat woord zal afgevorderd worden, vooral daar de Heer ons over onze ijver en niet zo zeer over de uitslag onzer woorden zal oordelen? Bij die beschouwing meende ik verplicht te zijn dit boek algemeen te moeten maken; men waagt voor zich minder met te schrijven dan met te spreken, het boek immers bloost niet. Ik onderneem het dus, meer steunende op de Goddelijke barmhartigheid dan op mijne eigene krachten, het woord te overdenken en de handen aan het werk te slaan. Want toen God zulks wilde, heeft zelfs Balaans ezel gesproken, zodat, wanneer mij, die onder de lasten der wereld gebukt ga, de engel bijstaat, dan zal ik mijnen zwijgende mond openen. Hij trouwens kan evenzo de beletselen der onbekwaamheid wegnemen, als Hij in de ezel die der natuur opgeheven heeft. In de ark van het Oude Verbond heeft de roede van de hogepriester gebloeid, het is bij God even gemakkelijk uit onze knoestige stok ene bloem te doen ontspruiten.”
In de twee eerste boeken behandelt hij de voortreffelijkheid van de maagdelijke staat, welke hij boven die van het huwelijk verheft; zonder dezen te veroordelen, spreekt hij over de onvermijdelijke moeilijkheden en gevaren, die de gehuwden omringen. “Ene maagd,” zegt hij, “is een geschenk des hemels, zij is de roem en vreugd van hare ouders, en in hare zending beoefent zij het priesterschap der zuiverheid; ene maagd is een slachtoffer, het welk zich dagelijks opdraagt….. Elke maagd is ene koningin, of omdat zij aan God toegeheiligd is, de bruid van de machtigste en grootste Heer, of omdat zij met hare hartstochten, die de schandelijkste slavernij berokkenen, te bedwingen, ene nieuwe heerschappij op zich zelve verkrijgt.”
De heilige vermeldt vervolgens verscheidene geschiedenissen, van welke wij slechts één willen overnemen, want zoals wij reeds opmerkten, vele ouders verzetten zich toen zowel als in onze dagen, tegen de keuze van hare dochters. Hij beschrijft de strijd ener jeugdige maagd van zijnen tijd, niet tegen de vervolgers van het geloof, maar tegen vlees en bloed, tegen hare moeder en verwanten; van de ene zijde werd zij hevig aangezocht om zich met een persoon, die men haar voorstelde, te verbinden en in haar hart had zij besloten de geheiligde sluier aan de voet van het altaar aan te nemen. “Wat wilt gij, zei deze edelmoedige en zuivere dochter aan hare tederste betrekkingen, welke haar tot het huwelijk drongen, en waarom verspilt gij al uwe pogingen om voor mij een voorwerp in de wereld te zoeken? Ik ben reeds voorzien. Gij biedt mij een bruidegom aan en ik heb reeds ene andere gekozen; geef er mij ene die zo rijk, zo machtig, zo groot is als de mijne en dan zal ik overdenken en zien welk antwoord ik u geven zal; doch er is voor mij niets dat er mee in vergelijking kan komen, want degene, van wie gij spreekt, is een mens en hij die ik mij gekozen heb, is God; mij dien te ontnemen of mij van Hem af te scheuren, is geenszins mijn fortuin bevestigen, maar mijn geluk benijden.” Deze woorden, zegt Ambrosius, roerden aller hart en sloten aan allen de mond; elk vergoot tranen bij het zien van ene zo standvastige deugd in ene jonge dochter, en toen één der aanwezigen zei, dat haar vader, indien deze nog leefde, nooit in hare keuze zou hebben toegestemd, antwoordde zij: de Heer heeft hem daarom mogelijk van deze wereld weggenomen, opdat hij geen beletsel zou zijn in het gehoorzamen aan de wil des hemels en aan de oogmerken der Voorzienigheid ten mijnen opzichte.
In het tweede boek moedigt hij de maagden aan door de voorbeelden vooral van de koningin der maagden, de Heilige Maria en van de heilige Tecla. “De voorbeelden,” zegt hij daar, “maken gewoonlijk grotere indruk op ons dan de voorschriften, en men wordt niet meer teruggehouden door de moeilijkheden, om datgene te verrichten, wat men ziet dat door anderen geschied is. Men legt er zich op toe om er voordeel uit te trekken; men maakt er zich een punt van Godsdienst uit, om de deugden na te volgen van hen, die ons in die beoefening zijn voorgegaan, en men toont zich zelfs ijverzuchtig om deze eerbiedwaardige opvolging te vereeuwigen. De heiligen waren van nature niet anders dan wij, maar zij waakten met grotere behoedzaamheid.” Vervolgens stelt hij het voorbeeld van de Heilige Moedermaagd voor en noemt al hare deugden op, maar insgelijks hare handelingen en hare pogingen om de reinste deugden te beoefenen. Na het voorbeeld van de Heilige Maria voorgesteld te hebben, doet hij dat van de heilige Tecla volgen, wier maagdelijk lichaam de leeuwen zelfs, die minder wreed dan de mensen waren, eerbiedigden. Hij voert voorts nog een nieuw voorbeeld van ene jeugdige maagd van Antiochië aan, welke hij niet noemt en die zich veeleer aan alle vervolgingen en gevaar wilden blootstellen dan hare geloften schenden.
In het derde boek behandelt hij de plichten, welke de maagden moeten vervullen om de reinheid te bewaren; zij vermaant haar zich van de wijn, in welke wulpsheid is, te onthouden, de gezelschappen te vermijden, zich op alle Godsvruchtige oefeningen toe te leggen, aanhoudend te bidden, de ziel door heilige overwegingen te voeden, elke dag te beginnen met de geloofsbelijdenis te herhalen, het gebed des Heren en geestelijke liederen te bidden, en die te eindigen met in gestadige ingetogenheid te leven, arbeidzaam te zijn, zich overtollige vreugde en vooral het dansen te ontzeggen; hij schildert vervolgens de dood van de heilige Johannes de Doper af, wiens hoofd Herodes aan de dochter van Herodiades, wijl zij voor hem gedanst had, niet durfde te weigeren; hij vermaant vervolgens de moeders en roept haar toe: “Welke bemerkingen maakt gij, o Christelijke moeders, bij deze gebeurtenis? Leert deze u nog niet, welke grondbeginselen gij aan uwe dochters moet inboezemen en van welke vermakelijkheden gij haar moet terughouden? Zij danst die dochter, maar zij is de dochter van ene overspelige. Dat de moeders derhalve, die de zuiverheid en de schaamte beminnen, aan hare dochters Godsdienstige onderwijzingen en geenszins onderricht in het dansen geven.”
De heilige bisschop, na in deze drie boeken de schoonste lessen aan de maagden gegeven te hebben, schreef insgelijks een boek aan de weduwen gericht en verheft de weduwlijke staat, ofschoon verre beneden de maagdelijke staat, boven het aangaan van een tweede huwelijk, hetwelk hij echter niet veroordeelt. De Christelijke weduwstaat, zegt de heilige, bestaat minder in de onthouding van het huwelijk, dan in de beoefening van de deugden; deze staat is gestaafd en goedgekeurd door de leer van de heilige Paulus en door de voorbeelden van de meest beroemde weduwen van het Oude en Nieuwe Verbond, zoals hij noemt als voorbeeld Noëmi, Judith, Debora, Anna en anderen. Vervolgens spreekt hij van het gedrag, hetwelk haar past, beantwoordt de opwerpingen, welke men tegen de weduwstaat aanvoert, lost deze op en met voorzichtigheid verklaart hij, dat ofschoon die staat als meer volmaakt en gelukkiger beschouwd wordt dan die van het huwelijk, hij het beleven daarvan niet als een streng bevel wil aangemerkt hebben, veel minder dat hij de tweede huwelijken veroordeelt; hij gaat zelfs nog verder, want van derde en vierde huwelijken sprekende, vergenoegt hij zich met te zeggen, dat hij deze niet goedkeurt, zonder deze evenwel als ongeoorloofd te verwerpen.
Later vervaardigde de heilige Ambrosius nog ene verhandeling over de maagdelijke staat, welke wij als een gedeelte of vervolg van het derde boek kunnen beschouwen; hij geeft in deze verhandeling over de maagdelijke zuiverheid nieuwe beschouwingen of breidt zijne vroegere uit; hij schijnt hierbij bijzonder ten doel gehad te hebben zijne beoordeelaars te weerleggen. “Hoe,” zegt hij, “de heidenen vereren te midden van hunne onheilige altaren en heiligschennende offeranden de maagdelijke zuiverheid! en ofschoon zij noch de ware Godsvrucht, noch de Godsdienst van het hart kennen, zo overladen zij diegenen met lofspraak, welke de reinheid van het lichaam bewaren. Niemand hunner heeft ooit hunne maagden van de onheilige plechtigheden van de afgodendienst afgewezen, en zouden de Christenen dan de maagden van de altaren durven te verwijderen, wanneer zij voor dezelve verschijnen om zich aan Jezus Christus toe te heiligen! Onder de heidenen dwingt men zelfs de jonge dochters om ene staat te omhelzen, welke verdiensten zij niet kennen, en men zou onder ons ene deugd, welke wij altijd moeten verheerlijken, als niet te beoefenen beschouwen! Bij de afgodendienaars bezigt men geweld en list om de huwelijken te beletten, en onder ons dwingt men er toe door de beledigingen, waarmee men de maagdelijke reinheid overlaadt. En zouden de bisschoppen, zonder zich te beklagen, dusdanige wanorde moeten dulden? Zouden zij zich niet veel liever aan de dood, wanneer deze gevorderd werd, behoren prijs te geven, dan te dulden, dat eer der maagdelijke reinheid gehoond en vertreden werd? Ik beschuldig niemand, ik noem niemand, ik wil mij slechts rechtvaardigen; men heeft klachten tegen mij ingebracht en, indien ik mij niet bedrieg, zijn dezen onder u aangeheven. Wel, gij spreekt in het openbaar over de maagdelijke reinheid, zegt men, men hoort u en omhelst die staat. Gave God, dat men mij kon overtuigen met een aanmerkelijk getal voorbeelden aan te voeren…. Men moet mij voorbeelden en daden tegenstellen, maar geen woorden, die in de lucht gesproken zijn. Ik belet de jonge maagden van te trouwen! Hoe? met haar de sluier te doen aannemen, haar aan de Godsdienst toe te heiligen en haar tot eeuwige maagdelijke reinheid te verbinden. Maar, is het misdaad niet te veroorloven, dat maagden van de voet der altaren weggerukt en tot het huwelijk gedwongen worden! Zijn dan om mij heen de dingen zo veranderd, dat men het mij, terwijl ik mij beijver liefde tot de zuiverheid en zucht tot de maagdelijke staat in te boezemen, tot schande en smaad rekent, terwijl de bisschoppen zulks als een titel tot roem beschouwd hebben? Dat men mij aantoont, waarin ik bij het aanmanen tot maagdelijke reinheid ongelijk heb. Is die zaak in zich zelve niet goed, iets nieuws of onnut? Is het iets nieuws? Niemand twijfelt of men moet alles veroordelen wat niet van Jezus Christus komt; Hij is de enige weg welke wij behoren te bewandelen, en wij zullen de eerste zijn die onze leer veroordelen, wanneer men ons overtuigt, dat zij niet die van Jezus Christus is. Dat wij derhalve onderzoeken wat Jezus, wat de Apostelen ons leren. Men werpt ons tegen: wat zal er van de wereld worden? het huwelijk veroordelen is aan het ganse menselijk geslacht de oorlog verklaren. Ik vraag op mijne beurt, wanneer heeft men ooit ene vrouw gezocht en die niet gevonden? In welke landstreek heeft men oorlog moeten voeren om ene huisvrouw te verkrijgen? Wie heeft ooit zijn leven opgeofferd uit liefde voor ene maagd? Het huwelijk heeft veeleer deze schadelijke gevolgen veroorzaakt, wanneer men één door overspel beledigd echtgenoot wreekte, de wapenen tegen de schender opnam. O hoeveel staten zijn om die rede in het verderf gestort!” Hij verklaart vervolgens, dat het ene grove dwaling is te beweren, dat de maagdelijke staat aan de voortplanting der menselijke maatschappij hinderlijk zou zijn. “Het is bewezen, dat daar, waar men weinige maagden aantreft, ook de bevolking minder is; terwijl die steden, waar de maagdelijke staat in ere is, op groter getal inwoners kunnen roemen. Hoeveel maagden schenken Alexandrië, de gewesten van Afrika en het ganse Oosten jaarlijks aan hunne kerken. Ik durf zeggen, dat er te Milaan minder mensen geboren worden, dan ik die streken maagden zich de Heer toewijden. Is dit gebruik door de ganse wereld geen overtuigend bewijs, dat de maagdelijke staat hoogst voordelig is, vooral sedert ene maagd (de Heilige Maagd) de Zaligmaker der wereld gebaard heeft, aan wie het Romeins keizerrijk deszelfs vruchtbaarheid te danken heeft. Niet de maagdelijke staat, maar de oorlogen en de zeeën verminderen het menselijk geslacht. Wie vordert, dat men de sluier niet geeft als aan ene in jaren gevorderde maagd? Ik ben van gevoelen, dat een bisschop geen voorzorgen genoeg nemen kan, opdat men niet te jong die staat omhelst. Dat hij vooral in het oog houdt, welke jaren zij, die de sluier vraagt, bereikt hebben, maar dat hij nog meer toe ziet hoe sterk haar geloof en roeping is, en of zij van beproefde reinheid zij; dat hij onderzoekt of zij de ernst der rijpe jaren bezit, een nadenkend gedrag heeft en zeden welke ene langdurige gewoonte van strijd en overwinning op de hartstochten gevormd hebben. Of zij onder het oog van ene waakzame moeder opgevoed en streng is in de keuze van hare gezellinnen. Deze hoedanigheden vullen de jaren aan; heeft zij deze niet, dan moet men haar uitstellen; haar ontbreken de deugden en niet de jaren. Ene maagd vindt Jezus geenszins langs de wegen en op de pleinen; dat zij Hem dan niet zoeken waar Hij niet te vinden is. Jezus Christus is de vrede, in de grote wereld heerst onrust en tweedracht; Jezus Christus is de rechtvaardigheid, de wereld is vervuld met ongerechtigheden; Hij is arbeidzaam, daar is alles ledigheid en werkloosheid; Jezus is liefde, in de wereld is lasterzucht; Gods Zoon is steeds getrouw, de wereld bemint het bedrog, de list en trouweloosheden. Hij is in de Kerk en men treft in de wereld de afgoden der ijdelheid aan.”
Het boek of de verhandeling, welke de heilige Ambrosius later schreef, onder de titel van “onderricht aan ene maagd,” is ene weerlegging van Bonosus, die de dwalingen van Helvidius weer begon te verspreiden en staande hield, dat de Moeder des Verlossers niet altijd maagd gebleven was. De heilige aartsbisschop van Milaan beroept zich op het onderricht, dat hij aan Ambrosia, ene edele jonge dochter van Boulogne, had medegedeeld, welke onder zijne leiding geplaatst was en die hij de maagdelijke sluier gegeven had. Hij bewijst de maagdelijke reinheid van de Heilige Maria, ontzenuwt de tegenwerpingen, die er tegen ingebracht worden en bevestigd zijne voorstellingen door de Heilige Schrift. “Verschijn nu, o nieuwe Moeder van het menselijke geslacht,” zo spreekt de heilige Ambrosius tot de Heilige Maria, vertoon u, o Eva, niet de schuldige, welke uit het paradijs gebannen werd, maar de hemelse bewoonster van het koninkrijk des Allerhoogsten! Vruchtbare Sara, die niet meer in smarten baart, maar in vreugde en blijdschap de geboorte schenkt aan duizenden Isaaks…. Neen, er bestaat geen schepsel over hetwelk Jezus Christus zijne genade overvloediger uitstortte dan over zijne Moeder. Er is er geen, voor welke hij meerdere en luisterrijker kronen bereid heeft…. God heeft aan anderen geloofd, dat zij niet zouden afwijken en zou Hij dan toegelaten hebben, dat zijne Moeder haren glans en het allergrootste voorrecht verloor? Zeker niet. Neen Maria, de Leermeesteres der maagdelijke zuiverheid, heeft niet de minste verduistering ondergaan. Ik neem haar Goddelijke Zoon tot getuige; op het ogenblik dat Hij bereid was om aan het kruis de geest te geven, stelt Hij zijne laatste wilsbeschikkingen vast. Van wie weten wij zulks? Van die Apostel, die het diepst in de geheimen doorgedrongen is; de anderen verhalen ons, dat de aarde beefde, dat de zon haar licht onttrok, dat Jezus vergiffenis voor zijne vervolgers smeekte, maar de wel beminde leerling, die alle geheimen der wijsheid uit de boezem van zijnen Meester geput heeft, houdt zich niet tevreden met de wonderen en weldaden van de Verlosser te verbreiden, hij tracht vooral de waarheid, dat Maria in haren maagdelijke staat volhard heeft, door zijne getuigenis te bevestigen: “Vrouw,” zegt Hij aan haar, “zie uw zoon;” en aan de leerling; “zie uwe Moeder!” Waarom beveelt Hij haar aan Johannes? Omdat zij maagd is. Sluit dan goddelozen uwen ijdele, heiligschendende mond en gij Godvruchtige zielen opent uwe oren. Jezus spreekt van het kruis, maakt zijne uiterste wil. Hij schort met zijne offerande enige ogenblikken het werk van onze verlossing op, om aan zijne Moeder de eer toe te kennen, welke Hij haar verschuldigd is. Door zijn testament, stelt Hij Johannes in zijne plaats en vermaakt aan zijne Moeder een beschermer van hare zuiverheid, een getuige van hare maagdelijke reinheid….” “Gaat uit,” vervolgt de heilige, terwijl hij de maagden aanspreekt, “gaat uit en verlaat deze enge grenzen, in welke de begeerlijkheid en bekommeringen der wereld u trachten terug te houden. Verzaakt de genoegens van het vlees en van de zinnen, weest in uwe ogen vreemdeling in het lichaam, waarmee gij omkleed zijt, opdat gij u in Gods tegenwoordigheid moogt verheugen…. Eenmaal gestorven aan de wereld zijnde, zo bezoedelt noch uwe handen, noch uw hart met het bederf der wereld; houdt u gestadig van haar verwijderd, altijd bezig met de heilige gezangen, niet ter ere van ene sterfelijke mens, maar van God; bewaart en overweegt gestadig, volgens het voorbeeld van Maria, in uw hart de woorden, welke gij over Jezus Christus gehoord hebt.” De heilige sluit deze verhandeling met een uitmuntend gebed en smaakt de Verlosser, dat Hij deze bruiloft bijwoont, dat hij de leidsman en steun mogen zijn van de maagd, welke hij Hem aanbiedt.
In het jaar 393 schreef de aartsbisschop nog ene verhandeling of vermaning over de maagdelijke staat, ter gunste van Juliana, ene weduwe, welke te Florence woonde en wier drie dochters deze staat omhelsd hadden.
De werken van de heilige Ambrosius betreffende de maagdelijke staat, sluiten met de harde berisping ener maagd, die haren heilige staat door misdaden bezoedeld had. Daar men zodanige harde berisping ook bij de heilige Hieronymus en de heilige Basilius vindt, heeft het gevoelen, dat de heilige Ambrosius geenszins de steller van dat stuk zou zijn, bij vele schrijvers veld gewonnen; wat er ook van zij, het stuk zelf is ene Ambrosius waardig, want al de kracht en moed eens priesters, die met vuur de misdaad bestrijd, straalt in het ganse stuk door; hij tracht haar, die de genade en de voorrechten der onschuld en deugd verloren heeft, tot ene heilige schaamte terug te brengen. “Indien het u thans onmogelijk is,” zegt de steller, het oog der mensen te verdragen, waar zult gij dan blijven, wanneer gij eenmaal voor de heilige aartsvaders, de rechtvaardigen en profeten, voor de vergadering der onbevlekte maagden en heilige engelen zult gedaagd worden? Zult gij dan niet beschaamd staan, ja als verpletterd worden door de bliksemstralen, welke hunne vlammen op u zullen werpen? Uw vader, uwe moeder, die thans in tranen zwemmen en wanhopig zijn, hadden nooit de schande, welke hun geslacht nu treft, kunnen verwachten; zo gij voor uwe misdaad gestorven waart, zouden uwe ouders uw verlies beweend hebben; maar die tranen waren dan niet zonder vertroosting geweest; maar nu zijn zij veroordeeld om u te bewenen als dood en levend, dood aan de glorie der maagdelijke zuiverheid, welke gij verloren hebt, levende voor de schande, waarmee gij hen en u zelve overladen hebt. Gij hebt uit uwe gedachten het denkbeeld kunnen uitwissen van de dag, op welke gij u aan de voet van het altaar voorgesteld hebt, om er de heilige sluier te ontvangen; deze was de plechtige Paasdag; toen wandelde gij onder de menigte van ontelbare gelovigen als ene koningin, die zich met haren Bruidegom ging verenigen; bij het helder licht der fakkels, die de nieuw gedoopten in hunne handen droegen, omringd en begeleid door de nieuwe Christenen, die zo verlangend naar het koninkrijk der hemelen opzien; gij hebt de vermaning en uitnodiging, welke u in die ogenblikken gedaan werden, kunnen vergeten, toen men u zei: kom mijne dochter en zie, neig uw oor, maagd van Jezus Christus, “en vergeet uw volk en het huis uws vaders, en de Koning zal behagen in uwe schoonheid hebben; want Hij is de Heer uw God….” Indien ene ontrouwe bruid, slechts aan ene sterfelijke mens verenigd, volgens de tijdelijke wet de dood verdient, welke straf verdient dan ene overspelige, die zich jegens de hemelse Bruidegom schuldig maakt? Dan mijne droefheid zou nog enige vertroosting hebben, indien gij slechts u zelve beschadigd had, maar hoeveel zielen zijn niet gewond geworden door de verergernissen, die gij gegeven hebt? Voor hoeveel Christenen zijt gij ene aanleiding, dat zij hunnen mond door godslasteringen bezoedelen met de weg des Heren te veroordelen; gij zijt zelve oorzaak, dat de heidenen ons met bittere smaad overladen en dat de synagoge, met uwe zwakheid de spot drijvende, op uwe schande roem draagt als op ene stoute overwinning, welke zij op onze Kerk behaald heeft. God intussen, die door de mond van zijnen profeet gesproken heeft: “Ik wil de dood van de zondaar niet, maar dat hij zich bekeert en leeft,” biedt u een redmiddel aan, een geneesmiddel voor uwe wond, de boetvaardigheid; hoe afschuwelijker uwe misdaad is, hoe strenger uwe boete moet wezen. Omhang u met rouwgewaad, snijd uwe hoofdharen af, die uwe ijdelheid gediend hebben en gelegenheid tot uwen val geweest zijn, oefen over u zelve ene heilige wreedheid; ene grote en diepe wond vordert scherpe en voortdurende heelmiddelen, ene grote misdaad wil noodzakelijk ene grote en gestadige boetoefening.”
Middelerwijl wij de heilige Ambrosius zien ijveren, om de zaden der boosheid onder de hem toevertrouwde kudde uit te roeien en Godsdienst en deugd te doen bloeien, trof de gramschap des Heren het Romeinse rijk en vooral het oosterse gedeelte; de hemel oefende zijne waak op keizer Valens, de beschermer der Arianen en vervolger der Katholieke Kerk, daar de Gothen de keizerlijke gewesten en legers verdelgden. Valens begaf zich met zijn leger naar Thracië en wilde zijnen vijanden het hoofd bieden; voortgerukt tot bij Adrianopel, ontving hij bericht, dat zijn neef keizer Gratiaan roemrijke voordelen op de Germanen of Allemannen behaald had en hem met ene kloeke krijgsmacht te hulp kwam, doch zijne na-ijver op de overwinningen, welke deze jeugdige vorst steeds wist te behalen, veroorloofde zijnen hoogmoed niet zijnen redder te wachten. Gratiaan ondertussen, steeds getrouw aan het Katholieke geloof, verlangde vurig, om zich tegen de goddeloze leerstellingen, welke het Oosten overstroomden en door Valens ondersteund werden, te waarborgen; hij wilde zich tegen de vijand met het schild des geloofs en met het zwaard van de Heilige Geest wapenen, want de Godsdienstige keizer was overtuigd, dat de overwinning meer van het geloof en Godvrezend betrouwen van de veldheer, dan van de moed der soldaten afhing. Hij verzocht de heilige Ambrosius om een stuk op te stellen, waarin het geloof in Jezus Christus met juistheid ontwikkeld en de Godheid van de Zaligmaker bevestigd werd. De heilige verontschuldigde zich eerst, wijl zijne zaligheid en ootmoed hem deden geloven, dat hij deze grote geloofswaarheden niet in een kort bestek zou kunnen toelichten. Gratiaan intussen ontbood hem in Gallië en wist hem zo te bewegen, dat hij aanstonds naar Milaan terugkeerde, om aan het verzoek te voldoen, en nu vervaardigde Ambrosius spoedig twee boeken, getiteld: “over het geloof,” welke hij die vorst weldra toezond. Dit werk, bij hetwelk hij zeven of acht maanden later nog drie andere boeken voegde, werd door Gratiaan met de meeste belangstelling en voldoening gelezen; het werd zowel in het Oosten als in het Westen bekend en op de algemene kerkvergadering van Ephese met belangstelling aangehaald. Nadat Ambrosius bewezen had waar het Katholiek geloof in bestond, betoogt hij de eenheid der Goddelijke natuur en de Drievuldigheid in Personen; hij bestrijdt met kracht en overtuigend de voornaamste dwalingen der Arianen, verklaart de vereniging van de twee naturen in Jezus Christus, belooft aan Gratiaan de overwinning op de Gothen en geeft zijn betrouwen te kennen, dat de bescherming, welke die vorst aan de kerk verlenen zal, er de vrucht van zal wezen. Valens intussen bedierf alles door zijne overhaasting; bij Adrianopel waagde hij zich vermetel, mende zich roekeloos in een gevecht en kwam rampzalig om het leven. In ene hut gevlucht zijnde, om zijne wonden te doen verbinden, werd hij van vijanden omgeven en verbrand, en men kan zijnen dood als ene rechtvaardige straf des hemels beschouwen; deze vervolger van de Katholieken had daarenboven de stad Antiochië met de afschuwelijkste wreedheid behandeld, hare huizen in brand gestoken en de straten met stromen van schuldeloos bloed bezoedeld, zodat men van hem zei, dat hij aan Antiochië alleen reeds verdiend had door het vuur om te komen.
De Gothen, door hunne laatste voordelen onhandelbaar geworden, verwoestten geheel Thracië te vuur en te zwaard en drongen tot aan de Alpen door. De heilige Ambrosius had nu weer nieuwe gelegenheid om zijne liefdadigheid jegens duizenden ongelukkigen te beoefenen, terwijl hij de vluchtelingen, die uit Illyrie in Italië ene schuilplaats zochten en grotendeels Ariaans gezind waren, met liefde opnam; hij liet hen evenwel bewaken door Constancius, bisschop van Imola, in welk bisdom zij merendeels verspreid werden, ten einde te beletten, dat deze nieuwe gasten de Katholieke gewesten door hunne afschuwelijke dwalingen zouden besmetten. De heilige trachtte insgelijks middelen te beramen, om de door de Gothen gevangene gelovigen vrij te kopen en bezigde totdat einde zelfs de gewijde vaten der kerk, welke hij deed verbreken en smelten; hij spaarde evenwel deze eerste reis die vaten, welke geheiligd waren om het lichaam en bloed van Jezus Christus te ontvangen en bewaarde deze om in grotere behoefte te voorzien. De Arianen, die in alles op zijn gedrag acht gaven, bleven geenszins achter om hem over zijne handelingen in een kwaad daglicht te stellen en hem van heiligschennis te beschuldigen, doch hij verdedigde zich met aan te voeren, dat hij dusdanige omstandigheden het voor de Kerk roemwaardiger en nuttiger was, zielen die door het bloed van Jezus vrijgekocht waren, voor God te bewaren, dan het goud te bewaren, terwijl de schatten der kerk aan de behoeften der armen en hulpbehoevenden steeds dienstbaar moesten zijn; dat men daarenboven met de gevangenen vrij te kopen niet slechts het leven der mensen en de eer der vrouwen beveiligde, maar het geloof der zwakken en de jongelingen vrijwaarde, die aders lichtelijk door de dwang der ellende gedwongen konden worden om in ketterij of in afgoderij te vallen.
Door de dood van Valens verkreeg Gratiaan insgelijks de heerschappij over het oostelijke gedeelte van het Romeinse rijk. Daar het keizerrijk van alle zijden door vijanden bestookt en aangevallen werd, schonk de vorst de veldheerswaardigheid aan de dappere Theodosius, die evenals zijn vader in Afrika en Groot-Britanje menige overwinning behaald had. De ondankbare en wrede Valens had deszelfs vader, uit nijd wegen zijne krijgsman deugden, laten om hals brengen en de zoon had zich in Spanje gevestigd, waar hij buiten bediening leefde. De jeugdige Theodosius maakte zich een beter lot waardig; door de overwinningen, welke hij op de Gothen behaalde, schonk hij de vrede aan het ganse rijk; Gratiaan gaf hem op 19 Januari 379 het purper en verklaarde hem tot mede-regent van het Oostelijke rijk. Theodosius was tweeëndertig jaren oud, met grote begaafdheden versierd, die hem de naam van “de grote” deden verdienen. Onder het oog van zijnen verdienstvolle vader, één der grootste veldheren van zijnen tijd, opgewekt, had hij met eer gestreden en daarenboven in de school van roem en ellende grote ondervinding verworven; zijne benoeming tot keizer vond algemeen bijval; Gratiaan gaf hem het Oostelijke rijk, waarbij hij een groot gedeelte van Illyrie voegde; zijne heerschappij werd dus uitgestrekt over Dacie, Mosie, Dardanie, Macedonië, Epirus, geheel Giekenland, Kreta en alle andere eilanden omstreeks Griekenland. Het Westelijk Iiiyrie bleef aan het Westelijke rijk en Thessalonica werd de hoofdstad van het Oostelijke Illyrie.
In hetzelfde jaar omtrent de lente 379, verloor de heilige Ambrosius zijnen broeder Satyrus, en daar wij op de feestdag van die heilige, welke op 17 September valt, niet van hem gewaagd hebben, menen wij de gelovigen met deze waardige broeder van de grote aartsbisschop enigszins te moeten bekend maken. Behalve de gelijkheid van bediening, want Satyrus onderscheidde zich evenals Ambrosius in de pleitzaal en maakte zich door zijne rechtvaardigheid, wijsheid en oprechtheid in het gewest dat hij bestuurde zeer bemind, bestond er zelfs zodanige gelijkvormigheid tussen de broeders, in voorkomen, houding, gelaatstrekken, zeden en neigingen, dat men meermalen de ene voor de andere aanzag. Toen de heilige Ambrosius op de zetel van Milaan geplaatst was, belastte Satyrus zich met het tijdelijke en begaf zich naar Milaan bij zijnen broeder. Toen zag men nog beter de gelijkvormigheid van geest en hart, welke tussen hem bestond. Heilige Ambrosius zich in de verheven stand, waarin hij door de Heilige Geest geplaatst was, Satyrus trachtte zich insgelijks in de zijnen te volmaken. Hij leefde ingetogen, eenvoudig en in onthouding, en die zuiverheid van lichaam was bij hem het zinnebeeld van de reinheid van ziel en hart, doch ofschoon hij het besluit genomen had van zich in het huwelijk niet te verbinden, deed hij evenwel plechtige gelofte van onthouding, hetzij om zich niet aan het gevaar bloot te stellen van in ijdelheid te vervallen, met groot te gaan op de zo uitmuntende deugd van maagdelijke reinheid, hetzij, zoals hij op zijn sterfbed verklaarde, om zich niet te moeten afzonderen van hen, welke hij zijne dienst meende te moeten bewijzen. Zijn groot vermogen had op hem niet die schadelijke invloed, welke de rijkdommen veelal uitoefenen, want hij gebruikte ze op ene wijze, welke van zijne armoede van geest getuigde. Hij was bij uitstekendheid milddadig jegens de noodlijdenden en overtuigd, dat God hem zijne tijdelijke goederen met woeker in de eeuwigheid zou belonen. De heilige Satyrus was de middelste broeder tussen zijne zuster Marcellina en zijnen broeder Ambrosius, doch aan beiden gelijk in grootmoedigheid, in zuiverheid en heiligheid; beide stelden een onbepaald vertrouwen op hem en hij maakte zich als hun zaakverzorger, hun vertrouwen meer en meer waardig. Ambrosius had bovendien een zo goed gevoelen van zijne wijsheid en voorzichtigheid, dat hij hem in de belangen tussen hem en zijne zuster steeds raadpleegde, terwijl beiden in zijne uitspraak berustten. Gedurende vier jaren mocht de heilige bisschop het aangename van het behulpzaam verkeer met dusdanigen broeder smaken; toen er zich ene storing opdeed, op welke weldra het afsterven van Satyrus volgde. Een zekere Prosper had zich wederrechtelijk enige goederen van Ambrosius, voordat deze bisschop was, weten toe te eigenen; de broeders begonnen aanstonds hunne zaak door te zetten, doch vorderden niet, terwijl de overweldiger zich vleide, dat de bisschop van Milaan hem rustig in zijne onrechtvaardige bezitting zou laten. Satyrus oordeelde, dat hij, als het beheer der goederen hebbende, zich die zaak nog meer moest aantrekken; hij wilde Prosper tot de voldoening noodzaken en begaf zich dienvolgens op reis naar Afrika; het jaargetijde maakte de onderneming zoveel te moeilijker en de heilige Ambrosius, die het gevaar van de overtocht inzag, deed alle pogingen om zijnen broeder terug te houden en een ander in zijne plaats te zenden; doch Satyrus, die voor het belang van de bisschop waakte en de goederen van de onrechtvaardige bezitter billijk terugvorderde, liet zich niet afschrikken, begaf zich op reis, maar leed schipbreuk. Het schip stootte op de zandbanken en klippen en werd verbrijzeld; ofschoon hij niet vreesde te sterven, was hij evenwel zeer bezorgd, dat hij beroofd zou blijven van de Heilige Geheimen, omdat hij het heilig doopsel nog niet ontvangen had. Het was in die dagen de gewoonte, dat de Christenen, wanneer zij zich op reis begaven, he aanbiddelijk geheim der Eucharistie meenamen; het geloof schonk kalmte aan zijne ziel en daar hij als nog niet gedoopt zijnde, het Heilig Sacrament niet kon ontvangen, liet hij het in ene doek wikkelen en om zijnen hals hangen. Dus uitgerust wierp hij zich in zee en zette zonder enige hulp het eerste voet aan wal en redde bovendien de anderen; Satyrus bekommerde zich niet met het redden zijner goederen, maar dacht slechts om God voor zijn levensbehoud dankbaar te zijn; hij was overtuigd, dat het aanbiddelijk Sacrament, hetwelk hem, terwijl hij het uitwendig droeg, behouden had, hem grotere bijstand zou verlenen, wanneer hij zich door de heilige nuttiging met Jezus Christus verenigde. Satyrus verlangde derhalve gedoopt te worden en bad de bisschop van de plaats, om hem dit Sacrament, hetwelk vervolgens door het Heilig Vormsel en de Heilige Communie gevolgd werd, toe te dienen; maar wetende dat God de genade, aan deze Sacramenten verbonden, slechts aan de oprechte gelovigen schenkt, wilde hij zich eerst van de rechtzinnigheid van de prelaat verzekeren; hij onderzocht of hij met de Katholieke bisschoppen, dat wil zeggen met de Kerk van Rome, zoals Ambrosius, uit wie wij deze geschiedenis afschrijven, verzekert, in gemeenschap was, maar weldra ontdekte hij, dat die bisschop tot de scheuring van Lucifer van Cagliari behoorde en nu wilde hij zich liever nog eens aan de gevaren der zee blootstellen, dan het doopsel uit handen van ene scheurmaker te ontvangen; hij ging op reis en zodra hij zich onder Katholieken bevond, ontving hij het heilig doopsel, hetwelk hij getracht had te verdienen door ene heilige voorbereiding van zijn ganse leven, en waarvan hij de genade ongeschonden zijne overige dagen bewaarde. Ene ziekte, welke hem overviel, hield hem gedurende enige tijd in Afrika. God schonk hem de gezondheid terug; Prosper voldeed aan alle billijke vorderingen en Satyrus keerde nu zonder toeven naar Milaan terug. De blijdschap, welke de heilige Ambrosius smaakte, bij het terugzien van zijnen geliefde broeder, werd weldra in droefheid veranderd; Satyrus werd andermaal ernstig ziek en God scheen hem slechts teruggevoerd te hebben, om hem uit de armen van de heilige aartsbisschop van Milaan tot zich te roepen. Ambrosius drong hem om zijnen uiterste wil op te stellen, doch de stervende wilde er niets van weten, maar benoemde hem tot zijnen erfgenaam en beval hem slechts de armen en enige vrienden aan; hij toch was verzekerd van het goed gebruik, dat Ambrosius van zijne goederen zou maken. Satyrus stierf in de armen van de heilige Ambrosius en de heilige Marcellina, welke de tederste plichten der natuur en van de Godsdienst aan hem vervulden. Zij verdeelden de nagelaten goederen onder de armen. Zijne uitvaart werd met grote plechtigheid verricht; onaangezien de smart, welke de heilige bisschop van Milaan drukte, sprak hij zelf bij het ten toon gestelde lijk zijns broeders ene treffende lijkrede uit, liet hem vervolgens in zijne kerk begraven, en men vergaderde volgens gewoonte de zevende dag weer bij het graf, om er de Heilige Geheimen op te dragen. Andermaal hield Ambrosius ene rede voor het volk, niet zo zeer om zijne smart, zoals in de eerste, uit te drukken, als om allen te leren, hoe men zich door het geloof aan de verrijzenis des vlezes moet trachten te troosten hij het verlies van onze dierbaarste betrekkingen. De Kerk vereert de gedachtenis van de heilige Satyrus op 17 September.
Terwijl keizer Gratiaan, na Theodosius tot de keizerlijke waardigheid verheven te hebben, zich gereed maakte om van Sirmich in Pannonie naar Gallië terug te keren, werd hij lastig gevallen door twee bisschoppen uit Illyrie, Palladius en Secondianus geheten, de enige, welke in de Westerse kerk de ketterij van Arius aankleefden. Beiden beklaagden zich bij de vorst dat men hen als ketters behandelde en drongen er op aan, dat men een algemeen concilie zou bijeenroepen in het Oosten, wijl zij hoopten van die zijde mee bijval en bescherming te erlangen. De keizer stemde toe en bepaalde de stad Aquilea, zonder evenwel de tijd der bijeenkomst vast te stellen. De heilige Ambrosius merkte later de keizer op, dat het onnodig was, om ten gunste van twee ketterse bisschoppen alle prelaten van het ganse gebied der beide keizers te bemoeilijken, en dat hij met de bisschoppen van Italië wel in staat was hun te antwoorden. Gratiaan stemde in deze raad toe en verschoonde zelfs de bisschoppen van Italië van de reis, die hetzij om hunne hoge jaren, zwakheid of behoeften belet werden om te verschijnen, terwijl hij bovendien aan elk vrijheid verleende om er tegenwoordig te zijn. Het concilie evenwel werd eerst twee jaren later bijeengeroepen.
De keizer schreef ene eigenhandige brief vol eerbied en gevoel van Godsvrucht aan de heilige Ambrosius, en bad hem van tot hem te komen, ten einde hem meer en meer in de geloofswaarheden, ofschoon hij van dezelve geheel overtuigd was, te onderrichten en hem de verhandelingen, welke hij hem het vorige jaar gegeven had, met bijgevoegde bewijsstukken over de Godheid van de Heilige Geest terug te zenden. De heilige werd zeer getroffen over de goede gesteldheid des keizers, antwoordde hem en zond hem de twee boeken, terwijl hij besloot om de tijd te nemen dezelve aan te vullen en vervolgens ene verhandeling over de Godheid van de Heilige Geest te schrijven. Hij maakte zich gereed om naar de keizer te gaan, toen deze hem voorkwam en op 3 Augustus te Milaan kwam. Hier maakte hij ene wet, waarbij hij die, welke te Sirmich uitgevaardigd was, betrekkelijk de vrijheid der andere sekten, introk. Hij verbood aan alle ketters zonder uitzondering, om hunne dwalingen te verspreiden en te herdopen, en aan bisschoppen, priesters en diakenen om vergaderingen te houden. De heilige Ambrosius voldeed weldra aan het verlangen van de vorst, met de geloofswaarheden breedvoeriger te behandelen dan in de twee boeken, welk hij hem had gezonden, geschied was. Ambrosius vervaardigde nu opnieuw drie boeken over het geloof en legde zich met de meeste ijver toe, om de schriftuurplaatsen, welke de Arianen ten hunnen voordele aanvoerden, te verklaren en dit werk van de heilige behelst de vijf boeken over het geloof, die wij thans nog bezitten.
Omtrent deze tijd stond de zetel van Sirmich, hoofdstad van Illyrie, open; het was hoogst nodig spoedig ene goede keuze te doen om de rampen te helen, welke de ketter Photinus en na hem de bisschop Germanus aan deze kerk berokkend hadden. De heilige Abrosius, ofschoon Sirmich buiten zijn gebied en buiten het vicariaat van Italië lag, meende er in persoon te moeten verschijnen, want behalve dat het de gewoonte was, om bij zodanige gelegenheden de kerken te hulp te komen, was het evenwel te vrezen, dat de Arianen, ondersteund en beschermd door keizerin Justina, de bovenhand zouden behouden. De heilige had nu te Sirmich het gezag van die woestijn te bestrijden, wijl zij een bisschop van hare partij wilde gekozen hebben, en tevens tegen ene samenrotting des volks te kampen, hetwelk haar genegen was en hem de kerk wilde doen ruimen; maar de heilige, het geweld niet vrezende, bleef op de verhevene plaats in het midden der kerk, waar de bisschopszetel en de zitplaatsen der priesters gesteld waren. Ene Ariaanschgezinde maagd dreef hare onbeschaamdheid zo ver, dat zij op de verhevenheid klom, de heilige Ambrosius bij zijn kleed trok en hem zo tussen de vrouwen meende te verwarren, die gereed stonden hem te mishandelen en uit de tempel te drijven. De grote bisschop zei haar slechts, dat ofschoon hij een onwaardig mens was, het evenwel hare kunne niet voegde om de handen aan ene priester te slaan en dat zij oordelen des Heren te vrezen had. Gans Sirmich stond verslagen, toen men haar reeds de volgende dag ten grave zag dragen, en werd zeer gesticht door het gedrag van de aartsbisschop van Milaan, die zoveel van hem afhing, het kwaad met goed vergold en het lijk begeleidde. Deze gebeurtenis, welke men als een gevolg van Gods gramschap beschouwde, wierp angst en schrik onder de Arianen, en verschafte de Katholieken de gewenste vrijheid in de keuze en wijding van ene rechtzinnige bisschop. Anemus werd met algemene toestemming op de zetel van Sirmich geplaatst en Ambrosius, na hem de bisschoppelijke zalving te hebben gegeven, ging naar Milaan terug. De keizerin Justina keerde nu hare vervolgenheid tegen de heilige en begon hem als de vooraanstaande vijand van hare sekte meer openlijk te vervolgen. Zonder zich over de bedreigingen der keizerin te verontrusten, handelde hij als een waardig en moedig kerkvoogd; plaatste op de openstaande zetels verlichte, deugdzame en rechtzinnige bisschoppen, deed overal recht wedervaren, roeide de twisten uit en herstelde de wanorde en ongeregeldheden, door het volk en de ketterij der Arianen veroorzaakt. Het kan omtrent dezelfde tijd geweest zijn, dat de rechterlijke uitspraken van de heilige Ambrosius ten uitvoer gelegd werden tegen ene bisschop, die ten nadele der wettige erfgenamen, ene schenking aan zijne kerk had weten te verkrijgen, en dat hij de onschuld van een maagd, Ineticia geheten, verdedigde tegen ene schandelijke maar valse beschuldiging van haren schoonbroeder Maximus, die reeds had weten te bewerken, dat zij door de bisschop van Verona veroordeeld was.
Justina, die de moed en onversaagdheid van de bisschop van Milaan reeds ondervonden had, trachtte hem alle hinderpalen in de weg te leggen, doch dit was nog niets in vergelijking van hetgene zij na de dood van keizer Gratiaan tegen Ambrosius in het werk stelde. Het schijnt, dat zij bij de keizer aanzoek had gedaan om in Milaan ene kerk voor hare sekte te verwerven, en dat Gratiaan daarom één der hoofdkerken in beslag had genomen. Dit geschiedde niet, zoals de heilige Ambrosius zegt, volgens zijne vrije verkiezing. Ofschoon hevig aangedaan, nam de heilige slechts zijne toevlucht tot het gebed en richtte zijne zuchten tot de Heilige Geest, die het hart van de vorst veranderde, zodat hij bevel gaf om de kerk weer aan de Katholieken terug te geven; ofschoon niemand hem daartoe had aangezet, meent men evenwel, dat de heilige Ambrosius hem beloofd had spoedig zijn boek over de Heilige Geest te schrijven, hetwelk de vorst het jaar te voren gevraagd had, en dat hij zich daarover zo zeer verheugde, dat hij uit eigene beweging de kerk deed openen.
In het jaar 381 deed God blijken, dat Hij met de stad Konstantinopel verzoend was, sedert het Katholieke geloof door de ijver van de heilige Gregorius van Nazianze daar hersteld en de kerken aan de Katholieken door Theodosius teruggegeven waren; want terwijl gedurende de overmacht der Arianen, deze stad zich door de Gothen, die zelfs de voorsteden plunderden, als ingesloten gezien had, zag zij op 11 Januari 381 Athenaric, de aanvoerder en machtigste vorst van dat volk, zich aan Theodosius onderwerpen en op de 25e derzelfde maand was zij getuige van de plechtige uitvaart van diens vorst. Onmiddellijk na de kerkvergadering van Konstantinopel, door het gezag van keizer Theodosius bijeen vergaderd en welke men als een algemeen concilie beschouwt, werd in het Westen de kerkvergadering van Aquilea, welke in het begin van 379 door Gratiaan samengeroepen was, geopend. De heilige Valerianus, wiens gedachtenis de Kerk op 27 November eerbiedig herdenkt, was er de eerste in rang, hetzij om zijne hoge jaren, hetzij omdat de vergadering in zijne kerk gehouden werd; doch de heilige Ambrosius was er de ziel en het leven van en geleidde de ganse zaak als eerste bisschop van het gewest Italië, waarvan Milaan de hoofdstad was. Hij opende het concilie en stelde de vraagstukken voor, beschaamde en overwon Palladius Secondianus, verdedigers der Ariaansche factie en nam vervolgens de stemmen op, om de besluiten van het concilie op te maken. Palladius, Secondianus en de priester Attilus, die openbare belijdenis van hunne gehechtheid aan de sekte deden, werden veroordeeld en van hunne waardigheden afgezet.
Omtrent die tijd legde Ambrosius de laatste hand aan zijn boek “over de Heilige Geest,” hetwelk keizer Gratiaan hem drie jaren eerder verzocht had te schrijven; het is in drie boeken verdeeld; Ambrosius volgt daarin de voornaamste leraars der Griekse kerk, als Didymus van Alexandrië, de heilige Athanasius, de heilige Basilius, de heilige Gregorius van Nazianze, de heilige Gregorius van Nyssa, terwijl hij de bewijzen, welke zij van de Godheid van de Heilige Geest geleverd en de gevolgtrekkingen uit deze waarheid afgeleid hadden aan de kerk van het Westen voordraagt. De heilige Vader bewijst tegen de Arianen en Macedonianen, dat men zonder goddeloos te zijn, de Heilige Geest onder het getal der schepselen stellen kan, wijl hij zich zelven onderscheidt met door de mond van de profeet te verklaren: dat alle dingen Hem ten dienste staan, dat Hij het is, die in de Evangelisten gesproken heeft; terwijl de godslastering tegen Hem gesproken, onvergeeflijk is, dat Hij in en door de profeten en Apostelen gesproken heeft, de Geest Gods zelf is, de Geest van Jezus Christus, de Geest van leven en waarheid, aan wie zowel als aan de Vader en de Zoon aanbidding toekomt, dat Hij, daar Hij zelf de schepselen heiligt, met geen schepsel gelijk gesteld kan worden, Hij, die de welbron der goedheid is, in wiens naam zowel als in die van de Vader en van de Zoon het doopsel toegediend wordt, terwijl de Apostelen niet slechts de leerlingen van Jezus Christus, maar de dienaren van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest zijn, en deze drie Personen dezelfde werking hebben, terwijl de Heilige Geest, zowel als de Vader licht, leven, oorsprong des levens, de rechterhand en kracht Gods, de oorsprong van alle heiligheid en de grote stroom is, die het hemelse Jeruzalem bevochtigt. Al zijne voorstellingen grondt de heilige Ambrosius op de uitspraken van de Heilige Schrift, welke door het ingeven van dezelfde Heilige Geest geschreven is.
Omtrent het begin van het volgende jaar 382, werd een ander concilie in Italië onder voorzitting van de heilige Ambrosius gehouden. Men trachtte middelen te zoeken om de vrede in de kerk van het Oosten te herstellen, want deze werd vooral te Antiochië, door twee Katholieke partijen, die elk haren bisschop aan het hoofd hadden, bedreigd; doch wij vinden niet, dat de heilige in zijne bedoelingen slaagde, wijl de kerk van het Westen ten gunste van Paulinus en Theodosius ten gunste van Flavianus gestemd waren. Na van die vergadering teruggekeerd te zijn, beproefde de heilige aartsbisschop om van keizer Gratiaan, die zich nog in Milaan ophield, genade te verwerven voor ene ter dood veroordeelde. De grootmeester van het paleis, Macedonius geheten, weigerde hem op ene zeer onbetamelijke wijze de toegang tot de vorst en liet de deur van het paleis voor hem sluiten, zodat Ambrosius genoodzaakt was huiswaarts te keren. Zonder zich hierover te ontrusten, zei hij tot Macedonius: “Gij zult insgelijks tot de kerk uwe toevlucht nemen, maar deze niet kunnen binnen treden.” Deze voorzegging werd weldra vervuld na de dood van Gratiaan, wilde Macedonius vervolgd wordende, in ene kerk vluchten, doch kon de ingang niet vinden, ofschoon de deuren open waren en hij kwam jammerlijk om hals. Enigen menen, dat de schuldige, voor wie de heilige bisschop lijfsgenade wilde afsmeken, de beambte was, van welke Sozomenes gewaagt. Deze mens, nog heiden zijnde, had zich tegen de eerbied aan de keizer verschuldigd vergrepen, zo zelfs, dat hij de vorst had durven zeggen, dat hij niet waardig was een vader gelijk Valentiniaan te hebben, mogelijk omdat Gratiaan minder verdraagzaam ten aanzien der heidenen was. Hij werd om zijne onbeschaamdheid ter dood veroordeeld. De heilige Ambrosius, wiens liefde zich niet beperken liet, ging naar de keizer, om genade voor deze ongelukkige te vragen, doch om dit te verijdelen had men zorg gedragen, dat Gratiaan zich in zijn park bevond en met de jacht op wilde dieren bezig was. Niemand wilde de vorst boodschappen, dat de bisschop van Milaan hem verzocht te spreken, onder voorwendsel dat hij geheel ontijdig kwam. Dan Ambrosius, meer op de wet der noodzakelijkheid dan die der welvoeglijkheid lettende, wist ene poort binnen te sluipen, langs welke men gewoonlijk de honden binnen liet en stelde zich aan de keizer voor. De vorst stond verbaasd en was niet geneigd om hem de gevraagde gunst toe te staan, en na hem zeer koel geantwoord te hebben, liet hij hem gevoelen, dat hij vertrekken kon. De heilige bisschop verklaarde, dat hij niet zou heengaan voordat hij genade voor de beambte, die men reeds ter dood leidde, verworven had en Gratiaan was gedwongen de bede van de heilige in te willigen.
Bij het einde van dat jaar verscheen de heilige Ambrosius op het voorname concilie, hetwelk Paus Damasus te Rome had bijeen vergaderd. Het vertegenwoordigde de ganse kerk van het Westen en het voornaamste punt dat er behandeld werd, was ene vereniging tussen de Katholieken van Antiochië te bewerken, doch men bereikte het doel niet. De heilige aartsbisschop werd, terwijl hij te Rome was, door ene zeer aanzienlijke en voortreffelijke vrouw, die over de Tiber woonde, uitgenodigd om haar te bezoeken; hij wilde haar dat genoegen niet weigeren en maakte gene zwarigheid om de heilige offerande in hare woning op te dragen. Ene vrouw, welke aan ene verlamming leed, liet zich op een draagbed bij hem brengen; terwijl hij over haar bad en de handen oplegde, raakte zij zijne kleren aan en nauwelijks had zij deze gekust, of zij gevoelde zich hersteld, stond op en wandelde; weldra verspreidde zich het gerucht van deze wonderdadige genezing door de ganse stad en Paulinus, die ons de bijzonderheden van het leven van de heilige mededeelt, verzekert, dat hij deze daadzaak uit de mond van verschillende Godvrezende mensen vernomen heeft. De heilige Ambrosius werd te Rome door ene ziekte overvallen, doch de bijstand en hulp, welke zijne zuster Marcellina hem verleende, droeg zeer veel tot zijn herstel bij. Candida, de gezellin van de heilige Marcellina, die met haar woonde en evenals zij de maagdelijke staat aangenomen had, nam hem bij de hand om dezelve te kussen; Ambrosius herinnerde zich hetgene hij nog kind zijnde gedaan had en zei: “Heb ik u niet gezegd, dat ik u de hand eens bisschops te kussen zou geven?” Hij werd in zijne ziekte bezocht door de heilige Ascolus, bisschop van Thessalonica, die zich mede te Rome bevond om het concilie bij te wonen; beide vrienden, die elkander nooit ontmoet hadden, konden niet ophouden om onder broederlijke omhelzing God te loven, doch onder hunne tranen van blijdschap, vermengden er zich ook over de rampen, die de Kerk en de wereld troffen.
Het zal omtrent deze tijd, zeker althans na zijne terugkomst van Rome geweest zijn, dat de grote bisschop en kerkleraar zijne verhandeling over het “geheim der menswording” tegen de Arianen en andere ketters geschreven heeft. Hij was daartoe aangespoord, omdat twee beambten van het huis des keizers de ketterij van Arius volgden. Bij het eindigen van ene onderwijzingsrede over het Goddelijk “geheim der vleeswording” van het Woord des Vaders, stelden zij hem een vraagstuk voor en beloofden, om zich de volgende dag in de Portiaansche hoofdkerk te zullen laten vinden, om van hem de oplossing te vernemen; op het bepaalde uur dreven zij echter de spot zo met hunne belofte en de bisschop, die gereed stond om te spreken, als met het volk dat vergaderd was. In plaats van in de kerk te komen, gingen zij ene uitspanning nemen en bestegen ene wagen. De heilige Ambrosius ziende, dat terwijl het bepaalde uur verstreek, het volk ongeduldig werd en uiteen wilde gaan, begon het geschilstuk te behandelen; na zijne leerrede vernam hij, dat die beide beambten, door het omvallen van de wagen, jammerlijk om hals gekomen waren. De ootmoedige bisschop wilde hunne gedachtenis niet voor de na-wereld onteren en heeft derhalve noch in zijne werken, noch bij het herzien van zijne leerrede, melding van die gebeurtenis willen maken.
De heilige Ambrosius had grote invloed op keizer Gratianus en deze vorst had onder zijne leiding verschillende bevelschriften, ten ginste van de Godsdienst en de mensheid, uitgevaardigd. Onder deze zien wij dat hij vastgesteld had, dat de ter dood veroordeelden eerst dertig jaren na het gevelde vonnis hunne straf zouden ondergaan, waardoor belet werd, dat de onschuld door overhaasting zou lijden. Op de vordering van de aartsbisschop liet hij uit de vergaderzaal der senatoren het altaar van de godin der overwinning wegnemen, hetwelk er door Juliaan de afvallige hersteld was. Overigens was hij zeer kuis, matig, opgeruimd, weldadig, geregeld van zeden en beminde de Godsdienst, terwijl hij zich beijverde om die in al hare zuiverheden te handhaven en te verbreiden; hij beminde evenwel vurig de jacht en veronachtzaamde daardoor meermalen zijne plichten als keizer, zodat men algemene ontevredenheid liet blijken. De afschuwelijke Maximus, die zich in Engeland bevond, maakte zich die ontevredenheid ten nutte, stond tegen zijnen vorst op, wist de soldaten, die insgelijks zeer ontevreden waren, op te hitsen, zodat het leger hem het purper omhing en tot keizer uitriep. Hij stak naar Gallië over, leverde bij Lyon slag aan de keizer, die van de zijnen verraderlijk verlaten en op 25 Augustus 383 om hals gebracht werd. Hij betreurde niets zo zeer als verstoken te zijn van de troost van de heilige Ambrosius, die hij gewoonlijk zijnen vader noemde; zo stierf deze vorst in ene ouderdom van vierentwintig jaren, waarom de grote aartsbisschop van Milaan van hem zei: “Deze rechtvaardige werd weggenomen, opdat de boosheid zijn hart niet zou bederven.” Hij getuigde bovendien, dat hij hem nooit vergeten en bij de heilige offerande zijnen naam gedenken zou, en dat hij niet twijfelde of zijne Godsvrucht had hem ten hemel gevoerd en zelfs in staat gesteld om er anderen te doen opklimmen.
Maximus had zijne residentie te Trier, destijds hoofdstad van Gallië, gevestigd en liet spoedig blijken dat hij met het gedeelte van het keizerrijk, hetwelk Gratiaan bestuurd had, te weten Gallië, Spanje en Bretagne, niet tevreden was en dat de Alpen geen hinderpaal waren om zelfs Italië te overmeesteren. Het hof van de jonge Valentiniaan, die slechts twaalf of dertien jaren oud was en behalve Italië ook het westelijk gedeelte van Illyrie en Afrika beheerste, stond verslagen bij zodanige onverwachte gebeurtenis en men begon alles van een tiran en overweldiger te vrezen, wijl hem alle macht en het trouweloze leger ten dienste stonden. Men beschouwde de heilige Ambrosius als de enige man, welke men aan het geweld en verraad kon tegenstellen en die de zo verschrikkelijke vijand en diens macht kon staan. Justina, ofschoon zij Ambrosius zeer vijandig was, moest tot hem hare toevlucht nemen en de heilige bisschop werd door haar en de jeugdige keizer als gezant naar de gevreesde Maximus afgevaardigd; de vorstin, die van de goede wil en de uitmuntende hoedanigheden van de prelaat overtuigd was, stelde al de belangen van haren zoon in zijne handen, bracht hem bij Ambrosius en beval hem aan zijne vaderlijke zorgen aan. De aartsbisschop van Milaan omhelsde de jeugdige prins met de grootste genegenheid, aarzelde geen ogenblik om de belangrijke, maar niet minder gevaarvolle zending op zich te nemen en vertrok nog met het begin van de winter. Hij nam Marcellinus, de broeder Maximus, met zich mee; Valentinianus zond deze edelmoedig terug, niettegenstaande hij hem had kunnen gevangen houden en zelfs doen sterven, om de dood van zijnen broeder Gratiaan te wreken. Te Mainz ontmoette de bisschop de graaf Victor, die Maximus naar Valentiniaan, welke hij zocht te misleiden, gezonden had, om de jonge keizer vredesvoorslagen over te brengen. Zodra de heilige Ambrosius te Trier gekomen was en de overweldiger, die men in Gallië als keizer begon te erkennen, bericht van zijne komst had, ontbood hij hem in ene raadsvergadering. De bisschop van Milaan beschouwde zich meer als gezant en dienaar van de prins dan als bisschop, begaf zich zonder andere plichtplegingen in acht te nemen, in die vergadering en meende bij die gelegenheid, Maximus als groter in macht dan Valentiniaan te moeten behandelen, wijl hij van de keizer gezonden was om uit zijnen naam de vrede te vragen. Maximus, op zijne overmacht steunende, wierp de heilige met norsheid voor, dat hij verwacht had, dat Valentiniaan, die hij als zijnen ondergeschikte beschouwde, in persoon voor hem verschenen was. De voorzichtige aartsbisschop vergenoegde zich met op ernstige toon te zeggen, dat daar keizer zijn meester nog een kind en onder de voogdijschap van zijne moeder was, vooral in de winter niet over de Alpen kon optrekken en dat hij slechts gekomen was om met hem over de vrede te onderhandelen, dat derhalve zijne zending zich niet verder uitstrekte. Nadat Maximus vervolgens het gevoelen van zijnen raad ingewonnen had, verklaarde hij de bisschop, dat hij eerst het antwoord wilde afwachten, hetwelk graaf Victor hem uit Italië zou overbrengen, zodat Ambrosius gedwongen was de ganse winter in Gallië te vertoeven; hij liet evenwel ene vasthoudende beradenheid blijken, waarbij hij de belangen van Valentiniaan behartigde en de gevolgen van de kwade wil van Maximus wist af te wenden. De aartsbisschop van Milaan wilde zelfs gene kerkelijke gemeenschap met de tiran houden, die hij altijd als de moordenaar van zijnen keizer bleef aanzien. Victor, gezant van de overweldiger, vond weinig zwarigheid bij de beambten van de keizer te Milaan in de vredesonderhandelingen; men sloot daar de vrede met Maximus, waarvan de voorwaarden evenwel onbekend zijn, evenzeer als die, welke Ambrosius voorstelde en bekrachtigde, doch het blijkt genoegzaam, dat hij zeer krachtdadig gehandeld had, wijl Maximus zich later beklaagde, dat de aartsbisschop van Milaan hem gebonden en belet had Italië in te vallen en het ganse rijk te overmeesteren, waarop Ambrosius antwoordde, dat hij dan gaarne, indien het hem mogelijk geweest was, met zijn lichaam de doortocht der Alpen zou belet hebben.
Wij hebben reeds aangestipt, dat Gratiaan het altaar van de godin der overwinning hetwelk in de zaal van de senaat te Rome stond, had doen wegnemen en aan de afgodenpriesters en Vestaalse maagden hunne rechten en inkomsten, door de heidense keizers hun toegezegd en geschonken, ten voordele van de schatkist ingetrokken had en dat Symmachus zich, uit naam van de senaat, aan Gratiaan tegen deze bevelschriften gewend, maar geen gehoor verkregen had. Toen nu die vorst, gelijk wij opgemerkt hebben, jammerlijk was omgekomen, meende Symmachus van de nog jonge Velantiniaan te zullen verkrijgen wat hij hem zou voordragen, te weten de herstelling van het altaar en de inkomsten der heidense priesters en der Vestalen. Hij deed derhalve in naam van de senaat een besluit bij wijze van beklag nemen, bij afwezigheid van de raadsheren, die Christenen en door de heidenen enigszins gewelddadig uit deze raadsvergadering geweerd waren; vervolgens stelde hij een betoog op, bij wijze van klaagschrift, waarin hij uit naam van de ganse senaat herstel verzocht van hetgene Gratiaan ontnomen had, en zond dit beklaagschrift, in naam van de senaat en als stadvoogd van Rome, aan keizer Valentiniaan. Wel is waar had hij zijn beklag aan de drie keizers, te weten aan Valentiniaan, Theodosius en Arcadius gericht, maar het werd enkel aan Valentiniaan in handen gegeven in zijnen volle raad, voordat iemand enige kennis droeg van hetgene de senaat te Rome vorderde, opdat de bisschoppen zich niet in de vergadering zouden kunnen begeven om zich tegen die vorderingen der heidenen te verzetten. De zaak bleef evenwel voor de heilige Ambrosius niet verborgen en aanstonds stelde bij een verslag op, hetwelk hij aan de keizer zond, waarin hij de vorst overtuigde, dat het hem niet geoorloofd was de afgodendienaars iets toe te staan. Hij betoogde, dat het voor een Christen afschuwelijk was aan Satan iets terug te geven, hetwelk aan de schatkist behoorde, dat zelfs de ijver, welke de heidenen betoonden voor hunne afschuwelijke dienst, tot spoorslag aan de Christenen moest strekken om voor de ware Godsdienst te ijveren; hij smeekte de keizer om eerst Theodosius te raadplegen, die Valentiniaan zijnen vader noemde; bovendien verklaarde de bisschop van Milaan, dat wanneer hij evenwel aan de heidenen hun verzoek zou toestaan, hij dan wel ter kerke kon komen, doch er geen bisschop zou vinden, tenzij om hem en zijne offerande te verwerpen. Hij verzocht eindelijk een afschrift van het beklaagschrift van Symmachus, om het niet slechts te beantwoorden, maar bovendien aan Theodosius te zenden.
Het stuk, door de heilige aan de keizer ingeleverd, is uitmuntend en getuigt van de bisschoppelijke moed, die de heilige Ambrosius kenmerkte en het strekte om Valentiniaan in zijne goede bedoelingen te versterken en hem het antwoord, hetwelk hij in de raad moest uitbrengen, in te geven; want ofschoon het adres aan de keizer door Symmachus werd ingediend voor dat de bisschop van Milaan er enige kennis van droeg, werd de zaak evenwel niet aanstonds doorgezet en het stuk van de grote kerkvoogd in de volle raad voorgelezen; de raadsheren, zowel Christenen als heidenen, schenen reeds hunne mening te kennen gegeven te hebben, zonder evenwel nog een besluit te hebben genomen, om het verzoek van Symmachus in te willigen, en om die rede kan de heilige wel gezegd hebben, dat zij, wanneer zij instemden, slechts naamchristenen waren en op die wijze de afgoden offerden.
De vorst, ofschoon nog een jongeling, toonde door de ijver, welke hem bezielde, een volmaakt man te zijn, want hij volgde de Godsdienstige stemming van zijn hart. Aan de jeugdige Daniel gelijk, was hij de enige in de raad, die door de geest Gods aangevuurd, aan de Christenen hunne flauwhartigheid verweet en de heidenen met vuur beantwoordde. “Hoe durft gij (te) denken,” zei hij, “dat ik u datgene, wat de Godsvrucht van mijnen broeder u ontnomen heeft, zou terug geven?” Hij vervolgde met te zeggen, dat hun verzoek de Godsdienst hoonde en de eerbied zijnen broeder verschuldigd kwetste, en dewijl zij hem het voorbeeld van zijnen vader, onder wiens regering hun niets ontnomen was, herinnerden, antwoordde de edele Prins: “Gij prijst mijnen vader, omdat hij u niets ontnomen heeft, ik doe het evenmin. Maar heeft mijn vader u wel iets toegestaan, dat gij mij zijn voorbeeld kunt tegenstellen, opdat ik zou geven wat gij vordert? En wanneer ook mijn vader u uw verzoek toegestaan had, wil ik liever het voorbeeld van mijnen broeder volgen, die u het altaar aan de overwinning gewijd ontnomen heeft. Mijn vader was keizer, maar ook mijn broeder; men is hun beide derhalve eerbied schuldig. Ik zal dus de ene en de andere volgen; ik zal u nooit terug geven, wat mijn vader u niet heeft kunnen geven, omdat niemand u onder zijne regering iets ontnomen had, en ik zal hetgene mijn broeder vervorderd heeft weten te handhaven. Dat Rome mij ene andere gunst, welke ook, vrage; ik ben in die stad geboren en moet haar als mijne moeder achten, maar ik moet God als de oorsprong van mijne zaligheid, boven alle andere dingen gehoorzamen.”
Ofschoon de heilige Ambrosius omtrent de rechtzinnigheid des keizers niets te vrezen had, oordeelde hij het evenwel voor de eer der waarheid noodzakelijk, om het stuk van Symmachus te weerleggen; hij deed het in ene brief, welke hij aan de keizer Valentiniaan zond. Hij vordert, dat men meer op de grond der zaak, dan wel volgens de regels der welsprekendheid over de waarheid oordeelde; hij geeft zijnen tegenstrever toe meer ervaren te zijn in de kunst van wel te spreken, doch Symmachus heeft evenwel nooit durven wagen iets tegen het uitmuntend werk van Ambrosius, zoals Paulinus het geschrift noemt, te ondernemen; in stuk in de volle raad voorgelezen en al de graven en rijksgroten, die daarbij tegenwoordig waren, stemden toe in al wat de grote bisschop van Milaan betoogde.
Met gelijke moed als Ambrosius tegen het heidendom en tegen de ketterijen te veld trok, ijverde hij insgelijks tegen een misbruik, dat niet slechts in Milaan en Italië, maar evenzeer in andere landstreken onder de Katholieken was ingedrongen, en hetwelk onder de schijn van de martelaren te vereren, grote ergernis veroorzaakte. Op onderscheidene plaatsen namelijk was het gebruikelijk, dat men op de graven der martelaren, zelfs in de heiligdommen waar de gebeden gestort en de heilige offerande opgedragen werden, brood, wijn en andere spijzen bracht, om de martelaren te vereren; ofschoon de meeste Christenen dit gebruik met Godsvrucht volgden, maakten evenwel zij, die zich aan onmatigheid en dronkenschap te buiten gingen, grovelijk misbruik van deze Godsdienstige plechtigheid, zodat de heiligste plaatsen meermalen door de schandelijkste dronkenschappen en de gevolgen van die misdaad ontheiligd werden. De heilige aartsbisschop ijverde derhalve met drift tegen deze gruwel. “O dwaze mensen,” schreef hij, “die de dronkenschap als ene offerande beschouwen en die zich inbeelden, dat zij door hunne zwelgerij en overdaad, de gunst der martelaren kunnen verwerven, dier martelaren, die zich door vasten tot het verduren van de folteringen en de marteldood hebben weten voor te bereiden. Of zullen zij na hunnen dood goedkeuren, wat zij bij hun leven veroordeelden? Zal de heilige Petrus met welgevallen aannemen, dat men op zijn graf daden verrichtte, die zo zeer met zijne leer in strijd zijn?” De heilige wilde derhalve niet langer een misbruik dulden, dat zoveel overeenkomst had met de uitvaarten, welke de heidenen vierden; hij verbood het gebruik in het algemeen en roeide het in het grootste gedeelte van Italië en in andere provinciën uit, doordien hij door de heiligste bisschoppen werd ondersteund.
Sedert elf jaren mocht de kerk van Milaan zich verheugen in de heilige Ambrosius ene bisschop te bezitten, welke haar tot luister verstrekte. Door zijne voorbeelden, door zijnen moed en ijver in het bestrijden der dwaalgeesten, was de Ariaansche partij, die in de voorganger van de grote kerkleraar al haren steun verloren had, zo verminderd, dat onder de bewoners dier grote stad geen enkele familie meer gevonden werd, die haar aanhing. Maar zoveel onverwachter moest het de Katholieken voorkomen, dat zo eensklaps ene ramp over hen neerkwam, welke door ene machtige hand berokkend werd, op ene tijd, dat men er het minste aan durfde te denken.
Keizer Valentiniaan II, die het voorgaande jaar met zoveel Christelijke en vorstelijke moed de onbeschaamde vorderingen der heidenen verworpen had, verwierf zich nieuwe achting door het uitvaardigen van ene wet, welke van zijne grootmoedigheid, goedheid en goedertierenheid getuigt. Op 25 Februari 385 deed hij ene algemene verordening afkondigen, waarbij bepaald werd, dat jaarlijks met het Paasfeest gevangen ontslagen zouden worden. Dit gebruik bestond wel reeds, maar door deze verordening werd het tot een vaste bepaling gemaakt. Enige misdadigers bleven echter van die gunst verstoken, namelijk heiligschenners, overspelers, rovers, gifmengers, tovenaars, valse munters, moordenaars en die aan misdaad van hoog verraad en gekwetste majesteit schuldig waren, wijl de vergiffenis, die men vroeger aan zodanige booswichten geschonken had, de vreugd van die tijd meer verstoorde dan vermeerderde. Doch op hetzelfde tijdstip, dat de keizer deze blijken zijner Godsvrucht gaf, maakte hij zich zeer gehaat door de vervolgingen, welke hij de heilige Ambrosius deed verduren. Valentiniaan had die vervolging niet zo zeer bewerkt, maar zij werd aangestookt door de woede ener vrouw en wel ener vrouw, die keizerin en de moeder van de keizer was, namelijk door Justina, die de aanhangster en beschermster der Ariaansche goddeloosheid was. Zij had haren haat gedurende het leven van Valentiniaan I, haren gemaal, weten te verbergen, omdat zij de ijver en standvastigheid van deze rechtzinnige vorst kende en vreesde; na zijnen dood had zij bij het leven van Gratianus enige pogingen ten voordele der Ariaansche partij in het werk gesteld, doch na de dood van die vorst menende, dat het gezag en de troon van haren zoon door de bemiddeling van de heilige Ambrosius met Maximus genoeg gevestigd waren, geloofde zij de jeugd van dien zoon en het gezag, dat de hoedanigheid van moeder eens keizers haar gaf, te kunnen misbruiken; zij kon de heilige bovendien nog niet vergeven, dat hij voor zes jaren hare bemoeiingen, om een Ariaanschgezinde bisschop op de zetel van Sirmich te plaatsen, verijdeld en Anemius tot bisschop van die stad gewijd had. Zij wilde al hare macht bezigen om de ketterij te verbreiden en alle middelen om haar afschuwelijk doel te bereiken schenen haar geoorloofd. Onder de Katholieken der stad, van Italië, zelfs van het ganse Westerse rijk, waren gene Arianen behalve de keizerin en de lieden van haar hof, die merendeels Gothen waren; onder he bevond zich een Scytier, Mercurinus geheten, die om de straf van zijne misdaden te ontgaan, zijn vaderland verlaten, zich aan het gevolg van Justina aangesloten en om niet herkend te worden, zowel als om de naam van de vroegere Ariaansche bisschop van Milaan te vereeuwigen, de naam van Auxentius aangenomen had; Ariaansche bisschoppen hadden hem hunne heiligschendende handen opgelegd; hij predikte wel is waar dagelijks, maar kon niemand voor de sekte winnen en was derhalve verplicht, om in de macht va Justina krachtiger middelen te vinden, ten einde volgelingen te krijgen. De wens en het streven van Justina, van haar hof en van de weinige Arianen, die zich nog in het rijk ophielden, strekten zonder twijfel om de jongere Auxentius, na de heilige Ambrosius verdrongen te hebben, op de aartsbisschoppelijke zetel van Milaan te plaatsen, maar het moeilijke van de uitvoering en van hunnen boze aanslag ontging hun evenwel niet; zij wisten hoe gehecht het volk aan deszelfs bisschop was en hoezeer hij in gunst stond bij de voor de Godsdienst van ijver gloeiende keizer Theodosius. Doch welke moeilijkheden zijn ooit in staat geweest de kwaadwillige ijver van ene kwalijk gezinde vrouw te beperken? Justina zocht door giften en geschenken het arme volk tegen de heilige op te ruien, anderen door beloften van ambten en ereposten te verleiden en te overreden om Ambrosius uit zijne kerk te vervoeren en in ballingschap te brengen; men stelde daartoe allerlei middelen in het werk, doch God verijdelde die aanslagen. Een zekere Euthymius betrok tot dat doel een huis, hetwelk in de nabijheid van de hoofdkerk gelegen was, schafte zich ene wagen aan, om de heilige aartsbisschop, dien hij een geheel jaar beloerde, te vervoeren; doch op dezelfde dag, dat hij de heilige meende te overvallen en weg te voeren, werd hij zelf gevangen genomen en in hetzelfde rijtuig in ballingschap vervoerd. Euthymius erkende daarin duidelijk de hand Gods, bekende zijn voornemen aan de heilige Ambrosius, die hem in zijnen rampspoed troostte en in zijne behoeften voor zijne treurige reis voorzag. Het feest van Pasen naderde, toen de keizerin Justina de aartsbisschop, in naam des keizers haren zoon, de kerk van Portiana liet vragen, welke buiten de stad was, opdat de Arianen er zouden kunnen vergaderen en welke kerk thans de naam van Sint Victor draagt. De heilige Ambrosius verzekert, dat hij in de volle raad geroepen werd, doch dat al de glans van het hof hem niet kon doen beven, of in het geringste de rechten der kerk doen schenden. “Er waren Arianen,” zegt hij in zijne verklaring van de 36e psalm, “die, steunende op het keizerlijk gezag, zich durfden te verbeelden, dat men hun de kerk des Heren zou overleveren. Zij dreigden degene, die zich zou durven te verzetten, met de wreedste folteringen. Maar God behoede, dat ene zetel aan zijne dienst toegeheiligd, meer de strengheid der foltering dan de regels der godsdienst zou vrezen. Neen, de trouweloosheid en het verraad vermochten niets, wijl het geloof deze ondeugden kloekmoedig het hoofd wist te bieden.” Het volk had intussen vernomen, dat de heilige aartsbisschop in het paleis was ontboden en stroomde in grote menigte naar het keizerlijk verblijf; men zond weldra een overste met enige soldaten om het te verstrooien, maar de menigte betuigde luidkeels bereid te zijn het leven voor het geloof te willen opofferen. De raad werd verlegen en smeekte Ambrosius, dat hij het volk tot rust zou brengen en men gaf insgelijks zijn woord van de opeising ener kerk voor de Arianen af te zien. Nauwelijks had de heilige het volk tot rust gebracht, of men rekende hem weldra deze oploop der menigte als misdaad aan. Het zou de verheven dienaar des Heren gemakkelijk geweest zijn dit voorgeven, waardoor men hem hatelijk zocht te maken, te weerleggen, doch hij vreesde niets en wilde niet in het geringste toegeven, want hij was overtuigd, dat men gene menselijke macht vrezen moet, wanneer men bereid is alles voor de eer van Jezus Christus en het handhaven van de rechten des geloofs en der Kerk te ondernemen.
Men stoorde zich weinig aan het gegeven woord, want reeds de volgende dag, zijnde Vrijdag voor Palmzondag, hervatte men de vordering; tot nu toe hadden de Arianen slechts de Portiaansche hoofdkerk gevorderd, maar nu begon men de nieuwe kerk, die in de stad ligt en veel groter is, op te eisen; de leden van de staatsraad vervoegden zich bij Ambrosius, drongen op de afstand aan en vorderden, dat hij zou zorg dragen dat het volk zich niet verzette. Ambrosius gaf een antwoord ene bisschop waardig: “Een bisschop kan Gods tempel niet overleveren.” De volgende dag kwam de stadshoofdrechter Neoteus in de kerk, terwijl het volk vergaderd was en trachtte de heilige Ambrosius te overreden van toch tenminste de Portiaansche kerk af te staan; doch hij bleef onverzettelijk en het volk bekrachtigde door luid geroep zijne weigering; de rechter verliet de kerk, maar verklaarde, dat hij van het voorgevallene de keizer bericht zou geven. Zondag 6 April, zijnde Palmzondag, toen de voorlezingen geëindigd en de geloofsleerlingen weggezonden waren, terwijl de heilige bezig was de geloofsartikelen aan diegenen te verklaren, welke de Zaterdag voor Pasen het heilig doopsel zouden ontvangen, berichtte men hem, dat in de Portiaansche kerk, van wege de keizer, enige soldaten gezonden waren, om er vaandels en standaarden, die zij met zich brachten, op te hangen, tot teken dat het gebouw de keizer behoorde, en op dit gerucht een aanzienlijk getal Katholieken zich daarheen begaven had, om er zich tegen te verzetten. De moedige bisschop brak zijn onderwijs niet af en bereidde zich voor om de Heilige Geheimen op te dragen; hij was reeds aan de heilige offerande, toen men hem opnieuw berichtte, dat het volk een zekere Castulus, een Ariaansch priester, die langs de weg ging, aangegrepen had. Nu begon hij bitter te wenen en smeekte, terwijl hij de offerande vervolgde, de Heer van niet toe te laten, dat er om het behoud der kerk bloed zou gestort worden, terwijl hij tevens verklaarde, dat indien men bloed vorderde, hij bereid was het zijne niet alleen voor de zaligheid van zijne volk, maar ook voor het zielenheil der heidenen te storten. Hij zend intussen enige priesters en diaken om Castulus uit de handen van het volk te bevrijden. Van de zijde van het bestuur gaf men bevel om de vereniging der kooplieden streng te straffen, zodat men in de heilige dagen van de goede week, in welke men anders gewoon was degenen, die om schulden gevangen zaten, te ontslaan, slechts het gerammel van ketenen hoorde, waarmee men onschuldigen boeide, ten einde hen te dwingen van binnen drie dagen tweehonderd ponden goud te betalen. Sommigen verklaarden, dat zij bereid waren eens zoveel te geven, mits men hen het ware geloof liet behouden. De kerkers waren opgevuld met gevangenen; men verbood aan de dienaars van het gerecht, te weten aan de gerechtsschrijvers, deurwaarders en andere beambten der verschillende rechtbanken, buiten hunne woningen te komen, onder voorgeven, dat men hun wilde beletten zich met de oproerlingen te mengen, maar de ware oorzaak was, dat men zich verzekerd hield, dat zij de zijde van de heilige Ambrosius gekozen hadden; bovendien werden de aanzienlijkste inwoners met de strengste mishandelingen bedreigd, indien zij weigerden de gevraagde hoofdkerk af te staan; de vervolging was dus algemeen; de Arianen evenwel durfden het paleis niet te verlaten, omdat men de grootste ongeregeldheden vreesde. Enige hoofdmannen, aanzienlijke beambten en graven kwamen uit naam des keizers bij de heilige Ambrosius en eisten opnieuw, dat hij dadelijk de hoofdkerk zou overleveren, daar de keizer als onafhankelijk heer, slechts van zijn recht gebruik maakte. De moedige aartsbisschop verzekerde, dat wanneer men hetgeen hem toebehoorde, zijn held, landgoederen of iets dergelijks vorderde, hij gene tegenstand zou bieden, ofschoon zijne goederen het erfdeel der armen waren; maar dat hetgene God toebehoorde nooit aan het keizerlijk gezag kon onderworpen zijn. “Wilt gij mijne erfgoederen,” zo sprak hij, “maak er u meester van; wilt gij mij gevangen nemen, “ik lever mij aan u bereidwillig over; wilt gij mij in ketenen werpen of om hals brengen, gij doet niets anders als mijne wensen te voltrekken. Ik zal mij niet van de kracht van het volk als van een sterk bolwerk bedienen, geen altaar gaan vastgrijpen om mijn leven te redden. Integendeel, ik zal mij voor de heilige altaren weten op te offeren.” De heilige stond verslagen en werd door angst en vrees getroffen, toen hij vernam, dat men ene gewapende macht had afgezonderd, om zich van de hoofdkerk meester te maken; hij vreesde dat de tegenstand der Katholieken, met die kerk te verdedigen, de oorzaak van bloedvergieten zou kunnen worden en de ganse stad in oproer brengen. Hij had dus de Heer ernstig van hem de verwoesting der stad en misschien van gans Italië niet te doen overleven; het griefde hem, dat men hem schijnbaar zou kunnen beschuldigen van oorzaak van het bloedvergieten te zijn en bood de gevorderde zijn hoofd aan, om zoveel hij kon de rampen, die over de stad dreigden los te barsten, door zijnen dood af te wenden. Onder de hoofdmannen bevonden zich enige Gothen, tot welke Ambrosius het woord richtte en zei: “Zijt gij daarom op het Romeins grondgebied toegelaten, om er de openbare rust te verstoren? Waarheen zult gij u wenden, wanneer gij hier uwe verwoestingen aangericht hebt?” Men eiste, dat hij het volk tot bedaren zou brengen, doch Ambrosius antwoordde, dat het wel van hem afhing om het niet op te ruien, doch dat God alleen het kon stillen en dat zo zij meenden, dat hij als bisschop oorzaak van deze woeling was, men hem dan aanstonds diende te straffen, of hem naar één of andere wildernis vervoeren. Na deze rede aangehoord te hebben, keerden de afgezondenen naar het paleis terug en Ambrosius vertoefde de ganse dag in de oude hoofdkerk en begaf zich tegen de avond huiswaarts, opdat men hem, wanneer men hem in ballingschap zou willen vervoeren, gemakkelijk zou kunnen vinden.
Het schijt bovendien, dat de soldaten, die de Portiaansche kerk bezet hadden, met hunne standaarden afgetrokken waren, wijl het volk sterker in macht was. De beide volgende dagen bleef alles in rust, maar nauwelijks had de grote geloofsheld en getrouwe beschermer van het heiligdom des Heren zijne woning verlaten en zich naar de oude kerk begeven, of de gewapende macht omringde reeds vroeg in de morgenstond de nieuwe kerk, welke insgelijks door hen bezet werd; men bracht er van het paleis de vaandels en standaarden en begon het gebouw op te sieren, opdat Auxentius er de dienst zou kunnen verrichten. De Katholieken stonden verslagen en hunne droefheid maakte hen stout, omdat zij vreesden, dat de ketters elk ogenblik het huis Gods zouden komen ontheiligen; zij kwamen derhalve in groot getal op en de nieuwe hoofdkerk was weldra geheel opgevuld; nooit had men toen men nog alle vrijheid genoot, de tempel zo vol gezien. De vergaderde menigte verlangde een voorlezer, om haar de Heilige Schriften te verklaren. De heilige Ambrosius verrichtte op dit ogenblik de dienst in de oude hoofdkerk en hier vernam hij weldra uit het geschreeuw der menigte, hoe het bij de nieuwe kerk gesteld was; toen meende men terecht, dat de woorden van de profeet koning andermaal vervuld werden: “O God de heidenen zijn in uw erfdeel gekomen; zij hebben uwe heilige tempel ontreinigd.” De moedige bisschop, ofschoon hij onophoudelijk zuchtte, zond zijne priester naar de nieuwe kerk, die aan de soldaten uit zijnen naam verklaarden, dat wanneer zij niet terugkeerden, zij van de gemeenschap der gelovigen zouden uitgesloten worden. De soldaten, die de kerk bezet hadden en merendeels Katholiek waren, hadden nauwelijks vernomen, dat de heilige bisschop het volk verboden had enige gemeenschap met hen te houden, of zij wilden doen zien, dat zij niet uitgesloten waren en begaven zich in de kerk. Zodra men hen zag verschijnen, verspreidde zich angst en vrees onder de vrouwen en enige haren namen met overhaasting de vlucht. Toen verklaarden de soldaten, dat zij Katholiek en gekomen waren om te bidden en geenszins om hen te bevechten. Ambrosius dankte met luide stem de Heer, dat de Gothen en andere gewapende vreemdelingen met de soldaten gekomen waren, om de hoofdkerk te belegeren, dat zij als heidenen gekomen, doch nu Christenen geworden waren. Men las juist het boek Job voor en de welsprekende bisschop nam die gelegenheid waar, om voor het volk ene leerrede te houden over de beproevingen van die heilige man. Vervolgens richtte hij het woord als aan de keizer en zei: “Wij verzoeken u o keizer en bevechten u niet; wij vrezen niet, maar wij bidden, ziedaar het enige wat de Christen voegt. Al onze verlangens zijn de vrede te hebben, om het geloof en de waarheid te handhaven, zelf met levensgevaar. Wij zijn onder de hand van God, die de beschermer is dergenen, die op Hem betrouwen. Men zei ons; sta de hoofdkerk af; ik antwoordde: het is mij evenmin geoorloofd die af te staan als het u o vorst vrij staat die weg te nemen. Zoudt gij zonder misdadig te worden, u van het huis van ene bijzondere persoon mogen meester maken? Zoveel te minder moogt gij u Gods huis toe-eigenen…. Alles is de keizer geoorloofd, hem behoort alles toe. Ik antwoord: maak u niet misdadig door te menen, dat gij als keizer enig recht hebt op de eigendommen des Heren, wacht u van zodanige schuldige en misdadige aanmatiging; verlangt gij dat God uw leven en uw rijk bescherme, wees dan aan God onderdanig. Er staat geschreven: geef de keizer wat des keizers is, geef aan God wat aan God behoort. De keizer behoort het paleis; de kerken aan de bisschop; de muren en sterkten der stad zijn de uwe, maar geenszins de zaken, welke de Godsdienst in eigendom bezit…. Men zei ons in naam des keizers: ik moet ene kerk voor mijne dienst hebben. Ik antwoordde: wat hebt gij gemeen met ene overspeelster, dat is met ene kerk, die de bruid niet is van Jezus Christus.” Men merkt in deze toespraak het verlangen op, hetwelk hem bezielde om de martelaarskroon te verwerven, welke God, zoals hij zei, hem nog niet scheen te willen vergunnen, omdat Hij hem daartoe nog niet genoeg bereid oordeelde. Terwijl hij nog sprak, berichtte men hem, dat men de vaandels en standaarden, welke de keizer in de nieuwe kerk had doen ophangen, weggenomen had en dat de kerk met gelovigen vervuld was, die hem daar verwachtten; maar de aartsbisschop zond er enige priesters en zei, dat hij vertrouwde in Jezus Christus, dat de keizer op hunne zijde was; hij vervolgde nu met de Heer te danken, die zich gewaardigd had vrede aan de Kerk te schenken, want hij meende, dat de keizer zich door de bede der soldaten, der aanzienlijken en het volk had laten bewegen. Men kwam de heilige Ambrosius onder deze bedrijven boodschappen, dat er een geheimschrijver van de keizer gekomen was, om hem het keizerlijke bevel over te brengen. Ambrosius begaf zich ter zijde om hem te horen. “Hoe,” zei deze, “hebt gij u durven verstouten om u tegen de bevelen des keizers te verzetten?” – “Ik weet niet,” hernam Ambrosius, “van welke bevelen gij spreekt, evenmin als ik weet waarin mijn gedrag vermetel is geweest.” – “Waarom hebt gij,” vervolgde die vleier van Justina, “priesters naar de hoofdkerk gezonden? De keizer wil weten of gij u verbeeldt als een tiran te kunnen handelen, opdat hij dan zijne maatregelen tegen u kunnen nemen? De keizer wil weten of gij u verbeeldt als een tiran te kunnen handelen, opdat hij dan zijne maatregelen tegen u kan nemen?” Nu gaf de moedige bisschop met zachtmoedigheid rede van zijne handelswijze en zei vervolgens: “Indien deze wijze van handelen u ene tirannie schijnt te zijn, dan moet ik zeggen, dat de wapenen, van welke ik mij bedien, in de naam van Jezus Christus zijn; al mijne macht bestaat hierin, dat ik u mijn lichaam aanbied. Indien men oordeelt, dat ik een tiran ben, waarom toeft men dan om mij met de dood te straffen? Het is waar, wij hebben ene bijzondere tirannie, want die van ene bisschop bestaat in zijne zwakheid. Valentinianus, God behoede hem, behoort zorg te dragen, dat hij zich geen wezenlijke tiran op de hals haalt. Maximus heeft nooit gedacht en denkt nog niet, dat ik voor Valentiniaan een tiran ben; hij, die zich nog beklaagt, dat ik hem belet heb Italië (binnen) te vallen. Nooit hebben de bisschoppen zich als tirannen opgeworpen, maar zij hebben menigmaal veel van de zijde der tirannen te lijden gehad.”
Men bracht de ganse dag in treurigheid door; de heilige Ambrosius kon niet huiswaarts keren, omdat de soldaten de nieuwe kerk, waarbij zijne woning lag, omsingelden en bracht de nacht met zijne geestelijken in ene kleine kapel onder bidden en gezang van psalmen en lofliederen door; de volgende dag, zijnde Donderdag voor Pasen, wanneer de kerk de boetelingen opneemt, las men volgens gewoonte, uit het boek Jonas voor en nu begon de heilige zijne leerrede met deze woorden: “Men heeft ons, mijne broeders, een boek voorgelezen, waarin God voorzegt, dat zondaars door de boetvaardigheid terugkeren.” Elk meende, dat hetgene hij zei in de daad gebeuren zou en voorwaar, nauwelijks had hij nog enige woorden gesproken, of men berichtte hem, dat de keizer bevel gegeven had om de soldaten van de nieuwe kerk te doen aftrekken, dat de kooplieden uit de gevangenis ontslagen waren en men de gelden teruggegeven had, welke zij gedwongen geweest waren te betalen. De menigte was buiten zich zelve van blijdschap; de soldaten zelve verspreidden die gelukkige gebeurtenis overal rond en men zag de ganse gemeente naar de altaren stromen, om ze tot teken van de vrede, welke men haar verkondigde, te kussen.
Zo scheen nu de vervolging tot dusverre een einde genomen te hebben; maar de heilige Ambrosius vreesde en niet zonder rede, dat dezelve met vernieuwde woede zou opbruisen, want terwijl de hovelingen de keizer dringend aanzochten, om met de Katholieken bij het Paasfeest zich naar de kerk te begeven en bewijs van zijne gemeenschap te geven, en daarbij te kennen gaven, dat de gewapende macht, welke zich in de stad bevond, dit zo gaarne wenste, zei hij: “Voorwaar ik geloof, dat wanneer Ambrosius u zulks gebood, gij mij dan wel aan zijne willekeur zoudt prijs geven.” Dit gezegde deed elk beven en de heilige aartsbisschop kon gemakkelijk begrijpen, wat hij van ene vorst te verwachten had, die hem als zijnen volslagen vijand aanzag.
Deze kwade oordeelvellingen werden de keizer door diegenen, welke het meest tegen Ambrosius ingenomen waren, ingeblazen. Behalve de keizerinmoeder en hare staatsvrouwen was een zekere Culligones, grootkamerheer en bijgevolg de eerste onder de gesnedenen, zijn bitterste vijand; hij had de onbeschaamdheid van de getrouwe dienaar van Jezus, de moedige verdediger der Kerk, toe te voegen: “Hoe, gij durft bij mijn leven de keizer te verachten? Wat houdt mij tegen, of ik doe u het hoofd voor de voeten leggen?” Zonder te ontstellen antwoordde de grote Ambrosius: “Indien God u toelaat om uwe bedreigingen te voltrekken, zal ik als bisschop weten te lijden, maar gij zoudt ene daad een gesnedene waardig ten uitvoer brengen.”
De heilige Ambrosius eindigt hier zijn verhaal, hetwelk hij aan zijne zuster de heilige Marcellina mededeelde; maar de heilige Augustinus verzekert, dat die laffe kamerheer eindelijk de straf voor zijne onbeschaamdheid onderging, dezelfde waarmee hij de heilige Ambrosius bedreigd had; hij werd onthoofd, wijl hij zich aan ene afschuwelijke misdaad schuldig had gemaakt.
Het jaar liep nog al rustig ten einde; de Katholieken waren evenwel bevreesd, dat de hel hare pogingen met hernieuwd geweld zou hervatten. De tegenkanting, welke Justina bij de kloekmoedige aartsbisschop van Milaan en de ijverige gelovigen ondervond, ontstak haar meer en meer in woede; zij verstoorde in het jaar 386 opnieuw de rust der Kerk; hare bedoeling was om de grote Ambrosius, dat machtig bolwerk der Kerk, neer te slaan en zij poogde hem door hare bedreigingen moedeloos te maken, maar terwijl zij als ene tweede Jesebel gewapenderhand vocht, was zij evenwel niet in staat de met sterkte en genade van boven vervulde Elias tot wijken te brengen. Zij ondernam om in de kerken zelfs hare hatelijkheden te verspreiden, het volk op te ruien en twist te zaaien en beschouwde het als ene belediging, dat zij niet volgens haren wens slaagde. Zij beklaagde zich bij haren zoon en spoorde hem aan, om de hoon, die zij meende ondergaan te hebben, te wreken, zodat de keizer het besluit nam, om door openbaar geweld de heilige Ambrosius en alle rechtzinnigen ten onder te brengen. Valentiniaan poogde derhalve zijne bevelschriften tegen het geloof der vaderen te verspreiden; hij bedreigde alle bisschoppen met verbanning van hunne zetels, wanneer zij weigerden om de besluiten van het concilie van Rimini aan te nemen, en gaf last aan de geheimschrijver Benevolus, om zijne besluiten op te stellen. Dit concilie was onder de regering van keizer Constancius, een beschermer der Arianen, in het jaar 379 gehouden en had de strekking, om het geloof der vaderen van de algemene kerkvergadering van Nicea te verzwakken en omver te werpen. Benevolus was van zijn kindsheid af een warm verdediger der waarheid en in de Godsdienst door de heilige Philastrius, bisschop van Brescia, onderwezen. Daar hij nog niet gedoopt was, meende Justina hem gemakkelijk te doen vergeten, wat hij aan zijn geweten verschuldigd was, maar reeds bij het eerste voorstel weigerde hij zich aan de goddeloosheid dienstbaar te maken en verklaarde, dat hij nooit enig stuk zou opstellen, dat met God, de Kerk en zijn geweten in strijd was. Men stelde hem voor, dat hij, indien hij aan het verlangen des keizers toegaf, tot ene verhevener ambtsbetrekking zou opklimmen; maar deze getrouwe man wilde zich liever door zijn geloof aanzienlijk maken, dan waardigheden in deze wereld te bezitten. Horen wij het zo merkwaardige antwoord, hetwelk hij zijnen verleiders gaf: “Waarom biedt gij mij verhevener ambtsbetrekkingen aan tot beloning ener goddeloosheid? Ontneem mij liever de bediening waarmee ik belast ben. Ik zal zeer tevreden zijn, mits ik mijn geloof ongeschonden behoud en niets verricht dat mijn geweten kwetst.” Tegelijk legde hij al de tekenen van zijne waardigheid af en wierp ze voor de voeten van hen, die hem de afschuwelijke bevelen van het hof durfden voor te stellen. Benevolus wilde liever als ambteloos burger leven, dan ten koste van zijne zaligheid en geweten, het keizerlijk hof ten dienste staan. Zijn verder leven beantwoordde aan deze verhevene daad; na gedoopt te zijn, was Benevolus één der voortreffelijkste Katholieken om zijne Godsvrucht e kennis in de Heilige Schriften en leerde te Brescia als een volmaakt Christen. Ofschoon deze eerbiedwaardige man geweigerd had een bevelschrift op te stellen, hetwelk zijn geweten kon kwetsen, wist Justina evenwel ene andere verrader te vinden, die haar ten dienste stond; de wet werd inderdaad op 21 Januari 386 uitgevaardigd en hield met weinige woorden in, dat zij, die de besluiten van het concilie van Rimini, hetwelk de Kerk veroordeeld had, volgden, volkomene vrijheid hadden om hunne godsdienstige vergaderingen te houden, met verbod aan de Katholieken, welke daartoe alleen recht hadden, zulks op straffe des doods te beletten, wijl zij als verstoorders der rust, oproerig aan de Kerk en schuldig aan misdaad van hoog verraad zouden gestraft worden. Het bevel legde dezelfde straf op aan hen, die enige pogingen zouden durven aanwenden, om ene tegenovergestelde wet te doen uitvaardigen, of de tegenwoordige te doen intrekken. Dit bevel des keizers, waarbij in alle gewesten de kerken aan de ketters prijs gegeven werden en het leven der bisschoppen, die er zich tegen zouden verzetten, gevaar liep, kan men met recht ene bloedwet noemen. Auxentius zelf had die wet de keizer in de pen gegeven en deed het zwaard in alle steden van het rijk trekken om te doden, hetzij door de handen van een beul, hetzij door de afval. Om deze rede zei de heilige Ambrosius van die rampzalige: “Hij zal tegen wil en dank zijne wetten in de andere wereld meedragen; hij zal er zijn geweten meenemen, hij zal er zijne ziel besmet met het bloed der heiligen brengen, ofschoon hij er zijn papier en brief niet dragen zal. Uwe zonde, o Judas, is met ene ijzeren naald, met ene stift van diamant geschreven, zij is geschreven in uw hart, want uit uw hart is zij voortgekomen.”
Deze wet was in het algemeen tegen alle Katholieken en Ambrosius zegt, dat zij alle steden en plaatsen met geween en gezucht vervulde. Keizer Maximus spreekt daarvan als van ene algemene vervolging, waarbij de Katholieken van Rome, Italië en de andere gewesten van het gebied van Valentianus, hunne kerken en bisschoppen verloren hadden. Wij vinden evenwel nergens melding, dat men enig bisschop, behalve de heilige Ambrosius, kwelde; zelfs de bekentenis van Euthymius, van wie wij hier reeds gesproken hebben, waarbij hij zijne ballingschap als ene rechtvaardige straf erkende voor hetgene hij tegen de heilige aartsbisschop van Milaan ondernomen had, was niet in staat om de woede der Ariaansche partij, door Justina beschermd en ondersteund, te doen ophouden en belette niet dat men opnieuw met alle drift aandrong, om de Portiaansche kerk in bezit te krijgen. En toen men de heilige geloofsheld kwam berichten, dat hij die kerk moest overleveren, zei hij: “God behoede mij, dat ik het erfdeel van Jezus Christus zou overleveren. Naboth weigerde afstand te doen van het erfgoed zijner voorvaders en zou ik het erfdeel van Jezus Christus overgeven? God behoede mij, dat ik alzo het erfdeel van mijne vaderen, het erfdeel van de heilige Dionysius, die om het geloof in ballingschap gestorven is, het erfdeel van de heilige belijder Eustorgius, het erfdeel van de heilige Merviles en van alle andere bisschoppen, mijne voorgangers, uitlever.” Hij had veeleer vast besloten om alles te verduren, wat een vergramd keizer hem zou kunnen doen ondergaan en liever te sterven, dan aan de getrouwheid jegens God en de Kerk te kort te schieten. Terwijl men van hem de kerk vorderde, wilde men tevens, dat hij de heilige vaten voor de heilige dienst benodigd zou afleveren, doch hij antwoordde als vroeger, dat hij bereid was al hetgene waarover hij persoonlijk kon beschikken af te geven, maar dat hij van Gods tempel en hetgene hem toevertrouwd was niets mocht afstaan; dat hij bij die weigering zelfs het geluk van de keizer bedoelde, wien het even schadelijk zou zijn wat hij begeerde te erlangen, als aan hem, wanneer hij er afstand van deed. Hij smeekte de vorst met welwillendheid een bisschop te horen, die hem vrijmoedig zei, dat hij zijn waar en enig belang niet uit het oog moest verliezen, met zich tegen Jezus Christus te verzetten. De heilige meende bovendien, dat zijne kloekmoedigheid nooit met zijne nederigheid in strijd kon zijn; hij beschouwde die veeleer als een bewijs van genegenheid, welke hij de keizer toedroeg en een bisschop zijnen vorst verschuldigd was. “Gij weet,” zei hij tot zijne gelovigen, “dat ik de keizers altijd grote eerbied heb toegedragen. Het is waar, ik weet nog niet wat laagheid is; verre van de straf te vrezen, waarmee men mij bedreigt, wil ik mij zelve gaarne vrijwillig daaraan blootstellen. Wanneer de keizer schatting vordert, weigeren wij die niet, de landgoederen der kerk betalen schatting; wanneer hij ook die goederen wil nemen, hij heeft daartoe de macht; niemand zal hem zulks beletten. De aalmoezen van het volk kunnen toereikende zijn, om in de behoeften van de armen te voorzien. Ik zal deze landgoederen de keizer niet geven, doch wanneer hij zich van dezelve meester wil maken, zal ik er mij niet tegen verzetten. Schatting behoort de keizer en daarom weigert niemand die, maar de kerk Gods eigendom en men mag haar de keizer niet afstaan, omdat Gods tempel van hem niet afhankelijk is. Elk zal erkennen, dat de onafhankelijkheid der Kerk de vorst tot roem verstrekt, want wat kan voor de keizer meer vererend zijn, dan een zoon der Kerk genoemd te worden? Men beledigt hem niet, maar vereert hem, met hem die naam te geven. Een goed keizer blijft in en houdt zich aan de Kerk, en verheft zich niet boven haar; hij zoekt hare bescherming en verwerpt die niet. Ik zeg het zonder hoogmoed, maar met moedige vrijheid. Men dreigt met ballingschap, mij het hoofd voor de voeten te zullen leggen, mij levend te verbranden, doch de dienaars van Jezus Christus hebbe geleerd deze dingen niet te vrezen, en wanneer men niet vreest, dan bekommert men zich weinig over deze soort van verschrikkingen.”
De standvastigheid van Ambrosius was te zeer bekend, dan dat men hopen kon van hem door beloften of bedreiging te winnen; men besloot derhalve hem op ene of andere wijze Milaan te doen ontruimen. Men legde het in de daad er op toe, om hem gevangen te nemen, doch liet hem ongemoeid overal gaan, terwijl hij dagelijks uitging, bezoeken aflegde, de graven der martelaren ging vereren, zelfs wanneer hij uitgaande of huiswaarts kerende voorbij het paleis ging en zich zo overal bevond, zonder enig geleide bij zich te hebben. Ook weten wij, dat mensen gene macht over degenen hebben, die van God beschermd worden. Eindelijk deed men hem weten, dat hij de stad te verlaten had en zich naar elders, waar hem goeddunkt, moest begeven, zelfs dat hij diegenen, welke hem zouden willen volgen, met zich mee kon nemen; deze orde werd hem vanwege de keizer overgebracht en men verspreidde gelijktijdig het gerucht, dat de wagen, die hem zou vervoeren, indien hij niet gewillig vertrok, gereed stond; men voegde er zelfs bedreigingen van de kant van Auxentius bij en dat er personen op zijn leven uit waren. Ambrosius verheugde zich wanneer hij niet slechts voor het heil der gelovigen, maar zelfs voor de goddelozen, zijn bloed mocht vergieten en hij zou gehoorzaamd hebben en vertrokken zijn, had hij niet gevreesd, dat men de kerk aan de Arianen zou geven; doch daar het blijkbaar was, dat men hem om dat doel wilde verdrijven, stelden de bisschoppen hem voor, dat er weinig verschil was in het altaar van Jezus Christus over te leveren en het vrijwillig te verlaten. De moedige bisschop besloot derhalve te blijven totdat men hem met geweld zou verwijderen; ook antwoordde hij aan degenen, welke de keizer hem gezonden had, dat het hem nooit in de gedachte zou komen om zijne kerk te verlaten, wijl hij de Heer van het heelal meer dan een aards vorst vreesde; dat men hem met geweld van zijne kerk wel kon afscheuren, maar dat men nooit zijn hart zou kunnen wegnemen en dat hij, ingeval de keizer die wegen wilde inslaan, welke de hogere machten op aarde meermalen bewandelen, bereid was om als bisschop te lijden; dat hij zich niet tegen het geweld zou verzetten, dat hij wist te wenen, te zuchten, te klagen, maar meende, dat een bisschop zich van gene andere wapenen tegen Gothen en soldaten mocht bedienen, als van het gebed en de tranen, en dat hij over zich zelven en over zijne kerk Gods beschermende hand zou weten in te roepen, door vasten, waken en vurige gebeden, welke hij aan de voet der altaren ten hemel zou opzenden. De grote aartsbisschop stelde een groot betrouwen op de gebeden der armen, ofschoon de Arianen hem zijne aalmoezen, die hij in de schoot der behoeftigen stortte, als misdaad aanrekende. “Het is ene misdaad,” zei hij, “van welke ik beschuldigd zijnde, geen afschuw heb. God geve, dat men er mij van blijve beschuldigen. Indien zij mij voorwerpen, dat ik door mijne handelswijze slechts bijstand en steun bij de armen zoek, zal ik dit niet tegenspreken. Ja ik beken ronduit, dat ik dit slechte zoek; deze blinden, kreupelen, zieken, deze grijsaards zijn machtiger verdedigers dan de kloekmoedigste oorlogshelden. Want de aalmoezen, die wij de armen uitreiken, bewegen God om ons te beschermen, terwijl de kracht der wapenen degenen, die daarop betrouwen, de Goddelijke bescherming menigmaal onwaardig maakt.”
De heilige weerstond alzo met de grootste kloekheid aan het geweld der tijdelijke macht, welke de rechten van Gods Kerk niet slechts verkortte, maar het heiligdom des Heren in handen van de vijanden der Godsdienst wilde overleveren. De gelovigen waren niet zonder rede bevreesd, dat men de aartsbisschop met geweld zou trachten te ontvoeren, wanneer hij zich zelven niet in de macht der vervolgers stelde en besloten om met hunnen bisschop vervolging te lijden; zij bewaakten hem dag en nacht in de kerk. Men had vanwege de keizer soldaten afgezonden, om de deuren der kerk te bezetten en te beletten, dat de menigte, weke de zijde van de heilige Ambrosius gekozen had, binnendrong en bovendien om zich b van hem te verzekeren en te vervoeren. God waakte echter over zijnen getrouwen dienaar en men vond ene deur der kerk openstaan, ofschoon deze door de gelovigen goed gesloten was; een blinde, die huiswaarts keerde, had die zonder moeite geopend; het bleek meer en meer, dat de Heer zijnen dienaar beschermde; want op Donderdag voor Palmzondag ontdekte men insgelijks, dat één der toegangen open was, ofschoon men meende die goed gesloten en bezet te hebben; noch de gelovigen die binnen waren, noch de soldaten die de toegangen bewaakten, hadden zulks opgemerkt. Zij, die afgezonden waren om de bisschop en de Katholieken te dwingen, werden veeleer hunne beschermers, want zij verleenden aan elk die zulks wilde, toegang in de kerk en men belette slechts het terugkeren; meermalen hoorde men, dat de soldaten hunne stemmen met die van het volk verenigden en door hun geroep en gejuich verklaarden aan het rechtzinnig geloof gehecht te zijn. Men zou misschien moeite hebben om te geloven, dat het volk enige dagen in de kerk bleef zonder er uit te gaan, doch men weet, dat de kerken in die dagen ingericht waren zoals onze hoofdkerken nog zijn, te weten ingesloten en omgeven van onderscheidene gebouwen en woonhuizen, welke tot verblijf van de geestelijken en anderen, die aan de kerk verbonden waren, verstrekten; deze gehele omvang werd kerk geheten en dus behoeft men zich minder te verwonderen, dat men er enige dagen kon blijven, omdat men van de woningen, tot welke men door ene of andere binnendeur toegang had, kon gebruik maken.
Ofschoon opgesloten en door de soldaten belegerd, trachtte de heilige Ambrosius zijn volk te troosten en het door zijne leerredenen in gematigdheid en geduld te bewaren. De voornaamste, welke hij op Palmzondag, op 19 Maart 386, over het niet uitleveren der kerken uitsprak, is bewaard gebleven. Hij ijverde insgelijks om de Godsvrucht der gelovigen te onderhouden en liet hen bij tussenpozen lofzangen, psalmen en voor- en nazangen beurtelings met twee koren zingen, welk gebruik voor enige jaren reeds in de kerk van het Oosten ingevoerd was. De lofzangen waren door de bisschop zelve vervaardigd en er zijn ons enige toegekomen, welke in onze kerken oog gezongen worden. Het gebruik derhalve van het koorgezang, tot die tijd in de kerk van het Westen onbekend, heeft men aan de heilige Ambrosius te danken.
Het is waarschijnlijk omtrent deze tijd, toen de heilige Ambrosius met zijne gelovigen in de kerk als belegerd werd, dat een zekere Dalmacius, een hoofdman en geheimschrijver, hem vanwege de keizer kwam zeggen, dat hij zich, evenals Auxentius gedaan had, rechters te kiezen had en in het paleis moest verschijnen, om in tegenwoordigheid van de keizer, die de beslissende stem zou uitbrengen, met de gehate Ariaan te redetwisten; men noemde hem de rechters niet, welke Auxentius gekozen had, maar de heilige Ambrosius verklaart ons zelf, dat het vier of vijf heidenen waren. Na de andere bisschoppen gehoord te hebben, zond Ambrosius de keizer zijn antwoord en hierin betoogde hij: “dat die wijze van redetwisten strijdig was met de wetten der vroegere keizers, waarin was vastgesteld, dat gene zaken, het geloof en de tucht of rechten der Kerk rakende, bij iemand anders als bij behoorlijke rechters, en die dan nog van dezelfde rang waren, zouden worden afgedaan, dat is, dat gene andere als bisschoppen over de zaken van bisschoppen zouden mogen oordelen; dat dit altijd de regel en het gebruik der Kerk geweest is, welke nooit doos des keizers vader overtreden werden, die integendeel ronduit verklaarde, dat het zijne zaak niet was om over geschillen tussen bisschoppen hangende vonnis te vellen, niettegenstaande deze vorst een ijverig Christen en gedoopt was; dat het dienvolgens aan Zijne Majesteit niet betaamde zich de uitspraak over geloofszaken aan te matigen, vooral daar hij zelf nog ongedoopt en tot de geloofsleerlingen behoorde; dat hij bisschop overigens zijn ambt en waardigheid niet zo mocht vernederen, dat hij ene zaak die kerkelijk was, aan het oordeel van leken onderwierp, of daaromtrent zo ontrouw was, dat hij het goeddunken van Joden of heidenen zou willen afwachten; dat hij vooral een afkeer van het concilie van Rimini had en aan dat van Nicea gehecht bleef, terwijl noch foltering, noch dood hem hiervan zou doen afwijken. Moet, zei hij voorts, ene twistrede over geloofszaken ondernomen worden, dat dit in de kerk en onder opzicht van bisschoppen geschiede, want zo handelde men in de beste tijden van Constantijn en Constantius.”
Het is waarschijnlijk, dat de heilige Ambrosius, na deze brief aan de keizer gezonden te hebben, zijne leerrede tegen Auxentius aan het volk voordroeg; hij hield deze op Palmzondag en wij hebben schier alle omstandigheden, die wij betrekkelijk de vervolging verhaalden, uit dezelve getrokken. Overigens spreekt de grote bisschop van de andere vervolgingen, die hij te verduren had, niet meer, maar Paulinus, zijn levensbeschrijver, verzekert, dat de keizerinmoeder Justina zich aan de afschuwelijkste aanslagen tegen Ambrosius schuldig maakte, want zij poogde de aartsbisschop door ene booswicht te doen vermoorden, die zij tot dat einde omgekocht had; deze rampzalige drong in de kamer van de vriend des Heren door, hief zijnen met het moordstaal gewapende arm op, om hem te vermoorden, maar dadelijk verstijfde die arm en nu verklaarde hij, dat keizerin Justina hem gezonden had om die moord te plegen; nauwelijks had hij zijne misdaad bekend, of hij werd dadelijk genezen.
De Almachtige, die de onschuldigen steeds beschermt, stuitte eindelijk de geweldenarijen van de rampzalige Justina en deed de vervolgingen tegen zijne getrouwe dienaar op de schitterendste wijze een einde nemen, door de heilige Ambrosius de overblijfselen der martelaren Gervasius en Protasius te doen ontdekken. Wij hebben die geschiedenis reeds op 19 Juni medegedeeld, doch willen die hier in het kort herhalen.
De aartsbisschop wilde ene kerk inwijden, welke later “de grote Ambrosiaansche kerk” werd genoemd, de gelovigen drongen er op aan, dat hij die wijding, zoals bij vroegere gelegenheden plaats gehad had, met grote plechtigheid zou verrichten; hij beloofde het wanneer men enige overblijfselen van martelaren, welke men volgens het bestaand gebruik, onder de altaren neerlegde, zou kunnen vinden. God veropenbaarde ’s nachts aan zijnen dienaar, dat de heilige martelaren Gervasius en Protasius voor het hekwerk, hetwelk het graf van de heilige Nabor of Felix afsloot, begraven waren; hij liet nu vol vertrouwen op de hem aangewezene plek graven en vond de beenderen dier twee buitengewone mensen ongeschonden; daar zij onthoofd waren, lagen hunne hoofden afzonderlijk en het graf bevatte tevens andere tekenen, welke deze daadzaak overtuigend bewezen. Zij hadden tot die tijd onbekend en verborgen daar gelegen. Daar het reeds laat was, werden de overblijfselen onder kostbare kleden op draagbaren in de nabijzijnde kerk van de heilige Faustus gebracht, waar zij gedurende twee dagen aan de verering der gelovigen, die dezelve onder de gebeden en lofzangen bewaakten, ten toon gesteld werden. Daarop werden zij met grote plechtigheid naar de nieuwe in te wijden kerk vervoerd, en het behaagde God die plechtigheid met onderscheidene wonderen te verheerlijken. Een zekere Severus, een vleesschouwer, die onderscheidene jaren blind was geweest, kreeg aanstonds, toen hij met de doeken, welke de overblijfselen bedekten, zijne ogen aanraakte, het gezicht terug. Anderen, die door boze geesten bezeten waren, werden op het aanraken van deze lichamen bevrijd; anderen brachten hunne zweetdoeken, legden die op de heilige lichamen, of raakten het linnen aan, waar de martelaren in gewonden waren en werden van hunne ziekten en zwakheden genezen. “De waarheid van deze wonderwerken,” zegt de Protestantse schrijver Wiliam Cave, doctor in de Godgeleerdheid en gewoon kapelaan aan het hof van Engeland, in zijne kerkelijke oudheden, “is overvloedig bewezen door Ambrosius, Augustinus en Paulinus, die er zelve ooggetuigen van geweest zijn. De ganse stad was er van overtuigd en tweemaal hebben zij de stof der predicatiën van Ambrosius uitgemaakt.” “ik twijfel er niet aan,” vervolgt deze schrijver, “of God heeft die wonderwerken te dien tijde laten geschieden, om de Ariaansche goddeloosheden te beschamen, en aan de waarheid van het rechtzinnig geloof, zo machtig bestreden, versmaad en vervolgd, ene onweersprekelijke getuigenis te geven.” Ook waren de Arianen er geweldig mee verlegen en zochten te vergeefs de mirakelen te logenstraffen. Eén hunner, woedender dan de anderen, zei, terwijl hij zelf door de boze geest overweldigd en verschrikkelijk gefolterd werd, dat hij wenste, dat al degenen, die tegen de eer dezer heilige martelaren spraken en de aanbiddelijke Drie-eenheid, zoals dezelve door Ambrosius gepredikt werd, durfden te loochenen, evenals hij door de duivel gekweld mochten worden. De Arianen konden niet beletten, dat hun aanhang door deze werking der Goddelijke Voorzienigheid zeer verminderde en het getal der Katholieken aangroeide, en wanneer deze gebeurtenissen Justina al niet tot het ware geloof bekeerde, strekten zij toch om de woede, waarmee zij de Katholieken in het algemeen en de heilige Ambrosius in het bijzonder vervolgde, te bedwingen. Zij durfde haren hartstocht tegen hem niet meer botvieren als door smaadredenen en godslasteringen, die zij binnen haar paleis tegen de heilige martelaren en de mirakelen uitbraakte, want zo’n krachtdadig heelmiddel was nog niet sterk genoeg om de geest der ketters te genezen, en wanneer wij verbaasd staan over de grote mirakelen, waarmee het God behaagde de graven van zijne heilige martelaren te verheerlijken, zijn wij niet minder verbaasd over de hardnekkigheid der Arianen, die bleven weigeren om aan ene bisschop te gehoorzamen, die door God en zijne heiligen zo wonderdadig beschermd werd. Daar de keizerin en haar aanhang zagen, dat zij niets tegen de algemene overtuiging vermochten, achtten zij het raadzaam de vervolging niet langer door te zetten en daardoor de wonderwerken nog ruchtbaarder te maken dan zij reeds waren; zij schaamden zich over de gevolgen, zoals alle machten der aarde vroeg of laat met schaamte overladen worden, die de Kerk van Jezus Christus in haar geloof en in gare moedige bedienaars vervolgen.
God verwekte bovendien aan zijne Kerk nog ene verdediger, van welke men niets had durven verwachten, vooral sedert zijn beklag over Ambrosius, dat deze hem misleid en belet had van zich meester van Italië te maken. Deze verdediger was Maximus, die door Valentiniaan en door Theodosius als keizer erkend was; deze vorst had bij gerucht vernomen, welke onrust Valentiniaan in een gedeelte van zijn rijk door zijne afschuwelijke besluiten tegen het Evangelie en tegen het ware geloof verwekte, en schreef de keizer ene brief, waarin hij hem bezwoer van de oorlog te eindigen, eindigen, die hij de waarheid aandeed en toch het geloof van zijnen vader en voorouders niet te verlaten. Baronius deelt ons die brief, aan welker echtheid men niet twijfelt, mee. Hij is zoveel te uitmuntender wanneer de genegenheid, welke Maximus in denzelven aan Valentiniaan betoont, oprecht is. Hij verzekert hem van zijne oprechtheid en verklaart, dat het geluk des keizers en de liefde tot de waarheid hem te zeer aan het hart lagen, wijl hij zich anders over die verwarring had moeten verheugen, wanneer hij enig plan gevormd had om van de verdeeldheid gebruik te maken, welke in zijne staten heerste. “De leer, welke gij aanrandt, wordt in Italië, Afrika, Gallië, Aquitanië en in Spanje beleden, in één woord, te Rome, welke stad zoveel in het rijk als in de Godsdienst de voorrang heeft.” Die vorst voegde er nog deze merkwaardige woorden bij, welker waarheid Valentiniaan weldra ondervond. “Het is ene zeer gevaarlijke zaak datgene, wat God betreft, aan te randen.” Theodoretus verzekert, dat Maximus de keizer met oorlog bedreigde, indien hij de vervolging langer voortzette, welke bedreiging waarschijnlijk bij ene tweede brief geschied zal zijn.
Wij hebben de vervolging van Justina en der Arianen tegen de heilige Ambrosius enigszins wijdlopig behandeld, omdat zij een te voornaam punt in de geschiedenis van deze grote aartsbisschop betreft, en zij verdiende voor hem de titel van belijder, aan de martelaren toegekend en welke de grote Leo de moedige geloofsheld gaf. Rufinus zegt, dat de heilige, om de Godheid van de Heilige Geest te verdedigen, niet slechts met inkt, maar met zijn eigen bloed geschreven heeft, wijl hij zijn leven aan zijne vervolgers aangeboden en voor zoveel van hem afhing prijs gegeven heeft; dat God hem echter voor andere arbeid voorbehield. Op dezelfde wijze spreekt de heilige Augustus en zegt, dat deze bisschop de Katholieke waarheden met bewonderenswaardige moed en met gevaar van zijn leven verdedigd heeft.
De heilige Ambrosius maakte zich de rust, welke hij genoot, ten nutte om aan de verklaring van het Evangelie van de heilige Lucas en aan andere werken te arbeiden; hij schreef insgelijks over het paasfeest, dat wil zeggen om de dag te bepalen, waarop het in het volgende jaar gevierd moest worden en trachtte aan de bisschoppen van Emilia, die hem daarover geraadpleegd hadden, voldoening te geven. Na al hunne moeilijkheden weerlegd te hebben, toonde hij hun dat het feest de 25e April inviel; op de vooravond van het grote feest doopte hij de heilige Augustinus, diens zoon Adeodatus en deszelfs vriend Alypius, en men meent, dat hij voor de nieuw gedoopten dat onderricht vervaardigde, hetwelk zijn boek “over de geheimen” bevat.
“Wanneer de wegen van de mens de Heer zullen behagen,” zegt Gods Geest, “zal Hij ook deszelfs vijanden bevredigen,” ja hen somtijds tot Hem om raad en hulp doen snellen. Dit blijkt in hetgene ons verder van de geschiedenis van de heilige te melden staat. Keizerin Justina, hoofd en aanvoerster van zijne vijanden, moest wel overtuigd zijn van de edelmoedigheid, waarmee hij al de kwade behandelingen, welke zij de aartsbisschop had doen ondergaan, vergeten had, toen zij hem deed verzoeken van zich andermaal ten dienste van de staat en van haren zoon de keizer, naar Maximus als gezant te begeven. Zij zag zich bniet teleurgesteld en de heilige bisschop nam een gezantschap aan, hetwelk zeer gevaarlijk voor hem kon zijn. De zaak bestond in het terugvragen van het lichaam van keizer Gratianus en in het bekrachtigen van de vrede, over welke Ambrosius vier jaren eerder onderhandeld had; want men bespeurde in alle omstandigheden de kwade bedoelingen, welke Maximus schenen te bezielen en men meende grote rede te hebben van te vrezen, dat hij niet slechts het lichaam van de vermoorde keizer niet zou teruggeven, maar zich met het beheer van Gallië. Brittanje en Spanje niet langer wilde tevreden houden en dat hij eindelijk Italië zocht te overmeesteren. De heilige aartsbisschop vertrok op het einde van Mei in het jaar 387. Daags na zijne aankomst te Trier begaf hij zich naar het paleis, maar Maximus weigerde hem een bijzonder gehoor te verlenen en verklaarde met de bisschop niet anders als in ene volle raadsvergadering te willen spreken, ofschoon de bisschoppen het voorrecht hadden van in bijzonder gehoor toegelaten te worden. Deze belediging der bisschoppelijk waardigheid aangedaan, belette hem evenwel niet om tegen de verwachting van Maximus in de raad te verschijnen en zich van zijnen last te kwijten. Zodra de keizer hem zag binnenkomen, stond hij op, om hem volgens gewoonte de kus aan te bieden; doch Ambrosius bleef te midden der raadsvergadering staan, ofschoon men hem aanzette om de troon te naderen, daar de vorst hem riep. De moedige bisschop zei: “Waarom wilt gij een man kussen, die gij niet kent; want indien gij mij kende, zoudt gij mij hier niet zien.” – “Ik ben zulks niet, Bisschop,” zei Maximus, “gij zijt ontsteld.” – “Ik ben zulks niet,” hernam Ambrosius, “om de belediging, die gij mij aandoet, als wel omdat ik mij schaam op ene plaats te zijn, waar ik niet wezen moest om de rang welke ik bekleed.” Maximus wierp hem voor, dat hij bij zijn eerste gezantschap wel in de raadzaal gekomen was; doch de heilige merkte aan, dat hij toen kwam als een mindere om vrede te verzoeken, maar nu als iemand aan hem gelijk, wijl hij keizer Valentiniaan vertegenwoordigde. Maximus toonde zich zeer gebelgd en verweet de bisschop, dat hij hem bedrogen had bij zijn eerste gezantschap, toen hij hem belet had van Italië in te vallen, op een ogenblik, dat hij zijne gehele legermacht bijeen had en niemand in staat was om hem tegen te houden. Ambrosius antwoordde de vorst zeer bedaard, dat hij insgelijks gekomen was om zich van dat verwijt te zuiveren, ofschoon het hem zeer vererend toescheen het zich berokkend te hebben, om ene onmondige vorst te redden.
Want wie zullen wij bisschoppen verdedigen, wanneer wij vrezen het te doen. Ons is door de wetten der Godsdienst geboden: “Helpt de verdrukte, doet de wezen recht en beschermt de weduwen.” Waar heb ik mij ooit uw leger tegengesteld en u de doortocht naar Italië verhinderd? Welke rotten en benden heb ik u in de weg gesteld? Heb ik met mijn lichaam de Alpen gestopt en deze voor u ontoegankelijk gemaakt? Ik wenste, dat dit in mijne macht geweest ware, ik zou voor gene klachten, noch voor hetgene gij mij zoudt kunnen tegenwerpen, te vrezen gehad hebben. Met welke beloften heb ik u ooit bedrogen, om u tot vrede te bewegen? Zoudt gij niet zelf uwen gemachtigde (Victor), die mij niet verre van Mentz tegemoet kwam, om de vrede te verzoeken, van welke ik thans de bekrachtiging vraag? Hoe bedroog u dan Valentinianus, van wie gij, eer hij het u had doen verzoeken, zelf eerst de vrede verzocht en nu laat gij u nog voorstaan, dat de keizer beneden u en uw leenman zijn zou? Toen gij mij bij mijn vorig gezantschap zei, dat Valentinianus tot u behoorde te komen als een zoon tot zijnen vader, gaf ik u ten antwoord, dat het niet voegde, dat zo’n jonge vorst met zijne moeder, ene weduwe, in het strengste van de winter over de Alpen reisde en dat die reis in die toestand van zaken met het grootste gevaar gepaard ging; dat ik overigens niet kon spreken over iets dat buiten mijn last was.” Vervolgens drong de heilige Ambrosius er sterk op aan, dat Maximus het lijk van Gratianus zou teruggeven, om het te Milaan te begraven. “Zie op uwen eigen broeder, die aan uwe rechterhand staat, die Valentinianus, toen hij hem het offer van zijnen hartstocht had kunnen maken, u op ene eerlijke wijze heeft toegezonden. Hij had hem in zijne macht en evenwel, toen hij de tijding van de bloedige moord aan zijnen broeder Gratianus gepleegd vernam, zond hij hem, wijl hij geenszins kwaad met kwaad wilde vergelden, levend en onbeschadigd naar huis; geef nu ook zijnen broeder, ofschoon dood, terug. Kunt gij de as weigeren af te geven van hem, die gij niet had behoren dood te slaan? Laat Valentinianus de overblijfselen van zijnen broeder hebben, tenminste als onderpand van de vrede.” Vervolgens verweet Ambrosius de vorst, dat hij nog andere voorname mannen had laten ombrengen, wier enige misdaad bestond in getrouw geweest te zijn aan hunnen wettige keizer. Ofschoon hij onbeschroomd met de tiran Maximus sprak en men rede had van te denken, dat hij zijn leven in de waagschaal stelde, scheidden zij evenwel zonder bedreiging van elkander; zelfs beloofde Maximus ene nadere vredesonderhandelingen met hem te willen aangaan en het vervoeren van het lichaam van Gratianus in nadere overweging te zullen nemen. De heilige Ambrosius verwijderde zich nu tot andere gelegenheid en verklaarde hem in het heengaan, dat hij met hem nog gene kerkelijke gemeenschap kon houden en vermaande hem insgelijks van boetvaardigheid over de moord te plegen, welke hij begaan had, daar hij het onschuldige bloed van zijnen keizer en heer had doen vergieten.
Toen Maximus vernam, dat Ambrosius insgelijks weigerde met de bisschoppen der Ithaciaansche partij, welke de Priscillianisten bleven vervolgen, gemeenschap te houden, werd hij toornig en gebood hem in zijne oplopendheid aanstonds het hof te verlaten. Er ontbraken evenwel geen vrienden, die de heilige waarschuwden om voorzichtig te zijn, alzo hem zeker strikken en hinderlagen zouden gelegd worden, wijl de overweldiger over zijne openhartigheid zeer gevoelig en misnoegd was, en het er op leek toe te legen, om zich op ene of andere wijze aan hem te wreken. Voor hij vertrok, sprak Ambrosius nog voor een bejaard bisschop, Hyginus geheten, over wie het vonnis der verbanning reeds geveld was en verzocht, dat men tenminste in zijn onderhoud, naar gelang van zijne jaren en hoge staat, zou voorzien, en dat hij niet weggejaagd zou worden zonder kleed om zich te dekken en zonder bed om op te liggen. Dit verzoek werd niet slechts afgeslagen, maar Ambrosius zelf werd weggejaagd. Hij keerde nu naar Milaan terug en gaf de keizer verslag van zijne zending; hij waarschuwde hem om omtrent Maximus op zijn hoede te zijn, die een heimelijk vijand was, die wel vrede voorgaf, maar oorlog in zijn hart voedde, zoals weldra bleek waar te zijn. Valentinianus toonde zich niet tevreden over de onderhandeling van Ambrosius en vaardigde een zekere Domninus, een Syriër en een man, die zich aan het hof had weten in te dringen, naar Maximus af. Deze loze overweldiger ontving hem met alle beleefdheid en bewijzen van oprechte vriendschap en droeg hem op om zijnen vorst van zijne genegenheid en vredelievendheid te verzekeren; zelfs zond Maximus, om de tederste blijken van belangstelling in het geluk van Valentinianus te tonen, met de gezant Domninus een groot gedeelte van zijn leger als hulptroepen, om de keizer tegen de inval der Barbaren in Pannonie de helpende hand te bieden. Toen men aan de Alpen gekomen was, maakten de soldaten, volgens geheim bevel, buiten verwachting van Domninus, zich meester van alle nauwe en moeilijke wegen. Aanstonds trok Maximus met zijn gehele leger op, vond geen tegenstand, sloeg ongehinderd de weg naar Italië in en rukte tot Aquilea voort. De tijding van deze onverwachte inval joeg overal grote vrees in het hart. Valentiniaan en zijne moeder Justina staken de zee over en vluchtten naar Thessalonica, van waar zij naar keizer Theodosius reisden, om hem hunnen droevige toestand bekend te maken en zijne spoedige hulp, eer alles verloren was, in te roepen. Middelerwijl ging Maximus voort met allerlei wreedheden te plegen en deed in het ganse gewest niets dan roven en moorden. Theodosius had evenwel reeds lang voorgenomen om op ene of ander geschikte wijze de dood van Gratianus te wreken, maar was tot nu toe weerhouden, deels omdat hij zelf zonder beledigd te zijn de vrede met Maximus, die hij als keizer erkend had, niet mocht verbreken, anderzijds wijl hij in het Oosten zich moest bezig houden met de hem vijandige vorsten en volkeren te beoorlogen, en met het herstel van de vrede der Kerk te bewerken. Evenwel kwam de grote Theodosius spoedig naar Thessaloniki, beloofde de ongelukkige keizer alle bijstand, maar hield hem tevens voor ogen, dat hij, wijl hij de Arianen zo schandelijk begunstigd en Gods Kerk vervolgd had, over zich Gods rechtvaardige straf had verdiend. De edele vorst wist betere denkbeelden in het hart van Valentiniaan te prenten en hem te overreden van zijne dwaling voor altijd te verwerpen. Theodosius had voor enige tijd zijne gemalin Flaccilla, die ofschoon uit het oude keizersgeslacht gesproten, meer door hare deugden dan door geboorte schitterde, verstoten en huwde, om aan Valentiniaan een overtuigend bewijs van vriendschap te geven, Galla, zuster van de keizer, de dochter van Justina en Valentianus I.
Theodosius verklaarde in het voorjaar van 388 aan Maximus de oorlog, liet om de zegen des hemels over zijne wapenen tegen de overweldiger af te smeken, openbare gebeden houden en verzocht de vermaardste kluizenaars in Egypte, dat zij, terwijl hij in het oorlogsveld was, voor zijn geluk, hart en hand ten hemel zouden opheffen. Hij raadpleegde één van die heilige mannen, Joannes geheten, en deze voorzei hem de overwinning en gewichtigste gebeurtenissen zijner regering. Strenge tucht was zijn leger aanbevolen, opdat men zich de ontevredenheid des volks niet op de hals zou halen. Theodosius, mogelijk de grootste veldheer van zijnen tijd, voerde in persoon zijn leger ten strijd; onder hem streden vier dappere en ervaren veldheren, Promptus, die over de ruiterij ging, Timasius, die over het voetvolk bevel voerde, Richomer en Arbogastes, beiden Franken. Hij trok in het begin van de zomer te veld en waarschijnlijk begeleidde hem Valentiniaan. Maximus was in Aquilea gebleven, Andragathius had de Juliaansche Alpen sterk bezet en hij zou aan Theodosius, wier leger zwakker dan het zijne was, de doorgang allermoeilijkst, misschien onmogelijk gemaakt hebben, indien God de trouweloze Maximus niet met blindheid geslagen had. Op een ijdel gerucht dat Theodosius met ene vloot Italië zou aanvallen, beval hij aan Andragathius om zich met het grootste gedeelte van zijn macht in te schepen en de vijand de overtocht en ene landing te beletten, en nu werden de nauwe wegen der Alpen en de aan de overgang van de bijliggende stroom gevestigde sterkte van beschermers ontbloot. Evenwel overtrof het leger van Maximus in getal dat van Theodoius en had zich in twee afdelingen verdeeld, om zo mogelijk de keizer in te sluiten, maar zijn spoed verijdelde ook dat plan. Eerder als men had durven verwachten, stootte hij op de eerste afdeling bij Siscia in Pannonie aan de Savus (Sissek in Kroatië aan de Sau), zwom met de ruiterij over de vloed, sloeg ’s vijands leger, waarvan velen met hunnen veldheer, wiens naam met hem verzonken is, in de stroom omkwamen. Op dezelfde dag was Marcellinus, broeder van Maximus, met de andere afdeling van het leger in Petovium (Petau in Oostenrijk aan de Donau) gerukt. Reeds de derde dag stond Theodosius over hem in het veld; de slag duurde lang, was bloedig, maar Theodosius zegevierde; waarschijnlijk bleef Marcellinus in de strijd, wijl men niets meer van hem vernomen heeft; het grootste gedeelte van ’s vijands leger had met gebogen knie om genade gesmeekt en Theodosius nam hen vriendelijk aan en verdeelde hen onder zijne benden. Amona (Laybach), hetwelk aan Valentiniaan getrouw gebleven was, opende hare poorten en de bewoners trokken met de ganse bezetting de overwinnaar onder vreugdegezangen tegen. Toen Theodosius Aquilea op drie uren afstand genaderd was, zond hij graaf Arbogastes met enige manschappen vooruit; deze veldheer drong zonder tegenstand de stad in, waar de omtrent al het vroegere voorgevallene slecht onderrichtte Maximus van ene troon, op een plein opgericht, gerukt werd, juist toen hij bezig was om aan enige Mauritaanse soldaten soldij te doen betalen; men rukte hem de keizerlijke haarband en diadeem van het hoofd en hij werd gebonden in het leger van Theodosius gebracht. De vorst was zichtbaar getroffen toen hij de ongelukkige overweldiger zag, hij hield hem zijne afschuwelijke misdaden voor en ofschoon hij in het begin genegen scheen hem het leven te sparen, gaf hij bevel om hem het hoofd voor de voeten te leggen; andere schrijvers verzekeren, dat de soldaten, vrezende dat de keizer hem het leven zou schenken, hem het hoofd afsloegen. Zo kwam Maximus op 28 Juli 388 om het leven; hij had zich gedurende vijf jaren op de overweldigde troon, door hem met keizersbloed bezoedeld, staande gehouden.
Toen Andragathius de dood van Maximus vernam, wierp hij zich in zee, daar hij meende dat degene, die zich aan het bloed van keizer Gratiaan schuldig gemaakt had, geen vergiffenis kon erlangen. Niet slechts gaf keizer Theodosius de jonge Valentiniaan het door hem bezeten rijksdeel, te weten Italië, Illyrie en Afrika, maar de door Maximus overheerde landen Gallië, Spanje en Brittanje terug. Het schijnt evenwel, dat de keizer zijnen invloed op het bestuur van het Westelijke rijk, tot geluk van de nog jeugdige Valentinianus, bleef uitoefenen. Keizer Juslina stierf hetzelfde jaar, zonder dat men weet of zij hare Ariaansche dwalingen heeft afgezworen.
Theodosius verliet weldra Aquilea en begaf zich naar Milaan, in welke stad men hem onder vreugdegejuich ontving, en hem beschouwde als de bevrijder van het vaderland en de verdediger van het gelovig volk. De keizer bleef in die stad van 10 Oktober tot aan het einde van de maand Mei van het volgende jaar. De heilige Ambrosius moest zich in de tussentijd, dat de keizer te Milaan was, naar Aquilea begeven, om, zoals Baronius aanmerkt, in de behoefte van die kerk, welke zetel door het overlijden van de heilige Valerianus open stond, te voorzien. Uit deze stad schreef hij aan Theodosius een vermaarde brief, waartoe de volgende aanleiding bestond. De Christenen van Callicinium in Mesopotamië hadden daar ter plaatse ene synagoog en ene ketterse tempel verbrand, omdat zij bij de viering der gedachtenis des Machabeën, met plechtige omgang onder psalm- en lofgezang, door de Joden en de volgelingen van de oude ketter Valentinus gehoond en smadelijk bejegend werden, waardoor sommige Christenen gaande gemaakt de synagoog in brand staken. De keizerlijke stadhouder in het Oosten berichtte dat voorval aan Theodosius en de zaak, zoals het gewoonlijk gaat, werd ten kwaadste en wel ten nadele der Christenen overgebracht. De vorst, ten hoogste vergramd, gaf aanstonds de strengste bevelen, om de schuldigen te straffen, tegen de monniken vonnis te vellen en de synagoog op kosten van de bisschop weer te doen opbouwen. Ambrosius, van de zaak en het vonnis ingelicht, schreef daarover de keizer en verzocht hem het gegeven bevel in te trekken en hem daarover te horen. “Ik smeek u, o vorst,” zo schreef hij, “mij ene gunstige oplettendheid te schenken; mocht ik niet waardig zijn van u gehoord te worden, dan verdien ik evenmin om voor u de offerande op te dragen, noch uw verlangen en uwe gebeden te ontvangen, welke gij de allerhoogste God aanbiedt; toch waarom zoudt gij hem niet horen, wiens gebeden, welke hij voor u stort, gij wenst dat God verhoren zal. Gij neemt de verzoekschriften, welke ik u voor andere personen aanbiedt, genadig aan, gewaardig u insgelijks deze, die ik u voor u zelven voorstel, welwillend te ontvangen…. Indien gij recht laat wedervaren aan degene, die onder uwe standaarden dient, kunt gij dit weigeren aan de dienaren van die God, welke gij dient, wanneer wij u zijne uitspraken doen horen? Wanneer het slechts staatzaken betreft, zijn mijne verplichtingen minder streng, maar bij ene zaak, waar de eer van God in de waagschaal gesteld wordt, wie zoudt gij horen, indien een bisschop stom ware en wie zal zich verstouten u de taal der waarheid toe te spreken, wanneer een bisschop daartoe de moed niet had? Ik weet, dat gij Godsdienstig, goedertieren en voorzichtig in al uwe handelingen zijt, doordrongen van de vrees des Heren en ijverig voor de eer van zijne Godsdienst; doch men kan zich laten misleiden; de ijver is niet altijd volgens wetenschap. De landvoogd van het Oosten heeft u bericht, dat men ene synagoog in brand gestoken heeft op aanhitsing van de bisschop der plaats; dien ten gevolge hebt gij bevolen om tegen de daders te handelen en de bisschop veroordeeld om voor eigene rekening, de synagoog te doen herbouwen.
Het zou zeker beter geweest zijn van eerst de bisschop gehoord te hebben; doch ik wil eens de daad vooronderstellen en zelfs eens toegeven, dat de bisschop met te veel drift gehandeld heeft; dat hij zelfs wezenlijk tot het in brand steken van de synagoog heeft aangezet, wat zal er evenwel gebeuren, indien hij eenmaal weigert om de uitspraak tegen hem te eerbiedigen? Gij stelt hem bloot om schuldig te worden, of zo hij weigert, martelaar te zijn. Neen mijn vorst, die bisschop is niet schuldig, maar ik; ik beken in het openbaar, dat ik met te prediken, dat er geen enkele plaats meer moest gevonden worden, waar men Jezus niet aanbidt, tot het in brand steken van die synagoog heb aangezet. Ik durf mij verzekerd houden, dat men de bisschop van Callinicium tot dit harde uiterste niet zal noodzaken. Zal men de inwoners tot de herbouwing dwingen? de vrees voor de dood zal hen hierin doen toegeven; dat het dan zo zij. Maar nu zijt gij zelf persoonlijk bij God verantwoordelijk wegens de val der zwakken en de overtreding van de landvoogd, die menen zal verplicht te zijn om dat bevel ten uitvoer te leggen. Moet dan ene synagoog door de hand van één uwe beambten herbouwd worden, aan wie gij de bewaring van het geheiligd Labarum, hetwelk met de naam van Jezus Christus prijkt, hebt toevertrouwd. Een tempel bouwen voor de vijanden van Jezus Christus! Zeg mij eens, indien gij gebood, dat het Labarum in ene synagoog gebracht werd, zouden zij zulks oorbaar vinden, zouden zij er zich niet tegen verzetten?
Zal dan het trouwelooste volk zich kunnen verblijden, om van de buit der kerk ene plaats te bouwen, waar het vergaderen kan! Zal dan het vaderlijk erfgoed, hetwelk Jezus Christus voor de Christenen verkregen heeft, in de handen van ene heiligschendende natie overgaan! De Romeinen, overwinnaars der Sicambers, bouwden ene tempel van de buit der overwonnen volken; zo zonder de Joden even goed boven de ingang van hunne synagoog kunnen stellen; “De tempel der goddeloosheid, gebouwd van de buit op de Christenen behaald.”
Hoeveel tempels der Christenen werden niet onder Juliaan door de Joden in brand gestoken? Twee te Damascus, van welke er nog één in puinhoop ligt; de andere is hersteld geworden, niet op kosten der Joden, maar der Christenen; andere kerken hebben te Gaza, te Ascalon, te Beryta hetzelfde lot ondergaan en men heeft zich nog niet gehaast om de schuldigen op te sporen; te Alexandrië hebben de Joden, verenigd met de heidenen, de prachtige kerk in as gelegd. Daarenboven, welke overwinning voor de Joden, welke stof voor hun spotlust en godslasteringen; zullen zij de leerlingen van Jezus Christus sparen, zij, die de Leermeester zo zeer veracht hebben? Zij zullen niet ten achter blijven deze overwinning te tellen bij die, welke hunne vaders op de Amorrheen en op Farao behaald hebben. Jezus Christus zal u zeggen: Ik heb u uit het midden van uwe broeders verkoren, om u aan hun hoofd te stellen; van eenvoudig burger heb ik u tot keizer gemaakt, vreemde volken zelfs, uwen vijand aan uwe voeten onderworpen, en gij geeft uit dankbaarheid voor de overwinningen, welke ik voor u bewaard had, aan mijne vijanden ene zegepraal over mijn volk! Zo ik u, o prins, zovele uitstekende gunsten des Heren herinner, geschiedt dit niet uit verwijt dat gij ze vergeten hebt, neen mijn vorst, maar om u meer in liefde, die gij Hem verschuldigd zijt, te doen ontvlammen. Juliaan ondernam het om de tempel van Jeruzalem te herbouwen; gij kent het gebeurde. Een bovennatuurlijk vuur brandde en verstoorde degenen, die er arbeidden, een groot getal werd door hetzelve verslonden. Wie weet of niet dezelfde zaak zou plaats hebben? Betaamt het een vorst zoals gij, om te bevelen datgene te verrichten, hetwelk Juliaan niet ongestraft ondernam!”
Deze brief, van welke wij slechts weinige regels overgenomen hebben, had intussen het gevolg niet, hetwelk men had durven verwachten, waarom de heilige Ambrosius, zodra hij in Milaan teruggekeerd was, de keizer voor al het volk, zoals hij op het einde van zijnen brief verklaard had te zullen doen, aanspraak en wel met die vrijmoedigheid, welke hem altijd kenmerkte, wanneer hij aan de keizers de waarheid en rechtvaardigheid op het hart drukte. Theodosius zei hem: “Vader, gij hebt zeer krachtig tegen ons gesproken.” – “Geve God,” antwoordde de bisschop, “dat ik zeer goed en krachtig voor u gesproken heb, dit was tenminste mijne bedoeling en ik zal, wanneer het belang van uwe zaligheid zulks vordert, altijd dezelfde ijver doen blijken.” Theodosius bekende, dat het bevel tegen de bisschop van Callinicum gegeven, te hard was en herriep het dadelijk, doch zei, dat de monniken somtijds zeer onbeschaamd waren en evenals andere mensen zich schuldig maakten. De keizer sprak zo, wijl hetzelfde besluit ene straf tegen de monniken inhield, die de kerk der Valentiniaansche ketters verbrand hadden, wijl deze hen gedurende hunne Godsdienstige verrichtingen, gehoond en schandelijk beledigd hadden. Timasius, een groot krijgsbeambte, maar een hoogmoedig en vermetel man, nam deze gelegenheid waar, om de monniken, die hij haatte, in het oog des keizers verachtelijk te maken, maar de heilige aartsbisschop wist zijn trotsheid op het ogenblik te vernederen en legde hem voor de keizer het zwijgen op. Niet tevreden met van de vorst verkregen te hebben, dat zijn bevel veranderd werd, drong hij hem om alle vervolging te doen staken. De keizer beloofde het; tot tweemaal vroeg Ambrosius hem of hij op zijn woord kon rekenen en de heilige offerande opdragen. “Ja,” antwoordde de keizer, “regen gerust op mijn woord.” Op deze verzekering ging de grote aartsbisschop naar het altaar en droeg de aanbiddelijke geheimen op, hetwelk hij anders niet zou gedaan hebben.
Keizer Theodosius bevond zich nog te Milaan, alwaar hij tot de maand Mei 389 vertoefde, toen hij er onderscheidene gezantschappen uit alle oorden des rijks ontving, welke hem wegens zijne luisterrijke overwinning over Maximus kwamen geluk wensen. De senaat van Rome muntte boven alle andere staatslichamen uit en het gezantschap bestond merendeels uit amateurs, die heidenen en door Symmachus uitgekozen waren. Deze had hen aangezet om het behoud van het altaar der overwinning, welks oprichting Maximus weer toegestaan had, te verzoeken. De keizer scheen enigszins te willen toegeven, doch de heilige Ambrosius, die reeds tweemaal hun aanzoek onder Gratiaan en Valentiniaan II had doen afwijzen deed andermaal hun voorstel en aanzoek bij de vorst afspringen. De keizer begaf zich in het voorjaar naar Rome en hield daar zijnen zegevierende intocht, waarbij de jonge Valentiniaan naast hem op de zegenwagen zat; alle overblijfsels van het heidendom werden vernietigd, de afgodsbeelden verbroken, de tempels van al hunne sieraden beroofd en Symmachus, die met Maximus geheild had, werd van hoog verraad beschuldigd; hij vluchtte in ene kerk en verkreeg van Theodosius, die geen wraak wilde nemen, edelmoedig vergiffenis; de hardnekkige heiden, in zijne waardigheid hersteld, hield in de senaat ene lofrede op de keizer, doch kwam op het verzoek terug om het altaar der overwinning te mogen behouden. Ofschoon de vorst over zijne lofrede verstoord was, verborg hij evenwel zijne ontevredenheid niet over het onbeschaamd verzoek van Symmachus en verbood hem van in zijne tegenwoordigheid te verschijnen, schonk hem evenwel later weer vergiffenis, overlaadde hem met weldaden en maakte hem zelfs in het jaar 391 consul.
De vorst keerde in de maand September naar Milaan terug en gaf het bestuur van het ganse Westerse rijk aan Valentiniaan over. Deze jonge vorst was nu een ijverig Katholiek; de heilige Ambrosius werd door hem als zijn vader bemind en deze versterkte die prins tot leidsman op zijnen weg.
Middelerwijl Paus Siricius te Rome de dwalingen van Joviniaan veroordeelde, was deze ketter de keizer naar Milaan gevolgd, maar met zijnen aanhang op bevel van de keizer uit die stad verdreven. In het jaar 390 hield de heilige Ambrosius ene kerkvergadering, waarin die ketter andermaal veroordeeld en door de ban van de gemeenschap der Kerk afgesneden werd.
Het concilie was nog vergaderd, toen men te Milaan vernam, dat te Thessalonica, hoofdstad van Illyrie, een oproer uitgebroken was, waarbij men zich aan afschuwelijke moord had schuldig gemaakt. Zie hier de oorzaak. Bothericus, overste der ruiterij in Illyrie, had een zekere openbare wagenmenner, welke de gunst van de bewoners der stad genoot, doch die ene schenker tot ene schandelijke misdaad tegen de zuiverheid had aangezocht, in de kerker doen werpen en hij zou, na overtuigd te zijn, zeer zeker de staf voor zijne afschuwelijke boosheid niet ontgaan zijn; doch kort daarop zou men in de stad ene luisterrijke paardenwedloop houden en de Thessalonikers die wagenmenner daarbij tegenwoordig wensende te zien, verzochten zijne in vrijheidstelling; de krijgsoverste sloeg dit verzoek niet zonder rede af, waarop het volk zeer oproerig werd en vele gruwelen bedreef, waarbij Bothericus omkwam en, zoals ons Theodoretus verzekert, onderscheidene beambten met stenen geworpen, langs de straten gesleept werden en het leven verloren. De misdaad was zeker afschuwelijk en verdiende gestraft te worden; daarbij kwam nog, dat keizer Theodosius, oplopend van aard, gemakkelijk tot gramschap aangevuurd werd; op de eerste tijding van het voorval schoot hij dus in drift en legde de Thessalonikers ene strenge straf op. Op dringend verzoek der bisschoppen, vooral van de heilige Ambrosius, beloofde de keizer echter vergiffenis te schenken. Doch de vorst liet zich later, tegen zijn aan de heilige Ambrosius gegeven woord, opnieuw door sommige hovelingen misleiden; zij deden hem opmerken, dat het volk, wanneer hij vergiffenis schonk, onbestraft tot andere misdrijven zou overgaan; dat straffeloosheid te gevaarlijk was en dat de keizer bij deze omstandigheden een voorbeeld van rechtmatige gestrengheid moest doen blijken en tonen, dat hij zeer gevoelig was aan het geweld en de smaad, ene man in openbare en hoge bediening, die bij de keizer in groot aanzien stond, zowel als aan de andere ambtenaren aangedaan. Rufinus, wiens leven en dood sedert die tijd berucht werd, was één van diegenen, die de vorst zodanige boze raad gaf; hij was toen grootmeester van het paleis en oefende grote invloed. Deze hovelingen wisten te beletten, dat de heilige Ambrosius, die op de vredelievende belofte van Theodosius vertrouwde, iets van de zaak vernam voor dat deze ten uitvoer gelegd was, want men hield zich overtuigd, dat de keizer zich weer tot zachtmoedigheid zou laten bewegen en aan de aanzoeken van de heilige Ambrosius niet zou weerstaan. Zij hadden de keizer het besluit doen nemen, om enige beambten met geheime bevelen naar Thessalonica te zenden en de stad aan de willekeur der soldaten over te leveren. Nauwelijks waren deze aangekomen, of men nodigde, ten einde de wraak zoveel te zekerder en bloediger ten uitvoer te brengen, het volk tegen de volgende dag in het renperk, voorgevende dat men ene luisterrijke wedloop zou geven. Zodra was niet de renbaan met ene overgrote menigte gevuld, of dadelijk werden alle in- en uitgangen door de gewapende macht bezet; de soldaten vielen met uitgetogen zwaard op de weerloze menigte aan, vermoorden zonder onderscheid elk die voor de hand kwam en dat moorden duurde drie volle uren, zodat zevenduizend mensen door het moordstaal omkwamen. Het recht der volken en der natuur werd door de woeste soldaat met voeten getrapt, onschuldigen met schuldigen, vreemdelingen zowel als inwoners werden aan de wreedheid ten offer geslacht. Sozomenes verzekert, dat zich een slaaf edelmoedig aanbood en voor zijnen meester omgebracht werd; deze schrijver verhaalt ons nog ene veel afschuwelijker gebeurtenis; een zeker koopman bevond zich met zijne beide zonen in de renbaan en hen in de handen der soldaten ziende, die op het punt waren om hen om hals te brengen, bood hij zich zelf in hunne plaats aan en smeekte, dat men hun het leven zou sparen, terwijl hij bovendien nog het goud aanbood, hetwelk hij bij zich had. Dit scheen de woeste soldaat tot meer menselijkheid op te wekken, doch de vrees van het getal slachtoffers, hetwelk elk soldaat gehouden was te leveren, niet te zullen kunnen aanbrengen, belette hun het leven aan het broederpaar te schenken; zij stemden toe om één van hen, ter keuze van de vader, te zullen sparen. In deze droevige toestand geplaatst, zag de bedrukte vader de ene na de andere zijne zonen onder gezucht, gekerm en het storten van tranen aan, maar kon geen keuze maken, kon tot de moord van geen zijner lievelingen besluiten; de vaderlijke tederheid voor de ene zowel als voor de andere hield hem terug, totdat die vader zijne beide zonen voor zijne ogen zag vermoord worden.
Het gerucht van zo ene onmenselijke slachting werd in korte tijd door alle gewesten van het rijk verspreid en kwam weldra ter oren van de bisschoppen, die te Milaan vergaderd waren. De prelaten toonden hunnen afschuw en beschuldigden openlijk de stichter en uitvoerder van zoveel onheilen; bovendien was er niemand, of hij was over de wreedheid en onmenselijkheid van die daad ten hoogste getroffen en elk veroordeelde Theodosius, die zich toen niet te Milaan bevond, maar ene reis ondernomen had; want ofschoon men niet kon veronderstellen, dat de keizer uit eigen beweging tot zo ene wrede en onbepaalde wraakneming bevel had gegeven, wierp men evenwel al de schuld op hem, omdat de vorsten voor hetgene in hunnen naam geschiedt en wegens de buitensporigheden, waarmee hunne bevelen uitgevoerd worden, verantwoordelijk zijn. De heilige Ambrosius was meer dan iemand gevoelig getroffen, maar oordeelde het niet dienstig om zich aanstonds in de eerste bewegingen van zijne smart tot de keizer te begeven; hij wilde Theodosius de tijd geven van in zich zelven, bij het beschouwen der wederrechtelijke bloedstorting door hem bevolen, terug te keren; hij wist dat de vorst eerdaags te Milaan zou komen en bij hem een bezoek zou afleggen, en om ene toenadering te ontwijken, verliet de aartsbisschop twee of drie dagen eerder, onder voorgeven van ongesteldheid, de stad. Zijn hart was, zoals te denken is, zeer beklemd en hij meende bij nacht in ene droom de keizer te zien, die ofschoon met afschuwelijke moord bezoedeld, de kerk durfde binnen te treden; daarbij verbeelde de bisschop zich de ontzaggelijke geheimen op te dragen, doch niet in staat te wezen die te volbrengen. Na ontwaakt te zijn, beschouwde hij zulks als ene waarschuwing, dat de vorderde, dat de keizer zich aan ene strenge boetvaardigheid moest onderwerpen. Ambrosius schreef hem ene brief, waar hij, na eerst enige verontschuldigingen voorgedragen te hebben, die hem beletten om de vorst te Milaan af te wachten, hem de verplichting, welke op hem rustte, om als priester van de allerhoogste God te handelen, al de wreedaardigheden voor ogen stelde, die men op zijn gezag te Thessalonica had durven uitoefenen.
“Indien ik stilzweeg,” zo schreef hij de keizer, “zou mijn geweten bezwaard blijven; de profeet verklaart ons dit: Indien gij de zondaar niet waarschuwt, zal hij in zijne zonden sterven en de priester zal schuldig zijn van hem niet gewaarschuwd te hebben. Luister dan, o vorst, gij bezit ijver voor het geloof, gij vreest de Heer, verre zij het van mij zulks te betwisten, maar gij bezit een karakter, dat in rust zijnde zich tot edelmoedige daden richt, doch dat in drift schietende alle palen te buiten gaat. Ach gave God, dat niemand uw hart deed ontvlammen, wanneer er niemand gevonden wordt, die uwe driften matigt! Voor de gevolgen kan men veilig op u berusten, gij eindigt altijd met in u zelven terug te keren en uwe Godsdienstige gevoelens zegevieren over uwe natuurlijke opbruising. Ik heb u liever aan uwe eigen denkbeelden willen overlaten, dan door ene geruchtmakende daad het vuur der eerste hevigheid nog meer aan te stoken; ik heb veel liever willen schijnen tegen de welvoeglijkheid te handelen, dan tegen de plicht van onderwerping en u de tijd vergunnen, om in rust uwe daden na te denken. De stad Thessalonica heeft moeten ondervinden, wat niemand ooit zich heeft kunnen herinneren immer geschied te zijn, wat ik niet in staat geweest ben van te beletten, namelijk datgene, wat ik vroeger en zo menigmaal als ene zware misdaad voorgesteld heb en wat gij u zelven maar te laat als onvergeeflijk verweten hebt. Niemand kon bij de tijding, die zich weldra verspreid heeft, onverschillig blijven; elk gevoelde zich levendig in zijne ziel getroffen. Na u derhalve evenals David te hebben schuldig gemaakt, zoudt gij dan vrezen datgene te doen, wat zich de profeet koning, uit wie Jezus Christus volgens zijne mensheid moest voortkomen, niet geschaamd heeft. Hij erkende zijne zonde en zei: “Ik heb voor de Heer gezondigd!” Duid het dan niet ten kwade, o vorst, dat men u zegt: gij zijt David in zijne misdaad gevolgd, volg hem insgelijks in zijne boetvaardigheid. Ik schrijf u deze dingen niet om u te beschamen; mijne bedoeling is, om u door het voorbeeld van die koning tot boetvaardigheid aan te sporen, om uwe zonden uit te wissen en van uw rijk de straffen af te weren, die uwe misdaad verdient; het middel om deze te boeten bestaat in uwe ziel voor God te verootmoedigen. Gij zijt mens, en ziedaar een bewijs van menselijke zwakheid; de zonde wordt niet als door tranen en boetvaardigheid uitgewist; engel noch aartsengel is in staat die af te wassen; de Heer zelf vergeeft slechts aan boetvaardige zondaars. Ik vermaan u derhalve deze zijde te kiezen, ik smeek u, bid u, waarschuw u. Welke smart gevoel ik bij de gedachte, dat een vorst, tot nu toe een voorbeeld van verhevene Godsvrucht, beminnenswaardig om zijne onbeperkte goedertierenheid en mededogen omtrent de schuldigen, zich zover heeft kunnen vergeten, en hoe levendiger zou mijne droefheid zijn, wanneer gij onverschillig bleef bij de doodslag, die zovele onschuldigen getroffen heeft; hoe groot ook de luister van al uwe behaalde overwinningen zijn moge, welke roem gij overal door uw gedrag behaald hebt, uwe goedheid en Godsvrucht bestuurden altijd al uwe daden. Satan heeft u uwe overwinningen benijd, werk o vorst om hem te overwinnen, terwijl gij nog de middelen hebt. Hoe zoudt gij het lichaam des Heren in die bezoedelde handen durven ontvangen, zijn kostbaar bloed aan uwe lippen zetten, gij, die door een enkel oplopend en grammoedig woord, zo onbillijk het bloed van zovele mensen vergoten hebt?”
Vervolgens verklaart de aartsbisschop, dat hij de Heilige Geheimen niet zal opdragen, wanneer de keizer daarbij zou durven te verschijnen; hij verzekert onder eed, dat God zelf hem zulks verboden heeft in een nachtgezicht van hetwelk wij reeds eerder gewaagd hebben; hij smeekt voorts de keizer zich te wachten van tot Jezus Christus in de Heilige Geheimen te naderen, voor het hem geoorloofd zij en zich tevreden te stellen met het offer des gebeds, die offerande van ootmoed, welke over hem barmhartigheid in plaats van Gods gramschap zal doen afdalen. “Danken wij God,” zei de moedige bisschop, “die zich gewaardigt degenen, die Hem dienen, te tuchtigen, omdat Hij zo na-ijverig is om hen te behouden. Met op die wijze tot u te spreken, volg ik het voorbeeld der profeten en volg gij het voorbeeld der heiligen, met u door boetvaardigheid te vernederen.”
Volgens Paulinus schijnt Theodosius aanvankelijk niet zeer getroffen te zijn geweest en dit komt met het gezegde van Theodoretus zeer wel overeen, want deze verhaalt, dat de keizer, te Milaan teruggekeerd zijnde, volgens gewoonte de kerk wilde binnentreden, toen de heilige Ambrosius, die insgelijks teruggekomen was, tot voor het portaal naar buiten trad en hem de volgende vermaning deed: “Het schijnt, o keizer, dat gij de afgrijselijkheid van het grote bloedbad, hetwelk gij zelfs, nadat de eerste bewegingen van uwe gramschap gestild waren, hebt laten aanrichten, nog niet inziet. Uw verstand schijnt u de misdaad, welke gij gepleegd hebt, nog niet te doen bevatten. Weet intussen, dat gij slechts mens zijt, van zwakke en vergankelijke natuur; beschouw en overweeg, dat gij van dezelfde stof zijt als wij en tot welke wij eenmaal zullen wederkeren; laat u door de glans van het purper niet verblinden; herinner u, dat het slechts stof bedekt; zij, over wie gij de scepter zwaait, zijn van dezelfde natuur als gij en zijn dienaars van dezelfde Heer, want alle mensen hebben maar één Koning en Heer en deze is God, de Schepper van alle dingen. Met welke ogen beschouwt gij de tempel van de algemene Heer? Hoe durft gij in deze heilige stede te verschijnen? Hoe kunt gij tot Hem uwe handen opheffen, waarvan nog het bloed, dat gij zo onrechtvaardig vergoten hebt, afdruipt? Hoe zoudt gij in diezelfde handen het geheiligd lichaam des Heren durven ontvangen? Hoe kunt gij Zijn kostbaar bloed aan uwen mond aanbieden, gij, die overgegeven aan gramschap en woede, zulk ene vreselijke bloedvergieten hebt aangericht? Verwijder u van deze plaats en vergroot uwe misdaad niet door ene andere. Neem de band vrijwillig aan, die God, de Heer van het heelal, u oplegt, dit zal het enige middel zijn, waardoor gij de genezing van uwe ziel zult verwerven.”
Theodosius verontschuldigde zich door het rampzalige voorbeeld van David, die zich terzelfder tijd aan overspel en manslag schuldig gemaakt had, aan te halen, doch Ambrosius antwoordde de keizer aanstonds: “Daar gij hem in zijne misdaad zijt gevolgd, zo volg hem insgelijks in zijne gehoorzaamheid en boete.” Deze woorden maakten zodanige indruk op de keizer, dat hij, door het licht, hetwelk hij uit de Heilige Schriften geput had, wetende hoedanig de macht der bisschoppen en die der vorsten was, zich dadelijk aan de uitspraak van de heilige Ambrosius onderwierp. In het openbaar van de gemeenschap der gelovigen afgesneden, besloot hij om ten aanzien der ganse gemeente, zich aan de openbare boetoefeningen te onderwerpen en ofschoon hij keizer was, schaamde hij zich evenwel niet ene vernedering te ondergaan, voor welke elk mens beefde; hij bekende zijne misdaad met tranen, wierp zich met zijne vorstelijke kentekenen ter aarde, beweende de zonde, welke anderen hem hadden doen begaan en smeekte onder gezucht en tranen de Heer om vergiffenis.
Theodosius werd waarlijk groot in zijne vernedering; de gelovigen baden met ijver voor hunnen vorst en deze keizer, wiens gestrenge gramschap vroeger zo ontzaglijk was, boezemde nu medelijden en diep gevoel van smart in; de onderdaan scheen met zijnen vorst te lijden. Ambrosius had hem ene boete bepaald en hij volbracht die met ijver en geduld, zonder gedurende die tijd de keizerlijke tooi te dragen, die men altijd in tijd van rouw en treuren aflegde. Theodosius, volgens de uitspraak van de heilige Ambrosius, van ’s Heren altaar verbannen, gehoorzaamde aan het bevel van zijnen geestelijke geneesheer; hij nam de boetpleging, welke de tucht der Kerk hem oplegde, gewillig aan en onttrok zich in zijn paleis. Acht maanden waren verstreken en op die wijze doorgebracht, toen de feestviering van de geboorte des Heren aanbrak; nu werd zijne droefheid heviger bij de gedachte, dat hij bij deze hoge feestviering uit de Godsdienstige vergadering der gelovigen moest buiten gesloten blijven. Rufinus, grootmeester van het paleis, vroeg de keizer naar de oorzaak van zijne overgrote droefheid en zocht hem weer te overtuigen, dat hij slechts schuldige gestraft had en daarom zich zonder rede aan overmatige droefheid overgaf; dat de Christelijke zin bovendien niet kon vorderen van hem langer in die band gesloten te houden. Deze poging van Rufinus was zoveel te schandelijker, daar hij de keizer niet alleen aangezet had, om zich aan die vreselijke bloedschuld plichtig te maken, maar tevens door zijne vleierij, de boetvaardige geest des vorsten zocht te verzwakken. Onder het storten van hete tranen zei Theodosius: “Rufinus gij spot met mij, daar gij de ellende, die ik te verduren heb, niet gevoelt; ik zucht en ween, wanneer ik de deerniswaardige staat beschouw, in welke ik gezonken ben. De kerk staat voor slaven en bedelaars open, zij kunnen die heilige plaats ongehinderd binnentreden, om God hunne smekingen en offers aan te bieden en ik zie mij de toegang ontzegd en de deuren van het koninkrijk der hemelen voor mij gesloten, wijl ik weet, dat de Heer gezegd heeft: “Al wat gij op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn.” – “Indien gij het goedvindt,” hernam Rufinus, “dan zal ik mij naar de bisschop begeven en ik vertrouw, dat ik hem zal kunnen bewegen, dat hij u van uwe banden ontsla.” “Ik erken de billijkheid van het vonnis,” hernam de keizer, “hetwelk Ambrosius tegen mij uitgesproken heeft en het aanzien der keizerlijke waardigheid zal hem nooit bewegen om Gods wetten te overtreden.”
Rufinus, menende de heilige Ambrosius te zullen bewegen, hield bij de vorst aan en verzekerde hem, dat hij zeer gemakkelijk voor de keizer toegang tot Gods huis zou verwerven; hij dacht dat een bisschop voor menselijk aanzien de knie zou buigen, doch de geschiedenis toont ons, dat vrome bisschoppen de wetten van God en de Kerk weten te handhaven; die blinde en ijdele hoveling had zich slechts te herinneren, dat de grote Ambrosius in moeilijker omstandigheden getoond had, dat hij voor de rechten der Kerk zijn leven veil had. Door de toestemming des keizers versterkt, begaf Rufinus zich tot de heilige aartsbisschop en Theodosius, in het denkbeeld dat zijn dienaar zou slagen in het bewerken der verzoening, volgde spoedig. Hoe stond Rufinus te zien, toen hij in Ambrosius ene man vond, die waardig was de zetel van Milaan te bezetten. De heilige trouwens verweet hem hoe hij, die zelf zo schuldig was, zich als middelaar en voorspreker voor de keizer durfde aan te bieden. “Hoe! durft gij het te wagen zodanige hoop te voeden, ofschoon gij de vorst tot moord hebt aangezet en gij meent het op u, om vergiffenis voor hem te bewerken? Gij hebt alle gevoel van schaamte afgelegd en siddert niet bij de herinnering aan die misdaad en dat bloedbad en aan de hoon, welke gij Gods evenbeeld hebt durven aandoen.” Terwijl Rufinus zijne bede verdubbelde en bij de aartsbisschop aandrong, melde hij insgelijks, dat de keizer reeds op weg was en de kerk naderde. “En ik verklaar u,” zei de grote aartsbisschop, “dat ik hem zal beletten om des Heren tempel binnen te treden; wil hij als tiran handelen, dan zal ik van mijne zijde, de dood met blijdschap tegemoet gaan zien.” Rufinus niets gunstigs na zodanig antwoord durvende verwachten, liet de keizer het vast besluit van de bisschop berichten en Theodosius aanmanen van naar het paleis terug te keren. De vorst bevond zich reeds op het grote plein der stad, toen hij deze boodschap ontving en kon niet besluiten om terug te keren. “Ol zal evenwel gaan,” zei hij, “en mij aan de smaad, die ik zo zeer verdiend heb, blootstellen.” In de omtrek der kerk gekomen, ging hij het gebouw binnen, waar de aartsbisschop gehoor verleende aan degenen, die hem wensten te spreken en smeekte de heilige om hem van de ban te ontheffen. Ambrosius, die dit bedrijf als ene daad van een titan beschouwde, vroeg hem of hij zijne misdaden zoverre dacht te drijven, dat hij zich tegen God zelf en gewelddadig tegen de heilige verordeningen der Kerk aankanten. “Neen,” zei de vorst, “ik stel mij geenszins tegen de wetten, die mij zijn opgelegd; ik wil nooit de kerk met geweld binnentreden; ik bid u slechts om de gunst van mij van mijne banden te ontbinden; herroep nu in uwe gedachte de barmhartigheid van onze algemene Heer en sluit de deur niet langer voor mij, welke die God vol goedheid geopend heeft voor degenen, die boetvaardigheid doen.” – “Welke boete hebt gij voor die verschrikkelijke misdrijven verricht?” hernam Ambrosius, “welke geneesmiddelen hebt gij gebezigd, om de diepe wonden van uwe ziel te herstellen?” – “Het komt u toe,” antwoordde de keizer, “mij de middelen voor te schrijven en het is mijn plicht die aan te nemen.”
De vraag van de heilige Ambrosius en het antwoord van de keizer schijnt moeilijk overeen te brengen met ene boete van acht maanden, welke Theodosius zonder twijfel volgens de voorschriften des bisschops verricht had; maar de heilige had hem zeker een langduriger tijd van boete voorgeschreven en vroeg hem derhalve, welke ‘buitengewone’ boete hij verricht had om te kunnen vorderen, dat de bestemde tijd zou ingekort worden; doch de ootmoed, welke de vorst in zijn antwoord liet blijken, ontroerde het hart van de grote aartsbisschop. Voordat de heilige Ambrosius hem echter van de ban ontsloeg, legde hij aan Theodosius de verplichting op, om ene wet vast te stellen, uit kracht van welke gene vonnissen, die in haast en zonder overleg geveld werden, kracht zouden hebben, en dat uitspraken over ’s mensen leven of verbeurte van goederen, niet dan dertig dagen na de tekening zouden mogen worden uitgevoerd, ten einde er tijd zij tot een rijper en meer beraden overleg, en dat na verloop van die dagen het getekende bevel of vonnis de keizer weer zou moeten voorgelegd worden, opdat het gemoed, van alle opwellingen van oplopendheid en toorn bevrijd, de zaak bedaard kon overwegen, of er wel of kwalijk gevonnist was. Theodosius nam met dat voorstel genoegen en gaf last dienaangaande ene wet op te stellen, die hij aanstonds met eigen hand ondertekende. Theodoretus en Sozomenes verzekeren, dat de heilige Ambrosius de keizer gebood zich in de kerk onder de openbare boetvaardigen te stellen, dat hij vervolgens ene openbare schuldbekentenis zijner zonden aflegde, zich aan de deur der kerk op de knieën wierp en geruime tijd onder de boetelingen op zijn aangezicht bleef liggen, terwijl hij met de boetvaardige David tot de Heer riep: “Mijne ziel kleeft aan de grond, maak mij levendig volgens uw woord.” Door deze ootmoedige belijdenis,” zegt de heilige Ambrosius in zijne lijkrede op keizer Theodosius, “smeekte hij vergiffenis af en verdiende dezelve. Jezus Christus heeft zich wel vernederd om alle mensen te verheffen; door het voorbeeld van Jezus Christus na te volgen, verkreeg onze vorst de gunst in de rust van Jezus Christus binnen te treden. Men heeft gezien hoe hij alle versierselen van zijne keizerlijke waardigheid aflegde, in de kerk, voor het aanschijn der ganse vergadering, de zonde, welke anderen hem hadden doen bedrijven, beweende en met tranen en zuchten vergiffenis smeekte. Hij, de keizer, verrichtte wat bijzondere personen zich zouden schamen te doen; hij onderwierp zich aan de openbare boetoefening en sedert ging er geen dag voorbij, of hij beweende steeds in de bitterheid des harten zijnen misslag.”
Waanneer wij de lijkrede van de heilige Ambrosius over Theodosius inzien, schijnt het vrij zeker, dat de keizer sedert die tijd Godsdienstiger leefde dan voor zijnen val; daarom aarzelt de grote aartsbisschop van Milaan niet te zeggen, dat zijne boetvaardigheid de grootste lofspraak verdient; de heilige Augustinus zelf zegt, dat hij niets treffender kende dan deze zo Godvruchtige vernedering, en stelt hem aan zijn volk voor als een schitterend voorbeeld van boetvaardigheid en verzekert, dat God gewild heeft, dat die vorst zich aan deze openbare vernedering onderwierp, om alle zondaars tot het volgen van dit uitmuntend voorbeeld aan te manen. Paulinus zegt, dat Theodosius daardoor verdiend heeft de overwinning op Eugenius te behalen. De nagedachtenis van Theodosius zal altijd luistervol in de Kerk blijven, niet zo zeer om de glansrijke overwinning, welke hij op zijnen vijanden behaalde, wijl Trajanus en andere volken, die in de hel neergezonken zijn, hem in dit punt evenaarden en zelfs voorbijstreefden; zijn roem bestaat in zijne vernedering en in de openbare boetvaardigheid, aan welke hij zich zo ootmoedig onderwierp, dat hij al de luister der keizerlijke grootheid aflegde en als met de voet trapte. “Herinneren wij ons,” zei Hincmar, bisschop van Rheims, aan koning Karel de Kale, “hetgene een doorluchtig keizer en een niet minder doorluchtig bisschop verricht hebben. Theodosius zondigde, wijl hij mens was, Ambrosius berispte hem, wijl hij een waar bisschop was. Theodosius onderwierp zich met een ootmoedig geduld aan de boetvaardigheid, welke God hem door zijnen dienaar oplegde. Gelukkig vorst, die in zijnen tijd een Ambrosius vond, die hem verplichtte om ene waardige boetdoening voor zijne zonden re plegen! Gelukkig bisschop, die ene Theodosius gevonden heeft, wiens oor geopend was om de stem der rechtvaardigheid, welke hem aangekondigd werd, aan te horen. Gelukkig zowel de één als de ander, terwijl God een mens vond, die zich zijner gramschap tegenstelde en Hem belette van in zijnen toorn de zonde te straffen, welke de keizer bedreven had.”
Theodoretus voegt bij deze geschiedenis nog ene omstandigheid, die onze opmerking verdient. De keizer van de hand der zonden ontslagen, was bij de Heilige Geheimen tegenwoordig; hij, wiens ogen nog vol tranen waren, stond op om met de gelovigen zijne offers aan te bieden; volgens gewoonte begaf hij zich naar het altaar en toen de vorst zijne offers aangeboden had, bleef hij binnen het koor onder de kerkelijken, zoals hij in het Oosten gewoon was te doen. De heilige Ambrosius, die zulks opmerkte, kon dit niet stilzwijgend toelaten en meende de keizer te moeten betekenen, dat die plaats hem niet voegde; hij liet hem eerst vragen of hij iets verlangde, Theodosius antwoordde, dat hij hier het ogenblik afwachtte om tot de Heilige Geheimen te naderen; nu zond de heilige aartsbisschop zijnen aartsdiaken tot de vorst en liet hem zeggen, dat deze heilige plaats alleen voor bedienaars van het heiligdom was bestemd, dat het aan anderen niet geoorloofd was zich daar te bevinden, dat het purper wel keizers, maar geen bisschoppen maakte en hij zich dus onder de gelovigen moest rangschikken. De Godsdienstige vorst nam deze vermaning van de heilige prelaat met welgevallen aan, antwoordde dat hij die plaats niet gekozen had om boven anderen uit te munten, maar omdat dit de gewoonte in de kerk van Konstantinopel was; hij liet vervolgens de bisschop bedanken voor zijne inlichting en begaf zich buiten het koor onder de gelovigen, waar Ambrosius ene van andere onderscheidene plaats had doen gereed maken. Het is moeilijk te beslissen of dit voorval bij deze gelegenheid wel plaats gegrepen heeft, omdat de keizer reeds enige tijd te Milaan vertoefd en zeer zeker de heilige Geheimen bijgewoond had, zodat het natuurlijker schijnt deze omstandigheid te plaatsen in het jaar 388, toen Theodosius in Milaan kwam. Sozomenus vermeldt deze gebeurtenis wel, maar zonder haar te verbinden met de boetvaardigheid van de vorst, ofschoon hij dit voorval onmiddellijk er op laat volgen.
Zodanig was de glans der deugd, zowel van Theodosius als van de bisschop, dat wij niet kunnen nalaten beide grote mannen te bewonderen; de bisschop wegens zijne edelmoedige vrijmoedigheid, de keizer wegens zijne ootmoedige gehoorzaamheid; de ene wegens het vuur van zijnen ijver, de andere wegens de oprechtheid en ware eenvoudigheid van zijn geloof. Toen Theodosius zich enige tijd daarna te Konstantinopel bevond, onderhield hij deze Godvruchtige regel en de eerbied voor de heilige plaats, hem door de heilige Ambrosius ingeboezemd. Op een zekere feestdag begaf hij zich naar de kerk en na zijne offerande aangeboden te hebben, keerde hij uit het koor terug. Nectarius, de patriarch, vroeg waarom hij niet in het koor bleef en nu antwoordde de vrome vorst, dat hij kort geleden eerst het onderscheidt had leren kennen tussen een bisschop en ene keizer; dat hij eindelijk een man gevonden had, die hem de waarheid in al haren omvang onderwezen had en dat hij Ambrosius vereerde als iemand, die de naam van bisschop waardig was. Deze daad van bisschoppelijke moed verhoogde de roem van bisschoppelijke moed verhoogde de roem van de aartsbisschop van Milaan door het ganse keizerrijk; zijne deugden en geleerdheid lokten uit het diepste van het Oosten de vreemdelingen naar Milaan, die de heilige met gelijke begeerte verlangden te zien, als vroeger de koningin van Saba de wijsheid van Salomo wenste te bewonderen.
Na de bekering van de grote Theodosius vermeld te hebben, verhaalt Paulinus, dat omtrent dezelfde tijd, twee der machtigste en geleerdste mannen van Perzië te Milaan kwamen, en de aartsbisschop onderscheidene moeilijke vraagpunten ter beantwoording en beslissing voorlegden; door middel van tolken spraken zij met hem van de vroege morgen tot aan het derde uur van de nacht. Zij verlieten hem doordrongen van gevoelens van achting en bewondering voor zijne zeldzame verdiensten en wijsheid; zij toonden, dat Ambrosius te zien en te spreken de enige beweegrede van hunne reis geweest was, want zij namen de volgende dag reeds afscheid van de keizer en keerden over Rome naar hun vaderland terug, na eerst in die stad de beroemde raadsheer Probus, de uitmuntendste Romein van zijnen tijd, bezocht te hebben. Wij bezitten nog ene brief van Ambrosius, die, zoals men meent, enige jaren na dit voorval aan Severus, bisschop in Campanie, gezonden is; ter aanbeveling van een zeker priester, Jacobus genaamd, die van de uiterste grenzen van Perzië kwam en zich in Campanie wenste neer te zetten, ten einde er zijne overige levensdagen in rust door te brengen.
Buiten de muren van Milaan had de heilige Ambrosius een klooster gesticht, waarin een groot aantal deugdzame mannen, die door de heilige bisschop verzorgd werden, zich afgezonderd hadden. Het zal waarschijnlijk deze woning des heiligen zijn, van welke de heilige Augustinus gewaagd en welke hij gezien heeft; “het klooster,” zegt deze heilige, “was vol van deugdzame broeders, die aldaar onder het bestuur van de aartsbisschop van Milaan tezamen leefden.” De ketter Jovinianus had vroeger in dit klooster in grote versterving geleefd, veel gevast, een grof habijt gedragen en zware arbeid verricht; hij verliet echter zijn klooster, begaf zich naar Rome en begon een geheel tegenovergesteld leven te leiden. Uit Rome waar hij van de gemeenschap der Kerk vervallen verklaard en in de ban gedaan was, had hij zich met enige aanhangers naar Milaan begeven en voor hij vandaar verdreven werd, had hij weer enige aanhangers gewonnen. Onder dezen telt men vooral Sarmation en Barbatianus, kloosterlingen van Milaan, die de heilige Ambrosius grote moeilijkheden veroorzaakten. De heilige aartsbisschop trachtte hen door heilzame onderrichting tot hunnen plicht terug te roepen, maar zij trokken en geen voordeel uit; wel is waar vastten zij met de anderen en bonden zich ene tijd in, doch daar zij gehouden waren in het klooster te blijven en niet naar goedvinden konden uitgaan, zodat zij gene gelegenheid hadden volgens hunne ongebondenheid te leven, en hunne gesprekken, die dikwijls schandelijk en verergerd waren, veracht en verboden werden, wilden zij zich van de kloostertucht ontdoen. Zij verlieten dan het gezelschap der heiligen, waarin zij nimmer hadden moeten worden opgenomen; zij wilden wel later weer in het klooster terugkeren, doch de heilige Ambrosius, die hen terecht mistrouwde, weigerde hun de toegang. Uit spijt van onder de kloosterlingen geen aanhangers te kunnen werven, werden zij evenals Satan afgunstig op het geluk, hetwelk elk vroom Christen ten deel valt en predikten overal wellust, vermaak en zingenot. Zij beweerden, dat maagdelijke zuiverheid, vasten en versterving gene verdienste hadden, dat alle mensen, welke handelingen zij ooit voor de Heer ondernamen, gelijk waren, dat het dwaasheid is het vlees door vasten en versterving aan de geest te onderwerpen, dat men aan goede sier, feestmalen, vermaak en wellust zonder zielsgevaar kon toegeven; zodat zij, die gedoopt waren, zich aan de deugd niet behoefden te verbinden, dat maagden en weduwen, wanneer zij zich ook konden onthouden, in het huwelijk dienden te treden. En zo toonden deze beide afvallige monniken, dat zij de gevoelens van Jovinianus, die hun geloof en zeden bedorven had, omhelsden. Deze ongelukkige Epicuriers strooiden het zaad der ondeugd in de kerk van Vercelli, welke destijds zonder bisschop en dus zonder wachter was, maar de heilige Ambrosius, onder wiens rechtsgebied die kerk scheen te behoren, vertraagde niet haar de heilzaamste behoedmiddelen aan de hand te geven, met haar ene wijdlopige brief te schrijven, waaruit wij het hier genoemde getrokken hebben. Zonder twijfel zijn het die ongelukkige dwaalhoofden en wellustigen, welke Ambrosius in zijne verklaring over de 36e psalm bedoelt, als hij het ongeluk beweent van hen, die ene heilige roeping, aan welke zij gedurende enige tijd beantwoord hebben, verwerpen. “Kan men,” zegt hij, “op de zodanige woorden van de profeet koning niet toepassen, en van die lieden zeggen, dat hunne voeten uitgeglipt en dat zij gevallen zijn, de vrucht van hunnen arbeid verloren en hunnen stand verlaten hebben? Beschouw eens die mens, die gedurende enige jaren de deugd beoefende, de zuiverheid bewaarde, over zich zelven waakte, het kloosterleven volgde en zorgvuldig zijne plichten vervulde, en die eensklaps verandert, zijn klooster verlaat, van geen vasten meer horen wil, de reinheid en onthouding verzaakt, de genoegens en vermaken najaagt, zich aan de weelde en wellust overgeeft. Zodanigen zijn zij, die sedert geruime tijd hunne kloosters verlatende, zich leermeesters der ongebondenheid, predikers der onzuiverheid, leraars der onbeschaamdheid, vijanden der onschuld getoond hebben. Kan men dan niet terecht van de zodanigen zeggen, dat hunne voeten uitgeglipt en zij gevallen zijn, die spijt hebben van wel geleefd te hebben? Door ene nieuwe wijze van boete tonen zij berouw over hunne goede werken, terwijl zij over hunne zonden niet wenen. Zij zijn van ons uitgegaan, zegt de heilige Johannes, maar zij waren niet de onzen.”
Keizer Theodosius, die sedert het jaar 388 in Italië vertoefd had, om de troon aan de jeugdige Valentiniaan te verzekeren, keerde op 14 Juli 391 naar Konstantinopel terug, waar hij op 9 of 10 November aankwam; hij wilde geen andere beloning als het genoegen van de jonge vorst van zijne vijanden bevrijd en de onderdrukte volkeren verlost en beschermd te hebben; deze grote vorst werd met de luidruchtigste blijken van vreugde in zijne staten ontvangen; men begroette hem overal als overwinnaar en nooit ijverde een keizer belangelozer voor het geluk van de vorst, wiens troon hij bevestigde, wiens vijanden hij verslagen en wiens staten hij uitgebreid had. Ofschoon Theodosius het bestuur van het Westen aan de jonge Valentiniaan onvoorwaardelijk overgegeven had, had zulks gene verandering ten opzichte der Kerk in het algemeen en de heilige Ambrosius in het bijzonder ten gevolge, want Justina was sedert het jaar 388 overleden en Valentiniaan hoe jeugdig ook, was een tweede Theodosius; hij betoonde alle ijver in het verbeteren van zijne vroegere misslagen, verscheen zeer zelden in de renbaan, gebood dat men al het wild, dat tot de jacht bijeengedreven was, zou doden, om niet in verzoeking te komen van door de hartstocht tot dit vermaak van de rijks-zorgen afgetrokken te worden; hij vastte streng en verstierf zich zelfs bij de feestmalen, welke hij nu en dan verplicht was voor zijne rijksgroten aan te richten. Hij legde zijne onderdanen niet alleen geen nieuwe lasten op, maar verminderde zelfs de meest drukkende; hij beminde de heilige Ambrosius meer dan hij vroeger van hem afkerig was geweest, zelfs haar toegedragen en vervolgd had. Hij achtte Ambrosius, die hij zes of zeven jaren eerder als zijnen vijand wilde verdrijven, thans als zijnen vader; de onderrichtingen van Theodosius maakte hij zich ten nutte en deze wisten uit zijn hart alle verkeerde en misdadige indrukken, die zijne moeder hem gegeven had; hij vergoedde met de meeste ijver de kwellingen en rampen, die men de heilige Ambrosius in zijnen naam had doen lijden; hij roemde er op door deze prelaat opgekweekt te zijn en wenste, dat hij hem altijd bij zich kon hebben, omdat hij hem als ene zorgvuldige vader beschouwde en gaf hem meestal deze zo tedere naam. De heilige Ambrosius dankte God onophoudelijk, dat Hij het hart van de jonge keizer door zijne genade veranderd had en dankte niet minder keizer Theodosius, door wiens bemiddeling de Heer die verandering had bewerkt. Hij trachtte de gunst, welke hij van beide keizers genoot, ten voordele der Kerk te doen dienen en trachtte zich de vrede, die in het rijk heerste, ten nutte te maken om de scheuring, welke de kerk van Antiochië tussen de beide bisschoppen Flavianus, opvolger van Melerius en Evagrius, opvolger van Paulinus, verdeelde, te doen ophouden. Doch God liet nog niet toe, dat zijne bemoeiingen door ene goede uitslag, welke zijne pogingen echter schenen te verdienen, beloond werden en het gelukte evenmin aan het concilie van Capua, waarbij Ambrosius, zo men verzekert, met Paus Siricius omtrent het begin van het jaar 392 tegenwoordig was, deze zo moeilijke als treurige zaak ten einde te brengen.
De innige blijdschap, welke de heilige Ambrosius smaakte wegens de vrome gezindheid en de ijver van de jeugdige Valentiniaan, verkeerde weldra in droefheid, die de genegenheid evenaarde, welke hij de vorst toedroeg. De keizer had wel het hart van ene Theodosius, doch miste diens gezag en gevoelde zich gedrukt door het vertrouwen, hetwelk de veldheer Arbogastes, een Galliër en heiden, bij het leger genoot; het schijnt bovendien, dat hem geld ontbrak, wijl hij hetgene hij in de schatkist gevonden had en door de zorg van de heilige Ambrosius bewaard was, niet gespaard had. De barbaren hadden tot in de nabijheid van Italië roverijen gepleegd en grote verwoestingen aangericht, zodat men de tegenwoordigheid des keizers, die zich te Veinne onthield, wenste. Flavianus, toen eerst magistraatspersoon en enige anderen drongen bij de heilige Ambrosius sterk aan, om zich naar Gallië te begeven en de keizer te smeken van naar Italië te komen. De heilige beloofde het, want ofschoon hij niet aan het hof verscheen wanneer zijne tegenwoordigheid er niet werd vereist, wilde hij evenwel zich gaarne ten nutte van zijn volk aan elke moeilijkheid onderwerpen. Daar Valentinianus uit eigen beweging het besluit genomen had om naar Italië te komen, bracht men de volgende dag, toen de heilige aartsbisschop meende op reis te gaan, de bevelen dat alles in gereedheid moest gebracht worden, wat tot de reis des vorsten nodig geacht werd en zo werd nu die van de heilige onderbroken. Het gerucht van de afreis van de bisschop van Milaan had zich reeds tot Vienne uitgestrekt, en de keizer ontving die tijding met het grootste genoegen en uitte zijn verlangen om de heilige te zien; doch toen dit gerucht vals bevonden werd, schreef de vorst hem ene dringende brief, verzocht hem toch spoedig te komen, om tot waarborg te strekken voor zijne verzoening met Arbogastes en hem, als nog slechts geloofsleerling zijnde, het heilig doopsel toe te dienen voor hij naar Italië kwam om de barbaren te bevechten. Er bevonden zich in Gallië wel vele bisschoppen, doch Valentinianus wenste van de heilige Ambrosius het heilig doopsel te ontvangen; de beide volgende dagen na het vertrek van de snelbode bracht de vorst in de uiterste ongerustheid door; op de derde dag, de laatste van zijn leven, onderzocht hij of de bode nog niet teruggekomen en of de bisschop reeds op weg was, want hij stelde al zijn vertrouwen op hem en beschouwde hem als zijn bevrijder; men hoorde hem meermalen zeggen: “Zal ik gelukkig genoeg zijn om mijnen vader te zien?” De heilige Ambrosius was na het ontvangen van ’s keizers brief aanstonds afgereisd en wel met zoveel haast, dat hij geen acht sloeg op de voortekenen, welke zo blijkbaar de ramp, welke de vorst boven het hoofd hing, aanduidden. De aartsbisschop was de Alpen reeds over, toen hij de jammervolle dood van Valentiniaan vernam, die twee dagen nadat hij hem geschreven had, voorviel. Op de Zaterdag voor Pinkster, op 15 Mei 392, wandelde de vorst op de middag alleen aan de oever van de Rhône, in de nabijheid van zijn paleis, terwijl zijne hovelingen het middagmaal namen; de afschuwelijke Arbogastes nam die gelegenheid waar om hem door enige zijner soldaten te doen wurgen. Op deze treurige tijding keerde Ambrosius naar Milaan terug, terwijl hij de weg met zijne tranen bevochtigde en zijne zuchten met die des volks verenigde. Zijne smart was groot, dat hij zich volstrekte afzondering zou opgesloten hebben, indien hij zijne kerk had kunnen verlaten en zijne waardigheid afleggen; hij sloot zich evenwel van alle gewoel af en leefde in diepe stilzwijgendheid, welke hij niet verbrak als om aan Theodosius te antwoorden, die hem geschreven had om Valentiniaan te Milaan, waar men zijn lichaam gebracht had, te begraven. Het lichaam van de zo verraderlijk vermoorde keizer werd in die stad, twee of drie maanden na zijnen dood, bij dat van zijnen broeder begraven en zoals men meent, was het bij die plechtige ter aarde bestelling, dat de grote aartsbisschop de lijkrede uitsprak, die wij nog bezitten. In dit stuk stort hij zijn hart geheel uit en terwijl hij weende, storten alle toehoorders tranen; een groot gedeelte dier rede strekte om de zusters van Valentiniaan, die er tegenwoordig waren, te troosten. Hij schroomt niet haar te verzekeren, dat de vorst bij de Heer is, ofschoon gestorven zonder het heilig doopsel ontvangen te hebben, wijl het levendig geloof, dat in zijn hart huisvestte, hem gereinigd en de vurige begeerte, waarmee hij naar dat Sacrament verlangde, hem geheiligd heeft. Hij zegt, dat God hem deze genade geschonken heeft door de voorbede van Gratianus, door de Heilige Geheimen, die hij voor hem zou opdragen en door de gebeden der gelovigen. Hij belooft voor hem zowel als voor zijnen broeder dag en nacht te zullen bidden en beide in zijne offerande te noemen; eindelijk bidt hij God, dat hij na zijnen dood van hen niet moge gescheiden worden. Over de weinige levensdagen van Valentiniaan sprekende, vergelijkt hij hem met Josias en zegt, dat hij vreest, dat zijn dood ene voorspelling is van de rampen, welke het rijk zullen treffen en dat God hem evenals Josias zo spoedig deze wereld heeft doen verlaten, teneinde de ellende niet te zien, die weldra zou aanvangen, en de geschiedenis heeft de voorspelling van de grote bisschop bewaarheid.
Arbogastes bewerkte dat een zekere Eugenius met het purper omhangen werd; deze had vroeger onderwijs in de schone kunsten gegeven, was vervolgens door de veldheer Richomer aan diens landsman en vriend Arbogastes aanbevolen en door de invloed van deze veelvermogende man geheimschrijver van Keizer Valentiniaan geworden. Philostorgius dwaalt, wanneer hij hem een heiden noemt; hij beleed uitwendig het Christendom, maar was overigens een slecht en ontrouw Christen; het schijnt evenwel, dat hij rein van zeden was en zich uitwendig als een rechtschapen man gedroeg. De heilige Ambrosius had hem, toen hij nog ambteloos was, gekend en hem met zijne gewone oprechtheid vereerd. Volgens Socrates was hij deelgenoot der samenzwering tegen de keizer en men verzekert, dat hij door waarzeggers en andere goddelozen aangemoedigd werd, om het purper, hem door Arbogastes aangeboden, aan te nemen. Eugenius, aanbevolen door de grootste veldheer van zijnen tijd, werd weldra door het leger van Gallië, Spanje, Brittanje en zelfs van Italië als keizer erkend.
Keizer Theodosius had besloten het stout bestaan van Eugenius te straffen en hem van de overweldigde troon te verdrijven. Terwijl hij zich met het toerusten van een machtig leger bezig hield, kwam van de zijde van de troon overweldiger een gezant te Konstaninopel, aan welks hoofd een zekere Rufinus van Athene stond en er bevonden zich onder de gezanten ook enige bisschoppen. Men had geen brieven van Arbogastes en wachtte zich wel zijnen naam te noemen, totdat Theodosius het ombrengen van Valentinianus op zijne rekening stelde. De bisschoppen poogden hem van die hoofdmisdaad vrij te spreken. De keizer hield de gezanten enige tijd te Konstantinopel, doch gaf hun zo het schijnt geen bevredigend antwoord; hij zond hen nochtans met enige geschenken terug. Het aanzien en de hoge achting, welke de heilige Ambrosius niet slechts in Italië, maar in het gehele keizerrijk genoot, bewoog Eugenius om de heilige te schrijven; de grote aartsbisschop bleef hem echter antwoord schuldig, hij hield zich van de zwakheid van zijn geloof en van zijne verraderlijke verbintenissen met Arbogastes te zeer overtuigd en voorzag de boosheden, welke men hem zou doen bedrijven. Eugenius trok weldra met zijn leger naar de Rijn, hetnieuwde zijne verbintenissen met de Franken en Allemannen, van welke hij een machtig leger hulptroepen verkreeg en trok nu naar Italië, waar men hem als keizer erkende. De heidenen hadden hem reeds gezanten gezonden, die hem het herstel van het altaar der overwinning verzochten, alsmede de teruggave der goederen, die tot onderhoud der afgodendienst versterkt hadden. Reeds had hij tweemaal de bede van Rome’s gezanten afgeslagen, doch willigde later, bewogen door de machtige invloed van Arbogastes en Flavianus, hun verzoek in. Zijne nadering verplichtte de heilige Ambrosius om Milaan te verlaten; hij wilde geen vorst, ofschoon in het Westelijke rijk reeds erkend, zien, die onder de naam van Christen de afgoderij deed herleven. Niettegenstaande zijne smart, had hij tot nu toe gezwegen en zijne droefheid in zijn hart verborgen gehouden, maar ziende, dat Eugenius zich haastte om Milaan te winnen en menende voor God en de mensen verantwoordelijk te zijn, indien hij het onrecht aan de Godsdienst aangedaan, zou durven ontveinzen, verliet hij Milaan en schreef Eugenius ene brief, welke hij op deze wijze begon: “De rede waarom ik Milaan heb verlaten is, dat ik de Heer vrees, wie ik al mijne handelingen, zoveel ik kan, toewijd, daar ik gewoon ben al mijne gedachten tot Hem te richten en der mensen gunst niet boven die van Christus te achten; want ik doe niemand enig onrecht, wanneer ik God boven allen stel. Vol vertrouwen op de Heer, vrees ik geenszins voor de meester der aarde de taal der waarheid te spreken. De mond, die nooit voor de andere keizers heeft weten te veinzen, zal ook niet weifelen om u de waarheid te zeggen.” Vervolgens verhaalt hij hem, hoe hij, onder de regering van de jeugdige Valentinianus, toen Symmachus, stadsvoogd van Rome, zich aan de vorst wendde en sterk aandrong om het herstel van het overwinningsaltaar en de goederen tot onderhoud der afgoderij te herkrijgen, twee schriften opgesteld en de keizer gezonden had, waarin hij hem waarschuwde, dat ingeval hij het verzoek der heidenen inwilligt, hij buiten de Kerk zou gesloten worden, of dat zo hij durfde binnen te treden, hij er geen priester vinden en men hem de toegang beletten zou; dat Valentiniaan, zoals de geloofsplicht oplegt, zich naar zijnen raad gedragen had; dat Theodosius eveneens gehandeld had, toen de Romeinse senateurs zich met dezelfde bede bij hem vervoegden en aan hun verzoek geen gehoor had gegeven, terwijl Valentiniaan één aan hem in Gallië, met dezelfde aanzoeken gericht gezantschap, van de hand gewezen. “Men heeft u,” vervolgt de grote bisschop, “het herstel van het altaar der overwinning en de teruggave van de inkomsten der tempels, tot de dienst der afgoden noodzakelijk, gevraagd; tweemaal hebt gij geweigerd, doch hebt geëindigd met alles toe te geven. De keizerlijke waardigheid heeft u met grote macht bekleed, maar hebt gij kunnen vergeten, dat het insgelijks de macht Gods en hoe groot de Heer is, die alle harten doorziet, het geweten doorzoekt en voor wie niets van hetgene er geschiedt verborgen is, terwijl Hij wat in uwe ziel omgaat beschouwt? Gij duldt niet dat men u zou bedriegen, en durft u te laten voorstaan God te kunnen misleiden! Welke dringende aanzoeken men u ook gedaan heeft, ware het evenwel uw plicht geweest hun verzoek, uit eerbied voor de hoogste, waarachtige en levende God, af te wijzen en nooit datgene toe te geven, wat gij niet kunt vergunnen, zonder de Goddelijke wetten op ene heiligschendende wijze te overtreden. Wij misduiden niet, dat gij uwe weldaden aan elk zonder onderscheid betoont, maar wij zijn de verklaarders en uitleggers van het geloof. Hoe, zoudt gij nog durven uwe offers aan Jezus Christus op te dragen, terwijl de priesters des Heren uwe giften en offers niet kunnen aannemen? Wat de heidenen verrichten, zal u aangerekend worden; welk machtig keizer gij ook zijn moogt, gij zijt niet minder een onderdaan van God. Wilt gij, dat men u eert, bevlijtig u dan ook dat allen die ene God vereren, die gij als de oorzaak en bewerker van uwe macht beschouwt.”
De vrijmoedigheid van de heilige Ambrosius jegens Eugenius herinnert aan zijne uitdrukkingen, welke hij bij het verklaren van de 118e psalm bezigde: “Wilt gij u evenals God bij de zondaars doen vrezen en eerbiedigen, u bij de koningen en wereldbeheersers ontzaglijk maken en dezen aan u evenals aan God gehoorzaam zien, veracht dan al wat de wereld aanbiedt, acht het lijden, de smarten en de smaad des Heren boven alle rijkdommen en grootheid der aarde.”
Toen Eugenius te Milaan gekomen was, werden zijne geschenken, die hij aan de kerk toegedacht had, door de priesters, welke gedurende de afwezigheid van Ambrosius de kerk bestuurden, niet aangenomen, noch zelfs werd tot het gemeenschappelijk gebed der gelovigen toegelaten. Vol gramschap over de standvastigheid der geestelijkheid van Milaan, met de geschenken van Eugenius te weigeren en hem buiten de Kerk te sluiten, hadden Arbogastes en Flavianus, voor zij Milaan verlieten, om tegen Theodosius te veld te trekken, gezworen, dat zij, zodra zij zegevierend zouden terugkeren, de kerken in paardenstallen zouden veranderen en de priesters onder de soldaten rangschikken. Ofschoon Eugenius de Christelijke Godsdienst niet in het openbaar verloochend had, liet hij, om de heidenen op zijne zijde te trekken, aan de afgodendienst alle vrijheid; het beeld der overwinning zag men in de raadzaal der senatoren, de heiligschendende offerande werd opnieuw van Satan opgedragen, wolken van onheilige wierook stegen ten hemel en de wichelaars vorsten in de trillende ingewanden van hunne offerdieren de toekomst uit en verenigden hunne stem met die der waarzeggers, die aan Eugenius de overwinning voorspelden. Bij het bezetten der Juliaansche Alpen, welke Italië van Duitsland scheiden en bij Aquilea tot aan de Sau, werden, waarschijnlijk door Flavianus, de eerste der senateurs en opperpriesters, beelden van Jupiter met gouden bliksemstralen in de rechterhand en andere tovermiddelen geplaatst en aangewend, om aan de vijanden de doortocht te beletten, en Satan scheen zijne heerschappij opnieuw gevestigd te hebben. De heilige Ambrosius had intussen Milaan verlaten en begaf zich naar Boulogne, werwaarts hij verzekert uitgenodigd te zijn, om het feest van het vervoer der lichamen van de heilige martelaren Vitalis en Agricola bij te wonen. Paulinus merkt op, dat de heilige martelaren zelf hunne rustplaats aam hem bekend gemaakt hadden. De heilige bisschop nam de lichamen uit hunne graven met het kruis en de nagels, de werktuigen hunner overwinning en vergaderde het bloed, dat men nog in hunne rustplaats vond en bracht onder het lof- en psalmgezang ene ontelbare menigte, deze heilige overblijfselen in de kerk der stad over. Vandaar reisde hij over Faventia (Fuenza), waar hij enige dagen vertoefde, naar Florence, welker inwoners hem dringend verzocht hadden om in hun midden te komen en Paulinus zegt, dat hij uit deze stad zijnen brief aan Eugenius, van welke wij hier gewaagden, geschreven heeft. De grote aartsbisschop, om de verwachting van de Florentiers niet te leur te stellen, schonk hun een gedeelte van de overblijfselen van de heilige Vitalis en Agricola, hetwelk hij bij zich gehouden had, te weten een gedeelte van het bloed en van het kruis, aan hetwelk Vitalis gestorven was en legde deze kostbare gedenkstukken onder het altaar van ene kerk, die hij op verzoek van ene weduwe, Juliana geheten, inwijdde. Bij deze gelegenheid hield hij ene treffende leerrede voor het volk, welke wij nog onder zijne verhandelingen, onder de titel van “vermaning aan de maagden,” bezitten en die diende, zoals wij hier reeds opmerkten, om de drie dochters van Juliana te onderrichten. Dit was niet de enigste gunst, welke de Florentijners van hem ontvingen. Ambrosius woonde bij één der aanzienlijksten van de stad, Decentius geheten, een hoogst Godsdienstig man, wiens nog zeer jeugdige zoon Pansophos verschrikkelijk door Satan gekweld werd. Ambrosius bad over het kind, legde het de handen op en het werd genezen. Weinige dagen daarna werd Pansophos door ene dodelijke ziekte aangetast en stierf plotseling; de moeder, ene zeer Godsvruchtige vrouw, vol betrouwen op de voorbede van de heilige gast, nam het ontzielde lichaam, droeg het in het vertrek des heiligen en legde het op zijn bed. Toen Ambrosius thuis komende dit ontdekte, werd hij door medelijden getroffen; hij zag het geloof dier vrouw. Zoals vroeger Elias als gast de zoon van de vrouw bij Sidon, Eliseus de zoon der Suanitische vrouw in het leven terugriepen, zo riep Ambrosius de zoon van zijnen gastheer tot het leven terug; hij legde zich op het knaapje, bad de Heer en God zegende zijn geloof en betrouwen en dat der moeder, die haren zoon gezond uit zijne hand terug ontving. Ambrosius schreef een werkje onderrichting voor het kind, hetwelk wij niet meer bezitten; hij gewaagde, zoals Paulinus verzekert, niets van dit wonderwerk en het komt ons niet toe, zoals gemelde schrijver zegt, te onderzoeken, welke de rede van dit zijn stilzwijgen geweest is.
Het schijnt, dat Eugenius te Milaan zijn hof hield, totdat hij zich gedrongen zag om tegen Theodosius, die spoedig aanrukte, de strijd aan te vangen. Nauwelijks hadden Eugenius, Arbogastes Flavianus Milaan verlaten, of de heiligev aartsbisschop, die geenszins aan de ondergang van die overweldiger twijfelde, verliet Toscane en kwam tegen 1 Augustus 394 in zijne bisschoppelijke stad terug en wachtte daar keizer Theodosius op, want hij vreesde de uitslag van de strijd niet, welke zijne gebeden en verdiensten ten voordele van hem bepaalden, die zo waardig was door deze verheven dienaar des Allerhoogsten bemind te worden.
Theodosius, die zich tot de strijd tegen Eugenius voorbereidde, herinnerde zich de voorzegging van de heilige Egyptische kluizenaar Joannes, Maximus voorspeld had; hij zond derhalve zijn kamerling Eutropius om hem te verzoeken te Konstantinopel te komen, naardien hij van hem wenste te vernemen, of hij de wapenen tegen Eugenius zou aangorden, of afwachten of hij eerst aangegrepen werd. Joannes verontschuldigde zich en verklaarde niet aan het hof te kunnen verschijnen, doch raadde de strijd aan onder voorspelling van de zege, doch hij verklaarde, dat men die niet zo gemakkelijk als over Maximus bevechten zou. Middelerwijl Theodosius zich met ijver als keizer en veldheer tot de strijd toerustte, trachtte hij zich als Christen de bescherming en bijstand des Heren waardig te maken; hij waakte, vaste, bad bezocht met de bisschoppen en de gelovigen de kerken, en men zag hem meermalen met een haren boetkleed aan de graven der martelaren neergeknield hunne voorbede afsmeken bij de levende God, wiens hulp in zijnen naam is, wijl Hij hemel en aarde gemaakt heeft.
Keizer Theodosius, door de gebeden van de heilige Ambrosius en andere vrienden des Heren ondersteund, trok tegen het einde van de maand Mei te veld, met zoveel spoed, dat hij zijne vijanden overviel eer zij aan hem dachten; hij wist zich ene weg door de Alpen te banen en sloeg Flavianus, die in de bergengte omkwam. Voor het leger des keizers schitterde de standaard des kruises; het beeld van Hercules zag men in de vanen der vijanden; de slag werd aller-bloedigst en Theodosius verloor zijn grootste veldheer; tienduizend Gothen en Iberiërs vielen met hem; de nacht maakte een einde aan het bloedvergieten, doch Eugenius had het slagveld behouden. De veldoversten van de keizer raadden hem terug te trekken en de strijd voor de volgende dag te ontwijken. “Neen,” riep de edele vorst, “neen het kruis zal nooit voor de afgod Hercules vluchten; gene versmading zal kleven op het teken van onze zaligheid.” Vervolgens bracht hij in ene nabijgelegen kapel de nacht met bidden door; tegen de morgenstond sluimerde hij in en een droomgezicht werd hem de overwinning verzekerd. Arbitrio, een veldheer van Eugenius, koos met zijne dapperen de zijde van de rechtmatige keizer en verliet de vanen van de overweldiger. De tiran, ziende Theodosius met ene kleine bende aanrukken, stelde zijn leger in slagorde en meende zo zeker van de overwinning te zijn, dat hij de aanvoerders van zijne benden gebood de keizer niet af te maken, maar hem gebonden voor hem te brengen. De slag begon; opeens verheft zich een geweldige stormwind, welke het stof in de ogen der vijanden dreef en het gebruik der wapenen verijdelde. Onder deze zichtbare bescherming des hemels vielen de moedige soldaten van Theodosius op de moedeloos geworden vijand in. Niet alleen vermelden Ambrosius, Rufinus, Augustinus, Orosius en na hen Theodoretus, Socrates en Sozomenes dit wonder, maar zelfs Claudianus, een heiden en tijdgenoot, bezong in schone verzen de bijstand door het keizerlijk leger ondervonden; de vijanden geraakten in verwarring, een gedeelte nam de vlucht, de overigen wierpen hunne wapenen weg en smeekten om lijfsbehoud. De edelmoedige Theodosius schonk allen vergiffenis, maar beval hun de tiran voor hem te brengen. Eugenius had geen deel aan de strijd genomen, maar stond op ene heuvel; de stofwolken hadden hem belet de nederlaag der zijnen te ontdekken. Zodra hij enige der zijnen, die de zijde van Theodosius gekozen hadden, zag toesnellen, riep hij: “Brengt gij mij Theodosius in boeien mee?” maar zij grepen de tiran en brachten hem gebonden voor de keizer. Eugenius wierp zich voor de overwinnaar neer en daar de keizer het doodvonnis over hem uitsprak, werd hij van zijne eigene soldaten afgemaakt. Arbogastes durfde op gene vergiffenis te hopen; hij dwaalde twee dagen in het gebergte om en bracht zich zelven met zijn eigen zwaard om het leven. Theodosius gaf bebel om aanstonds de beelden van Jupiter, welke Favianus op de Alpen geplaatst had, omver te werpen en gaf zijnen renboden de gouden bliksemstralen ten geschenke, wijl zij gezegd hadden, dat zij gaarne door de bliksems wilden getroffen worden. Theodosius kroonde zijne zegepraal door barmhartigheid; de zonen van Eugenius en Arbogastes, die het vonnis des doods verwachtten, waren in ene kerk gevlucht; de keizer schonk hun niet slechts het leven, maar liet hun hunne goederen behouden, onder voorwaarde van zich in de Godsdienst te laten onderwijzen; op gelijke wijze handelde hij met de zoon van Juliaan, die in latere tijd één der hoge staatsambten bekleedde. De keizer meende, dat de heilige Ambrosius zich nog te Florence ophield en schreef hem ene brief, waarin hij hem verzocht, God de hoogste dank te zingen voor de gelukkige uitslag van de rechtvaardige zaak. Ambrosius droeg nu op ene aller-plechtigste wijze de aanbiddelijke geheimen op, onder welke hij de brief des keizers op het altaar legde. In zijn antwoord schreef hij de vorst, dat hem geen andere wens overbleef als dat God zijne Godsvrucht mocht vermeerderen en hij bezwoer hem daarvan een bewijs te geven, met aan alle oproerlingen vergiffenis te schenken. Zoals het schijnt was het de heilige bisschop van Milaan nog onbekend, hoe edelmoedig zich de keizer na zijne overwinning gedragen had; hij zond gem weldra een tweede brief, die niet tot ons gekomen is en vervolgens door de diaken Felix een derde, omdat een groot getal oproerlingen ene vrijplaats in de kerk van Milaan gezocht hadden; misschien durfde Ambrosius niet naar de keizer te reizen; uit vrees dat deze ongelukkigen, tijdens zijne afwezigheid, een offer van de algemene haat zouden worden; doch toen de keizer zijnen geheimschrijver Joannes zond, met bevel om deze mannen in zijne bescherming te nemen, totdat hij zelf over hun lot zou beslissen, begaf Ambrosius zich in allerijl naar Aquilea, waar de keizer zich ophield en smeekte hem om genade voor een groot aantal ongelukkigen, die de zijde der oproerlingen gekozen hadden. De keizer verleende hem al wat hij verzocht, zodat Eugenius de enige geweest is, welke Theodosius om zijne misdaad veroordeeld had. De vorst wierp zich voor de voeten van Ambrosius en erkende, dat hij zijn behoud en de overwinning aan zijne gebeden te danken had. De heilige Ambrosius keerde naar Milaan terug en werd spoedig door Theodosius gevolgd. Hoe rechtvaardig en noodzakelijk de veldtocht van Theodosius geweest was en hoe gering hij door de onvermijdelijke rampen van de oorlog zijn geweten gekwetst had, meende de Godvruchtige vorst evenwel, dat hij wegens het bloed dat vergoten was geworden, zich enige tijd van het naderen tot de aanbiddelijke geheimen van Jezus vlees en bloed moest onthouden. Toen hij door heilige oefeningen, ene inwendige hernieuwing des harten en door vrome werken van versterving zijne ziel had gezuiverd, werd hij door de waterzucht aangevallen, hij liet derhalve zijne kinderen, te weten Honorius, die Augustus verklaard was en diens zuster Placidia naar Milaan komen en ontving hen op dezelfde dag, op welke hij de eerste maal na de verkregene overwinning, tot de tafel des Heren naderde. Na zijnen kinderen onderscheidene vermaningen gegeven te hebben, keerde hij zich tot de heilige Ambrosius en zei: “Gij hebt mij de waarheid geleerd en ik trachtte die in beoefening te brengen; het ligt nu aan u om haar mijn geslacht in te prenten en aan de jeugdige vorst voor te houden, welke ik daartoe aan uwe zorg aanbeveel.” De heilige Ambrosius verklaarde, dat hij hoopte dat God hun, evenals hunnen vader, een gehoorzaam hart zou schenken. Ene wet, door de stervende keizer opnieuw bekrachtigd, verzekerde de vergiffenis aan de oproerigen, welke zich onderwierpen, en hij herstelde hen in het bezit van hunne goederen, vroegere waardigheden en bedieningen. Ten einde zijne onderdanen in de vruchten van zijne overwinningen, welke zij door hunne gebeden en kloekmoedige medewerking verkregen hadden, te doen delen, onthief hij hen van de zo’n hoog opgevoerde lasten. Hij vermaande op ene roerende wijze alle heidense senateurs en verlangde, dat zij de Godsdienst van Jezus zouden omhelzen; hij verklaarde hun, dat hij niets meer gewenst had, dan dat al zijne onderdanen getrouwe dienaren des Heren mochten zijn. Meermalen onderhield hij zich in zijne ziekte met de heilige Ambrosius, in wiens armen hij op 17 Januari 395 de geest gaf. Zijn lichaam werd gebalsemd en naar Konstantinopel vervoerd, waar het met de treffendste eerbewijzen ontvangen werd.
In hetzelfde jaar 395 ontdekte de heilige Ambrosius de lichamen van de heilige martelaren Nazarius en Celsus, die in ene tuin buiten Milaan begraven waren. In het graf van de heilige Nazarius vond men een klein flesje met zijn nog rood en vloeibaar gevuld bloed; de gelovigen stortten er enige druppels van op hunne doeken, bereidden vervolgens met het overige ene soort van deeg, waarvan de heilige Gaudentius van Brescia een gedeelte uit handen van de heilige aartsbisschop van Milaan ontving. Ambrosius liet vervolgens het gebeente der martelaren met de meeste plechtigheid naar de kerk, welke hij ter ere van de heilige Apostelen gebouwd had, vervoeren. Het volgende jaar verschafte hem gelegenheid om de vrijheden der heiligdommen en het recht van vrijplaats aan de kerken te verzekeren; de nieuwe keizer Arcadius en Honorius waren beiden voor dat jaar consuls; Honorius opende zijne waardigheid met te Milaan een dierengevecht te geven, ten welk einde men woeste dieren uit Libië had gezonden. Van alle zijden stroomden het volk toe en om aan dit barbaars en wreedaardig vermaak meer luister te geven, veroorloofde Stilicom, op aanhitsing van de prefect Eusebius, aan zijne soldaten een misdadiger, Cresconius geheten, met geweld uit de tempel te halen, welke hij tot zijn toevluchtsoord genomen had. De ongelukkige het gevaar ziende naken, vluchtte tot bij het altaar en de heilige Ambrosius, omringd van zijne geestelijken, stelde zich voor Cresconius, om hem tegen zijne vervolgers te beschermen. Maar het groot getal soldaten, door de Arianen aangevoerd, ontrukte hem aan de geestelijken, die zich niet langer tegen hun geweld konden verzetten. Verrukt over hunne overwinning, sleurden zij Cresconius naar de schouwburg, om hem aan de dieren voor te werpen. Deze aanslag op de vrijheid der kerk stortte allen in rouw en de heilige aartsbisschop bleef ene geruime tijd, onder het storten van overvloedige tranen, plat ter aarde aan de voet des altaars liggen. Toen de soldaten bij de schouwburg gekomen waren, gingen zij degene, die hun afgezonden had, hunne overwinning berichten, maar terwijl zij over de hoon der kerk aangedaan juichten, overvielen de luipaarden, die men losgelaten had, deze ellendelingen, die op ene moorddadige wijze aanstonds verscheurd werden. Ene zo snelle werking der Goddelijke wraak deed Stilicon in zich zelven keren; gedurende onderscheidene dagen trachtte hij de heilige Ambrosius alle voldoening te geven. Hij beschermde Cresconius en belette, dat men hem verder iets kwaads berokkende. Daar deze mens echter aan grote misdaden schuldig was, meende Stilicon hem niet geheel ongestraft te moeten laten en zond hem in ballingschap, waaruit hij hem nochtans spoedig terug riep.
Omtrent diezelfde tijd of een weinig later kunnen wij de bekering stellen van Fritigildis, koningin der Marcomannen, een Duits volk, dat het tegenwoordige Bohemen en naburige streken bewoonde. Deze vorstin had van een Christen uit Italië, die in hare staten gekomen was, met veel lof over de heilige Ambrosius horen spreken. De achting, welke zij hem op deze berichten begon toe te dragen, bewoog haar om in Jezus Christus, wiens getrouwe dienaar Ambrosius was, te geloven. Zij vaardigde enige gezanten naar de heilige af, die rijke geschenken voor de kerk van Milaan meebrachten en liet de grote aartsbisschop verzoeken van haar in schrift enige onderrichtingen te doen toekomen en ene regel van geloof en gedrag voor te schrijven. Hij deed zulks met genoegen en schreef haar ene schone brief in de vorm van een geloofsonderricht, waarin hij haar vermaande om de koning haren echtgenoot te versterken in het onderhouden van de vrede met de Romeinen. Deze brief had een gewenst gevolg. De koningin verkreeg van de vorst, dat hij zich met al zijne onderdanen aan de Romeinse keizer onderwierp; zij zelve begaf zich op weg naar Milaan, om Ambrosius te zien en te spreken, doch welke spoed zij ook maakte, in plaats van de troost te genieten, die zij verwachtte, had zij de smart van zijnen dood te vernemen, die op 4 April 397 voorviel. De brief van de heilige aan de koningin Fritigildis is niet tot ons gekomen.
In de levensgeschiedenis van de heilige Gaudencius, bisschop van Novaria, wordt verzekerd, dat de heilige Ambrosius kort voor zijnen dood naar Vercelli reisde, om te beproeven aldaar ene verdeeldheid onder de bewoners weg te ruimen, welke bij de dood van Limenes, bisschop van Vercelli, over de keuze van ene opvolger ontstaan was. Men kon zich deswege niet verstaan, zodat deze kerk, welke reeds zovele waardige mannen voor andere zetels geleverd had, zelve zonder herder zuchtte. Deze wanorde trof het hart van Ambrosius te meer, omdat hij metropolitaans bisschop van Vercelli was. Sommigen durfden zelfs, ofschoon zeer ten onrechte, de schuld op de heilige te leggen, dat de bevolking in tweespalt geen keuze kon doen en dat niemand het bestuur van ene kerk, die verdeeld was, op zich durfde te nemen. Ambrosius schreef hun ene uitgebreide brief, van welke een gedeelte de lof en verdiensten van de heilige Eusebius, vroeger hunnen bisschop, behelsde, terwijl het andere gedeelte strekte om de deugden van boetvaardigheid, maagdelijke reinheid en andere tegen de afgevallen kloosterlingen Sarmation en Barbatianus, van welke wij reeds gesproken hebben, te verdedigen. Deze brief had de uitwerking niet, welke Ambrosius zich had voorgesteld, waarom hij in persoon naar Vercelli vertrok. Door zijne zorg werd de heilige Honoratus, die het volgende jaar de heilige Ambrosius de laatste Sacramenten toediende, op de zetel geplaatst. Hij was de bemoeiing, welke de aartsbisschop bij zijne benoeming aan de dag legde, waardig; de Kerk toch vereert hem op 29 Oktober als heilige.
Na een leven zo rijk in wisselingen en moeilijkheden, haakte Ambrosius naar het ogenblik, dat hij de majesteit Gods zou zien in al de glans, in welke zij zich aan hare kinderen mededeelt en hunne begeerte verzadigt in het veropenbaren van haren luister. Hij smeekte onophoudelijk om van de ellende van dit tijdelijke leven verlost te worden, en hij verkreeg door zijne gebeden van in ene niet gevorderde ouderdom te sterven, te weten na even zevenenvijftig jaren bereikt te hebben; hij genoot zelfs de troost van zijnen nabijzijnde dood te kennen en zei aan zijne leerlingen, dat hij voor Pasen de wereld verlaten zou.
Weinige tijd voor hij deze wereld verliet, ontdekte men een afschuwelijk bedrog, hetwelk één der huisbedienden van graaf Stilicon pleegde; deze mens was vroeger door de duivel bezeten geweest en na genezen te zijn, woonde hij in ene aan de Ambrosiaansche hoofdkerk belendende woning. Stilicon, die die knecht genegen was, had hem zeer aanbevolen. De ongelukkige maakte zich schuldig aan het vervaardigen van valse aanstellingsbrieven van hoofdmanschap. Zij, die dezelve ontvingen en van hun ambt bezit wilden nemen, werden in de gevangenis geworpen, doch Stilicon schonk hun, op verzoek van de heilige Ambrosius, de vrijheid. Ofschoon hij de schuldige weigerde te straffen, beklaagde hij zich evenwel bij de heilige bisschop over deze bedrieger. De misdadiger wilde zich verwijderen, omdat hij terecht ene billijke bestraffing vreesde, maar Ambrosius liet hem opzoeken en voor zich brengen; hij ondervroeg hem, vond hem aan die afschuwelijke daad schuldig en zei: “Deze rampzalige moest aan Satan overgeleverd worden, om zijn lichaam te kastijden, opdat hij nooit meer in dusdanige schandelijke misdrijven vervalt.” Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de boze geest overviel de vervalser en scheurde hem van elkander. “Wij werden allen,” zegt Paulinus, “met angst en schrik bevangen.” De heilige verloste door de oplegging der handen en het gebed onderscheidene bezetenen en vele zieken door een enkel woord. Enige dagen voor zijnen dood werkte de heilige kerkleraar aan de verklaring van de 43e psalm; Paulinus schreef deze verklaring, welke Ambrosius hem voorzei. Eensklaps zag hij het hoofd van Ambrosius van een vuur, in de vorm van een klein schild omgeven; de vlam ging allengskens zijnen mond binnen en zijn aangezicht werd wit als sneeuw. Paulinus stond verbaasd en kon geen letter schrijven, zolang deze verschijning plaats had. Ambrosius herhaalde vervolgens ene schriftuurplaats, welke Paulinus zich herinnerde. Na deze gebeurtenis schreef de heilige niets meer, noch gaf Paulinus iets meer in de pen; ook is deze psalm niet afgewerkt, daar de twee laatste verzen er aan ontbreken. Na voor de kerk van Pavia een bisschop gewijd te hebben, werd hij zeer ongesteld en kon het bed niet meer verlaten. Stilicon, die onder Honorius het Westelijke rijk bestuurde, werd bij deze tijding zeer ter neer geslagen en zei, dat Italië, indien Ambrosius mocht komen te sterven, met de ondergang bedreigd werd. De uitkomst bevestigde later deze voorzegging. Hij vergaderde vervolgens de aanzienlijksten der stad, welke ook bij de heilige bisschop gunstig bekend waren en verplichtte hen zowel door bedreigingen als beloften, van naar Ambrosius te gaan, om hem te bewegen, dat hij van God het herstel van zijne gezondheid zou afbidden. Zodra zij zich bij hem bevonden en dit voorstelden, zei Ambrosius: “Ik heb onder u zo geleefd, dat ik mij niet behoef te schamen om nog enige tijd te leven; ik vrees evenwel de dood niet, want wij hebben ene goede Meester.”
Op een zekere dag waren Castas, Polemius, Venerius en Felix, diakenen der kerk van Milaan, aan het einde der grote zaal met elkander in gesprek over de keuze van ene bisschop, indien de heilige mocht sterven; zij spraken zo zacht, dat zij elkander nauwelijks konden verstaan; doch toen zij de vrome priester Simplicianus noemden, riep Ambrosius tot driemaal zeer luid, als ware hij te midden van hen, ofschoon hij verre van hen verwijderd was. “Hij is oud, maar hij is goed.” De diakens stonden zo verschrikt, dat zij aanstonds het vertrek verlieten. Ondertussen volgde deze goede grijsaard hem op zijnen zetel. Venerius volgde later Simplicianus op, aan Felix werd het bestuur der kerk van Boulogne toevertrouwd, Castas en Polemius, door de heilige Ambrosius opgeleid, vervulden tot aan hunnen dood hunne heilige bediening van diaken der kerk van Milaan en gaven alle blijken, dat zij schone vruchten van die goede boom waren. Bassianus, bisschop van Lodi, verhaalt ene verschijning, welke de heilige had, bij gelegenheid dat hij met hem in het gebed was. Hij zag de Heer Jezus Christus, die zijnen dienaar met een lachend gezicht aanzag, en Ambrosius stierf weinige dagen na deze gebeurtenis. Op zijnen sterfdag bad hij God, met in de vorm van een kruis uitgestrekte armen, van vijf uren des avonds totdat hij de geest gaf; men zag hem de lippen bewegen, doch kon hem niet verstaan. Honoratus, bisschop van Vercelli, had zich om enige rust te nemen, op een boven-vertrek begeven en hoorde driemaal ene luide stem, welke hem toeriep: “Sta op en spoed u naar Ambrosius, die op het punt staat van te vertrekken.” Honoratus begaf zich naar de heilige, gaf hem de aanbiddelijke geheimen van Jezus vlees en bloed en nauwelijks had de heilige Ambrosius deze ontvangen, of hij gaf de geest en nam met zich deze voortreffelijke en versterkende teerspijze mee. Zijne ziel, krachtig door het brood der engelen, ging over tot het gezelschap der hemelse geesten, welker reinheid hij op aarde gevolgd had. Hij ging zich met de moedige profeten verenigen, wier onversaagdheid hij tot voorbeeld genomen had, wanneer hij het belang van God en van de Godsdienst voor de vorsten en groten der aarde onbeschroomd verdedigde. Op die wijze eindigde deze kerkvoogd en leraar, deze verdediger van het geloof, dit voorbeeld, licht en onderwijzer van groten en kleinen, van vorsten en slaven, één met deugden vervuld leven; zo eindigde de grote heilige Ambrosius zijne tijdelijke loopbaan, om zich in alle eeuwigheid met zijnen Goddelijke Meester Jezus Christus, wiens eer, grootheid, heerlijkheid en Godheid hij tegen ’s Heren woedendste vijanden, de Arianen, met gevaar zijns leven verdedigd had, te verenigen.
Hij stierf in de nacht van Vrijdag op Zaterdag voor Pasen, op 4 April in het jaar 397, in de ouderdom van zevenenvijftig jaren; tweeëntwintig jaren en vier maanden had hij de zetel van Milaan door zijne voorbeelden en leer gesticht. Paulinus verzekert, dat zijn lichaam voor de dag reeds naar de grote kerk gedragen werd, waar het des Zaterdags bleef staan, totdat het des Zondagsavond naar de Ambrosiaansche hoofdkerk overgebracht werd. Ofschoon de dood de grote aartsbisschop van Milaan aan zijne kerk ontrukt had, belette zulks evenwel de plechtigheden van het toedienen van het heilig doopsel niet aan de menigvuldige dopelingen, die vergaderd en tot het ontvangen van dat Sacrament voorbereid waren, maar aanstonds ondervond men reeds het gemis van de ijverige bisschop; vijf prelaten hadden moeite te verrichten wat de heilige gewoon was alleen te doen; en wat de plechtigheid grote luister bijzette en de vergaderde menigte van de glorie, welke de gestorven Ambrosius thans kroonde, verzekerde , was dat onderscheidene kinderen hem uit de doopkapel, waar zij van de erfsmet afgewassen waren, zagen treden; anderen riepen dat zij hem op zijnen leerstoel, anderen dat zij op de bisschoppelijke troon zagen; sommigen toonden hem hunnen vaders met de vinger, doch zij, welke de reinheid des harten hunner kinderen niet bezaten, zagen hem niet; de meeste verklaarden nochtans, dat zij ene ster boven het ontzielde lichaam zagen schitteren. Toen de grote feestdag der gedachtenisviering van de verrijzenis van Jezus Christus begon te schemeren, en men de gewone grote plechtigheden van de Paasnacht voltrokken had, droeg men het lichaam naar de Ambrosiaansche hoofdkerk, om het in die geheiligde plaats ter aarde te bestellen; men hoorde afgrijselijk geschreeuw en gehuil van ene menigte boze geesten, die uitbrulden, dat zij bij deze gelegenheid verschrikkelijk gepijnigd werden en niet slechts in Milaan, maar in onderscheidene gewesten van het rijk veropenbaarde God de heiligheid en luister van zijnen dienaar. Ene ontelbare menigte volk begeleidde deze overbrenging en men zag er personen van alle stand en ouderdom; Joden en heidenen mengden zich onder de Christenen, en waren niet minder getroffen en van eerbied bezield voor de grote Ambrosius dan de gelovigen.
Op dezelfde dag van zijn overlijden vertoonde zich Gods vriend aan enige Godvrezende mannen in het Oosten; het scheen als had hij met hen, terwijl hij hun de handen oplegde; zij berichtten hem zulks door ene brief, daar zij meenden, dat hij nog in leven was; die brief werd door zijnen opvolger de heilige Simplicianus ontvangen en men heeft die in een klooster te Milaan bewaard; de dagtekening van die brief getuigt, dat hij op de sterfdag des heiligen geschreven is. Toen Ambrosius zich te Florence ophield, bij gelegenheid dat hij Milaan door de tiran Eugenius bezet, verlaten had, beloofde hij bij zijn vertrek, om die stad, welke hem ene edelmoedige gastvrijheid verleend had, meermalen te zullen bezoeken. Ambrosius hield woord, doch na zijnen dood, toen men hem dikwijls voor het altaar, dat hij in de Ambrosiaansche kerk geconsacreerd had, zag bidden. Wij zouden te ver uitweiden, indien wij alles wilden optekenen, waardoor de Heer de grootheid en luister van zijnen dienaar openbaarde. Wanneer wij het oog op zijne schriften vestigen, wie bewondert dan de geleerdheid en Godsdienstige kennis niet van ene man, wiens pen door de Heilige Geest bestuurd werd. Wij willen nog steeds ene aantekening maken betrekkelijk zijne boeken over de boetvaardigheid, wijl wij hier de geest leren kennen, welke altijd omtrent dat genademiddel in Gods Kerk geheerst heeft. “Wanneer iemand hem naderde,” zegt Paulinus, “om zijne zonden te belijden en het Heilige Sacrament der boete te ontvangen, weende hij zo zeer, dat de zondaar zelf zijne tranen niet kon bedwingen.” In het jaar 384 schreef hij twee boeken over de boetvaardigheid en in deze geeft hij al de kentekenen van ware boetvaardigheid op. Van de plicht om de zonden te biechten zegt hij: “Wenst gij gerechtvaardigd te worden, belijdt dan uwe misslagen; ene ootmoedige belijdenis verbreekt de banden der zonden. Waarom zoudt gij u schamen om aan de Kerk uwe zonden te belijden? Die niet te belijden is schandelijk, daar wij toch alle zondaars zijn en is hij, die in zijne eigen ogen de kleinste is, niet de achtenswaardigste?” Zijn beide boeken over de boetvaardigheid schreef hij tegen de Novatianen; in het eerste bewijst hij, dat men de boetvaardigen ook dan nog, wanneer zij grote en afschuwelijke zonden begaan hebben, de heilige losspreking niet ontzeggen mag, mits dat de op te leggen boete aan de grootheid der zonden evenredig en de boetvaardige oprecht zij. “Heeft iemand,” zegt hij, “zich aan geheime zonden schuldig gemaakt en deze uit geheel zijn hart verfoeid, om weer aan ’s Heren bevelen gehoorzaam te worden, hoe zou hij de beloning voor zijne boetvaardigheid kunnen verkrijgen, wanneer hij niet weer in de gemeenschap der Kerk opgenomen werd? Ik stem wel toe, dat de schuldige de vergiffenis van zijne zonden mag hopen, maar hij moet die vergiffenis met tranen, zuchten en smekingen van het ganse volk verzoeken; hij moet om de losspreking te verkrijgen bidden en wanneer deze hem twee of driemaal geweigerd wordt, moet hij dat uitstel aan gebrek van aanhoudend gebed toeschrijven, zich met medelijden waardig maken, terug komen, zich voor de voeten der gelovigen neerwerpen, die kussen en met tranen bevochtigen, opdat hij verdienen moge de woorden van Jezus te horen: “U zijn vele zonden vergeven, omdat gij veel bemind hebt.” Ik heb vele mensen gekend,, wier gelaat, toen zij boetvaardigheid pleegden, onaanzienlijk, wier wangen door het veelvuldig wenen als geploegd waren, die zich ter aarde wierpen, om onder de voeten getreden te worden en die door het vasten zo verzwakt en bleek geworden waren, dat zij in lichaam het beeld des doods vertoonden.” In het tweede boek weerlegt de heilige Ambrosius enige opwerpingen der Novatianen en toont vervolgens aan, dat de boetvaardigheid vals en vruchteloos is, wanneer de bekering des harten niet volgt. Oprechte boetelingen moeten zich aan de wereld ontroven, zich een gedeelte van de nachtrust onttrekken, dit aan gebed en tranen toewijden en leven als waren zij aan het leven gestorven; in één woord, zij behoren zich zelven te verloochenen en van hunne bekering door ene gehele verandering van leven te oen blijken.”
Wij eindigen de levensgeschiedenis van de doorluchtige prelaat der vierde eeuw. Zijne dagen zijn zijne lofspraak en hij, die enige versierselen zou willen bezigen, om dezelve meer te doen schitteren, zou ze veeleer verduisteren. Smeken wij de Heer, dat Hij aan zijne Kerk steeds mannen schenkt, die haar door hunne deugden en schriften voorlichten, door hunne onversaagde kloekmoedigheid de rechten der Godsdienst en der Kerk verdedigen, en die, volgens het voorbeeld van de heilige Ambrosius, niets anders zoeken als God eer te verbreiden, niet anders verlangen als zich voor de verbreiding van het Evangelie en het zielenheil hunner medemensen op te offeren.
8 December
Feestdag van de Ontvangenis der Heilige Maagd en Moeder des Heren, Maria.
Ofschoon keizer Emmanuel Commenus, die van het jaar 1143 tot 1180 het Oostelijke keizerrijk bestuurde, omtrent het jaar 1150 ene verordening uitvaardigde, waarbij hij beval, dat in zijn rijk de feestviering van de Ontvangenis der onbevlekte Maagd zou gehouden worden, moeten wij evenwel niet denken, dat die vorst eerst destijds er op aandrong, om die feestdag in te stellen; de keizer oordeelde, dat hij onder de gelovigen der kerk van het Oosten de reeds oude en veel eerder ingestelde feestviering behoorde te bevestigen. Georgius, bisschop van Nicomedie tijdens de regering van Heraclius, noemt het reeds een feest van oude instelling. In het concilie van Oxford, in het jaar 1222 vergaderd, werd de feestdag voorgesteld en toegestemd, doch alleen ten aanzien van de Godsvrucht der eenvoudige gelovigen, zonder verplichting namelijk, terwijl de andere feestdagen der Heilige Maagd verplichtend waren. Zes jaren later bezocht de patriarch van Groot-Armenië Engeland en verklaarde, na door de kloosterlingen der abdij van Sint Albanus ondervraagd te zijn, dat het feest der ontvangenis van de Heilige Maagd sedert onheuglijke tijden, in het Oosten gevierd werd. Deze getuigenis versterkte de kloosterlingen in hunne Godsvrucht, doch wij vinden niet, dat de feestviering verder uitgebreid werd; want het concilie van Worchester, in het jaar 1240 vergaderd, oordeelde het niet raadzaam, om de feestdag op het register van Engelands kerk te stellen; dit geschiedde eerst in 1287, ingevolge een besluit van het concilie van Excester. Daarenboven schreven de vaders in het concilie te Londen in 1238, de feestviering als gebiedend voor en zeiden: “Het voetspoor willende drukken van onze eerbiedwaardige voorganger Anselmus, die gedacht en geoordeeld heeft bij enige anderen reeds oude plechtige feestdagen, de feestviering der ontvangenis van de Heilige Maagd te moeten voegen, stellen wij vast en gebieden, dat het feest van de ontvangenis in alle kerken van het aartsbisdom van Kantelberg plechtig zal gevierd worden.” Over de brief van de heilige Anselmus, uit welke blijkt, dat deze feestdag reeds voor het jaar 1109 in Engeland is ingevoerd, willen wij niet spreken, wijl enige geleerden aan de echtheid van dat stuk twijfelen. Dat deze feestdag reeds voor 1193, behalve in Engeland en Normandië, insgelijks in Gallië gehouden werd, blijkt uit de brief van de heilige Bernardus aan de kanunniken van Lyon, die dit feest met luister invoerden; de heilige berispte hen scherp over de nieuwigheid hunner onderneming, niet zo zeer om hunne Godsvrucht tot de Heilige Maagd te laken, als wel omdat zij in hunne kerk ene feestdag invoerden op eigen gezag, zonder de kerk van Rome, waar men deze niet vierde, geraadpleegd te hebben. Ten tijde van de heilige Bonaventura, die in het jaar 1274 stierf, begon men bij de religieuzen van de heilige Franciscus dat feest te Rome te vieren; het bleef evenwel zonder enige verplichting, wijl geen besluit te Rome, of in Italië en Frankrijk de feestviering bepaald had; totdat het concilie te Bazel, in 1439, dezelve tot de ganse Kerk uitstrekte. Daar de kerk van Rome dit concilie, toen het dat besluit nam en over de onbevlekte ontvangenis uitspraak deed, niet meer als wettig vergaderd erkende, bleef dit besluit zonder kracht; men liet evenwel toe, dat dit feest in de kerken, waar hetzelve gevestigd was, gevierd werd. Daar men toch schroomde, om zonder openlijk gezag der Kerk, van welke men ene juiste uitspraak verlangde, te handelen, verheugde men zich zeer, toen ene verordening van Paus Sixtus IV, eerst in 1476, later in 1483 uitgevaardigd, het licht zag. Dit was het eerste besluit, dat in de kerk van Rome betrekkelijk de feestviering van de ontvangenis der allerheiligste Maagd verscheen. Wij kunnen evenwl dit besluit geenszins als de instelling, maar wel als de bekrachtiging van de zaak beschouwen; daardoor werd trouwens de Godvruchtige gewoonte goedgekeurd en bij ene wet vastgesteld. Overigens kan men nazien hetgeen de grote en geleerde kardinaal Prosper Lambertini, later Paus onder de naam van Benedictus XIV, in zijne verhandelingen over de feestdagen, betrekkelijk de verbreiding, instelling en verplichte feestviering er van geschreven heeft. Reeds was het voorname geschilpunt opgerezen en men twistte hevig betreffende het punt der onbevlekte ontvangenis van de Heilige Maagd, dat wil zeggen, of zij al of niet in erfsmet zou ontvangen zijn. Over dit punt heeft de Kerk nooit ene stellige uitspraak gedaan, evenmin als degenen veroordeeld, die het tegenovergestelde gevoelen aankleven, maar zij heeft altijd blijke gegeven, dat zij het gevoelen van hen, die houden, dat de ongeschonden Moeder onbevlekt, dat is zonder erfsmet zou ontvangen zijn, begunstigde. Vernemen wij omtrent dit geschil de denkwijze van voormelden kardinaal Prosper Lambertini, die, na al het voor en tegen nauwgezet overwogen te hebben, zich in de volgende bewoordingen in zijne verhandelingen over de feestdagen uitdrukt: “De hoofdzaak komt hierop neer, dat de Kerk meer overhelt tot het gevoelen betreffende de onbevlekte ontvangenis; de Apostolische Stoel heeft echter dit gevoelen ‘nog niet’ als geloofsartikel beslist. Om de mening dus, tot welke de Kerk overhelt, die in de Katholieke hogescholen aangenomen is, en met de Godsvrucht der gelovigen en de eerbied tot de zalige Maagd overeenstemt, houden wij, dat de Heilige Maagd van de erfsmet behoed en zonder enige zonde ontvangen is. En het betaamde inderdaad, dat zij, naardien God, die de heiligheid en reinheid zo zeer bemint, haar tot zijne Moeder vormde, van alle zonden zuiver, heilig en ongeschonden zijn zou. Hetgene evenwel in het algemeen in de Heilige Schrift gelezen wordt, dat alle mensen uit het zaad van Adam voortgesproten, in dezelfde Adam gezondigd hebben, zoals de Apostel tot de Romeinen zegt: “Gelijk door een mens de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood, alzo is de dood tot alle mensen overgegaan, in welke zij alleen gezondigd hebben; sluit daarom evenwel het voorbehouden met betrekking tot de erfsmet in de Heilige Maagd niet uit, zoals de Godgeleerden, die betrekkelijk dit onderwerp breedvoerig geschreven hebben, aantonen. Evenwel heeft Christus Jezus de allerhoogste Maagd, ofschoon zij nooit gevangene der zonde geweest is, verlost; Hij trouwens is de volkomen Verlosser, wiens doel was om volmaakt, dat wil zeggen van alle zonden vrij te kopen. Wijl het nu ene zeer zware straf is, zelfs voor een enkel ogenblik, Gods genade te missen, betaamde het, dat er een schepsel, en voorwaar geen ander als de allerheiligste Moeder Gods, bestaan zou, hetwelk geen enkele ogenblik aan God mishaagde, maar door de verdiensten van Christus, van alle schuld en van Gods gramschap vrij zijn zou; zulks nu vorderden de drie eigenschappen van Christus als volmaaktste bevrediger, volkomenste middelaar en volmaaktste weldoener.”
Reeds had het concilie van Trente in deszelfs besluit over de erfzonde vastgesteld, dat het niet bedoelde om in dat besluit de heilige en onbevlekte Maagd Maria, Gods Moeder, te begrijpen, maar de verordeningen van Sixtus IV onderhouden wilde hebben, op de straffen in die verordeningen bepaald, welke het concilie weer vernieuwt. Deze Paus vaardigde in 1484 ene verordening uit, waarbij hij verbood, om het feest der ontvangenis af te keuren of het gevoelen van hen te veroordelen, die aan de onbevlekte ontvangenis geloofden, terwijl de heilige Pius V in het haar 1570 ene bulle uitvaardigde, waarbij hij verbood hen van dwaling te beschuldigen, welke dit gevoelen al of niet zouden aankleven, en Paulus V hernieuwde in 1617 dezelfde verordening en verbood in het volgende jaar bovendien, om op de predikstoelen, bij twistoefeningen en in openbare schriften te beweren, dat de allerheiligste Maagd Maria in erfzonde zou zijn ontvangen. Wijl de Kerk nu gene uitspraak gedaan heeft en echter het zo aangenaam gevoelen der meeste Godgeleerden toegedaan is, aarzelen wij geenszins met de heilige Augustinus uit te roepen: “Dat wij uit hoogachting voor de heilige Moeder des Heren en om de aan haren Zoon verschuldigde eer, als wij van de zonde spreken, de Heilige Maagd de Moeder Gods uitzonderen; want wij weten,” zegt dezelfde heilige,” dat haar zeer overvloedige genade gegeven is, om de zonde in het geheel te overwinnen, wijl zij waardig was om degenen te ontvangen en te baren, die wij weten dat geen zonde gehad heeft.” Te meer nog hechten wij aan de woorden van de heilige Augustinus, wijl hij tegen de Pelagianen, die stout weg de erfzonde loochenen, bewees, dat alle rechtvaardigen, van welke de heilige kerkvader er verschillende opnoemt, aan de zonde onderworpen waren, van welke ellende hij de Heilige Maagd uitgezonderd wil hebben.
De roem en de verhevenheid van de allerheiligste Maagd en Moeder van Jezus, onze Verlosser en Zaligmaker, luid te verkondigen, zal elke getrouwe en deugdzame Christen steeds aangenaam zijn; hij zal er grote prijs en eer op stellen hare buitengewone grootheid, welke zij boven al het geschapene bezit, te verbreiden, want zij is de voornaamste onder de schepselen, thans de naaste bij de troon van haren Goddelijke Zoon. Zij is terecht de Koningin der engelen, de vreugd der zaligen, degene, over welke God zijne genade in alle volheid uitstortte, in wie de zonde geen verwoesting aanrichtte en in wie de Heer de grootste wonderen, die de natuur deden verbaasd staan, uitwerkte. Het is dus billijk, dat wij ons op deze feestdag, waarin de Kerk de ontvangenis van de allerheiligste der schepselen vereert, dankbaar verheugen over de onbegrijpelijke voorrechten, welke de Goddelijke liefde ooit aan enig schepsel geschonken heeft; dat wij dan het morgenrood zegenen, welks eerste schemering de komst aanduidt van het schoonste, zuiverste en heiligste schepsel, hetwelk Gods hand aan de wereld vereerd heeft, dewijl voor ’s werelds geluk ene woning bereid werd, in welke de ziel van de heiligste der maagden, van de Moeder van Gods Zoon weldra haar verblijf zal nemen, daar bovendien datzelfde lichaam, boven de hemelse geesten verheven, weldra tot een tijdelijk verblijf zal verstrekken van Jezus, de zuiverste Bruidegom der maagden, die in de schoot van deze onvergelijkelijke Moeder gevormd, uit haar bloed de mensheid aannemen zal. Verheugen wij ons ellendige Adamskinderen, aan de zonde onderworpen, in zonde ontvangen, bij de gedachtenisviering der ontvangenis van deze verhevene Moedermaagd, want de ogenblikken zijn nabij, dat voor de rampzalige en door de zonde van Adam in ’s duivels slavernij gezonken wereld verlossing zal dagen. Bij die ontvangenis schiep de almachtige God ene nieuwe Eva, de ware Moeder van alle vrijgekochten door Jezus bloed, dat uit haar bloed voortkwam; Hij, de oneindig grote, almachtige barmhartige God, geeft het aanzijn aan deze voor veertig eeuwen beloofde vrouw, welke, volgens ’s Heren uitspraak, de kop van de helse slang zal verpletteren; tevergeefs zal de moordenaar der mensen haren hiel belagen, want het kan in het gemoed van de oprechte vereerder van de allerheiligste Maagd niet opkomen, dat Satan zich slechts een enkel ogenblik zou hebben kunnen verheugen, van deze onvergelijkelijke tussen zijne helse klauwen genepen te hebben. Die vrouw, wier zuivere schoot de God en Zaligmaker, de wens der volken, naar wie de gevallen mens vierduizend jaren zuchtte, weldra zal voortbrengen, Maria, de Moeder van onze Jezus, zal insgelijks ene verhevene en tedere Moeder zijn van alle door het bloed van haren Zoon vrijgekochte stervelingen, en zij is alzo bij de vervulling van dat geheim, ene krachtige medewerkster tot de verlossing van het menselijk geslacht.
Vorderde de Heer in de Oude Wet van zijn volk, dat men hem te Jeruzalem ene prachtige tempel zou bouwen, Hij duldde evenwel geen onreine hand aan dit kunststuk zijner dienst toegewijd. Hoe rechtvaardig David, door God zelf een man volgens zijn hart genoemd, mocht wezen, deze profeetkoning was evenwel niet waardig om die luisterrijke tempel in Jeruzalem, deze stad van vrede, te mogen stichten; zijne handen waren met bloed bevlekt, ofschoon in de rechtvaardige strijd tegen afgodendienaars vergoten; dat grote voorrecht was aan Salomo, wiens naam “vreedzaam” betekend, voorbehouden. Davids zoon mocht de Heer de enige tempel bouwen, in welke Hij onder zijn volk verkoos te wonen. Welk zuiveringen, welke wijding vorderde evenwel de Almachtige voor Hij dit gedenkstuk met zijne tegenwoordigheid vervulde, en in dat Godshuis werd niets bewaard als de Verbondsark, waarin de tafelen der wet waren, gene andere offers aan de God van het heelal werden opgedragen als ossen, kalveren, schapen, lammeren en andere door de wet bepaalde redeloze dieren. Vorderde God dusdanige heiligheid in het schaduwbeeld, bij welks inwijding Salomo en gans Israël, gedurende de zeven feestdagen, tweeënzeventigduizend ossen en honderdtwintigduizend schapen als offers slachtten en opdroegen, welke heiligheid moet dan de tempel bezitten, die de wezenlijkheid zal bevatten? En wat zal de nieuwe Salomo, de eeuwige vredevorst Jezus Christus niet in het werk stellen, om die tempel te verheerlijken, die schoot te heiligen, welke van alle eeuwigheid is voorbeschikt, om zijn levend tabernakel, zijne zuivere en heilige woonplaats te zijn, waar in dezelfde school zijn Goddelijk en aanbiddelijk lichaam uit het maagdelijk bloed zal gevormd worden? Reeds van het ogenblik van haar bestaan, is Maria de gezegende, door welke Jezus Christus alle zegen over ons zal doen afdalen; van toen af is zij de genadevolle, uit welke de oorsprong en de gever van alle genaden zal geboren worden; Gods eeuwig woord kan haar van toen af Moeder noemen, daar zij weldra in de wijsheid des eeuwige Vaders haren Zoon zal begroeten. Zij is om zo te spreken, doordien zij volgens de orde bij de Godheid vastgesteld, volgens de eeuwige voorbeschikking tot het Goddelijke Moederschap verkozen was, van het eerste ogenblik van haar bestaan, die vrouw, welke de kop der helse slang verplet, zij is Moeder des Heren. En kan zij nu volgens de orde der Goddelijke bepalingen, als zodanig reeds beschouwd worden, zo mogen wij veilig zeggen, dat Gods Zoon haar, voor zij bestond, als zodanig beminde, in de toegenegenheid behagen had, onophoudelijk over haar waakte, alle vloek van deze Hem zo heilige tempel afkeerde en met buitengewone genade verrijkte, terwijl zij, voor zij het Goddelijk Woord in haren maagdelijke schoot ontving, door Gods bevel van de engel Gabriël reeds “vol van genade” geheten werd, en wel van het ogenblik, dat zij bestond, tot aan hare laatste zucht, die haar sterfelijk leven deed eindigen, de volheid van de genade bezat. Waar zullen wij een schepsel vinden, dat aan Maria bestemd is, in verhevenheid evenaart? Dat verheerlijkte Moederschap, die eeuwige verbintenis, welke zij met God en God met haar heeft aangegaan, stelt haar in ene geheel bijzondere rang boven al het geschapene. Maria is Moeder Gods, Moeder des Scheppers, Moeder des Zaligmakers. Toen David het volk des Heren verzekerde, dat hij uit al zijn vermogen getracht had, om al het nodige tot de opbouw van het huis Gods in gereedheid te brengen, verklaarde hij tevens, dat God zijnen zoon Salomo alleen verkozen had om dat grote werk tot stand te brengen; “want,” zegt hij, “het is gene woonstede, die voor een mens, maar voor God bereid wordt;” en wanneer David van het huis des Heren door mensenhanden gebouwd zegt: “Heiligheid, Heer, betaamd uw huis in lengte van dagen,” zal dan de eeuwige wijsheid des Vaders, die zich bij de ontvangenis van de allerheiligste Maagd voor zich ene woning bereidt, niet evenzo bedacht zijn, want in hetzelfde ogenblik moest niet voor Satan, maar voor God ene woning in gereedheid gemaakt worden! En zal de eeuwige God, dewijl Hij in het ogenblik van de ontvangenis der glorievolle Maagd, voor zijnen Zoon ene levendige tempel bouwde, aan dezen het sieraad van ongekwetste heiligheid geweigerd hebben! En daar het vlees en bloed van Jezus Christus uit het vlees en bloed van de Heilige Maria gevormd is, zal dan dat vlees en bloed, uit welke Gods Zoon het zijne aannam, wel voor een enkel ogenblik met de vloek der zonde gebrandmerkt geweest zijn! En zal men durven tegenspreken, dat het Goddelijk bloed van Jezus Christus, zo alvermogend om ons van de zonde en van de dienstbaarheid van Satan te bevrijden, onmachtig zij om enig bevoorrecht schepsel, uit wie Hij de mensheid aannemen zal, voor de zonde en voor de dienstbaarheid te behoeden? Zal dat bloed wonden kunnen genezen en niet kunnen voorkomen? Het is billijk, dat het dierbaar bloed van de Zoon ener Maagd, al deszelfs vermogen op haar uitwerkte, uit welke Hij het zijne ontvangen heeft, om zo de oorsprong te eren, waaruit het genomen is. Men moge ons zeggen, dat de zo geheel vlekkeloze en onbesmette onschuld het uitsluitend voorrecht zij de Goddelijke Jezus alleen eigen, en dat men aan de Zaligmaker ene Goddelijke eigenschap ontzegt, welke zijner eeuwige grootheid alleen toekomt, wanneer men de Heilige Moedermaagd in dat voorrecht doet delen. Maar verminderen wij de eer van Jezus, wanneer wij zijner grenzeloze goedheid lof zingen, dat Hij zijne Moeder tegen de vlek der zonde heeft behoed? Jezus is onschuldig van natuur, Maria is vlekkeloos door de genade; Hij van alle eeuwigheid bij uitnemendheid, zij door ene genadevolle voorbeschikking; Jezus als Zaligmaker en Middelaar, zij als de eerste onder de mensen, die door het dierbaar bloed van haren Goddelijke Zoon geheiligd zijn. Jezus het eeuwige woord des Vaders, vlees geworden, overtreft in oneindige afstand zijne onbevlekte Moeder, maar het is insgelijks billijk, dat de verheerlijkte Maagd voorrechten heeft boven de heiligste en getrouwste dienaren en schepselen Gods. Wij kunnen veilig houden, dat zij niet slechts voor hare geboorte gelijk andere schriftuurheiligen boven welke zij zo verre is verheven, geheiligd is, maar dat zij grotere voorrechten boven deze ontvangen heeft, en welk voorrecht zal men wel aan de heiligste Maagd, deze Koningin der engelen, boven de zaligen en heiligste zielen geven, wanneer men beweert, dat zij eerst na hare ontvangenis in het lichaam van hare moeder van de erfsmet zou gereinigd zijn; welk voorrecht zou zij dan in vlekkeloze heiligheid boven de heilige Johannes de Doper, boven de profeet Jeremias, die voor hunne geboorte in de schoot hunner moeder gereinigd zijn, bezitten? Dat wij dan bij de feestviering van de ontvangenis der allerheiligste Moeder van Gods Zoon in haar een voorrecht vereren, dat zij boven alle Adamskinderen verkregen heeft en welk gevoelen de Kerk, ofschoon zij het tegenovergestelde niet veroordeeld heeft, begunstigt, te meer wijl het geen ongelijk doet aan de oneindige voortreffelijkheid van Gods Zoon, en daar Jezus Christus zijne Moeder tegen elke zonde behoed heeft, behaalt Hij, die in de wereld gekomen is om de zonde uit te roeien, met Satan te overheersen en die mensenmoordenaar overal, waar hij zich zou durven verschansen, te verdrijven, ene glansrijke overwinning op de hel. De erfzonde heerst in elk kind als het geboren wordt; zij wordt afgewassen in het heilig doopsel, maar Satan is zelfs doorgedrongen tot in de schoot der moeder en de mens, hoe onmachtig ook om persoonlijke misdrijven te kunnen begaan, is voor zijne geboorte reeds Gods vijand; de Heer enige uitmuntende zielen, die Hij reeds in de moederlijke schoot zuivert en reinigt, e overwint ook daardoor de zonde voor zij geboren worden; doch er is nog een tijdstip waarop Satan zich beroemt meester te zijn en hij meent, dat God zelf hem dat meesterschap niet zou kunnen of willen ontweldigen, dat hij over Gods macht trotseert; hij beroemt zich onbeschaamd de bron vergiftigd, de wortel besmet te hebben; maar zou de zegepraal van de almachtige Overwinnaar der hel zich niet tot dit enig ogenblik kunnen uitstrekken? Wat zal beletten om hier met David het zege- en overwinningslied aan te heffen en uit te roepen: “Dat God opsta en dat zijne vijandenverstrooid worden, dat zij vluchten voor zijne aanschijn, die Hem haten.” Zou de Heer de besmetting niet kunnen voorkomen, zodat er geen plaats zij, welke Satan met zijne helse duisternissen kan bevlekken? De allerheiligste Maagd heeft dit gemeen met alle mensen, dat zij door het bloed van haren Zoon, hetwelk de erfsmet voorkomen kan, is vrijgekocht, maar zij heeft dit in het bijzonder, dat dat bloed genomen is uit haar zuiver lichaam; zij heeft dit met alle gelovigen gemeen, dat Jezus zijn bloed voor haar gegeven heeft, maar zij heeft dit bijzonder en bovennatuurlijk voorrecht boven alle mensen, dat Hij hetzelve eerst van haar heeft ontvangen. Zij heeft met ons gemeen, dat dat bloed op haar vloeit om haar te heiligen, maar zij heeft in het bijzonder boven ons vooruit, dat zij de bron is waaruit het vloeide, zodat wij kunnen zeggen, dat de ontvangenis van Maria de eerste oorsprong is van Jezus bloed; vandaar begint die heilrijke stroom zijnen loop, die stroom van genade, die door de Heilige Sacramenten in onze aderen vloeit, en de geest des levens over het gehele lichaam der Kerk uitstort.
Reinheid van hart en geest is de voornaamste hoedanigheid ener aan God welgevallige ziel, daarom bleef Maria tegen de geringste besmetting der zonde bewaard. Hoe heilig de mens ook zij, hij blijft zwak, valt en is geen enkele dag tegen misstappen verzekerd. Verrassing, onbedachtzaamheid, hebben de zonde reeds meermalen doen ontstaan, eer men tot de strijd volkomen gewapend is; doch de zuivere Moeder van die Jezus, die onze misdaden op zich genomen heeft, was vrij van de gebreken en onvolmaaktheden der mensen, de liefde duldde in haar niet de minste verkoeling of afwijking; zij, die boven alle schepselen verheven was, door de hoge waardigheid van Gods Moeder te worden, muntte niet minder uit door het onbegrijpelijke voorrecht van onzondig te zijn.
Zeggen wij dan, terwijl wij de ontvangenis van de onbevlekte Maagd vereren, met de heilige Bernardus: “De verheerlijkte Maagd is bij uitnemendheid ene brandende lamp, zelfs voor de engelen des lichts een wonderwerk, zodat zij zeiden: wie is zij, die daar voorkomt als de opgaande dageraad, schoon als de maan, uitgelezen als de zon, wijl zij helderder boven alle anderen schitterde.” Zullen wij onze bewondering en lofzangen aan Maria weigeren, dat wij dan de Heer onze vurigste dankerkentenis voor zijne overgrote barmhartigheid aanbieden, waardoor Hij heden aan de wereld degene geschonken heeft, uit wier zuiver bloed de Zaligmaker der wereld, het bloed, dat ons van de zonde afgewassen heeft, ontleende. Zingen wij gedurende deze feestdagen met Gods Kerk: “Heden is het de ontvangenis van de verheerlijkte Maagd Maria, uit Abrahams bloed, uit Juda’s stam, uit Davids luistervol huis ontsproten; dat wij in zoete blijdschap de ontvangenis van Maria vieren, opdat zij ons ene voorspraak zij bij de Heer Jezus Christus.”
9 December
De heilige Leocadia (vierde eeuw).
Maagd en Martelaar in Spanje.
De naam van de heilige Leocadia is in Spanje zeer beroemd gebleven, ofschoon de akten van haar leven verloren zijn en ons slechts de omstandigheden van haren dood bekend zijn. De verering van deze heilige maagd strekt zich niet slechts tot Spanje uit, maar ook tot Frankrijk en Italië uit. Men houdt in het algemeen, dat zij te Toledo geboren was en dat zij als Christen, op bevel van de landvoogd Dacianus, onder Diocletiaan berucht om zijne wreedheden tegen de Christenen, gevangen werd genomen. Het is genoeg bekend, welke wreedheden dat monster, hetwelk de troon der Cesars schandvlekte, tegen de volgelingen van Jezus Christus uitoefende en hoe die afschuwelijke keizer streefde om de naam en de Godsdienst van Gods Zoon te verdelgen. In de gevangenis vernam de heilige Leocadia de strijd, welke de heilige Eulalia en andere martelaren verduurd, en de overwinning welke zij behaald hadden. Zij bad haren Goddelijke Bruidegom om de gunst van aan de glorie der heilige bloedgetuigen deelachtig te mogen worden, en gaf onder deze vurige verzuchtingen de geest in de kerker. Ofschoon enige schrijvers beweren, dat men haar uit de kerker deed voeren, om haar op bevel van Daciaan van de bolwerken der stad te werpen, is evenwel deze omstandigheid van haren dood niet bewezen. Deze mening wordt zelfs op het gezag van het vierde concilie van Toledo, in de kerk van de heilige in het jaar 633 gehouden, tegengesproken; het concilie geeft haar slechts de titel van “belijderes,” ten einde hierdoor te kennen te geven, dat men niet gelooft of houdt, dat zij onder marteling de geest gegeven heeft. Adon en Usuard merken slechts aan, dat zij een geruime tijd al de verschrikkelijkheden en ellenden ener langdurige gevangenis heeft moeten doorstaan; deze schrijvers hebben in hun martelaarsboek haren feestdag op 9 December gesteld en hierin werden zij door de andere martelaarsboeken en vooral door de Romeinse gevolgd. Deze dag kan evenwel die van haren dood niet geweest zijn, indien het bewezen is, dat deze na de marteling van de heilige Eulalia van Merida, zoals allen houden, is voorgevallen.
Men verzekert, dat bij de inval der Saracenen in Spanje, de overblijfselen van de heilige Leocadia eerst van Toledo naar Oviedo en vervolgens naar de abdij van Sint Gislinus bij Mons in Henegouwen vervoerd zijn, van waar koning Philippus II deze op het einde der zestiende eeuw, weer naar de grote kerk van Toledo liet terugbrengen. Garsias Loaisa, die er ooggetuige van was, geeft van die gebeurtenis bericht in zijne verzameling der conciliën van Spanje. De kardinaal Baronius vermeldt, dat het lichaam van de heilige door Frankrijk naar Rome en van daar met de meeste plechtigheid naar Spanje gebracht werd. Philippus, zijn zoon en zijne dochter, keizerin Maria, zijne zuster, waren bij die feestviering tegenwoordig.
De stad Toledo bezit binnen hare muren drie kerken aan de naam van Leocadia toegeheiligd; men geeft voor, dat de ene op de plaats waar zij geboren is, de andere waar zij gekerkerd werd en stierf en de derde waar zij begraven is, zou gebouwd zijn. Zonder twijfel is die, in welke onderscheidene conciliën vergaderden, de voornaamste. De overbrenging van hare relikwieën naar Toledo wordt op 26 April herdacht.
Naardien de heilige Leocadia geroepen was, om zich voor Jezus Christus op te offeren, toonde zij te midden der kerkvervolgers ene onwrikbare standvastigheid bij de belijdenis van de naam van haren Goddelijke Bruidegom; haar ganse leven was aan de deugd gewijd, zodat die beoefening haar als natuurlijk eigen scheen geworden te zijn. Wij horen helaas nu en dan wel zeggen, dat het ten dien tijde voor de Christen lichter was, om zijn hart volkomen van het aardse los te rukken, wijl hij zich steeds bereid moest houden om elk ogenblik zijn leven voor het geloof op te offeren. Doch zij, die aldus spreken, zouden, wanneer zij toen geleefd hadden, niet ijveriger geweest zijn en indien zij zich door de ijdelheden der wereld niet hadden laten blinddoeken, indien zij ernstiger op de eeuwigheid, op de onzekerheid der overwinning, op het uur des doods en op de leer des Evangeliums, hetwelk op de volmaakt wording aandringt, nadachten, zouden zij met dezelfde gemoedsgesteltenis der eerste Christenen bezield zijn. Doch daar zij deze waarheden niet opmerkzaam en met kinderlijke leergierigheid overwegen willen, wordt hun hart niet ontroerd. Dat men voorgeeft wat men wil, zich van de wereld los te rukken, zich op de volmaaktheid toe te leggen, blijft de grootste plicht eens Christen. God stort de overvloed van zijne genade slechts in die zielen, welke zich in Hem verenigd bevinden en die vereniging met God sluit alle ongeregelde begeerte uit. Elk Christen moet er zich met ijver op toeleggen, om steeds bereid te zijn alles voor de Heer te verlaten, alles voor Hem en uit liefde tot Hem te lijden.
De heilige Gorgonia (vierde eeuw).
Zuster van de heilige Gregorius, genoemd van Nazianze.
Met Godsdienstige eerbied gedenkt de Kerk op deze dag aan de heilige Gorgonia, zuster van de heilige Gregorius van Nazianze, patriarch van Konstantinopel. Deze heilige vrouw, de bewondering van haren broeder, die ons van haar in de lijkrede, welke hij over haar gehouden heeft en uit welke wij deze geschiedenis trekken, ene levensschets heeft geleverd, was de roem der vrouwen, die in de vierde eeuw in deugden uitblonken. Deze heilige, welke wij aan elk gehuwde vrouw tot voorbeeld van Christelijke levenswandel en heiligheid kunnen voorstellen, was de dochter van de heilige Gregorius, bisschop van Nazianze in Cappadocië en van de heilige Nonna, zuster van de grote patriarch van Konstantinopel en de heilige Cesarius; men meent, dat zij de oudste is. Zij werd, gelijk sommige schrijvers menen, gehuwd aan een voornaam beambte in de provincie van Pysidie, die heiden was; uit dit huwelijk verkreeg zij drie dochters, van welke de oudste, Alypiana geheten, Nicobolus huwde; deze dochter drukte het waardige voetspoor van hare moeder en grootmoeder. De beide andere, Eugenia en Nonna, beantwoordden wel eerst aan de Godvruchtige en zorgvuldige opvoeding, welke zij ontvingen en schenen zich aan de dienst des Heren en het bewaren der maagdelijke zuiverheid te willen toeheiligen, doch bleven bij hun genomen besluit niet standvastig en gaven aan hunnen oom de heilige Gregorius alle rede, om haar zijne welwillendheid te onttrekken en deze geheel aan Alypiana te schenken, wijl deze vrouw zich die door hare deugden en de wijsheid, welke in haar levensgedrag doorstraalde waardig maakte. De heilige Gorgonia veronachtzaamde niets voor de opvoeding van hare kinderen; hare Christelijke en deugdzame voorbeelden deden hare vermaningen in de harten van hare kinderen en kleinkinderen wortel schieten, terwijl zij betrekkelijk haren echtgenoot al de plichten va haren staat nauwgezet naleefde. Horen wij hieromtrent de heilige Gregorius. Het vlees belemmerde bij haar geenszins de bewegingen van de geest, de ondergeschiktheid, welke zij haren echtgenoot verschuldigd was, deed haar in gene dele afwijken van haren plicht jegens God, die meester was van haar hart; want na zich onderworpen te hebben aan de verbintenissen van haren staat, heiligde zij zich uitsluitend de Heer toe. Zij wist zich de vernedering welke zij van haren echtgenoot te ondergaan had, door oprechte ootmoed ten nutte te maken en zonder er aan te denken, werd zij zelve aan de maagden een voorbeeld. Hare zuiverheid overtrof al hetgene de geschiedenis ons van die vrouwen vermeldt, welke in deze deugd hebben uitgeschitterd; hare zedigheid en inwendige afgetrokkenheid deden haar alles ontwijken, wat slechts de schijn van de geringste ongeregeldheid kenmerkte. Zij beminde zo zeer de versterving, dat zij zich zelfs de onschuldigste voldoeningen weigerde. De heilige waakte met de grootste omzichtigheid over al hare daden en woorden, terwijl zij de deugd der stilzwijgendheid met de meeste ernst beoefende; zij had evenwel niets stuurs of terugstotend, zij was ootmoedig, zich zelve verloochende en verwierp alle ijdele opschik. “Men zag haar, zegt de heilige Gregorius, met al de voorrechten, welke de natuur haar gegeven had, nooit de glans van hare schoonheid door de rijkdom van versierselen of hoofdsieraden vermeerderen, noch het bedrieglijke blanketsel bezigen, waarmee men de natuurlijke trekken met verachtelijke verven misvormt; zij was slechts ijverzuchtig om hare ziel met deugden, de enige en ware schoonheid, te versieren; hare wangen kenden geen ander rood als dat der schaamte, gene andere witheid als die door versterving veroorzaakt wordt. Zij was steeds bezorgd om de kerken te verfraaien, had bijzondere eerbied voor priesters, dienaars des Heren en der altaren; haar hart was steeds voor het medelijden geopend, maar ongevoelig bij eigen lijden en hare hand tot hulpbehoevenden steeds uitgestrekt; want de meedogendheid was met haar van kindsbeen af opgewassen. De deur van haar huis stond evenals die aan de heilige Job voor de reiziger open; geen vreemdeling bleef buiten staan.” Gelijk aan die heilige man, was zij het oog der blinden, de voet der kreupelen, zij was de moeder der armen en der wezen. En dewijl zij arm geworden is met de noodlijdenden van Jezus Christus te verrijken, liet zij slechts haar lichaam aan de aarde en schonk alles weg in ruil der hemelse goederen, terwijl zij hare kinderen van hare deugden en de edele na-ijver om hunner moeder gelijkvormig te worden. Haar gevoelen, hetwelk men niet slechts in haar huisgezin, maar zelfs daar buiten raadpleegde, werd als Godspraak aangezien. Behalve het verheven verstand dat zij bezat en waardoor zij in wijsheid andere vrouwen verre overtrof, bezat zij ene grondige kennis der heilige waarheden, welke zij niet alleen door het lezen der Heilige Schrift, maar ook door de gewoonte was die gestadig te overwegen verkregen had. Zij bleef evenwel met de meeste omzichtigheid haar eigen oordeel mistrouwen en trachtte steeds met getrouwheid de onderrichtingen en inlichting te volgen van de bestuurder van haar hart, aan wie zij de leiding van haar geweten toevertrouwd had. Daar zij gewoonlijk in Iconie, de hoofdstad van het andere Pisidie, woonde, waarvan men een bijzonder gewest onder de naam van Lycaonie gevormd had, meent men dat haar wijze bestuurder niemand anders dan de bisschop Faustinus, voorganger van de heilige Amphilochius, kan geweest zijn. Ofschoon zij anderen door hare voorbeelden voorlichtte, was zij evenwel zeer zorgvuldig om hare goede werken aan het oog der wereld te onttrekken.
De heilige Gorgonia, altijd tevreden en onderworpen aan Gods wil bij elk voorval en elke tegenspoed, welke het menselijk leven met bitterheid vervullen, bleef zich gelijk. Het gebed, waarbij zij ene oplettendheid in acht nam, die de verstrooiingen afweerde, was hare geliefkoosde bezigheid; hare tranen waren overvloedig en hare kniebuigingen zo menigvuldig en langdurig, dat hare knieën en geheel door verhard en vereelt waren. Haar vasten en waken was buitengewoon en niets stichtte de vergaderde Christen meer, dan haar gestadig onderhoud met God voor ’s Heren altaren. En wat in haar leven zo merkwaardig is, zij was nog maar catechumeen, want zij ontving eerst omtrent het einde van haar leven het heilig doopsel. Dusdanige Godsvrucht bleef zelfs in dit tijdelijke leven niet onbeloond. Het betrouwen op de Goddelijke goedheid was bij haar zo groot, dat zij, toen bij een zekere gelegenheid de wagen, op welke zij zat, omsloeg en zij in groot levensgevaar verkeerde, geen menselijke of geneeskundige bijstand begeerde, omdat hare eerbare schaamte haar de dood boven het leven deed kiezen. De Heer beloonde hare zedigheid en kuisheid, met haar op ene wonderdadige wijze te genezen.
Weinig tijd voor haar afsterven ontving zij het Heilig Sacrament des doopsels; haar ganse leven, zegt de heilige Gregorius van Nazianze, was ene langdurige voorbereiding tot die hemelse wedergeboorte. Ene zaak ontbrak nu nog aan de vervulling van hare wensen en haar geluk; haar echtgenoot was nog heiden, doch voor het afsterven van Gorgonia, werd hij Christen en door de heilige wateren afgewassen. Nu bleef haar op aarde niets te wensen over; een verrukkende droom openbaarde haar de juiste dag van haren dood; zij wist, dat zelfs het uur niet ver af was en terwijl zij zich op hare legerstede als in haar graf had neergelegd, na haren man, kinderen en vrienden die onderrichtingen, welke ene echtgenoot, moeder en zuster vereerde, gegeven, na allen met vuur over het eeuwige leven, hetwelk zij stond in te treden, onderhouden te hebben, ontsliep zij, zegt de heilige Gregorius, rijk van dagen, niet zoals wij mensen die afmeten en welke zij zich niet gewenst had, maar aan dagen doorgebracht in de vervulling van Gods geboden. Zo stierf dan Gorgonia, of zeggen wij liever zo ontsnapte zij aan de wereld, richtte hare vlucht naar de hemel en hare ziel verliet het lichaam zelfs voor de laatste scheiding.
“Deze bijzonderheden zouden mij ontgaan zijn.” zegt de grote patriarch van Konstantinopel, “maar gij haar zielsbestuurder wilde het niet; gij, die getuige van dit wonder waart en het ons bericht hebt, zowel om haren roem te verbreiden als om in ons het verlangen aan te vuren van even gelijk zij ontsliep, te sterven.” Bij haar sterfbed waren hare bloedverwanten, dienstboden, zelfs vreemden in grote menigte vergaderd, die de gewone schatting aan de Christelijke Godsvrucht betaalden en hare reeds bejaarde moeder, die in droefheid verzonken, zo gaarne in hare scheiding van deze wereld wensten te delen. Allen waren diep getroffen en begerig om nog enige toespraak van haar te horen, welke haar aandenken levendig zou doen blijven. Men verlangde zelfs haar aan te spreken, doch de vrees weerhield elk; men zag allen tranen storten en dat afsterven had het aanzien van ene heilige plechtigheid; te oordelen naar hetgeen men opmerkte, wijl zij niet meer ademde, zich niet meer bewoog, scheen zij reeds ontslapen. Eensklaps zag de getrouwe herder, die haar bijstond, opmerkzaam op hetgene onder zijne ogen gebeurde, ene geringe beweging der lippen; met een heilig vertrouwen, hetwelk de waardigheid die hij bekleedde en de toestand van zijn hart hem inboezemde, legde hij zijn oor aan haren stervende mond en deze sprak een psalmgezang uit, hetwelk getuige van de volkomene vrijheid, waarmee zij deze wereld vaarwel zei: “Ik zal in vrede slapen en rusten.” Gelukkig, driewerf gelukkig degene, wien het vergund wordt onder het uitspreken van zulke woorden te verscheiden.
De heilige Gorgonia had haren broeder Cesarius enige tijd overleefd, zoals de heilige Gregorius getuigt in de lijkrede, welke hij over haar uitsprak.
Gorgonia stierf omtrent het jaar 372 in zestigjarige ouderdom. De Griekse kerk vereert op twee verschillende dagen de nagedachtenis van deze heilige, te weten op 23 Februari en op 9 December; de Latijnse kerk heeft deze laatste dag verkozen en het Rooms Martelaarsboek heeft op die dag haren naam opgetekend.
10 December
De heilige Melchiades (314).
Paus.
Behalve het weinige, hetwelk de geschiedschrijver Eusebius en de oude pontificalen van deze heilige Paus vermelden, kan men het eerste boek van de geschiedenis der Donatisten, door de heilige Optatus van Milevis en de beroemde verhandeling van de heilige Augustus, te Carthago in het jaar 311 gehouden, alsmede zijn geschrift tegen Petilianus betrekkelijk het doopsel, met enige brieven van de grote kerkvader nazien, om de grote Paus te leren kennen, wiens verkorte geschiedenis wij zullen meedelen.
De heilige Melchiades, welke de ouden, volgens zijnen ware naam, Miltiades noemen, was een Afrikaan van geboorte; hij werd onder de kerkelijken der kerk van Rome aangenomen en men houdt, dat hij ten tijde van de heilige Paus Marcellinus, priester van die kerk werd; zijne deugden en uitmuntende begaafdheden baanden hem de weg tot de hoogste waardigheid en hij volgde zo men meent, op 2 Juli 311, de heilige Eusebius op de Stoel van de heilige Petrus. Bij zijne verheffing vond hij Rome en Italië rustig, wijl Maxentius, sedert vijf jaren meester van de stad, de vervolging, door de bevelschriften van de wrede Diocletiaan overal aangevuurd, had doen ophouden; de gelovigen genoten evenwel nog niet al de vruchten van die vrede, en één der voornaamste gunsten, welke zij van de beschermer van Rome verlangden, was de teruggave van de heilige plaatsen en van al wat men de Christenen, tijdens de vervolging, ontnomen had. De heilige Paus meende van de eerste ogenblikken zijner verheffing daaraan de hand te moeten lenen en zond zijne diakenen met brieven van Maxentius aan de stadvoogd, ten gevolge waarvan hij de plaatsen en andere goederen, die de kerk in eigendom behoorden, terugkreeg. Ofschoon de vorst de uitoefening van de Godsdienst gunstig was, moet men evenwel niet verzwijgen, dat zijne uitspattingen en ongebondenheden ene andere soort van wreedaardige vervolging waren, welke hij de gelovigen en vooral de vrouwen en Christelijke maagden, op wier zuiverheid hij het toelegde, aandeed, zodat de meesten veel liever haar leven dan hare eerbaarheid zagen aangevallen. Wij willen slechts een voorbeeld aanhalen, door Eusebius en Rufinus opgetekend. Keizer Maxentius, schaamteloos in ontucht en vrouwenschennis, vatte ene schandelijke genegenheid op voor de schone Sophronia, gemalin van de stadvoogd, en haar lafhartige echtgenoot toonde zich bereid aan de schandelijke lusten van de booswicht prijs te geven; enige hovelingen waren reeds in haar huis om haar naar de afschuwelijke onteerder te geleiden; doch zij was Christen, herinnerde zich wellicht de kloekmoedige daad van de door de heilige Chryssostomus geprezene Pelagia, en onder voorgeven van zich te willen kleden, begeeft zij zich in haar vertrek en brengt zich ter liefde der zuiverheid om het leven. De boosheid van dat monster en de treurige gevolgen er van, deden het hart van de heilige Paus steeds bloeden, totdat eindelijk Rome in het jaar 312 van deze tiran bevrijd werd; door Constantijn de Grote overwonnen, vond hij op 28 Oktober zijnen dood in de Tiber. Constantijn richtte in het midden der stad de standaard des kruises op, als het werktuig zijner overwinning en Jezus Christus heerste over al zijner vijanden. Enige dagen later vaardigde de vorst een bevelschrift af ten gunste der Christenen, hetwelk Licinius zijn medebestuurder des rijks insgelijks onderschreef. Hij legde zich bij het begin van het jaar 313 met alle ijver op het belang der Kerk toe, hetgeen te noodzakelijker was, daar de Donatisten, die in Afrika ene schandelijke scheuring hadden bewerkt, hunne tegen Cecilianus, bisschop van Carthago, aan de voet des troons ingebracht hadden. Bij de beschrijving van het leven van de heilige Optatus, bisschop van Milevis in Numidie, hebben wij de aanvang en de gevolgen van de woelingen der Donatisten behandeld, zodat het onnodig geacht wordt deze weer te herhalen. Constantijn benoemde drie Gallische bisschoppen, te weten Reticus van Autun, Maternus van Keulen en Marinus van Arles tot Rechters, aan wier hoofd de heilige Paus gesteld was. Deze bisschoppen hadden in last om zich naar Rome te begeven en de zaak met de heilige Melchiades te beoordelen. De brief, welke de vorst aan de Paus schreef, is een uitmuntend bewijs van zijne eerbied voor de Katholieke Kerk en van zijne liefde tot de vrede en eendracht onder de gelovigen, terwijl hij evenzeer zijne achting voor de heilige Vader uitboezemt; deze brief is van te veel belang om dezelve hier niet te laten volgen.
“Constantinus Augustus aan Miltiades, bisschop der stad Rome, en aan Marcus.
Daar mij onderscheidene brieven van de doorluchtige Analinus, proconsul in Afrika, geworden zijn, houdende, dat Cecilianus, bisschop van Carthago, door sommigen zijner ambtgenoten in Afrika, wegens verschillende zaken beschuldigd wordt, hetwelk mij zoveel te smartelijker is, wijl in die gewesten, welke de Goddelijke Voorzienigheid mij heeft toevertrouwd en in welke zich ene overgrote menigte onderdanen bevinden, het volk, als in twee gedeelten verdeeld, tot ergernis en de bisschoppen zelve onenig zijn; zo heeft het mij goed gedacht Cecilianus met toen bisschoppen, zijne beschuldigers en toen anderen, die hem genegen zijn en welke hij meent dat zijne zaak behartigen, naar Rome te doen oversteken, om daar voor u en voor Reticus, Maternus en Marinus, uwe medebisschoppen, die ik om die zaak naar Rome heb doen reizen, te behandelen zoals gij volgens de heiligste gebruiken nodig oordelen zult. Opdat hij nochtans ene volmaakte kennis der zaak zoudt hebben, heb ik enige afschriften van de door Analinus aan mij gerichte brieven aan uwe ambtgenoten doen toekomen, na welke gelezen te hebben, uwe waardigheid rijpelijk zal kunnen overwegen, hoe over deze zaak een juist oordeel te vellen en volgens deze zaak een juist oordeel te vellen en volgens rechtmatigheid uitspraak te doen, terwijl u niet ontgaan kan, welke eerbied mij voor de heilige Katholieke Kerk bezielt en hoezeer ik verlang, dat gene tweespalt door u geduld worde. De Godheid van de Allerhoogsten behoede u, dierbaarste aller mensen, vele jaren.”
Melchiades vergaderde een concilie, waarin zich, buiten hem en de drie bisschoppen van Gallië, vijftien bisschoppen uit Italië lieten vinden; de vergadering werd op 2 Oktober 313 in het paleis van Lateranen geopend, zodat met de Paus aan het hoofd, negentien scheidrechters tegenwoordig waren. De zaak van Cecilianus en der Donatisten werd in drie zittingen afgehandeld. De vrome Ceciliaan verscheen als een beschuldigde; de vaders onthielden zich van kerkelijke gemeenschap met hem, totdat zij hem onschuldig bevonden; de twintig Afrikaanse bisschoppen, door Constantijn naar Rome afgevaardigd, hadden gene stem in de vergadering; tien traden als verdedigers en tien anderen, onder welke Donatus van Casanigra de hoofdrol speelde, als beschuldigers van de bisschop van Carthago op. In de eerste zitting leverden de laatsten tegen Cecilianus een klachtschrift in, en namen het voorkomen aan als spraken zij uit naam der gezamenlijke gelovigen van Carthago; zij legden hunne bezwaren in het brede open; de vaders vorderden bewijsstukken en de aanklagers brachten getuigen aan, die door hen omgekocht waren en die zij uit Afrika naar Rome meegebracht hadden, doch deze eerlijke lieden verklaarden ronduit, dat zij niets tegen de bisschop van Carthago in te brengen hadden. Intussen wierp Cecilianus aan Donatus voor, dat hij reeds onder Mensurius scheuring gezocht, de onder de vervolging afgevallenen, maar later wegens hun berouw weer in de kerkelijke gemeenschap aangenomenen, tegen de regels der Krk, herdoopt en aan de bisschoppen andermaal de handen opgelegd had. Donatus, die deze beschuldiging niet kon tegenspreken, zocht die te ontwijken met zijne beschuldiging tegen de bisschop van Carthago te hernieuwen; daar hij evenwel gene getuigen kon voorbrengen, verliet hij de vergadering en verscheen niet meer in dezelve. Men meent, dat in de tweede zitting de Donatisten nieuwe beschuldigingen inzenden, welke echter zonder bewijsstukken ingeleverd waren. In de derde zitting werd Cecilianus onschuldig en zijne wijding rechtmatig en wettig verklaard. De heilige Melchiades nam het woord op, sprak het vonnis uit en zei: “Daar het bewezen is, dat Cecilianus door degenen, die met Donatus gekomen zijn, gelijk zij zelve verklaard hebben, niet beschuldigd, noch door Donatus in enig punt overtuigd is, zo oordeel ik, dat hij in zijn recht van gemeenschap met de Kerk, in zijnen rang en zijne waardigheid moet behouden blijven.” De heilige Augustus verhaalt ons nog enige andere uitspraken en zegt: “Toen Meliades de einduitspraak voordroeg, welke zachtmoedigheid, oprechtheid, wijsheid, liefde tot vrede betuigde hij niet! Hij wachtte zich om de gemeenschap met hen, die men beschuldigd had, te verbreken, wijl men gene bewijzen tegen hen had ingebracht, en wat de beschuldigers betrof, hij vergenoegde zich met Donatus, die hij alleen als de oorzaak van al het kwade beschouwde, te belasten, terwijl hij de anderen in staat stelde om, indien zij wilden, in de vrede en eenheid der Kerk terug te treden.” Hij bood insgelijks aan, om aan hen, die door Majorinus, welke de scheurmakers tot bisschop van Carthago tegen Cecilianus gekozen hadden, gewijd waren, brieven van gemeenschap te schrijven en hen zelfs als bisschoppen te erkennen, en op alle plaatsen, waar twee bisschoppen waren, degenen hunner, die het eerst gewijd was, op die zetel te handhaven en voor de andere een ander bisdom te bestemmen. “O voortreffelijke man,” roept de heilige Augustinus uit, “kind van de ware vrede, waarachtig vader van het Christenvolk!”
Het voorgevallene op deze kerkvergadering te Rome werd aangetekend en zorgvuldig bewaard, wijl akten bij de beraadslagingen te Carthago en bij andere gelegenheden gediend hebben. Het concilie zond deze aan Constantijn en berichtte de vorst het gebeurde, verklaarde hem, dat men volgens rechtvaardigheid gesproken had en dat zij, die Cecilianus beschuldigd hadden, zelve schuldig bevonden waren.
Een zo’n wijs, voorzichtig als bezadigd oordeel tegen de scheurmakers uitgesproken, bewerkte evenwel de gewenste vrede en de eendracht niet; de Donatisten bleven in de scheuring volharden en waren boosaardig genoeg, om zich over het concilie te beklagen en de rechters te beschuldigen, dat zij zich door Cecilianus hadden laten misleiden. Honderd jaren lang bleven zij lasteren en wij zien, dat de Donatisten ten tijde van de heilige Augustinus, onder de regering van keizer Honorius, de heilige Paus Melchiades beschuldigden van de Heilige Schriften aan de heidenen overgeleverd en wierook de afgoden geofferd te hebben, terwijl zij met ene andere leugen verzekerden, dat zij om die rede, ten tijde van Constantijn, de uitspraken van deze Paus verworpen hadden.
De nietswaardige bewijzen, welke de Donatisten aanvoerden, om de heilige Melchiades aan de voorgewende misdaden schuldig te kennen, overtuigt ons evenzeer, hoe weinig geloof zij verdienen wegens hunne beschuldigingen, waarmee zij andere Pausen van die tijd, te weten de heilige Marcellinus, de heilige Marcellus en de heilige Silvester, zochten te overladen, die zij aan dezelfde misdaden, van wierook aan de afgoden en de heilige boeken aan de heidenen overgeleverd te hebben, schuldig wilden doen voorkomen, doch hunne aantijgingen waren zonder het geringste bewijs. “Zij beschuldigden hen,” zegt de heilige Augustinus, “dat zij heiligschenners en goddelozen waren, en ik durf staande te houden, dat zij onschuldig zijn; ik behoef geen enkel bewijs voor hunne onschuld aan te voeren, wijl hunne vijanden en tegenstrevers geen het minste bewijs der misdaden, van welke zij deze mannen beschuldigen, kunnen opgeven. Zou men mij, zo lang er onder de mensen nog menselijkheid heerst, niet terecht veroordelen, indien ik mannen, die ik niet ken, eerder schuldig dan onschuldig zou wanen, wijl ik hen slechts beschuldigd zie door vijanden, die geen bewijze va misdaden, van welke zij die mannen beschuldigen, aanvoeren? Hij, die zonder getuigen en zonder bewijs een ander beschuldigt, is een vijand, die door de schandelijkste laster, de eer van de onschuldige vertrapt en verscheurt.”
Deze heilige Paus stierf op 10 Januari 314, na slechts twee jaren, zes maanden en negen dagen de zetel van de heilige Petrus versierd, de gelovigen door zijne deugd en standvastigheid versterkt, en de Kerk met de meeste getrouwheid en kloekmoedigheid bestuurd te hebben. Het Martelaarsboek op naam van de heilige Hieronymys bericht ons zijnen dood op 10 Januari, ofschoon hetzelve nog ene tweede feestdag van die heilige aantekent op 2 Juni, de dag van zijne verheffing op de pauselijke zetel; in de Martelaarsboeken van de eerwaardige Beda, Wandalbertus, Rubanus en Nothe vinden wij insgelijks zijnen naam op 10 Januari; het is vreemd, dat men die niet in die van Adon en Usuard aangetekend vindt. In de kalender der Kerk van Rome, welke in het midden der vierde eeuw opgesteld werd, is zijn dood als bisschop, geen martelaar zijnde, op 2 Januari te vinden. Intussen vereert de Kerk van Rome de gedachtenis van de heilige Melchiades op 10 December; deze kan mogelijk de dag geweest zijn der opheffing van zijn lichaam van het kerkhof van Calistus, ten einde naar het veld van Mars te worden vervoerd; men houdt, dat deze heilige overblijfselen nog heden in de kerk van de heilige Sylvester rusten. Het is onbewezen waarom men de heilige in het Martelaarsboek en het Rooms Brevier de titel van martelaar gegeven heeft, wijl hij onder een Christenkeizer in vrede gestorven en noch onder Maxentius, noch onder andere heidense keizers voor het geloof geleden heeft.
De heilige Eulalia (vierde eeuw).
Maagd en Martelares te Merida in Spanje
De grote dichter Aurelius Prudentius Clemens, die in de vierde en het begin der vijfde eeuw bloeide, heeft ons de levensgeschiedenis van de heilige Eulalia nagelaten, en uit deze schrijver ontlenen wij de omstandigheden van hare daden en voor de Heer kostbare dood.
Zij werd geboren in Merida, ene beroemde stad in Spanje en sproot uit een edel en zeer oud geslacht; zij werd van hare eerste jeugd in de beginselen der Godsdienst en de liefde tot alle deugden opgekweekt; reeds van hare vroegste jaren gaf zij alle blijken, dat zij voor de hemel voorbeschikt was. Zij onderscheidde zich vooral door hare natuurlijke zachtmoedigheid, zeldzame ingetogenheid, tedere Godsvrucht, deftigheid van zeden en uitmuntende liefde tot de maagdelijke reinheid. Van toen af toonde zij ene diepe verachting voor de wereld, de genoegens des levens en voor alles, wat de kinderen met zoveel drift zoeken en najagen; zij vorderde dagelijks met rasse schreden op de wegen des Heren, die zij slechts wenste te volgen en in zuiverheid te dienen, zodat zij reeds vroegtijdig de volmaaktheid, welke Jezus van zijne lievelingen vordert, bereikte. De ogenblikken van harde en bloedige beproevingen braken intussen aan; de keizers Diocletiaan en Maximiaan Hercules vaardigden de hardste besluiten tegen de Godsdienst uit, en men kondigde deze insgelijks in Merida, destijds de hoofdstad van Lusitanie, af; het besluit hield in, dat elke onderdaan des rijks en van alle onderhorige gewesten, zonder onderscheid van geslacht, jaren en stand, op doodstraf gehouden was de goden van het keizerrijk wierook te branden en offerande op te dragen. De slechts twaalfjarige Eulalia beschouwde dit bevel der vorsten als het teken tot de strijd, waartoe zij zich geroepen achtte en zij brandde van verlangen, om de belijdenis van de naam en van de Godsdienst van haren Goddelijke Bruidegom Jezus met haar bloed te bezegelen. Hare moeder, die haar zo teder beminde en hare kloekmoedigheid zag, meende terecht, dat overgrote ijver hare dochter tot het uiterste zou voeren; zij geleidde haar derhalve op een verre van de stad gelegen landhuis, hield haar daar verborgen, ten einde hare ijver te matigen en te beletten, dat zij in handen der vervolgers viel; doch de heilige wist alle voorzorg te verijdelen; zij vond middel om des nachts te ontvluchten, met op ene bedekte wijze het huis te verlaten en naar de stad te gaan; zij reisde langs ongebaande met distelen en stenen overdekte bijwegen, welke hare tedere voeten verscheurden; de duisternis van de nacht belette haar geenszins om haar doel te bereiken en reeds voor de dag bevond zij zich in Merida.
Zodra de vierschaar geopend was, begaf zij zich naar de stadsrechter of landvoogd van Lusitanie, die door sommigen Calpurnius, daar anderen Cataphionius genoemd en door anderen voor de beruchte Daciaan, gouverneur van Tarragonie, welke in die betrekking het ambt van opperrechter van geheel Spanje kan bekleed hebben, gehouden wordt. De heilige Eulalia, door het vuur van haren ijver ontstoken, verweet deze overheidspersoon stoutmoedig de snoodheid, waarmee hij de onschuld vervolgde; Prudentius geeft haar deze woorden in de mond: “Welke woede bezielt u, om zielen te verleiden en mensen, die hun leven voor de Heer veil hebben, te dwingen van zich voor gebouwene stenen neer te buigen en hunnen God, die de algemene Vader is, te verzaken? Zoekt hij dienaen en dienaressen van Jezus Christus, zie hier ene! Ik haat de offers, welke men de duivel aanbiedt! Ik verfoei en vertrap de afgoden; ik leg zowel met de mond als met het hart belijdenis af van de naam van de eeuwige ware God.”
De rechter liet haar aanstonds door zijne gerechtsdienaars aangrijpen en ofschoon hij zich geneigd gevoelde om de beledigingen, hem en zijne afgoden aangedaan, te wreken, wilde hij evenwel eerst pogingen aanwenden om haar door schijnbare zachtheid te winnen; hij hield haar het ongeluk voor, dat zij zich zou berokkenen, wanneer zij hardnekkig weigerde de bevelen der keizers te eerbiedigen en de ellende en smart, waarin zij hare ouders en geslacht stortte. Vervolgens dreigde hij haar met de uitgezochtste folteringen, indien zij een ogenblik toefde de goden wierook te offeren. De jeugdige Eulalia beantwoordde zijne bedreigingen met nieuwe ijver. Prudentius, die in dezelfde eeuw leefde, zegt, dat zij het afgodsbeeld om stiet de wierook en de offerkoeken onder de voet trad en de rechter in het aangezicht spuwde. Wij vinden niet dat de Kerk ooit oordeel over die daad velde, welke zo weinig scheen overeen te stemmen met de regels der voorzichtigheid en zedigheid, ofschoon zij die daad, welke Prudentius, heeft gemeend evenmin te kunnen afkeuren, hetzij dat de jeugdige jaren en geringe ondervinding die daad in ene twaalfjarige maagd verontschuldigden, hetzij dat de Kerk oordeelde, dat Gods Geest aan degenen, welke Hij langs buitengewone wegen geleidt, de gemoedsbewegingen instort, die zich niet de wetten der welvoeglijkheid, noch naar die van het menselijk gevoel regelen. Nauwelijks had de tedere belijders de rechter op die wijze behandeld, of twee beulen maakten zich van haar meester; op bevel van Daciaan deed men haar de folteringen, voor de grootste misdadigers bestemd, ondergaan; hare zijden werden met ijzeren haken opengescheurd, zodat haar gebeente ontbloot werd. De moed en blijdschap, waarmee zij deze eerste martelingen doorstond, deden vermoeden, dat Hij, om wiens naam zij leed, haar bovennatuurlijke sterkte meedeelde; men werd hiervan ten volle overtuigd, toen men hare borsten en zijden met brandende fakkels verschroeide, en men haar steeds Gods lof hoorde verkondigen en zijnen naam door dankliederen hoorde verheffen. Het schouwspel van die heldhaftige standvastigheid eindigde weldra; de vlammen, die hare schouders en hals verbrandden, staken de hoofdharen in brand, omringden haar gelaat en verstikten haar. Prudentius zegt, dat, toen de heilige maagd de geest gaf, men een witte vogel, als ene duif, uit haren mond hemelwaarts zag stijgen; beulen en soldaten, welke bij de gerechtsoefening tegenwoordig waren, getuigden van dat wonder en de Christenen verblijdden zich in de beschouwing, dat hare reine ziel in de schoot der Godheid eeuwige rust gevonden had. Men had haar lichaam tot een schouwspel op de plaats onbegraven laten liggen, doch het werd weldra door ene grote menigte sneeuw aan aller oog onttrokken. De Christenen begroeven haar nabij de plaats waar zij de overwinning behaald had en sedert de vrede, welke Constantijn aan de Kerk schonk, bouwde men op haar graf ene prachtige kerk. Prudentius verzekert, dat men reeds in zijnen tijd van alle oorden toestroomde om de voorbede van de heilige Eulalia, wier graf door mirakelen vereerd werd, in te roepen.
Zal ons het voorbeeld van deze heilige, wier ijver voor Jezus van hare tederste jaren zo zeer schitterde, in os de liefde niet doen herleven, welke wij aan de Heer, aan zijnen naam en aan de Godsdienst van Jezus Christus verschuldigd zijn? Welke smart zou zij gevoelen, indien zij in onze dagen leefde, bij het beschouwen der traagheid, die de harten van zovele Christenen overmeesterd heeft! Openen wij onze ogen, vestigen wij die op de grote voorbeelden, door zwakke maagden gegeven, beween wij onze flauwhartigheid en onverschilligheid in het geloof, houden wij op slechts naam Christen te zijn en bidden wij dezelfde Geest des Heren, die de harten der zwaksten ontvlamde, dat Hij in ons het vuur der liefde ontsteekt, hetwelk ons uitsluitend voor God en zijne dienst doet ijveren.
11 December
De heilige Damasus (384).
Paus.
De heilige Hieronymus, Rufinus, Anastasius en de schriften en gedichten van de heilige Paus Damasus, dienen de levensbeschrijver van dit uitmuntend hoofd der Kerk tot leidraad. Onderscheidene latere schrijvers, zoals Cellier, Tillemont, Antonius Merenda, Stolberg, enz., wedijverden om de omstandigheden van zijn leven te verduidelijken. Ondersteund door deze schrijvers, onder welke de geleerde Baronius ene voorname plaats bekleedt, ondernemen wij de gelovigen de korte levensschets van deze grote Paus, die de Kerk in moeilijke tijden bestuurde en voorlichtte, aan te bieden.
Sommige schrijvers houden, dat de heilige Damasus Spanjaard van geboorte zou zijn, terwijl anderen willen beweren, dat hij, ofschoon van afkomst Spanjaard, evenwel te Rome zou geboren zijn; want het schijnt te blijken, dat zijn vader, Antonius geheten, in die stad van zijne vroege jaren af gewoond heeft. Antonius beoefende eerst het beroep van kopiist (afschrijver,) werd vervolgens voorlezer, diaken en priester der kerk van de heilige Laurentius te Rome. Damasus werd met de meeste zorgvuldigheid in de beginselen der Godsdienst en in de wetenschappen opgevoed; onder de kerkelijken opgenomen, bediende hij dezelfde kerk van de heilige Laurentius. Van onbesproken levensgedrag zijnde, leefde hij tot aan zijn dood in engelachtige zuiverheid, zodat de heilige Hieronymus hem noemt een beminnaar der maagdelijke zuiverheid, een ongeschonden leraar der Kerk, die maagd is. Hij was aartsdiaken der kerk van Rome, toen in het jaar 355 Paus Liberius door keizer Constancius naar Berea in Thracie verbannen werd, omdat hij tegen de Arianen het rechtzinnig geloof en de onschuld van de heilige Athanasius verdedigde. Op dezelfde dag, dat men de Paus oplichtte, om hem naar de plaats van zijne ballingschap te voeren, verbond Damasus zich met de andere geestelijken van Rome door ene eed, om, zolang Liberius zou leven, geen andere bisschop van Rome te zullen erkennen; hij wilde hem vervolgens in zijne ballingschap vergezellen en woonde enige tijd met Paus Liberius te Berea; doch keerde weldra naar Rome terug en wij twijfelen niet, of hij bleef aan Paus Liberius getrouw en in gemeenschap met hem.
Constancius waagde het evenwel niet om, ofschoon hij de pauselijke Stoel wilde bezet hebben, ene de Romeinen vreemde bisschop op denzelven te doen plaatsen. Wij twijfelen echter niet, of één of ander bisschop der Ariaansche partij had daarop reeds het oog gevestigd, maar men vond onder de geestelijkheid der kerk van Rome een diaken, Felix geheten, op wie Liberius zelfs zijn vertrouwen gesteld had en die waarschijnlijk aartsdiaken was, die zich bereid toonde om de Stoel van de heilige Petrus in te nemen; aangezien het volk en de geestelijkheid van Rome geen opvolger van de nog levende en beminde Liberius erkenden, konden zij ook niet dulden, dat Felix in ene of andere kerk te Rome zou gewijd worden.
De Arianen, gewoon de orde en wetten onder de voet te treden, wisten, zoals de heilige Athanasius ons verzekert, ook hierin de menigte te misleiden; drie bisschoppen, Epictetus van Circumcella, Acacius van Cesarea en waarschijnlijk Basilius van Ancyra, legden aan Felix hunne heiligschendende handen op en wijden hem te Rome in het paleis des keizers, en tot getuigen van deze zo onheilige daad had men drie ontmande hovelingen des vorsten toegelaten. Zo zag Rome dus voor de eerste maal een bij-paus zich tegen de ware opvolger van de heilige Petrus indringen, maar wij zien uit de gevolgen, dat het volk zich niet liet misleiden.
Het was onder al deze rampzalige omstandigheden troostvol, dat de door Constancius en de Ariaansche bisschoppen opgedrongen Felix aan de geloofsbelijdenis van Nicea getrouw bleef, ofschoon hij met de Arianen kerkelijke gemeenschap onderhield. Een kerkelijk geschiedschrijver verzekert van hem, dat zijne zeden overigens onberispelijk waren; dat Felix zich nochtans van heiligschendende bisschoppen, bij het leven van de wettige opvolger van de heilige Petrus, liet wijden en zich als een huurling gedroeg, met zich op de Stoel van Rome in te dringen, drukt op zijn karakter een onuitwisbaar schandmerk. Doch de moed en zielskracht, welke Liberius gedurende twee jaren aan de dag legde, bezweken in zijne langdurige en harde ballingschap. De grievende gedachte, dat een door Arianen gewijde bisschop, die met de ketters gemeenschap hield, in zijne plaats was ingedrongen, bewoog hem insgelijks om het verlof om naar Rome terug te keren te verkrijgen, door het ondertekenen van een zogenaamd geloofsformulier van Sirmium, hetwelk aan het Nicesche gelijk was, behalve dat men in hetzelve het woord “medezelfstandig” behendig had weggelaten. Van dit formulier zegt zelfs Hilarius, dat het zodanig gesteld was, dat de rechtzinnigen zich er mee konden verenigen. Daarbij viel Liberius diep met de veroordeling van de heilige Athanasius te ondertekenen en Ursacius en Valens in kerkelijke gemeenschap op te nemen; door deze zwakke toegevendheid verkreeg hij verlof om naar Rome terug te keren, en deed op 2 Augustus van het jaar 358 zijnen plechtige intocht. De ganse bevolking kwam de geliefde Paus tegemoet en haalde hem onder zegegezangen in; doch het leed niet lang, of de tekenen van genegenheid des keizers en zijner Arianen jegens hem, verwekten wantrouwen; dit wantrouwen ging over in verachting en weldra in verontwaardiging, toen men, gelijk het gewoonlijk gaat, met overdrevene geruchten van ketterij, vernam tot welke prijs Liberius zijne terugkomst gekocht had. Een groot getal der geestelijken en gelovigen begon thans over te hellen naar Felix, van wie men wist, dat hij het geloof van Nicea moedig getrouw gebleven was. De vijanden van de heilige Damasus, te weten de priesters Marcellinus en Faustinus, die tegen hem de partij van Ursinus of Urcisinus hielden, en welke getuigenis de grote Baronius in zijne jaarboeken opnam, getuigden, dat de heilige Damasus insgelijks tegen zijne beloften en eed, de zijde van Liberius verlaten en zich aan de gemeenschap van Felix aangesloten had. Felix kon zich niet lang staande houden en werd tot tweemaal door keizerlijke beambten uit Rome verdreven. Liberius, als navolger van de misstap van de heilige Petrus, volgde die Apostel in zijn oprecht berouw; hij erkende zijne misslag, deed het mogelijke om de dien te herstellen, verzoende zich met de heilige Athanasius, sneed alle gemeenschap met de Arianen af, ging voort zijne plichten als opperherder, niet alleen zonder vlek, maar zelfs met moed en roem te vervullen. In het jaar 359 werd te Rimini een groot concilie van meer dan vierhonderd bisschoppen vergaderd, onder welke tachtig Ariaanschgezinden gevonden werden. Deze listige dwaalleraars wisten het daarheen te drijven, dat de Katholieke bisschoppen zich lieten verstrikken en de keizer en de Arianen vorderden, dat het formulier van Rimini, waarin het woord “medezelfstandig” niet gevonden werd, door het ganse rijk zou ondertekend worden. Paus Liberius weigerde dit standvastig en had weer zeer veel om deze rechtzinnigheid te verduren; men zegt zelfs, dat hij verplicht geweest is Rome te verlaten en zich in de begraafplaatsen te verbergen. De heilige Damasus was door de heilige Vader tot priester gewijd en had in de jaren 359 en 360, als vicaris des Pausen, een goot aandeel in het bestuur der Kerk.
Eindelijk ontsliep Liberius op 24 September 366 en de priester Damasus, die meer dan zestig jaren bereikt had, volgde hem op de zetel van de heilige Petrus. Verkozen zijnde door het merendeel der geestelijkheid en des volks, werd hij in de eerste of tweede week van Oktober in de Lucinische basiliek, welke die van de heilige Laurentius genoemd wordt, gezalfd en gekroond. Ursinus, één der eerste diakenen van de kerk van Rome, kon niet dulden, dat Damasus hem werd voorgetrokken; hij wist ene bende oproerigen uit de heffe des volks in ene andere hoofdkerk, die van Sicinus, destijds de Liberiaanse hoofdkerk, welke die van Maria de Meerdere is geheten, te vergaderen; deze partij, bij welke zich insgelijks enige voorname personen voegden, verklaarden zich voor hem. Ursinus wist de bisschop van Tivoli, een onwetend en onbeschaafd man, te overreden, om hem de bisschoppelijke wijding toe te dienen; deze plechtigheid geschiedde tegen het algemene gebruik en tegen de regel, welke vorderde, dat de bisschoppelijke wijding door drie bisschoppen moest geschieden, zowel als tegen het oude gebruik der kerk van Rome, welke bisschop door de bisschop van Ostia moet gezalfd worden. Ursinus vond middel om het volk, hetwelk deze nieuwe scheuring aanhing, te verdelen; het oproer nam hand over hand toe, zodat de stedehouder van Rome Juventius al zijn gezag behoefde, om de loop van het onheil tegen te gaan. Julianus, sedert Juni 366, oppertoeziener over de levensmiddelen van dat jaar, voegde zich aan zijne zijde; zij zonden Ursinus met de diakenen Amancius en Lupus, die zijne voornaamste voorstanders waren, in ballingschap, en deden zeven priesters gevangen nemen en uit de stad verdrijven. Terwijl men deze buiten de stadspoort bracht, wist het volk der partij van Ursinus toegedaan, hen aan de handen der gerechtsdienaars te ontweldigen en bracht hen in veiligheid, te weten in de Liberiaanse hoofdkerk, in welke men Ursimus de heiligschendende handen opgelegd had. Zij, die de wettig verkozen Paus Damasus toegedaan waren, werden zeer verontwaardigd, verzamelden zich en trokken met zwaarden en stokken gewapend naar de hoofdkerk, waarin de zeven scheurzieke priesters zich bevonden. De partijgangers van Ursinus schoten insgelijks toe en men begon ene hevige strijd; de rechtzinnigen hadden de overhand, men beklom de basiliek doormiddel van ladders, brak de deuren op en dat treurtoneel eindigde met het vermoorden van honderdzevenendertig mensen van beiderlei geslacht. Daar het storten van zoveel bloed niet in staat was het oproer te stillen en de stadvoogd Juventius niet bij machte was hierin te voorzien, zag hij zich gedrongen om naar zijn landhuis terug te trekken. Ammianus Marcellinus, een oprecht en oordeelkundig schrijver, ofschoon een heiden, heeft ons met zijne gewone onpartijdigheid dit verhaal opgetekend, zonder zich evenwel ten gunste van de ene of de andere partij te verklaren. Na vervolgens de verbittering van beide partijen veroordeeld te hebben, zegt die schrijver, dat de luister, welke deze waardigheid omgeeft en haar, zoals hij meent, de hoogste eer en grootste schatten verschaft, wel verdient, dat zij, die er naar streven, alle krachten in het werk stellen om daartoe te geraken. Hij meent, volgens het zeggen der heidenen, die evenmin als hij goed onderricht waren, dat de bisschoppen van Rome door de offers, welke de aanzienlijke vrouwen aanbrachten, rijk geworden, in het openbaar in prachtige rijtuigen en klederen uitgedost verschenen, en dat zij zodanige verkwistingen aanrichtten, dat de tafels der koningen die niet konden evenaren. Vervolgens zegt hij, dat zij gelukkig zouden geweest zijn, indien zij met de luister van Rome te verachten de levenswijze van andere prelaten der gewesten gevolgd waren, die door hunne matigheid, zedigheid en armoede zich aan de eeuwige God en deszelfs aanbidders welgevallig gemaakt hadden. Niemand twijfelt, of de heiden Ammianus lastert hier de bisschoppen van Rome en overdrijft hetgene hij betrekkelijk hunne verkwistende levenswijze voorgeeft. De onbevlekte levenswandel van de grote en heilige Julius, wien Ammianus zich nog wel kon herinneren, verdiende zeer zeker dat schamper en onrechtvaardig verwijt niet, evenmin als de levenswijze van Liberius, voorganger van Damasus, noch die van zijnen opvolger Siricus. Wij kunnen evenwel vrij zeggen, en behoeven niet te loochenen, dat de pauselijke waardigheid in het oog der wereld met uitwendige luister omgeven was, naardien volgens de berichten van de heilige Hieronymus, de heidense senateur Pretextatus, later stadvoogd van Rome, aan Paus Damasus, die hem de waarheden van de Christelijke Godsdienst voorstelde, zei: “Maak mij bisschop van Rome en ik wil aanstonds Christen worden.” Ondertussen verdiende de heilige Damasus dat verwijt niet. De heilige Hieronymus, die zoals wij weten, zeer uitvoer tegen de wereldzin van enige gestelijken van Rome, was al te oprecht om Damasus gespaard te hebben, indien deze grote Paus zijne berisping verdiend had.
Reeds in het begin van het pausschap van de heilige Damasus, slechts weinige dagen na de eerste oproerigheden, door de scheurzieken veroorzaakt, gebood keizer Valentiniaan, dat de bisschop van Rome als het hoofd der bisschoppen, over de andere bisschoppen zou oordeel vellen en met zijne ambtgenoten en raadsmannen hunne zaken onderzoeken. De vrede, waaraan Paus Damasus zo’n grote behoefte had, ten einde aan de zaak der Kerk zich uitsluitend te kunnen toewijden en in alle geestelijke aangelegenheden te voorzien, werd steeds door de factie van de tegenpaus Ursinus verstoord. Sedert deze scheurmaker uit Rome verbannen was, hadden zijne aanhangers gestadig bij keizer Valentiniaan I aangehouden, om zijne terugroeping te verkrijgen en zij verwierven ook ene keizerlijke brief aan Pretextatus, destijds opperrechter, gericht, waarbij aan Ursinus en zijne medebannelingen verlof gegeven werd om terug te komen. Dit keizerlijk schrijven bevatte bovendien het bevel, om hen met grotere gestrengheid te straffen, wanneer zij nieuwe onrust berokkenden. Ursinus met zijne beide diakenen kwamen op 15 September 367 weer in de stad terug, maar hij vergat weldra de hem gestelde voorwaarde en werd met zeven zijner aanhangers opnieuw verbannen en naar Gallië gezonden. Zo werd dan door de bemoeiing van Pretextatus en door zijne getuigenis, welke hij, gelijk Ammianus Marcellinus zegt, aan de waarheid schonk, de vrede aan de Kerk en stad teruggeven. Men zou verwacht hebben, dat de scheuring, nu zonder aanvoerder en hoofd, weldra zou vergeten geworden zijn, doch de scheurmakers onthielden zich niet om bij de graven der martelaren te vergaderen en zij handhaafden zich in het bezit van ene kerk, welke buiten de stadsmuren lag en waarschijnlijk dezelfde was, die aan de heilige Agnes toegewijd is. Paus Damasus en de door de keizer aangestelde beschermer der stad zagen zich gedrongen om het gezag van de vorst in te roepen en op hun verzoekschrift gaf hij aan Pretextatus bevel die kerk in handen van de Paus over te leveren; hetwelk evenwel niet zonder bloedstorting plaats had. Maximianus, sedert 367 tot opziener over de levensmiddelen der stad aangesteld, liet onderscheidene scheurmakers op de pijnbank brengen, doch de Paus veroordeelde die handelswijze; maar de scheurmakers vielen in dezelfde strik, welke zij de heilige Vader gespannen hadden, daar zij zelf aangedrongen hadden tot het onderzoek door pijniging, dat tot hunne schande uitviel.
Wij zien uit enige dichtregels van de heilige Damasus, die niets als vrede en eendracht ademde, dat hij gelofte gedaan had om van God door de voorbede der heilige martelaren, de bekering van diegenen zijner geestelijken te verwerven, welke tot nu toe in de verdeeldheid en scheuring verhard gebleven waren, en dat zij tot de eenheid teruggekeerd, openlijk hunne dankbaarheid aan de dag legden en op hunne kosten de graven van die martelaren versierden. Uit hetzelfde gedicht blijkt, dat zelfs de vurigste aanklevers van Ursinus zich bekeerden en zich met geheel hun hart aan de heilige Paus onderwierpen.
De strenge naleving van de kerkelijke tucht, welke de heilige Vader in de kerk van Rome wilde onderhouden hebben, veroorzaakte grote ontevredenheid onder een gedeelte der kerkelijken, die zich daarom aan de partij van Ursinus aansloten. Niets mishaagde hun meer, wijl zij het gemak en de omgang met wereldlingen beminden, dan de nauwgezetheid, waarmee de heilige Vader de wetten wilde nageleefd hebben, die keizer Valentiniaan in de maand Juli 370 had doen afkondigen, die wel is waar voor de geestelijken niet eervol, maar noodzakelijk waren, ten einde aan de loop van sommige misbruiken paal en perk te stellen. Zij verboden aan de geestelijken en allen, die in onthouding leefden, dat wil zeggen aan alle religieuzen en kerkelijken, om de woningen van weduwen en maagden binnen te treden, terwijl aan hunne verwanten veroorloofd werd hen bij de geestelijke rechtbanken aan te klagen; evenmin werd hun door die verordeningen toegestaan enige giften, bij testament, of bij enige beschikking hoegenaamd, aan te nemen, tenzij zij natuurlijke erfgenamen van deze vrouwen waren. Deze wet was aan Paus Damasus gericht, die dezelve op 30 Juli in alle kerken van Rome deed afkondigen. Niet zonder rede oordelen sommigen, dat de heilige Paus de keizer hiertoe aangezet had, ten einde door keizerlijke bevelschriften de geestelijkheid, die zich te wereldsgezind aanstelde, binnen de palen van hunnen plicht te houden.
Omtrent het jaar 369 vergaderde de heilige Vader een conclie te Rome, waarbij zich vele bisschoppen bevonden. Het doel daarvan was om degenen, die onder Constancius in het Arianisme gevallen waren, tot de Kerk terug te brengen; zulks betrof vooral het Oosten en Illyrie, want met uitzondering van een klein getal Arianen kan men zeggen, dat Rome en het Westen altijd standvastig gebleven waren aan het geloof van Nicea. In dat concilie werden Ursacius van Singedomi en Valens van Marcia, twee Illyrische bisschoppen, die het vuur der ketterij door het ganse keizerrijk zochten aan te blazen, veroordeeld. De heilige Paus berichtte aanstonds de zaak aan de heilige Athanasius, bisschop van Alexandrië, de voornaamste steun der Katholieken tegen de Arianen, en het voorwerp van de haat der vijanden van de Godsdienst van Jezus Christus. Toen deze heilige de brief van de Paus ontvangen had, vergaderde hij te Alexandrië een concilie van negentig bisschoppen uit Egypte en Libin, en antwoordde de heilige Vader in naam van allen; terwijl hij de Paus dankte, gaf hij hem tevens zijne smart te kennen, dat Auxentius, die zich op de zetel van Milaan ingedrongen had en één der ijverigste beschermers was, op welke de Arianen in het Westen rekenen konden, niet met Ursacius en Valens veroordeeld was.
De heilige Paus ontving nog een uitmuntend schone brief van de heilige Basilius, bisschop van Cesarea in Cappadocië, waarbij deze heilige hem smeekte om met de heilige Athanasius de vereniging te bewerken der kerken van het Oosten en het Westen, die door ketterijen en zelfs door enig misverstand onder de Katholieken, vooral te Antiochië, verdeeld waren. De bisschoppen van Egypte mochten zich insgelijks weldra verblijden in de voldoening, welke zij van de heilige Vader ontvingen; want op de klachten, welke de bisschoppen van Gallië en de provincie Venetië voordroegen, dat Auxentius en sommige anderen de dwaalleer verdedigden der Amoneanen, die na de Photinianen de meest overdreven onder de Arianen waren, omtrent de medezelfstandigheid des eeuwigen woord en de Godheid van de Zoon Gods, vergaderde de heilige Damasus in het jaar 373 te Rome een concilie van drieennegentig bisschoppen uit verschillende landstreken. Auxentius en zijne aanhangers werden veroordeeld en van de gemeenschap der Kerk uitgesloten; de geloofsbelijdenis van Nicea werd bekrachtigd en al het in het concilie van Rimini tegen het geloof strijdige nietig verklaard. Paus Damasus berichtte met de andere bisschoppen van het westen dit besluit aan de bisschoppen van het Oosten en van Illyrie.
De heilige Athanasius, die gedurende zevenenveertig jaren de Kerk voorlichtte, stierf op 2 Mei en werd op zijnen zetel te Alexandrië gevolgd door een uitmuntend man, Petrus geheten, die de heilige Athanasius voor zijnen dood reeds tot zijnen opvolger verkozen had. Deze eerbiedwaardige man was om zijne Godsvrucht, deugd, geleerdheid en welsprekendheid zeer geacht, en had in alle rampen, welke de grote aartsbisschop van Alexandrië gedrukt hadden, hem nooit verlaten; overal, zowel in Alexandrië als op zijne moeilijke tochten, in alle gevaren gedeeld en de heilige Gregolius van Nazianze spreekt van hem met alle lof. Keizer Theodosius geeft hem de schoonste getuigenis in de wet, welke die vorst op 28 Februari 380 uitvaardigde; daar zegt hij, dat zij slechts als Katholieken kunnen aangemerkt worden, die het geloof volgen door Paus Damasus en door Petrus van Alexandrië, een man van apostolische heiligheid, gepredikt. De keuze van de heilige Athanasius werd door de geestelijken, de beambten en door alle personen van aanzien bekrachtigd, en het volk getuigde deszelfs blijdschap door de meeste toejuiching. De naburige bisschoppen vergaderden in alle haast; de woestijnbewoners verlieten hunne eenzaamheid, om Petrus op de stoel van de heilige Athanasius te bevestigen, die volgens de vastgestelde orde e de regels der Kerk ingehuldigd werd. Paus Damasus, wie hij zijne verheffing berichtte en die waarschijnlijk reeds de wreedheden vernomen had, welke de Arianen tegen de kerk van Alexandrië uitoefende, zond hem met een diaken, brieven van gemeenschap, troost en opwekking. Deze diaken zag zich gewikkeld in de vervolging, welke men de Katholieken op het gezag van keizer Valens, een begunstiger der Arianen, deed ondergaan; hij werd op last van Pallades, gouverneur van Egypte, die heiden en een gezworen vijand der Christenen was, gevangen genomen, onder de afschuwelijkste beschimpingen langs de straten der stad met de handen op de rug gebonden, tussen de beulen rondgeleid, omgeven van een losbandig volk, hetwelk hem op alle mogelijke wijze mishandelde. Na hem onder zweepslagen en andere folteringen voortgedreven te hebben, werd hij met een groot getal Katholieken in een schip geworpen, zonder enige voorraad naar Phennetis gevoerd, om met de anderen in de kopermijnen te arbeiden. Bisschop Petrus wist aan zijnen vervolgers te ontsnappen, stak de zee over, kwam bij de heilige Damasus ene schuilplaats zoeken en bleef gedurende vijf jaren in rust en vrede te Rome zijn verblijf houden.
Middelerwijl Petrus, patriarch van Alexandrië, te Rome in veiligheid leefde, was zulks echter het geval niet met de heilige Paus Damasus, want de kerkverstoorder Ursinus, ofschoon sedert het jaar 367 verbannen, stookte de onrust en twisten aan. Zijne aanhangers, die uit hoofde van de waakzaamheid van Olybrius, sedert 369 stadvoogd van Rome, in de stad niet durfden vergaderen, verenigden zich evenwel in groot getal buiten dezelve. Aginacius, plaatsbekleder van de stadvoogd en van de gouverneur van Italië, schreef betrekkelijk die zaak aaan keizer Valentiniaan en de vorst zond aan hem en aan Olybrius een schrijven, waarbij aan de scheurmakers verboden werd om binnen de uitgestrektheid van twintig mijlstenen, dat is omtrent zeven mijlen van Rome, te mogen vergaderen. Twee jaren later, onder het stadhouderschap van Ampelius, die Olybrius sedert het jaar 371 was opgevolgd, veroorloofde de keizer aan Ursinus zeven zijner aanhangers de plaats hunner ballingschap te verlaten en zich waar zij wilden te begeven, mits zij binnen Rome en het rechtsgebied of de tien tot het kerspel van Rome behorende provinciën geen voet zetten; sommigen bepalen dit tot honderd mijlstenen of drie- of vierentwintig mijlen van die stad; dit keizerlijk bevel was aan Ampelius en Maximus, plaatsbekleder van de eerste overheidspersoon en opvolger van Aginacius, gericht.
Sedert die tijd durfde Ursinus gene pogingen om verdeeldheden te verwekken aan te wenden en wachtte tot de dood van keizer Valentiniaan, welke vorst in November van het jaar 375 stierf. De heilige Paus had intussen andere scheurmakers te bestrijden en wel de Luciferianen, die nog altijd in de stad vergaderingen hielden. Uit kracht van een keizerlijk bevelschrift, waarbij in het jaar 374 geboden werd, om al degenen, die ongeoorloofde en met de Godsdienst strijdige vergaderingen hielden, tot op honderd mijlstenen van Rome te verdrijven, liet Paus Damasus een zekere Macarius, priester van die sekte, die des nachts in ene bijzondere woning vergadering hield, gevangen nemen en in ballingschap wegvoeren; gelijk lot trof vervolgens enige anderen, zowel leken als priesters, die de Luciferianen begunstigden en aanhingen. De ijver, welke de waakzame Paus tegen de scheurmakers betoonde, was oorzaak van de bijzondere haat dier partij tegen de heilige Vader, zoals blijkt uit een verzoekschrift, hetwelk Marcellinus en Faustinus, priesters van die partij, tien of elf jaren later aan de keizers tegen de Katholieken overhandigden. Ofschoon dat geschrift met de afschuwelijkste lasteringen tegen de heilige Paus vervuld en men door hetzelve de verklaarde aanhangers van de tegenpaus Ursinus leert kennen, stelt het ons evenwel in de gelegenheid om onderscheidene geschiedkundige omstandigheden op te sporen, die door de geschiedschrijvers niet voldoende vermeld zijn. De heilige Paus kon evenwel met al zijn gezag en met de macht hem door de keizer verleend, niet beletten, dat de Luciferianen binnen Rome zonder bisschop bleven. Na de dood van Aurelius, hunnen bisschop, waren zij stoutmoedig genoeg zich in Ephesius, ook Euresius geheten, ene andere te kiezen, die zich, onaangezien elke poging, welke de heilige Damasus om hem te verdrijven aanwenddee, in de stad wist staande te houden. De Donatisten hadden insgelijks hunnen bisschop binnen Rome; Macrobius, Lucianus en Claudianus waren daar onder het opperpriesterschap van de heilige. Men zond hen uit Afrika, de bakermat van deze scheuring, of wel de Donatistische bisschoppen staken de zee over om hen te Rome te wijden. De heilige Optatus van Milevis, die ons de namen van die bisschoppen heeft bewaard, had weinige tijd tevoren zijn uitmuntend werk tegen deze scheurmakers het licht doen zien, en daarin, door de gestadige opvolging van de bisschoppen van Rome, de eenheid en het middelpunt der eenheid willende aantonen, vervaardigde hij een register van alle Pausen, van de heilige Petrus tot aan Damasus, “die,” zegt hij, “thans onze medebroeder is, met wie het ganse heelal gemeenschap houdt, evenals wij door vastgestelde en bepaalde briefwisseling.”
De verdeeldheid bleef nog altijd in de kerk van Antiochië heersen en de ganse Kerk, zowel van het Oosten en het Westen, ontzag gene moeite om dezelve te doen ophouden. De Arianen hadden dezelve bewerkt, met aan de Katholieken, na het verdrijven van de heilige Eustathius, een bisschop van hunne sekte op te dringen; gedurende dertig jaren waren zij er in geslaagd, om achtereenvolgens enige bisschoppen op die patriarchale zetel te plaatsen. Eudaxius, een hevig Ariaan, was in ongenade gevallen, van die stoel verdreven en men was dus bedacht ene nieuwe bisschop in zijne plaats te kiezen. De Katholieken, die talrijk en aan het geloof zeer gehecht waren, werkten zowel als de Arianen om ene opvolger volgens hunnen zin op de stoel van Antiochië te plaatsen, en door ene bijzondere schikking der Goddelijke Voorzienigheid, hadden beide partijen het oog op Meletius gevestigd, want de Arianen meenden dat hij, die vroeger door de hunnen op de zetel van Sebaste verheven was, doch die verlaten en zich in de eenzaamheid begeven had, hunne gevoelens aankleefde; hij was bovendien welsprekend en zo zij meenden zeer geschikt om de harten te winnen en de verschillen te beslissen; zij smeekten dus Constancius, die zich toen te Antiochië bevond, om Meletius op die patriarchalen stoel te verheffen. Van de andere zijde stemden de Katholieken in deze keuze in, wijl zij zich van de zuiverheid van geloof en zeden van Meletius verzekerd hielden, en zij zagen zich niet teleurgesteld. Voordat Constancius Antiochië verliet, werd hij door de Arianen ernstig aangezocht om de gevoelens van Meletius te peilen, want onder hen rees de vrees, dat hij zich in hunne keuze bedrogen hadden; het bleek weldra, dat de heilige bisschop met hart en ziel de besluiten en uitspraken van de grote kerkvergadering van Nicea aankleefde; hij werd dus reeds ene maand na zijne inhuldiging naar Klein-Armenië gebannen en de goddeloze Eusosius, die slechts diaken en weleer met Arius uit Alexandrië verdreven was, op de zetel van Antiochië geplaatst. De gelovigen, welke Meletius beminden, hielden echter geen gemeenschap met de Arianen, vergaderden in ene kerk aan de Apostelen toegewijd en zochten zich met de aanhangers van de heilige Eustathius, die de verkiezing van Meletius steeds als onregelmatig bleven beschouwen, te verenigen; maar dezen weigerden zulks en van dit tijdvak begint de verdeeldheid tussen de Eustathianen en Meletianen, die de kerk van Antiochië ene geruime tijd in gevaar van scheuring stelde. Juliaan de Afvallige was op het einde van het jaar 361 meester van het rijk geworden, en om zoveel te gemakkelijker zijne boze bedoeling te bereiken, met de dienst der afgoden te herstellen, toonde hij zich voor alle godsdienstige gezindheden verdraagzaam; hij herriep bij een besluit alle bisschoppen uit hunne ballingschap, van welke partij zij ook waren en hierdoor zocht hij de zaden der verdeeldheid en scheuring meer en meer te doen wortel schieten. De heilige Meletius kwam tegen het einde van het jaar 362 te Antiochië terug, maar vond de verdeeldheid onder de gelovigen zeer vermeerderd, door de vrijheid welke de Eustathianen genomen hadden van zich ene bisschop te kiezen. Lucifer, bisschop van Cagliari in Sardinie, die uit zijne ballingschap teruggekeerd, te Antiochië gekomen en van de vaders van het concilie van Alexandrië slechts gezonden was om de vereniging te bewerken, ging verder en zalfde Paulinus tot bisschop van Antiochië. Paulinus, een heilig, zachtmoedig en zowel door zijne levenswijze als jaren eerbiedwaardig man, onbesproken van gedrag, was door de heilige Eustathius priester gewijd en stond aan het hoofd der Eustathianen, toen hem de bisschoppelijke wijding door lucifer van Cagliari werd toegediend. De heilige Athanasius erkende hem en hield met Paulinus kerkelijke gemeenschap. Rome had Meletius, als met de Arianen heulende, niet erkend en Paus Damasus hield, zoals wij zullen vernemen, de vertrouwdste briefwisseling met Paulinus; geheel ten Westen als ook het eiland Cyprus waren die bisschop toegedaan, middelerwijl de kerk in het Oosten met Meletius gemeenschap onderhield.
Zo waren er dan in Antiochië drie gemeenten; twee Katholieken, onder Meletius en Paulinus, en ene Ariaansche onder Eusosius, die, zoals wij reeds opmerkten, toen Meletius, kort na zijne verheffing, om zijne Katholieke verklaring door Constancius verbannen was, door de Arianen in deszelfs plaats was gesteld. Overigens schijnt Lucifer deze onberadene wijding van Paulinus verricht te hebben krachtens uitgebreide volmachten, welke hij te voren als legaat van Paus Liberius voor het Oosten ontvangen had. Althans wordt deze wijding nergens onwettig genoemd en Paulinus boven Meletius, door de kerk van het Westen, als bisschop erkend. Meletius bleef altijd verdacht van Ariaansche gevoelens te zijn toegedaan en het concilie, in het jaar 363 te Antiochië gehouden, waarin hij voorzat, scheen deze verdenking nog meer te billijken. Gedurende het verblijf van keizer Joviniaan te Antiochië, welke vorst Meletius hoogachtte en hem ene nieuw gebouwde kerk liet inruimen, kwamen de Macedonianen of half-Arianen met een smeekschrift bij de keizer, om tegen de Anomianen in het bezit hunner kerken beschermd te worden. De vorst, reeds door de heilige Athanasius ingelicht, liet hun verzoek onbeantwoord, zond hen weg met ene mondelinge verklaring, dat hij de twistzucht haatte en alleen diegenen zou eren en achten, die eendracht en vrede zochten. Deze verklaring bewerkte, dat zevenentwintig Oosterse bisschoppen, deels strenge, deels halve Arianen, te Antiochië bijeenkwamen. Acasius van Cesarea in Palestina, die zijn geloof altijd het hof volgde, bevond zich insgelijks daarbij tegenwoordig; de verenigde vaders boden de keizer een geschrift aan, waarbij zij eenstemmig hunne gehechtheid aan het concilie van Nicea betuigden, en hun geloof aan de medezelfstandigheid van de Zoon Gods onderschreven. De heilige Athanasius was bij dit concilie evenmin tegenwoordig als Paulinus van Antiochië, die zich met het concilie niet kon verenigen, maar hetzelve met Meletius verdacht hield als begunstigde de gevoelens der half-Arianen en Macedonianen. Het gaf aanstoot, dat in hunne geloofsbelijdenis de uitdrukking “één in wezen” zo verklaard werd, als ware de Zoon geboren uit het Wezen des Vaders en Hem gelijk in Wezen, want deze verklaring werd niet voldoende geoordeeld, wijl dezelve insgelijks gemeen was aan de half-Arianen en Macedonianen; het schijnt derhalve, dat deze vergadering meer grond gaf aan het kwade denkbeeld, hetwelk men tegen de heilige Meletius en zijne vrienden had opgevat; vandaar, dat de heilige Hieronymus, die zich voor de bisschop Paulinus, die hem priester gewijd had, verklaarde, zich met kracht tegen het concilie stelde; ook beschuldigde men nog deze vergadering, dat zij omtrent de Godheid van de Heilige Geest, welke door de Macedonianen bestreden werd, niets gezegd en dit punt onaangeroerd gelaten had.
Terwijl de onenigheden van Antiochië de kerk van het Oosten en het Westen bleven verontrusten, openbaarde zich meer en meer de ketterij der Apollinaristen en veroorzaakte nieuwe en gevaarlijker bewegingen.
De nijd, welke Satan de mens toedraagt, vuurt hem steeds aan, om Gods Kerk op aarde te verontrusten en hij weet van tijd tot tijd haar nieuwe vijanden te berokkenen, welke de bruid van Jezus Christus trachten te ontreinigen en te vervolgen. Het gelukt Satan meermalen, om haar zelfs door hare eigene kinderen, die vroeger door hunne deugden en schone hoedanigheden in aanzien waren, te bestoken. Terwijl nu de vijand van God en van de mensen opmerkte, dat de Arianen meer en meer voor de kracht der waarheid bezweken, ofschoon zij onder begunstiging van keizer Constancius het veld, dat zij ingenomen hadden, meenden te kunnen behouden, zo wist hij door de Apollinanisten aan de Kerk ene nieuwe, volgens de schijn niet mindere strijd te berokkenen, die zoveel te gevaarlijker scheen, wijl de eerste aanvoerders dier ketterij over het algemeen aanzienlijke mannen waren en de schoonste lofspraak der gelovigen ingeoogst hadden. De heilige Epiphanius, die het begin van deze ketters gezien heeft, geeft hun de naam van Dimaeriten of verdelers, wijl zij slechts aan een gedeelte der menswording hechten, want zij hielden met de Arianen, dat Jezus Christus slechts een menselijk lichaam als werktuig voor zijn tijdelijk zichtbaar aanzijn en handelen had aangenomen, zonder menselijke aandoeningen, zonder menselijke kennis, zelfs zonder menselijke ziel, en dat de Godheid die plaats bekleedde. Overwonnen evenwel door de zakelijke en stellige uitspraken der Heilige Evangeliën, weken zij voor een gedeelte van dat gevoelen af en onderscheidden, volgens de mening van enige filosofen, de menselijke ziel, welke ons doet leven en in het bloed is, van het redelijke en onsterfelijke wezen, door hetwelk wij oordelen; zij gaven het eerste wezen aan Jezus Christus en hielden, dat Hem het andere ontbrak, maar dat de Godheid hierin voorzag en de werking van de redelijke ziel in Hem verrichtte. Zij gaven dus, zoals de heilige Augustinus zegt, aan Gods Zoon, volgens zijne mensheid, de ziel of het leven der redeloze dieren en weigerden Hem die van de mens.
Zij meenden te kunnen zeggen, dat Gods Zoon een volkomen mens was, welke bestond uit een lichaam, dierlijke ziel en de Godheid, maar zij durfden, zoals zij zeiden, in Hem geen volkomen mens gelijk wij te erkennen, wijl Hij als zodanig insgelijks zondaar zou geweest zijn, daar twee volmaakte zaken geenszins ene enige zijn konden, en de Godheid slechts een gedeelte van de ene zou geweest zijn, en men noodzakelijk twee Zoons en twee Christenen zou moeten erkennen. Op deze menselijke gevoelens bouwden zij hunne nieuwe, ongehoorde leerstellingen en het kostte hun gene moeite het oude geloof en de apostolische leerstukken der Kerk te verwerpen, en vervielen van de ene duisternis in de andere, want dezelfde ongelegenheden, die zij meenden te vinden, wanneer zij in Jezus Christus een volkomen mens erkennen, vonden zij insgelijks, wanneer zij een menselijk lichaam van dezelfde natuur als het onze erkenden, en zulks voerde hen tot ene andere dwaling, welker gevolgen nog goddelozer waren dan die omtrent de ziel van Jezus Christus, want daar zij Hem gene twee zelfstandigheden en twee naturen, de Goddelijke en de menselijke, erkenden, hielden zij, dat Hij ene gemengde natuur had, samengesteld uit de Goddelijke en menselijke, en waren dus gedrongen vast te stellen, dat zijn lichaam zelfstandig was met de Godheid en dat een gedeelte van het Woord in vlees en in ene geheel onderscheidene natuur van de zijne was; dat dit geen lichaam van gelijk het onze, maar dat het slechts de vorm en uitwendige gedaante had; dat het mede eeuwig met de Godheid was gemaakt van de zelfstandigheid zelf der eeuwige wijsheid en die van het Woord veranderd in een tijdelijk vlees. Zin leerden verder als een natuurlijk gevolg uit dit valse grondbeginsel, dat de zelfstandigheid van zijn lichaam niet uit Maria genomen was, maar dat Gods Zoon door haar als door ene buis was doorgegaan, waaruit volgde, dat zij insgelijks aan de Heilige Maagd het Goddelijke Moederschap weigerden. Zij hielden staande, dat dit lichaam voor Maria reeds gevormd was, dat Jezus Christus hetzelve altijd gehad, het uit de hemel genomen had en slechts met dit lichaam, hetwelk met Hem zelfstandig verenigd was op aarde, behoefde af te dalen, zodat volgens het gevoelen van deze ketters, dit lichaam niet alleen zelfstandig met de Godheid, maar dat het hemels en ongeschapen was. Hier volgde weer ene andere dwaling, te weten, dat het lichaam van Christus onlijdelijk en onsterfelijk was, zoals zij meermalen beweerden, zodat de geboorte, het lijden, de begrafenis en opstanding van Jezus Christus niet wezenlijk, maar slechts schijnbaar waren. Behalve deze dwalingen betreffende de menswording, vervielen zij nog in andere; want ofschoon zij voorgaven het geloof der Nicesche vaders te volgen, en nu en dan in God één Wezen en drie onderscheidene Personen erkenden, was hun geloof omtrent dit artikel niet zuiver, want zij stelden somtijds verschillende trappen in de aanbiddelijke Drie-eenheid en hielden, dat de Heilige Geest groot, de Zoon groter en de vader de grootste was; bij andere gelegenheden vermengden zij, gelijk de Sabellianen, de eigenschappen der Personen, zoals de heilige Basilius hun, volgens de schriften van Apollinaris, verweet. Deze tegen elkander inlopende gevoelens, welke men in de leerstelsels der Apollinaristen aantreft, hadden hunnen grond in de verschillende stellingen, die in de werken van Apollinaris gevonden werden en vandaar de zich tegensprekende meningen zijner leerlingen, terwijl hij, toen hij eenmaal, zoals alle ketterhoofden, de onwrikbare regel der waarheid had verlaten en niet meer wist waaraan zich te houden, in elke dwaling geslingerd werd. Het moet ons dan niet bevreemden, dat zij, die eenmaal in één of ander punt van het geloof en van de heilige overlevering afgeweken zijn, in ontelbare dwalingen vervallen.
Apollinaris, de vader en stichter dier sekte, was de zoon van ene andere Apollinaris van Alexandrië; deze onderwees de letteren eerst te Berytes, vestigde zich vervolgens te Laodicea in Syrië, waar hij huwde en hem een zoon geboren werd, die insgelijks Apollinaris genoemd werd; hij liet dezen zorgvuldig opvoeden, ontwikkelde met zoveel ijver zijn natuurlijk verstand en aanleg, dat de jongeling weldra in staat was de redekunde te onderrichten; beide, vader en zoon, namen de geestelijke stand aan; de eerste werd priester en de zoon voorlezer in de kerk van Laodicea. De voornaamste schrijvers van die tijd, onder welke vooral de heilige Basilius, de heilige Gregorius van Nazianze, de heilige Epiphanes en anderen uitblinken, getuigen, dat de jonge Apollinaris van het begin af zich streng Katholiek toonde en men van hem verwachten kon, dat hij eenmaal één der ijverigste geloofsverdedigers zou zijn; zij verheffen hem schier boven alle andere verdedigers van de medezelfstandigheid, terwijl hij veel liever vervolging en uitbanning wilde verduren, dan zich aan de zijde der Arianen te scharen; daarbij was hij van een zeer stichtend levensgedrag. De jonge Apollinaris was dus bij alle rechtzinnige gelovigen in groot aanzien en hij mocht er vrij op roemen van met alle grote mannen, zoals met de heilige Athanasius de heilige Serapion van Thmuis, en anderen, die in de Kerk als sterren schitteren, in briefwisseling te zijn. De heilige Basillius getuigt, dat hij hem om verschillende goede hoedanigheden zeer vereerde. Deze bisschop schreef hem omtrent het jaar 356, uit welk schrijven zijne vijanden beschuldigingen tegen hem ontleenden en hij zegt, dat hij toen nog gene de minste verdenking van iets tegen de leer der Kerk te beogen, tegen hem koesterde. De heilige Gregorius van Nazianze ontving insgelijks zijne leerlingen als broeders, en de heilige Hieronymus was nog in het jaar 373 zijn leerling te Antiochië, waar hij zijne uitleggingen der Heilige Schrift bijwoonde.
Omtrent het jaar 362 werd hij bisschop van Laodicea in Syrië en maakte zich onder Juliaan de Afvallige jegens de Kerk zeer verdienstelijk, door zijnen arbeid ten voordele van het onderwijs der Christenen. Want terwijl Juliaan de Christenen verbood om de schone letteren te beoefenen, zochten de beide Apollinarissen, vader en zoon, hierin door hunne schriften en werken te voorzien; van de boeken van Mozes maakten zij een heldendicht en de geschiedenis van het Oude Verbond brachten zij in verzen en vervaardigden andere werken om de Christenen in de schone letteren te onderwijzen; uit hunne pen vloeiden samenspraken, welke de Evangelische grondstellingen en de leer der Apostelen inhielden. In het 14e deel van de Bibliotheek der vaders vinden wij nog bloemlezingen der psalmen in dichtmaat, welke de naam van Apollinaris dragen, het enige werk dat tot ons gekomen is. Door deze arbeid kreeg hij vele leerlingen; behalve deze gedichten vervaardigde hij een opstel en leerrede over de waarheid der Christelijke Godsdienst, welke hij aan Juliaan en de heidense wijsgeren richtte, en toonde hun door de rede alleen, zonder dat hij zich van het gezag der Heilige Schrift bediende, hoe hij zich omtrent hunne gevoelens betrekkelijk het bestaan van één enige ware God bedrogen, maar hij oogstte slechts de spot en smaad in van Juliaan en de zijnen.
Het is moeilijk om te bepalen, wanneer Apollinaris zijne dwalingen begon te verspreiden. De heilige Gregorius van Nazianze zegt in ene brief, in het jaar 380 of 382 geschreven, dat die dwalingen reeds voor dertig jaren waren verspreid geworden, doch dan moet men zeggen, dat Apollinaris zulks op ene zeer bedekte en geheime wijze verrichtte, wijl de heilige Basilius duidelijk zegt, dat hij in het jaar 356 nog in het minste niet verdacht was. Men liet in het jaar 362 in het concilie van Alexandrië enige monniken in naam van de bisschop Apollinaris voorkomen en onderzocht met de meeste nauwgezetheid het geloofspunt der menswording, waarover zo zeer getwist werd en men handhaafde en bevestigde met de meeste kracht de Katholieke waarheid tegen de dwaling, voor welke Apollinaris zich later openlijk verklaarde, zowel als tegen degenen, die staande hielden, dat het eeuwige woord des Vaders slechts over Jezus Christus evenals over de andere profeten was afgedaald. Doch hoe duidelijk de verklaringen waren, welke men van het geloof gaf en vorderde, de Apollinaristen wisten met gewone spitswinnigheden hunne stellingen in te kleden en te bedekken, en terwijl elk de verklaringen van het concilie aannam, mag men het er voor houden, dat Appollinaris het zaad zijner ketterij niet openlijk uitstrooide, maar zich listig wist te verbergen. De heilige Athanasius, die in dit concilie het eerst deze dwaalleer veroordeeld had, bestreed haar omtrent het jaar 369 in onderscheidene geschriften en in ene zeer uitgebreide brief aan Epictetis, bisschop van Corinthe; hij schreef ook over die zaak aan Eupsyquus, priester te Cesarea in Cappadocië en ene vermaarde brief aan de kerk van Antiochië, welke men later door gen, die de ketterij van Apollinaris verzaakten, deed ondertekenen. Wij zien hieruit, dat deze dwaalleer reeds voor de dood van de heilige Athanasius zich uitbreidde en in de Kerk veel gerucht maakte; de stichter evenwel wist zich nog verborgen te houden, want verre dat Apollinaris zich tegen de geloofsgeheimen verklaarde, bezitten wij van hem nog ene brief aan de grote Serapion gericht, in welke hij die van de heilige Athanasius aan de bisschop van Corinthe roemt, en verklaart daarmee overeen te stemmen betrekkelijk het geheim der menswording van Gods Zoon. In ene andere aan de bisschop van Thmuis bevestigt hij, dat hij als ene standvastige en ontegensprekelijke zaak aanneemt, dat het lichaam van Jezus Christus uit de Heilige Maagd genomen en in haren schoot gevormd is, en dat het Woord het Vlees uit dezelfde zelfstandigheid als het onze genomen heeft. Hij zegt in ene andere brief, dat hij in zijne schriften altijd beweerd heeft, dat het lichaam van Jezus Christus niet van de hemel afgedaald, noch van dezelfde zelfstandigheid Gods is. De heilige Athanasius verklaarde zich derhalve geenszins tegen de persoon van Apollinaris en noemt hem in gene zijner schriften, welke hij tegen zijne dwalingen vervaardigde; daarbij beval hij Timotheus, de leerling van Apollinaris, als een rechtzinnige aan de heilige Paus Damasus aan, die hem ontving als een oprecht Katholiek man, die de ketterij van Arius met kracht tegenwerkte. Deze bedrieger bracht zelfs enige brieven van de kerk van het Westen, aan een bisschop gericht, welke ongetwijfeld Apollinaris was en die beschouwd werd in de gemeenschap der Kerk te zijn, over. Wij bezitten nog de stukken van een kerkvergadering, in het jaar 374 of 375 te Rome gehouden, waarin de ketterijen van Apollinaris gedoemd werden, zonder deze evenwel aan hem toe te rekenen. Hij was nochtans sedert het jaar 373 onder zware verdenking, doch men vindt niet, dat de algemene Kerk zich voor het jaar 377 volstrekt tegen hem verklaarde en hem van de gemeenschap afsneed.
De ongelukkige val van Apollinaris doet zien, hoe weinig verzekerd de mens is van staande te blijven, en hoe gemakkelijk men van verheven deugd in de verschrikkelijkste afgronden der misdaad kan neerzinken; want de deugdzame en geleerde man is veeltijds het meest aan de afgunst en hinderlagen van Satan blootgesteld. Hoe meer Apollinaris geacht en bemind werd, zoveel te smartelijker was zijn val, en toen zijne leerlingen zich tegen de waarheid verklaarden, beschouwde men deze als misleiden en als de zodanigen, die de verhevene denkbeelden van de grote man niet konden begrijpen.
De Apollinaristen werden, sedert een zekere Vitalis te Antiochië de dwaalleer verspreidde, niet meer met de vroegere toegevendheid behandeld; deze Vitalis, één der beruchtste leerlingen van Apollinaris, was een man van heilige en stichtende levenswandel, die in de apostolische leer opgevoed was en in groot aanzien stond bij de gelovigen. De Arianen beschuldigden hem, dat hij een bedrieger was en zijn verdere leven geeft rede van hem als dusdanig te verdenken. Het schijnt, dat hij vroeger, gelijk meer Katholieken van Antiochië, door de Arianen misleid geweest is; hij verenigde zich in het jaar 362 met de heilige Meletius, die hem onder zijne geestelijken opnam, want hij was priester der kerk van Antiochië, maar sedert hij meende, dat hij bij zijnen bisschop minder dan Flavianus, die later Meletius opvolgde, in aanmerking kwam, zonderde hij zich van zijne gemeenschap af en hechtte zich aan Apollinaris. Hij wist onderscheidene personen aan zich te verbinden, die de naam van Vitalianen aannamen en tot welker bisschop hij later door Apollinaris gewijd werd, zodat er thans vier partijen te Antiochië waren, te weten Arianen, Paulinianen, Meletianen en Vitalianen, doch alvorens Vitalis tot dit uiterste kwam en zich als bisschop der Apollinaristen te Antiochië deed gelden, sloot hij zich met de zijnen aan de gemeenschap van Paulinus van Antiochië en van Paus Damasus aan, waarom hij in het jaar 375 ene reis naar Rome ondernam. De heilige Damasus liet hem, als beschuldigd van vroeger de dwalingen van Apollinaris aangekleefd te hebben, ene geloofsbelijdenis afleggen, welke Vitalis zelfs in geschrift uitgaf en het is mogelijk, dat wegens dat stuk Basilius en andere monniken van Konstantinopel, in hun verzoekschrift aan keizer Theodosius II, van ene bisschop, Vitalis geheten, melding maken, die de rechtzinnige geloofsbelijdenis ondertekend heeft. De heilige Vader nam genoegen in de belijdenis van Vitalis en beschouwde haar als oprecht, omdat de woorden en de zin werkelijk duidelijk schenen, ofschoon deze ketters het gif hunner boosheid onder de schijn van oprechtheid wisten te verbergen. De heilige Gregorius van Nazianze gaf evenals de heilige Damasus aan dat stuk zijne goedkeuring en beschouwde de aanhangers van Vitalis als broeders, toen deze van Rome door Nazianze of Seleucie, waar de heilige Gregorius in het jaar 375 zich begeven had, terugkeerde. De heilige Damasus wilde evenwel de zaak nog niet beslissen en schreef aan Paulinus van Antiochië, dat hij de geloofsbelijdenis evenals de persoon van Vitalis, met wie de heilige Vader de brief meegaf, aan zijn voorzichtig oordeel en wisheid onderwierp. De heilige Paus schreef andermaal aan Paulinus, zond hem ene geloofsbelijdenis en vorderde, dat zij, die zich met de Kerk wensten te verenigen, dat formulier zouden onderschrijven. Theodoretus verzekert, dat dit stuk in een concilie te Rome was opgesteld en dat daarin de leer der Godheid van de Heilige Geest en de door Apollinaris aangevallene geloofswaarheden krachtig waren uitgedrukt. De heilige Damasus vorderde dus, dat men Vitalis en elk ander, over wiens gevoelen men in twijfel was, die zich met de Kerk wenste te verenigen, zou aannemen, mits zij deze geloofsbelijdenis met die van Nicea ondertekenden. Dit schrijven van Damasus vernietigde dan op eens alle uitvluchten der Apollinaristen. Vitalis weigerde te tekenen en daar Paulinus hem nu niet meer in zijne gemeenschap erkende, scheurde hij zich insgelijks af en nam de naam en de waardigheid van bisschop der Apollinaristen van Antiochië aan, welke Apollinaris hem toegediend had. Men weet niet of hij enige andere bisschoppen misleid heeft om deze heiligschennende en onwettige wijding te verrichten, ofschoon zulks wel waarschijnlijk is, terwijl men meent, dat dit omtrent het jaar 376 plaats had, want de brieven van de heilige Basilius schijnen tot die tijd betrekking te hebben. Apollinaris stelde alle pogingen in het werk om zelfs enige heilige bisschoppen uit Egypte, die om het rechtzinnig geloof verbannen waren, aan zijne zijde te brengen, doch zodra waren deze niet ingelicht, of zij kenden al degenen, die zich met hem verenigd hadden en het er op toelegden, om door hunne nieuwigheden het geloof der Kerk te ondermijnen, en dewijl zij het onrecht niet konden dulden, hetwelk deze mensen de waarheid aandeden, schreven zij ene uitgebreide brief tegen Apollinaris. De heilige Basilius dankte hun in zijn schrijven voor de gewichtige dienst, welke zij aan de Kerk betoonden en vermaande hen insgelijks, om met alle voorzichtigheid en zachtmoedigheid werkzaam te zijn, ten einde Apollinaris tot de orde en de waarheid terug te brengen, doch wel verre van hierin te slagen, werd een zekere Timotheus, de vurigste aanhanger van de ketter, zo verbitterd, dat hij insgelijks de naam van bisschop van Beryte in Phenicie aannam, zich geheel en al aan Vitalis verbond en de heilige Basilius, Petrus van Alexandrië, Paulinus van Antiochië, de heilige Epiphanes en Diodorus van Tyrus van de gemeenschap der Kerk afsneed. De ingewikkelde tegenwerpingen van Timotheus en zijne zendelingen betrekkelijk het geloofspunt der menswording, verontrustten zo zeer het verstand, dat onderscheidene rechtzinnige mannen het grote geheim, zoals de Kerk het vaststelt, min of meer betwijfelden en overal twist en onrust ontstonden. In deze staat van zaken meende de heilige Basilius de geloofsbelijders te moeten inlichten, zoals hij werkelijk deed door de brief, van welke wij gesproken hebben; hierbij liet hij echter niet, maar schreef met die van het Oosten aan de bisschoppen van het Westen en vorderde de veroordeling van Apollinaris. Hij verkreeg hetgene hij verlangde en Baronius meent, dat de heilige Paus Damasus op zijnen aandrang, in het begin van het jaar 378, te Rome een concilie vergaderde, waarbij Petrus, insgelijks tegenwoordig was. Apollinaris en zijn leerling Timotheus werden van hunne waardigheid afgezet en van de gemeenschap der Kerk afgesneden, hunne ketterij werd veroordeeld en het verheven geloofspunt bekrachtigd; insgelijks werden Vitalis en zijne volgelingen in de ban gedaan. Dit was geenszins de enige zaak, welke aan de heilige Paus grote bekommeringen veroorzaakte; de geschillen tussen de Meletianen en Paulinianen, ofschoon beide partijen met de Kerk verenigd waren, deden insgelijks ene bittere scheuring vrezen. Deze geschillen kwamen voort uit misverstand. De heilige Athanasius had zich reeds moeite gegeven, om die zaak uit de weg te ruimen; het gold het woord “hypostasis,” hetwelk door beide partijen evenzeer in ene Katholieke zin verklaard werd; de Meletianen spraken van drie “hypostases”in de Godheid, anderen wilden er maar ene; zij, die van ene “hypostasis” spraken, namen dit woord in betekening van “wezen” of “zelfstandigheid,” de anderen, die drie “hypostases” wilden aangenomen hebben, namen het in betekenins van “persoon;” beide partijen verdedigden echter in de Godheid een Wezen in drie Personen. De heilige Hieronymus, die aan de zijde van Paulinus was, wilde zich evenwel met die woordentwist niet inlaten, niet tegenstaande de monniken der woestijn (Campenses) vorderden, dat hij in de twist over het woord “hypostasis” de Oosterse en bijgevolg de Meletiaansche partij kiezen zou; hij meende genoegzaam bewijs van zijne rechtzinnigheid gegeven te hebben, met zich aan de verklaring van de heilige Athanasius te hechten en antwoordde; dat wanneer men door dat woord “natuur,” “wezen” of “zelfstandigheid” verstond, er maar “één Wezen” in God was, doch wanneer men de Personen door verstond, er drie in onderscheidene Personen in de Godheid waren. Daar echter de monniken volstrekt wilden, dat hij het woord in de zin der Oostelijken zou gebruiken, werd Hieronymus wantrouwend en vreesde, dat er soms iets achter kon schuilen, omdat men dit in die streken, waar het Arianismus nog onlangs zovele wanorde had aangericht, zo hardnekkig bleef vorderen, daar Vitalis toen nog niet veroordeeld was. Schier moedeloos over alle twisten, die zijne gezondheid ondermijnden, wilde hij zich zekerheid verschaffen, raadpleegde de Heilige Stoel en schreef aan de heilige Damasus. Wij achten het niet te onpas ter versterking der gehechtheid van de Katholieken aan de zetel van de heilige Petrus, enige zinsneden uit deze brief andermaal te moeten mededelen, “In het Westen,” zo schrijft hij aan de heilige Paus, “ziet men het ongeschonden erfdeel der vaderen behouden blijven…., de zon der rechtvaardigheid oprijzen, terwijl de om zijne hovaardigheid gevallen Lucifer, hier in het Oosten, zijnen troon boven de sterren denkt te verheffen….. Dat de nijd moe wordt, dat de eerzucht van haren zetel neerdaalt; ik spreek tot de opvolger van de visser, tot de leerling van het kruis. Niemand boven Jezus Christus achtende of volgende, ben ik in gemeenschap met uwe heiligheid, dat is, ik ben met de Stoel van Petrus verenigd. Ik weet dat de Kerk op deze steenrots gebouwd is….. Vitalis ken ik niet; met Meletius houd ik geen gemeenschap; ik weet niets van Paulinus. Die met u niet vergader, verstrooit, dat wil zeggen, die aan Jezus Christus niet behoort, is ene prooi van de antichrist.” Vervolgens bericht de heilige Hieronymus de heilige Damasus, dat aanhangers der Arianen en andere rondzwervers van hem vorderen drie “hypostases” te erkennen, terwijl anderen slechts van ene “hypostasis” gewagen. Wij hebben reeds gezien hoe de ene en andere partij aan die woorden ene Katholieke verklaring gaf, doch men wilde de heilige noodzaken zich bij die van het Oosten te voegen en nu smeekt hij de heilige Vader hem door brieven te machtigen het woord al of niet te gebruiken. In ene andere brief aan de Paus, van wie hij nog geen antwoord ontvangen had, zegt hij: “Van de ene zijde woedt de boosheid der Arianen, die door de tijdelijke arm ondersteund worden, rondom mij, van de andere kant tracht elk der drie partijen, die de kerk van Antiochië verdelen, mij tot hare zijde over te halen…. ik houd evenwel niet op te roepen: Hij alleen is de mijne, die met de Stoel van Petrus verenigd is. Meletius, Vitalis en Paulinus verklaren, dat zij aan u gehecht zijn. Ik zou het geloven; wanneer één hunner dit zei; nu evenwel spreken twee hunner of alle drie onwaarheid.” Hij bezweert vervolgens de heilige Vader bij het kruis des Heren, hem te doen kennen met wie hij in Syrië kerkelijke gemeenschap moest houden. Ofschoon wij geen antwoord van Paus Damasus aantreffen, is het evenwel hoogst waarschijnlijk, dat de heilige Vader geantwoord heeft en de heilige Hieronymus drong om in gemeenschap met Paulinus te blijven of te treden.
In het jaar 378 keerde de patriarch Petrus naar Alexandrië terug, want keizer Valens was buiten staat om te beletten, dat de Katholieke bisschoppen weer bezit van de zetels namen, van welke zij verdreven waren; maar de heilige Damasus, die zich zo zeer verheugde, dat de andere prelaten hersteld waren, werd op zijnen zetel nog gestadig door de aanhangers van Ursinus verontrust. Behalve alle moeilijkheden, welke deze scheurmakers de heilige Vader van de eerste jaren van zijn pausschap berokkend hadden, had Ursinus, die in het jaar 371 van Valentiniaan vrijheid verkregen had, om te gaan waar hij wilde, mits zich niet in de aan Rome onderhorige gewesten ophoudende, de stoutheid gehad had om die keizerlijke gunst te misbruiken en schaamde zich niet om zich bij de Arianen te voegen, toen zij door ene verachtelijke samenspanning de kerk van Milaan bestookten, middelerwijl de heilige Ambrosius, die sedert het jaar 374 bisschop van die stad was, arbeidde om de ketterij te bestrijden en het geloof te bevestigen. Ursinus, die naar Milaan de wijk genomen had, vergaderde op ene bedekte wijze met deze gezworene vijanden van Jezus Christus, en daar hij hunne vergaderingen niet openlijk durfde bij te wonen, zond hij zijne aanhangers derwaarts en diende hen met zijnen raad, terwijl hij daarbij steeds de bijstand en bescherming van deze afschuwelijke ketters trachtte te winnen. Hij verenigde zich bijzonder met een zekere Valens, ingedrongen bisschop van Pettan in Pannonie, die beschuldigd was van zijne vaderland aan de vijanden overgeleverd te hebben. Hij stelde bovendien alle pogingen in het werk om Gratianus, die in het jaar 375 zijnen vader Valentiniaan op de troon van het Westelijke rijk gevolgd was, te misleiden; doch in plaats van iets te winnen, werd hij eindelijk op bevel van de keizer naar Keulen verbannen. Meermalen was hij onbeschaamd en stout genoeg de vorst door zijne zendingen lastig te vallen; Gratiaan verleende hem eindelijk gehoor, doch alleen om hem over te halen, dat hij zijnen aanhang zou verlaten en de partij, welker hoofd hij was, ontbinden.
Ursinus ziende, dat hij voor zich zelven gene gunst kon verwerven, begon er zich met meerdere wrok op toe te leggen, tenminste degenen, wiens plaats en waardigheid hij gemeend had te zullen bekleden, te verontrusten. Hiertoe bezigde zijne partij ene Jood, Isaak geheten, die na eerst de Godsdienst omhelst te hebben, dezelve weer verzaakt had en tot de synagoog teruggekeerd was. De scheurmakers stookten die verrader op, om de heilige Damasus te vervolgen en van ene schandelijke misdaad te beschuldigen. Het oogmerk der Ursinianen was om aan Damasus het gezag en de macht te ontnemen van over iemand oordeel uit te spreken, als zelf beschuldigd zijnde, doch Gratiaan wist al hunne listen te verijdelen, want nadat zij hun beroep op de keizer gedaan hadden, werd de onschuld van de heilige Paus erkend en zijne vlekkeloosheid verkreeg de welverdiende lofspraak; Isaac, die de misdrijven, van welke hij de heilige Damasus beschuldigd had, niet kon bewijzen, onderging ene welverdiende straf in ene verbanning naar ene uithoek van Spanje. De grote Paus, die in de vervolging nog eerbiedwaardiger geworden was, had nu, door de keizer gerechtvaardigd, van de zijde der mensen niets meer te vrezen; hij wilde evenwel in die uitspraak van de tijdelijke rechtbank, op welke hij zich niet beroepen had, niet berusten en achtte het ongenoegzaam voor het behoud van ene goede naam eens bisschops en hoofd der Kerk; hij vorderde, dat bisschoppen zijn gedrag onderzochten, en deze hadden van hem geleerd uiterst streng te zijn en zich nooit aan de uitspraken der tijdelijke rechtbanken te onderwerpen, ter zake van gedrag en zeden van de beschuldigde; want de grote Paus meende, dat, ofschoon het vonnis van de keizer en de zuiverheid van zijn geweten hem buiten alle gevaar van vervolging stelden, het evenwel ene vlek op de Godsdienstige levenswandel bleef, indien een beschuldiger de bedienaars van de Godsdienst van Jezus schandvlekte, wijl die aantijgingen altijd ene schijn van misdaad bleven behouden, zolang bisschoppen de gelasterde niet schuldeloos verklaarden. Ook dit geschiedde; voordat Gratiaan Theodosius tot de keizerlijke waardigheid verheven had, riep Damasus te Rome ene vergadering bijeen van onderscheidene bisschoppen uit alle delen van Italië, ten einde in zijne eigene rechtvaardiging te voorzien en om ene nieuwe woeling van Ursinus tegen te houden.
In het Oosten werd in het jaar 380 keizer Theodosius door de hand van de heilige Ascolus, aartsbisschop van Thessalonica, gedoopt en men meent, dat de vorst weinig tijd daarna, te weten op 28 Februari, ene wet deed afkondigen, waarbij bepaald werd, dat in het ganse rijk de geloofsbelijdenis van Nicea gevolgd zou worden; deze wet vaardigde hij uit met Gratiaan en de jonge Valentiniaan, keizers van het Westen, waarbij opgemerkt wordt, dat zij, die het geloof door Paus Damasus en Petrus van Alexandrië geleerd volgden, alleen als Katholieken te beschouwen waren; dat alle anderen als ketters of scheurmakers moesten aangemerkt worden. Deze wet zag niet zo zeer op de persoon van de heilige Damasus, als op de apostolische Stoel, welke hij bekleedde en welke men beschouwde als het middelpunt der eenheid van de Katholieke Kerk en de reinheid van het rechtzinnig geloof.
De heilige Damasus had meermalen aan de bisschoppen van Macedonië geschreven en hun op het hart gedrukt, dat zij op hunne hoede zouden zijn, dat men niets ten nadele der kerk van Konstantinopel deed. De heilige Gregorius van Nazianze was daar ijverig werkzaam om de Katholieke Kerk, door de Arianen nzo zeer vervolgd, te herstellen, ofschoon hij weigerde die zetel te beklimmen; doch de behoedzaamheid van de grote Paus kon niet beletten, dat Sommige bisschoppen van Egypte, door schandelijke vermetelheid aangevuurd, de Cynische Maximus tot bisschop wijdden en op de zetel van Konstantinopel indrongen; deze Maximus was te Alexandrië geboren, had in zijne jeugd de Christelijke Godsdienst omhelsd, doch zich weldra aan de Cynische wijsbegeerte toegewijd en ging als een Cyniker gekleed, droeg op hunne wijze een eigenaardige stok en lang veronachtzaamd hoofdhaar. Hij wist zijne rol ook in zijn afzichtelijk voorkomen zowel te spelen, dat de heilige Gregorius zich door die afschuwelijke mens liet misleiden. De deugniet had te Corinthe, onder voorwendsel van geestelijke oefeningen te houden, zich met enige werkloze vrouwlieden opgehouden en onder dezen gewoond; hij was in Egypte om ene schandelijke misdaad in het openbaar gegeseld en naar de woestijn van Oasis verbannen, alwaar hij gedurende de tijd van vier jaren verbleef; men beschuldigde hem insgelijks, dat hij de ketterij van Arius volgde. Nu kwam hij te Konstantinopel en wist de schijnheilige zo te spelen, dat hij de heilige Gregorius bedroog. Hij roemde er op, dat hij zijne moeder en zusters, die hij zei aan God toegeheiligde maagden te zijn, om God te beter de dienen verlaten had, en stelde roem op de zweepslagen en het ballingschap door hem verduurd, als ware hem deze ramp om zijne liefde en gehechtheid aan de Katholieke Godsdienst overkomen. De heilige Gregorius beschouwde en ontving hem als een belijder, die zijne kleine kudde zou vereren, want de heilige bisschop was eerst begonnen om de Katholieken van Konstantinopel in zijne Anastasia te vergaderen. Maximus gaf eerst alle blijken van ijver, zodat de heilige hem in zijn huis opnam, tot zijnen disgenoot maakte en hem zijn vertrouwen schonk; niet tevreden van hem in bijzondere bijeenkomsten lof toe te zwaaien, hield hij, ofschoon ziek, voor zijne kerk ene lofrede op hem. Ondertussen had Maximus het plan om de heilige Gregorius te onderkruipen en zich op de zetel van Konstantinopel in te dringen, reeds gevormd. Vol arglistigheid en hoogmoed, sloot hij zich aan een priester van die kerk aan, die eerst een vriend en later één der grootste vijanden van de heilige Gregorius was; beiden ontwierpen het snoodste plan en knoopten ene verbintenis met sommige Egyptenaren aan. Maximus deed zeven van hen, die in staat waren om zijne snode ontwerpen te ondersteunen en vervolgens twee bisschoppen, die de eerste afgezonden hadden, overkomen en dewijl hem nog geld ontbrak, zo wist hij een priester van het eiland Thassus, die te Konstantinopel gekomen was, ten einde marmer van Proconesus voor de opbouw zijner kerk te kopen, door alle vleiende woorden te misleiden, zodat deze hem de gelden gaf en zijne partij koos. De beide bisschoppen waren met voorkennis van Petrus van Alexandrië te Konstantinopel gekomen, maar het is onbekend door welke afschuwelijke kunstgrepen men die patriarch, deze anders zo bijzondere vriend van de grote Athanasius en Gregorius, had weten te misleiden, om de zijde van Maximus te kiezen. Het geld bezigde de goddeloze Maximus zelfs enigen, die anders zeer gehecht aan Gregorius schenen, om te kopen; hij deed de heilige voorkomen als ene hadden; daarenboven trok hij enig gepeupel en vooral ene menigte scheepsvolk aan zich, die hem in tijd van gevaar de behulpzame hand konden bieden. Men nam de ziekte van de heilige Gregorius te baat en zonder iemand te verwittigen, begaven beide Egyptische bisschoppen met hunnen aanhang zich des nachts naar ene kerk en begonnen de wijding van de Cyniker. Voordat evenwel de heiligschennis voltrokken was brak de dageraad aan; de geestelijken, die nabij de kerk woonden, vernamen het gebeurde, weldra verbreidde zich het gerucht er van door de stad, ene talrijke menigte, onder welke zich de stadvoogden bevonden, ijlden naar de kerk, de Egyptenaren werden gedwongen de tempel te verlaten, begaven zich in de woning van ene fluitspeler, voltrokken daar hunne heiligschennis en schoren de gewijde de lange haren af, welke hij tot nu toe behouden had. Verbittering wegens dit bestaan vervulde gans Konstantinopel; weldra werden alle vroegere misdaden van Maximus algemeen ruchtbaar, hij werd met scheldwoorden en vervloekingen overladen en uit de stad gedreven. De onbeschaamde ging, vergezeld van de bisschoppen, welke hem hunne heiligschennende handen opgelegd hadden, naar keizer Theodosius, die te Thessalonica was en zij verzochten zijne bescherming en gezag om Maximus op de zetel van Konstantinopel te plaatsen en te handhaven, doch de vorst verwierp met de grootste verontwaardiging dat verzoek; de heilige Ascolus en vijf andere Macedonische bisschoppen berichtten vervolgens de Paus Damasus de gehele toedracht der zaak. De heilige Damasus betuigde in zijn antwoord, dat hij over de vermetelheid der Egyptenaren levendig getroffen was, wijl zij hadden durven ondernemen aan een man de handen op te leggen en te zalven, die men nauwelijks als Christen kon erkennen, en voegde er bij: “Daar ik vernomen heb, dat men weldra te Konstantinopel een concilie zal vergaderen, bericht ik u, dat gij, om de vrede onder de Katholieken te bevestigen, ene bisschop van onbesproken zeden verkiest en niet duldt, dat tegen de instellingen der ouden een bisschop van de ene tot de andere stad overga.” Door de keizer verdreven, begaf Maximus zich naar Alexandrië en na door grof geld enige landlopers aan zich verbonden te hebben, bedreigde hij de patriarch Petrus van hem uit Alexandrië te verdrijven, indien hij hem niet op de zetel van Konstantinopel trachtte te plaatsen; maar de landvoogd van Egypte, voor de schadelijke gevolgen van deze oproerling bevreesd, verdreef de rampzalige Maximus insgelijks uit de stad.
In het jaar 381 werd de tweede algemene kerkvergadering te Konstantinopel gehouden. Wij zien evenwel niet, dat de heilige Damasus daarbij enig gezant gehad heeft, ofschoon de heilige Vader reeds het jaar te voren bericht had, dat men voornemens was het concilie bijeen te roepen. Nectarius werd daar tot bisschop van Konstantinopel verkozen en men verzekert, dat keizer Theodosius de heilige Damasus verzocht, om die keuze te bekrachtigen. In hetzelfde jaar hield de Westerse kerk een ander conccilie te Aquilea en bij de andere zaken van aanbelang, welke men behandelde, waren er, die meer bepaald de heilige Paus Damasus betroffen. Ursinus, die te Keulen verbannen was, hield evenwel niet op Rome door zijne brieven te verontrusten, zowel als door de opruiingen van een zekere Pascasinus. Deze rampzalige stelde alle pogingen in het werk, om de heidenen en het gemeen tot opstand aan te zetten. Hij durfde bovendien aan keizer Gratiaan zaken voor te dragen, die voor een bisschop schandelijk en voor een keizer smadelijk om aan te horen waren. Deze woorden van het concilie schijnen bedektelijk te slaan op de beschuldiging van overspel, tegen Damasus ingebracht door de diakens Concordius en Callistus, welke terecht als aanhangers van Ursinus kunnen beschouwd worden. Valeriaan, de stadvoogd van Rome, zond keizer Gratiaan van het voorgevallene een juist bericht en men wachtte niet zonder grote bekommering de uitslag van deze nauwkeurige vertogen af; zelfs de bisschoppen, die zich te Rome bevonden, meenden wegens de moeilijkheden, welke men het hoofd der Kerk berokkende, hunne rust verloren te hebben. Ursinus, die van de wanorde, welke heerste en die hij zelf veroorzaakt had, voor zich partij wist te trekken, ofschoon reeds meermalen verworpen, hield niet op de keizer gestadig lastig te vallen en durfde zich laten voorstaan, dat het hem toch eindelijk zou gelukken niet alleen uit zijne ballingschap teruggeroepen te worden, maar in plaats van de heilige Damasus, de Stoel van de heilige Petrus te beklimmen.
De te Aquilea vergaderde vaders oordeelden derhalve, dat de zaak van te groot gewicht was om er de keizer geen bericht van te geven, en hem niet te bidden van toch geen acht te slaan op de onbeschaamdheid van Ursinus, die zich niet ontzag om Rome in gestadige onrust te houden, onder bijvoeging, dat zij nooit kerkelijke gemeenschap konden met een man, die zich ene waardigheid, welke hem niet toekwam, wilde aanmatigen en zich om de rampen, die hij veroorzaakt had, uiterst hatelijk gemaakt had, terwijl hij daarenboven met de Arianen te Milaan ene lijn tegen die kerk trok. De bisschoppen verklaarden in hunne schrijven aan de vorst, dat die omstandigheid hun meer smart en onrust veroorzaakte dan de Arianen, wijl de gedragingen van de schadelijke Ursinus in staat waren om de ganse Kerk te verontrusten. Wij kennen het antwoord des keizers op de berichten der bisschoppen niet, maar weten toch, dat de heilige Damasus, die zo om zijne deugden als om zijne verhevene waardigheid als Stedehouder van Jezus Christus zo zeer vereerd werd, voortaan rustig en vreedzaam bezitter bleef van de Stoel van de heilige Petrus, op welke hij geplaatst was; de Pontificalen verzekeren, dat de beschuldigingen, welke men tegen de heilige Vader had durven verspreiden, voor een concilie van vierenveertig bisschoppen gebracht werden, dat deze prelaten de heilige onschuldig verklaarden en de beide diakens Concordius en Callistus veroordeelden en van de kerkelijke gemeenschap afsneden.
Door bewerking van de heilige Ambrosius, aartsbisschop van Milaan, had Paus Damasus op het het einde van het jaar 383 weer te Rome een concilie vergaderd, hetwelk bijna als een algemeen concilie mag worden aangezien; de vrome Paulinus van Antiochië en de heilige Epiphanius van Salamina verschenen daar en werden begeleid door de heilige Hieronymus. De beide bisschoppen, die de winter te Rome doorgebracht hadden, keerden het volgende jaar naar het Oosten terug, doch de heilige Damasus hield de grote Hieronymus bij zich. Zij waren reeds door hartelijke vriendschap aan elkander verbonden en de grote heilige ondersteunde de Paus door zijnen raad en zijne schriften, in de zorg voor het heil der Kerk. De heilige Vader bediende zich van deze kerkleraar om op de voorstellen en vragen te antwoorden, welke hem door verschillende kerken gedaan werden en deed hem in het concilie, hetwelk in hetzelfde jaar gehouden werd, ene geloofsbelijdenis opstellen, die zij, welke tot de Katholieke Kerk terugkeerden, te ondertekenen hadden. Hij had het grootste genoegen in het verkeer met de heilige Hieronymus en zij onderhielden zich zowel schriftelijk als mondeling over de ware zin der Heilige Schrift. De heilige Damasus las met het grootste genoegen de voortbrengselen der pen van de grote heilige en vervaardigde er zelfs afschriften van, wijl hij vreesde, dat anders de werken van de leraar verloren zouden gaan en moedigde zelfs de heilige Hieronymus tot schriftarbeid aan. De Paus verzocht hem om ene verklaring der gelijkenis van de verloren zoon en de Latijnse vertaling van het Nieuwe Testament nauwkeurig na te zien en te verbeteren, en men meent, dat die leraar der Kerk de Latijnse vertaling van de psalmen volgens de zeventig overzetters insgelijks te Rome verbeterde. Men meent dat de brief, welke wij van de heilige Paus aan de heilige Hieronymus bezitten, in het jaar 384, het laatste levensjaar van de Paus, geschreven is; in dezen vraagt hij hem om zijne verklaring over verschillende moeilijke punten, welke in de Heilige Schrift worden aangetroffen. Wij zien daaruit, dat hij al wat Hieronymus geschreven had, met bijzondere gretigheid las en deed overschrijven. Op aanraden van deze heilige las hij insgelijks de schriften van Lactantius, doch vond in deze geen grote smaak, wijl dezelve te uitgebreid waren en meestal over ongewijde zaken handelde; de grote Paus drong insgelijks bij de heilige Hieronymus aan, om het boek van Didymus over de Heilige Geest en de beide homilieën van Origenes over het Gezang der gezangen in het Latijn over te brengen. De grote kerkleraar heeft de heilige Damasus in de rij der kerkelijke schrijvers gerangschikt, wegens onderscheidene kleine werken in verzen, want hij schijnt een beminnaar der dichtkunde geweest te zijn; zo schreef hij over de maagdelijke staat in verzen en proza, doch die stukken zijn verloren gegaan; hij vervaardigde insgelijks enige grafschriften, welke zijnen naam dragen en die wij bij Baronius, welke die met zorg bijeen verzamelde, aangehaald vinden. Men vindt van hem nog enige brieven, die voor de Kerk van belang zijn en deze overtuigen ons, dat de tachtigjarige grijsaard, ofschoon met de grootste zorgen overladen, altijd een opgeruimde en levende geest had, die voor oprechte vriendschap vatbaar was. Overigens, ofschoon door zijne vijanden steeds vervolgd en gelasterd, noemt de heilige Hieronymus hem een voortreffelijk man, die een diepe kennis der Heilige Schrift bezat, een allerreinste en maagdelijke leraar in de maagdelijke Kerk, en de bisschoppen van het Oosten rekenden het zich tot roem, de voorbeelden van Damasus, zowel als die van Basilius, Athanasius en andere vaders, die door hunne geleerdheid schitterden, na te volgen; terwijl Theodoretus van hem verklaart, dat hij zich door zijnen Godsdienstige levenswandel onsterfelijk gemaakt heeft en een vurige ijver aan de dag legde om overal het geloof te verbreiden, en men hem terecht als een onvermoeid verdediger en beschermer van de Apostolische Kerk beschouwt en vereert.
De heilige Damasus ontsliep op 10 of 11 December 384, in tachtigjarige ouderdom; achttien jaren en twee maanden had hij de Stoel van de heilige Petrus door zijne deugden, geleerdheid en onwrikbare kloekmoedigheid versierd; het Pontificaal, dat in de boekverzameling van het Vaticaan gevonden wordt, zegt van hem, dat hij, brandende van verlangen om met Jezus Christus verenigd te worden, door ene koorts aangetast werd en nadat hij dec aanbiddelijke geheimen van Jezus Vlees en Bloed ontvangen had, onder vurig gebed, met oog en handen ten hemel opgeheven, zijne reine ziel aan de Vader der barmhartigheid overgaf. Volgens Anastasius werd hij in ene kerk begraven, welke hij op de catacomben had doen bouwen, naast zijne moeder en zuster, waarom deze plaats meermalen het kerkhof van Damasus genoemd wordt; het maakt een gedeelte uit van dat van Calixtus; later werden die graven ontdekt. De Paus liet de kerk van de heilige Laurentius, bij de schouwburg van Pompejus gelegen en welke zijn vader en hij bediend hadden, herbouwen of tenminste hernieuwen; deze kerk draagt de naam van Damasus en Laurentius, of gewoonlijk die van de heilige Laurentius in Damaso. Baronius zegt ons, dat de Heer door zijne heilige, in diens leven en na zijnen dood, onderscheidene mirakelen wrochtte. De ganse Kerk vereert zijne nagedachtenis; in de oudste martelaarsboeken vindt men zijnen naam op 10 vermeld, terwijl anderen die op 11 December geplaatst hebben.
12 December (1 April)
De heilige Walaricus (zesde en zevende eeuw).
Abt in Picardie
De levensgeschiedenis van de heilige Walaricus werd opgesteld door Ragimbertus of Raimbertus, die na de heilige Blimond, leerling en opvolger des heiligen, abt van het klooster werd. Vierhonderd jaren later, te weten in de elfde eeuw, werd die geschiedenis door ene ongenoemde kloosterling herzien en verbeterd; Don Mabillon en Henschenius hebben deze met hunne aanmerkingen verrijkt, de eerste in de akten der Benedictijnen over de tweede eeuw van die orde, de andere bij de akten voor de eerste April; beiden hebben de geschiedenis van het vervoer der overblijfselen des heiligen daarbij gevoegd, doch Mabillon stelde die voor de vijfde eeuw der Benedictijnen op. Vader le Cointe in zijne kerkelijke jaarboeken van Frankrijk en Bulteau in zijne geschiedenis der Franse Benedictijnen, dienen evenzeer tot leidraad.
De heilige Walaricus, ook Gualaricus geheten; werd omtrent het midden der zesde eeuw in Auvergne geboren. Zonder het voorrecht te bezitten van ene hoge geboorte of een rijk vermogen, waarop de wereldlingen zoveel prijs op stellen, was het kind, hetgeen meer zegt dan alle tijdelijke grootheid, een lieveling des Heren, een kind van genade, door God tot verhevene bestemming voorbeschikt. De jeugdige Walaricus bracht zijne eerste jaren met het hoeden van de kudde zijns vaders door. Met zijne jaren vermeerderde in hem de zucht om te leren en hij verzocht een onderwijzer, om hem een alfabet af te tekenen en de namen der letters voor te zeggen. Met dit enige hulpmiddel, door de bijstand des Heren ondersteund, leerde hij in weinig tijd lezen en al de psalmen van buiten opzeggen. Deze heilige oefening gaf hem gelegenheid, om meermalen de kerken te bezoeken en bij de koorzang tegenwoordig te zijn. Door de harmonie van het Goddelijk psalmgezang getroffen, werd zijn Godsdienstig gevoel nog meer aangedaan door de schone en verheven inhoud der psalmen, en het verlangen om zich uitsluitend de Heer toe te wijden en Gods gestadige lof te zingen, werd in hem ene onweerstaanbare neiging. Deze inwendige gemoedsbeweging deed hem tot de kloosterlijke staat overhellen en nu herinnerde hij zich ene oom van moederszijde, Autumon of Antoon geheten en ging deze opzoeken, ten einde zijn voordeel te volgen. Zijn vader, die zich zijne dienst niet wilde ontzeggen, meende zijne oogmerken te moeten tegenwerken; hij vervoegde zich bij de abt en stelde aan deze en al de kloosterbroeders voor, hoe ongepast en onvoegzaam voor zijne belangen de keuze van Walaricus was en wist hen in zijn belang te trekken, zodat zij geruime tijd de aanzoeken van de jongeling verwierpen. De vader bezigde eerst vleierij, vervolgens bedreigingen en ging eindelijk tot mishandelingen over, zodat men de jongeling soms twee of drie achtereenvolgende dagen voedsel en andere noodzakelijke behoeften onthield, doch niets was in staat de moedige Walaricus van besluit te doen veranderen. De abt, door de volharding van de jongeling overwonnen, meende voldoende bewijzen van de echtheid van zijne roeping te bespeuren, nam hem derhalve met toestemming van alle kloosterlingen van Autun op en gaf hem in tegenwoordigheid van zijnen vader, welke men ontboden had en zonder wien men niets wilde verrichten, de kruinschering.
De genade van de kloosterlijke staat, welke hij nu omhelsd had, bracht weldra in Walaricus de schoonste vruchten voort. Men merkte in hem ware ootmoedigheid op; deze deugd deed hem aan elke onderdanig en nauwgezet in elke plichtsbetrachting zijn, hij had een groot mistrouwen van zich zelven en vandaar dan ook zijne zorg om reinheid van geest en hart te onderhouden en te bewaren; hij was oprecht, geduldig en uiterst voorzichtig, en ijverde steeds voor de eer van God en versterkte zijnen geest door een gestadige en vurig gebed. Hij was werkzaam om door aanhoudende strenge boetoefeningen, zijnen geest door vernederingen, zijn vlees door vasten en waken te versterven. Op deze wijze was Walaricus steeds het toonbeeld van alle kloosterlijke deugden voor zijne medebroeders, die hem hartelijk genegen waren en zijne uitmuntende hoedanigheden wisten op prijs te stellen. Doch de levendige zucht naar grotere volmaaktheid vuurde hem om zijn vaderland te verlaten en ene strengere afzondering te kiezen. Omtrent het jaar 590 begaf hij zich derhalve naar Auxerre en werd door de heilige bisschop Macharius met de meeste genegenheid en liefde ontvangen; deze veroorloofde hem aanstonds om zich in de abdij van de heilige Germanus te vestigen. In deze plaats van afzondering zag hij de verhevenste voorbeelden van zelfverloochening en deugd, maar weldra overtrof hij allen, aan welke hij zich tot nu toe spiegelde. Hij was gelukkig genoeg om een aanzienlijk man, Bobon geheten, op het pad der deugd terug te brengen en beiden begaven zich omtrent het jaar 595 naar Luxeu, een klooster op de uiterste grenzen van Bourgonje gelegen, hetwelk zeer beroemd was en waarin de heilige Columbanus, die daarvan de stichter was, meer dan tweehonderd leerlingen opleidde; de heilige Walaricus vond daar alles wat zijne nederigheid verlangde; hij werd als nieuweling opgenomen en tot het bearbeiden van de tuin bestemd. De verhevenheid van zijne deugd bleef nochtans niet lang voor het scherpziende oog van de heilige Columbanus verborgen, en nauwelijks kende deze de verdiensten van de nieuwe kloosterling, of hij stelde hem onder de voornaamsten van het klooster; de andere kloosterlingen, welke de rede dezer belangstelling niet konden doorgronden, stonden zeer verbaasd, doch zij berustten als vrome religieuzen in de beschikking van de heilige Colombanus, hunnen algemene leermeester. Deze zag zich enige jaren later gedrongen Luxen te verlaten, want hij werd uit de staten van Bourgonje door koning Diederik en diens grootmoeder Brunechildis verdreven, om de volgende redenen. Childebertus, koning van Austrasie, die van zijn oom Gontran het koninkrijk Bourgonje tot erfdeel verkreeg, had, toen hij stierf, twee nog zeer jonge zonen onder de voogdijschap van zijne moeder Brunehildis achtergelaten. Theodebert, de oudste, regeerde in Austrasie en Diederik in Bourgonje. Deze betuigde zijne blijdschap van de heilige Colombanus in zijne staten te bezitten en ging hem meermalen te Luxen te bezoeken, als wanneer hij zich met de meeste gehechtheid voor zijn persoon, aan de gebeden van de heiligen abt aanbeval, want hij vereerde hem als een veelvermogend voorspreker bij de Heer; meermalen verscheen de heilige aan het hof, om de vorst zijnen raad mede te delen op deze wijze verkreeg de abt van Luxen grote invloed op het hart en de geest des vorsten, maar het duurde niet lang of Colombanus kwam steeds met een ernstiger gelaat en met bestraffender blik voor de koning; sedert enige tijd trouwens leidde de monarch een losbandig leven, onderhield enige voorwerpen van ontucht en had reeds menig onwettig kind uit deze misdadige omgang geteeld. Colombanus, die hem vroeger door zachtzinnigheid had trachten te winnen, begon nu in strenge uitdrukkingen zijne afschuwelijkheden te berispen, toonde hem de vreselijke straffen, de ontuchtige reeds in dit leven voorbereid, drong hem met ijver om zowel voor zijn waar geluk als ter bevestiging van zijnen troon, zich ene echte vrouw te kiezen en de andere voorwerpen van zijne onkuise gelegenheden te verwijderen. Diederil beloofde steeds de vermaningen van de heilige te volgen, doch nauwelijks was Colombanus weer vertrokken, of hij vergat zijne belofte gestand te doen. Diederik zou misschien zijne beloften gehouden hebben, wanneer hij niet door zijne grootmoeder Brunehildis teruggehouden ware geworden; deze vrouw meende, dat zij alsdan al haar gezag op haren kleinzoon, die zij naar hare hand stelde, verliezen zou. Colombanus, wegens het belang van zijn klooster verplicht de vorst te spreken, verscheen op een zekere dag aan het hof en nu stelde ’s konings grootmoeder hem de onwettige kinderen van de rampzalige vorst voor; de heilige vroeg haar wie deze kinderen toebehoorden; “het zijn de kinderen van de koning, zei zij, geef deze uwen zegen.” In plaats van aan de wens der vorstin te beantwoorden, zei de onversaagde kloosterling, dat deze kinderen, de vrucht van misdadige levenswandel, nooit gelukkig zouden zijn, noch ik Gallië ooit zouden heersen. Deze woorden, welke door de toon en de profetische blik des heiligen nog meer kracht hadden, waren een dolksteek in het hart van de grootmoeder; zij begon nu meer de heilige abt te haten en zocht naar middelen, om zich van deze strenge zedenmeester te ontdoen. Diederik was driftig van aard en gehecht aan zijne grootmoeder; deze wist hem zo zeer tegen de heilige Colombanus op te zetten, dat de vorst zich uit wraak alle vervolgingen tegen de abt van Luxeu en diens monniken veroorloofde, zodat hij hem eindelijk uit zijne staten verdreef; de vervolging strekte zich insgelijks uit tot zijne leerlingen; sommigen vluchtten naar Austrasie bij koning Theodebertus, anderen vestigden zich aan de boven-Rijn, maar Walaricus, die het besluit genomen had alles te verduren, bleef met Waldolinus aan de voornaamste leerlingen van de heilige Colombanus, te Luxen. Hij kon wel niet beletten, dat de beambten van Diederik zich hier gewelddadige afpersingen veroorloofden, doch hij had moed en macht genoeg om enige veehoeders en rovers, die hun hetgene nog overgebleven was meenden te ontnemen, te verdrijven. De heilige Colombanus, die zich op het grondgebied van de kleine stad Bregenz, aan de overzijde van het meer van Constans, ophield, zond de heilige Eustatius, die hem gevolgd was, naar Luxen terug, ten einde deze abdij te besturen en hij zelf begaf zich naar Italië. Eustatius kwam nog tijdig genoeg om een rechtsgeding te vernietigen, waarin enige wereldsgezinden het klooster gewikkeld hadden en waarbij de abdij met gehele vernietiging bedreigd werd. Hij nam de heilige Walaricus met zich en zij begaven zich naar die personen, en wisten door hunne zachtheid en bewijsgronden zoveel te verwerven, dat men aan het klooster weldra al het geroofde terug gaf.
Enige tijd daarna, in het jaar 612, werd Diederik, de vervolger van de heilige Colombanus en de kloosterlingen van Luxen, door de dood overvallen, na eerst nog zijn broeder Theodebert overwonnen en om hals gebracht en gans Austrasie overmeesterd te hebben. Clotarius II, die in Neustrasia of west-Frankrijk heerste, na twee zonen van Diederik omgebracht, de beide anderen tot de regering onbevoegd verklaard en Brunehildis het schrikkelijkste lot aangedaan te hebben, verenigde nu de drie koninkrijken onder zijnen scepter en zodra zag hij zich niet in het rustige bezit van deze gewesten, of zijne zorgen bepaalden zich vooral om de heilige Colombanus, die zich in Italië ophield, terug te roepen. De vorst zond hem de heilige Eustasius, abt van Luxeu en de heilige Walaricus werd gedurende de afwezigheid van deze heilige met het bestuur der abdij belast. De heilige Eustatius kon de heilige Colombanus niet bewegen om terug te keren, daar deze heilige zich op de grenzen van het Milanese in het klooster Bobbio, hetwelk de koning en koningin van Lombardije hadden doen bouwen, gevestigd had. Eustatius, begeleid door Waldolen, religieus van Luxeu, keerde nu naar Frankrijk terug. Waldolen had voor zijn vertrek van Colombanus de toestemming gevraagd en verkregen om met de heilige Walaricus in de provinciën het geloof te verkondigen. De heilige stichter van Luxeu onderrichtte evenwel eerst Waldolen van het grote geschenk, dat hij hem in de heilige Walaricus gaf. De heilige Eustatius gaf bericht van zijne zending aan Clotarius en was nauwelijks te Luxeu teruggekeerd, of de heilige Wallaricus en Waldolen begaven zich op weg om in onderscheidene gewesten van het rijk het Evangelie te verkondigen. Zij gingen naar Neustrie, begroetten koning Clotaris en verzochten van hem ene plaats op de uiterste grenzen van Amiens, waar zij zich zouden mogen vestigen; de vorst schonk hun de goederen van Leuconay, aan de mond van de Somme, in het landschap Vimen in Ponthien. Hier vestigden zij zich met toestemming van Bercaud of Berhard, bisschop van Amiens en bouwden er ene kapel en twee cellen. De ijverige dienaren des Heren begonnen nu het grote werk, waartoe zij zich bestemd hadden; een groot getal heidenen, die zich in die streken verspreid hadden, bekeerden zich tot de Heer; zij konden trouwens aan het woord, dat zij hoorden en de voorbeelden, van welke zij getuigen waren, niet langer weerstaan; de genade des Heren werkte op hunne harten en de naam van Jezus, door de beide zendelingen verkondigd, werd nu door de afgodische volken vereerd. Men zag de afgodsbeelden neerstorten en de reine offerande van de nieuwe wet verving de onreine en goddeloze plechtigheden, welke men tot nu toe aan Satan had opgedragen. De strenge en voorbeeldeloze levenswijze der beide mannen maakte dat onderscheidene personen zich aan hunne leiding toevertrouwden, en weldra nam het getal hunner leerlingen zo toe, dat zij zich gedwongen zagen nieuwe cellen rondom de kapel te stichten. De heilige Walaricus was gedurende geruime tijd werkzaam om zielen voor God te winnen, totdat hij zich eindelijk als in zijne cel opsloot, om een geheel afgetrokken leven te leiden. Hij beoefende ene strenge boetvaardigheid, vastte meermalen enige achtereenvolgende dagen, somwijlen ene ganse week, wanneer hij slechts des Zondags enig voedsel genoot; zijne legerstede bestond in enige takken, welke hij op de grond neerlegde; de tijd, welke hem van zijnen arbeid voor het zielenheil zijns naasten overbleef, bracht hij in het gebed, de overweging der eeuwige waarheden en handwerk door; het bedrag van zijn werk stortte hij in de schoot der armen en drukte zijnen leerlingen zijne spreuk op het hart; “Hoe meer wij de behoeftige schenken, zoveel te meer verdienen wij, dat God ons doet geven wat wij van Hem vragen.” Zijne levensbeschrijvers verklaren, dat de Heer zijnen dienaar met de gave van mirakelen en voorzegging begunstigde; zelfs verzekert men, dat hij de harten doorgrondde en hem menigmaal geheime gedachten en inzichten veropenbaard werden.
De heilige Walaricus ontsliep op Zondag 12 December in het jaar 622; de Kerk viert zijne gedachtenis insgelijks op 1 April, op welke dag zijn naam in het Ro0oms Martelaarsboek staat aangetekend en waarop zijne overblijfselen wellicht zijn vervoerd.
Het lichaam van de heilige werd, volgens zijn verlangen, op de top van ene berg, onder één met struiken omgeven boom begraven, anderhalf uur van zijne cel gelegen, wijl hij de gewoonte had van hier zijne gebeden te storten. Het gerucht van de mirakelen, welke de Heer bij dat graf wrochtte, verbreidde zich tot in Italië en bewoog de heilige Blimond, één zijner leerlingen, maar die thans in het klooster Bobbio onder de leiding van de heilige Attalus, opvolger van de heilige Colombanus, leefde, om naar Ponthiem terug te keren en de verering, welke men aan de nagedachtenis van de heilige Walaricus wijdde, te verbreiden. Hij verkreeg van Clotaris II en de bisschop Bochardus van Amiens vrijheid en ondersteuning, om op de plaats, door zijne deugden geheiligd, een regelmatig klooster te bouwen; na abt van het gesticht geworden te zijn, liet hij het lichaam in de nieuwe kerk overbrengen. Op de berg werd ene kapel gesticht, welke door vrome bedevaartgangers en zeelieden bezocht werd. Later werd bij de abdij ene stad gebouwd, die onder de naam van Saint-Valery-sur-Somme bekend is.
13 December
De heilige Lucia (304).
Maagd en Martelares.
De levensgeschiedenis der heilige Lucia dient vooral door het jeugdige vrouwelijk geslacht en door de huismoeders overwogen te worden, ofschoon slechts een gering getal harer schijnen geroepen te zijn, om evenals de heilige Lucia, de Evangelische volmaaktheden te beoefenen en de offerande na te volgen, welke zij de Heer in haar bloed opdroeg. Onze eeuw is betrekkelijk de belangen van het andere leven al te onverschillig, om bloedige offers te vorderen. Doch waarom moeten wij in de menselijke samenleving getuigen zijn van zovele schandelijke verergernissen, verbreking van trouw, van wraakneming, die zelfs onder het jeugdige geslacht gevonden worden en de misdaden doen vermenigvuldigen? wijl men weinige moeders aantreft, die aan hare dochters heilige voorbeelden, nuttige onderrichtingen geven. Wat kan men van jonge maagden verwachten, die de tijd slijten met het lezen van romans, het bezoeken der schouwburgen, het beminnen der ijdelheden, welke hare inbeelding vervullen? Opgekweekt in beuzelingen, kennen zij geen ander vermaak als verstrooiing, gene andere bezigheid als zich op te tooien en dus leeg aan de deugd en Godsdienstmin, verkeren zij in ene wereld, welke hare rust, onschuld en eer belaagt en van het schoonste sieraad ener maagd berooft. O mocht menig Godsdienstig moeder aan Eutychia gelijk zijn, wij behoefden dan aan de opvolgsters van de heilige Lucia niet te twijfelen, die even als deze heilige maagd, door hare volmaakte deugden de wereld zouden verstommen en beschaamd doen staan.
Ofschoon de akten, welke het leven en de marteldood van de heilige Lucia vermelden, zeer oud zijn, daar de heilige Adhelmus, bisschop van Shaborn, die in het jaar 709 in de Heer ontsliep, die aanvoert en ze in het licht gaf, zijn evenwel de geschiedschrijvers onderling omtrent derzelver echtheid verdeeld. Men moet deze vergelijken met de oprechte akten van de heilige maagd en marteldood Lucia, uit de beste Griekse verzameling bijeengebracht en opgehelderd door Joannes de Jeanne Tauromenitani, kanunnik te Palermo, na diens dood in het jaar 1661 in het licht verschenen en in 1758 te Palermo opnieuw uitgegeven. Hoe streng intussen de oordeelvellingen zijn mogen, het blijft immer ontegensprekelijk, dat de verering van de heilige Lucia en het algemeen gevoelen omtrent haar geloof en hare deugden op hechte grondslagen rusten, wijl men haren naam ziet prijken onder de voornaamste heiligen der eerste eeuwen en in de Canon der Mis, een stuk van de eerste oudheid, vindt opgetekend.
De heilige Lucia, wier gedachtenis de Kerk op deze dag vereert, is ene van de heilige martelaressen, voor welke zij ene bijzondere hoogachting betoont, wijl zij wil, dat haar naam dagelijks in de Canon der Mis herinnerd worde. Zij verdient van ons met grote eerbied vereerd te worden, wijl zij aan de heilige bloedgetuigen, zoals hare akten en het kerkelijk officie getuigen, ene diepe verering toedroeg.
Lucia werd te Syracuse, vroeger de aanzienlijkste stad van Sicilië, geboren; zij stamde af van een vermogend en doorluchtig geslacht, doch was nog aanzienlijker en edeler, omdat zij Christen was en van hare kindsheid God diende. Haar vader werd haar, toen zij nog kind was, door de dood ontrukt, doch Eutychia, de moeder van deze lieveling van de hemelse Bruidegom, verzuimde niets, om in hare dochter de warmste gevoelens van ware Godsvrucht aan te kweken en men zag reeds deze eerste zaden, in haar hart zo zorgvuldig uitgestort, vroegtijdig tot rijpheid kiemen, terwijl men bij haar alle deugden als de schoonste vruchten van Gods genade bewonderde, want Lucia had gene andere neiging als tot de deugd, zodat zij reeds van hare tederste jaren besloot zich in maagdelijke reinheid de Heer op te dragen. Zij hield hare gelofte in haar hart verborgen, ofschoon zij wist, dat hare moeder haar wilde verloven. Zij had zich niet tevergeefs aan de bescherming van haren hemelse Bruidegom aanbevolen, want hare moeder werd door ene sterke bloedvloeiing gedurende vier jaren gekweld. De heilige beschouwde deze bezoeking des Heren, welke hare moeder trof, als een gunstig middel om de voornemens, welke men omtrent haar had, te verijdelen, en in de daad men sprak haar niet meer over de verloving, wijl Eutychia in de omgang met hare dochter en in hare tedere zorgvuldigheid de grootste troost smaakte. De geneeskundige hulp werd tevergeefs aangewend, doch Lucia, bezorgd en bedroefd, omdat zij hare moeder in lijden zag, wat haar reeds aan de rand des grafs bracht, gevoelde haar geloof en betrouwen op de voorspraak van Gods vrienden aangevuurd. Zij wist Eutychia te overreden, om met haar naar Catana te reizen en daar bij het graf van de heilige Agatha, maagd en martelares, hare genezing af te bidden. Lucia droeg deze heilige bruid van Jezus, die voor haren Goddelijke Bruidegom, onder de verschrikkelijkste folteringen, haar leven gegeven had ene bijzondere Godsvrucht toe en zij vertrouwde, dat Agatha de ootmoedige Verzuchtingen, welke zij voor het behoud van hare moeder opzond, niet zou versmaden.
Lucia had niet tevergeefs hare toevlucht tot de heilige Agatha genomen; zij verwierf meer dan zij vroeg, want terwijl zij bij het graf der heilige met tranen bad, bleek het dat de martelares in Lucia de vurige liefde eerbiedigde, welke haar hart voor haren Goddelijke Bruidegom ontvlamde en dat zij erkende, hoe krachtvol hare gebeden bij God waren. Het kerkelijk officie bericht ons, op getuigenis der akten, dat de heilige Agatha haar verscheen en vroeg waarom zij voor hare moeder hare voorspraak inriep, wijl zij zelve de gunst, die zij verzocht, kon verweven; zij voorspelde haar, dat zij weldra zeer vermaard zou zijn in Syracuse en tot bewijs der waarheid van deze voorspelling, genas zij ogenblikkelijk hare moeder.
De jeugdige maagd was opgetogen van blijdschap en dankbaarheid, en slechts bezorgd om daarvan overtuigende blijken te geven; hare vindingrijke liefde gaf haar daartoe weldra het middel aan de hand en daar zij zag, dat hare moeder schier buiten zich zelve van vreugd was, wegens de plotselinge genezing van ene kwaal, aan welker herstel men met rede gewanhoopt had, smeekte Lucia haar van toch niet meer van ene verbintenis met haar te spreken en ontdekte haar besluit, om zich geheel en al aan God toe te wijden en hare goederen aan de armen te geven, in welk één en ander Eutychia toestemde. Lucia verkocht weldra die goederen, over welke zij kon beschikken en stortte het bedrag daarvan in de schoot der behoeftigen. Deze daad gaf aanleiding tot de strijd, welke zij weldra voor Jezus Christus te verduren had; want de jongeling, voor welke zij scheen bestemd geweest te zijn en die heiden was, ziende dat zij al het hare verkocht en vervreemde, werd zeer vergramd, omdat hij zich schier meester over haar en hare waande, en klaagde haar als ene ware Christin bij de rechter Paschasius aan.
Tevergeefs stelde Paschasius pogingen in het werk om de heilige Lucia te doen wankelen; vleierijen noch bedreigingen konden de standvastigheid van deze maagd doen wankelen; welke verwijtingen hij haar ook deed, niets was in staat haar van haren Goddelijke Bruidegom af te trekken. Toen de rechter zag, dat hij op haar niets vermocht, wilde hij haar in een huis van ontucht doen schenden; doch Lucia zei: “Wanneer gij tegen mijnen wil mijne reinheid laat schenden, zal mijne overwinningskroon te glansrijker zijn.” De afschuwelijke Paschasius deed haar naar de plaats der ontucht voeren, maar zij werd door Gods beschermende hand beveiligd, zodat niemand haar enig geweld durfde aan te doen. Door dit wonder nog meer in woede ontstoken, veroordeelde hij haar tot de afgrijselijkste folteringen, maar door deze zwakke maagd beschaamd en overwonnen, deed hij haar eindelijk door het zwaard van de beul doorsteken, zodat zodat hare zuivere ziel deze wereld verliet en van de hand van haren hemelse Bruidegom, in het rijk der gelukzaligen, de kroon der onsterfelijkheid verwierf.
Men meent dat haar dood plaats had in het jaar 304; de Grieken en Latijnen vieren haren feestdag op 13 December, en reeds in de zesde eeuw werd zij in Rome als één der doorluchtigste maagden en martelaressen vereerd, zoals uit het Sacramentarium van de heilige Gregorius en uit het Rooms dagregister van de zevende en achtste eeuw blijkt. Voor de scheuring vierde men in Engeland haren feestdag als feestdag van de tweede rang, dat wil zeggen, dat men na de verplichtende Godsdienstoefeningen, zich met de akkerbouw kon bezig houden, terwijl elk ander slafelijk werk verboden was.
Godsdienstige mensen, welke de geschiedenis van de heilige Lucia lezen, moeten steeds wensen, dat God in hunne harten hetzelfde wonder voortbrenge van ongeschonden in deze wereld te leven en standvastig in zijne liefde te blijven, zodat niets op aarde in staat zij hen te doen wankelen. Willen wij de liefde behouden, dan moet ons hart steeds ootmoedig zijn; deze deugd trouwens leert ons onze zwakheden kennen en slechts bij God onze kracht zoeken.
De heilige Lucia wordt als Patrones vereerd in de kerken te Sleensel, Mierlo, Ravenstein en Schayk.
De heilige Odilia (±720).
Eerste Abdis van Hohenburg, Maagd, Patrones van de Elsas.
Bij het vervaardigen van deze levensgeschiedenis, hebben wij het opstel van de zo geleerde als doorluchtige schrijvers en hoogleraren Räsz en Weis gevolgd, die in de geschiedenis van deze heilige uit verschillende schrijvers hebben geput.
Het bisdom Straatsburg vereert, na de allerheiligste Maagd en Moeder des Heren. de heilige Odilia als eerste beschermheilige en zij wordt niet zonder rede onder gezegende gedachtenis en eerbiedwaardige verering, als ene der doorluchtigste heilige van de Elsas om voorspraak bij God aangeroepen. Zij, de grondlegster van het kloosterleven onder het tedere geslacht in de Elsas, de stichteres van onderscheidene voortreffelijke inrichtingen ten behoeve der lijdende mensheid, legde er zich op toe, om met hare gezellinnen aan anderen op de weldadigste wijze nuttig te zijn, terwijl zij, van de wereld afgescheiden, de Evangelische armoede naleefde, zich, om voor de zonde bewaard te blijven, volgens de grondregels der heiligen, van de wereld en de omgang met mensen afzonderde, en evenwel met hen verkeerde, om in hunne behoeften te voorzien en hunne ellende te hulp te komen. De heiligheid van deze dienares des Heren, welke door hare schone daden zo zeer schittert, werd door God reeds bij haar leven, maar nog meer na haren dood, door uitstekendste wonderwerken bekrachtigd en verheerlijkt.
Odilia, ook Othilia, dochter van Adalric, ook Atticus, Attich en Hettich genoemd, hertog van de Elsas, werd geboren omtrent het jaar 662, te Obersheim, ene omtrent vijf uren van Straatsburg gelegene voormalige vrije rijksstad, in welke de hertog zijne woonplaats gevestigd had. Hare moeder was Berswinda, ook Berwinde, Berhinde, Bruswinde, zusters dochter van de heilige Leodegarius en van Bilhildis, echtgenoot van Childeric II. Adalric, zoon van Leuteric, hertog van Allemanie, onder Sigbertus II één der voornaamste ambtenaren, had behalve Odilia nog ene dochter, Roswinda en vier zonen, Etto of Heddo, Adalbertus, Hugo en Batucho of Batticho geheten. Aldaric verkreeg om de verdiensten, door zijne voorvaderen bewezen en om de verwantschap met de koning van Austrasie, na de dood van de hertog Bonifacius, van Childeric II het hertogdom Elsas, hetwelk na zijnen dood op zijnen zoon verviel.
Ofschoon Christen, was de hertog ruw van aard, waarvan hij omtrent Odilia en gelijk men verzekert omtrent zijnen zoon Hugo, de onedelste bewijzen aan de dag legde. Odilia was hij hare geboorte blind en dit hield hij voor onterend voor zijn huis, en daarom wilde hij de tegenwoordigheid zijner dochter in het kasteel niet dulden. Sommige schrijvers bevestigen, dat de wrede vader zelfs het bevel zou gegeven hebben, om zijne dochter om hals te brengen, evenals de Spartanen, welke de kinderen, die met lichaamsgebreken ter wereld kwamen, om het leven brachten; doch deze vermelding van moorddadige aanslag op het jeugdige kind wordt door anderen zeer in twijfel getrokken.
De vrome Berswinda, die zich overtuigd hield, dat de ruwheid van de graaf niet te overwinnen was en vrezende, dat hij misschien nog hardnekkiger zou worden, wist door ener hare getrouwen het kind in stilte te verwijderen; deze bracht het naar Scherweiler bij Schlettstad en verbleef er daar mede een geheel jaar. Daar evenwel de meer dan gewone zorgvuldigheid, waarmee Odilia behandeld werd, groot opzien baarde en aan de moeder bericht werd, zond zij het kind aan ene harer bloedverwanten of vriendinnen, de abdis van Palme, later Beaume-les-Nones, zes uren van Besançon gelegen.
Het is onzeker op welke plaats, in welke ouderdom en door wie de heilige Odilia gedoopt werd; enige schrijvers menen, dat zij, twaalf maanden oud zijnde, te Moyen-Moutier of in ene kapel bij Stibach of Etival, anderen dat zij enige tijd later te Regensburg, sommigen dat zij in de abdij Beaume op haar twaalfde jaar door de heilige Erhard, bisschop van Regensburg, het Heilige Sacrament der weder geboorte zou ontvangen hebben; het laatste gevoelen vervalt, wijl de bisschoppelijke zetel van Regensburg eerst ene eeuw later is opgericht; de meeste schrijvers stemmen voor de abdij Beaume en de heilige Eberhard of Erhard, abt van Ebersheimmunster, ene Duitse mijl beneden Schlettstadt.
Ofschoon deze gebeurtenissen wat tijd, plaats en persoon betreft met gene geschiedkundige zekerheid kan bepaald worden, is het echter, dat de heilige Odilia, bij het ontvangen van de heilige Doop, eensklaps ziende werd, doch de hertog, ofschoon van deze blijde omstandigheden overtuigd, bleef even koel en wilde dat zijne dochter zou verwijderd blijven.
De heilige Odilia, die intussen in het klooster Beaume verzorgt werd, door voorbeelden van Godsvrucht voorgelicht, nam in de wetenschap der heiligen toe en vorderde met rasse schreden op de weg der volmaaktheid. De tegenspoed, welke zij nog zo jong zijnde moest ondervinden, deed haren ijver meer en meer ontgloeien, terwijl zij zich steeds in geduld en zachtmoedigheid oefende. Ofschoon zij zich niet aangedreven gevoelde om zich onder de kloosterzusters te laten opnemen, volgde zij evenwel met alle ijver de te Beaume vasthrstelde orderegel en diende zelf aan de zusters tot voorbeeld. Het licht des geloofs, dat in alles het doel der deugden en de oogmerken der Goddelijke Voorzienigheid opheldert, verlichtte hare ziel, het vuur der liefde tot God en haren medemens gloeide in haar hart, hetwelk voor het gebed en overdenking der Goddelijke waarheden, voor weldoen en zich voor haren naaste op te offeren leefde; de arme, de noodlijdende, de zieke vond bij Odilia hulp en troost; alles waarover zij kon beschikken, werd in de schoot der armen uitgestort, en zij verwierf wegens hare barmhartigheid jegens de nooddruftigen dubbele verdiensten, wijl zij zich beijverde om met hare weldaden insgelijks Godsvrucht en deugd in hunne handen te storten. Hare voedster eerde zij als hare moeder en zij werd door hare tussenkomst in het klooster te Beaume aangenomen; Odilia week bij hare laatste ziekte nooit van hare zijde en droeg na haar afsterven de tederste zorg voor hare begravenis.
Deze alles omvattende maar jegens hare ouders en bloedverwanten vooral tedere liefde, spoorde haar steeds aan, om degene, aan wie zij naast God aanzijn te danken had, voor haar te vertederen, en men twijfelt niet of zij onderhield ene onafgebrokene verstandhouding met hare Godvruchtige moeder, welke haar steeds rijkelijk in staat stelde om in hare liefdewerken te kunnen volharden. Zij hield insgelijks briefwisseling met haren broeder, die door enige schrijvers Hugo genoemd wordt, die haar bijzonder genegen scheen te zijn. Zodra zij diens vertrouwen gewonnen had, gaf zij hem haar vurig verlangen om haren vader te mogen zien te kennen, smeekte hem, dat hij toch alle pogingen zou aanwenden, om zijne genegenheid voor haar te winnen en hem, al ware ook met zich de diepste vernederingen te getroosten, te bewegen, dat hij toch tedere gevoelens der vaderliefde jegens haar niet langer zou verwerpen. De edele broeder beproefde alle middelen om het hart van de verharde vader te winnen, ten einde hij toch zijne dochter uit hare ballingschap mocht terugroepen. Atticus evenwel bleef verhard en gaf slechts elke bede tot antwoord, dat hij zijne rede had om van niets te willen horen. Gelijk elke andere misdadige hartstocht, weten wreedheid en hardvochtigheid, wanneer deze het hart gesloten en het gevoel van Godsdienst buiten gesloten hebben, in deze verstokten en bedorvenheid verschoning en verdediging te vinden. De jonge edelman, wie de verzoening tussen zijn vader en zijne zuster zo nauw aan het hart lag, meende ene laatste poging te moeten wagen, van welke bij zich de schoonste uitkomst beloofde. Hij dacht, dat de onverwachte tegenwoordigheid van Odilia aan de voeten van ene vader, meer dan alle beden zou uitwerken, te meer nog wijl zij aan Atticus als ene schone deugdzame, zachtmoedige en beminnenswaardige dochter afgeschilderd was; de tedere broeder nodigde dus zijne zuster uit, om naar Hohenburg te komen en gaf haar zijn woord van haar bij hunnen vader binnen te leiden.
De door deze uitnodiging van vreugde schier buiten zich zelve vervoerde Odilia begaf zich op weg; zij besteeg reeds met haar gevolg de berg, op welke het kasteel haars vader lag, toen de hertog de tocht ziende naderen, aan zijne zonen vroeg wat die beduidde; Hugo verklaarde aan de hertog, dat zijne dochter Odilia in aantocht was, dat hij zijne zuster tot die stap uitgenodigd en aangespoord had, omdat hij niet twijfelde of de hertog zou als een beminnenswaardig en teder vader haar in genade aannemen. Op deze woorden geraakte Atticus in dusdanige woede, dat hij zijnen zoon ene dodelijke slag toebracht, zodat hij weinige dagen later aan de gevolgen bezweek.
Doch nu werd ook het hart van Atticus, die zijnen door hem mishandelde zoon zieltogend voor zich zag liggen, zo getroffen, dat hij de gramschap vervloekte, welke hem tot kindermoord vervoerd had. Door zijne eigene ondeugd gestraft, gelijk veelal bij misdadige hartstocht het geval is, ofschoon niet altijd de bekering des harten volgt, werd zijn hart aan het natuurlijk gevoel eens vaders en aan de Godsdienst teruggegeven. Odilia was intussen opgestegen en hij zag haar, de deugdzame, de heilige en tedere dochter, in tranen voor zijne voeten liggen; tot in het binnenste van zijn hart geroerd, richtte hij haar met de tederheid eens goede vaders op, sloot haar in zijne armen en gaf aan haar zowel als aan de door ene smartelijke ramp gelukkig geworden moeder Berswinda de kus van vrede en ouderlijke liefde.
De hertog verlangde, volgens sommige schrijvers, zijne dochter aan ene edelman uit te huwen, doch zij verklaarde haren vader, dat zij zich tot ene andere bestemming, om namelijk alleen de Heer te dienen, geroepen gevoelde. Adalric, die vroeger slechts de inblazing van zijnen hartstocht gevolgd had en er de treurige uitwerkselen van ondervond, stemde in de keuze van zijne hem nu zo geliefde Odilia toe en zij, het werktuig van de barmhartige God, verkreeg grote invloed op het hart van haren vader, deelde hem de beste raad mee betreffende het heil van zijne ziel en het bestuur van het hertogdom, welks inwoners zij zo gaarne tot ijverige Christenen wenste te vormen. Om dat doel te bereiken, wenste Odilia een Godsdienstig genootschap van maagden op te richten, die terwijl zij aan eigene volmaking zouden werken, door onafgebrokene liefdewerken jegens allen, de harten der mensen voor God zouden trachtten te winnen.
De hertog, die in een ander mens scheen hervormd te zijn, wilde om vroegere verergernissen en misdrijven uit te wissen, gaarne de behulpzame hand tot het wezenlijk geluk zijner onderdanen bieden en schonk aan zijne dochter, omtrent het jaar 680, het kasteel Hohenburg met alle daaraan behorende vaste goederen en inkomsten. Op de top van die berg vestigde zij nu een gesticht voor vrome maagden, welk verblijf in korte tijd door degenen, die zich door het voorbeeld van de heilige Odilia aangespoord gevoelden, bevolkt werd. In de Elsas bezat men reeds enige mannenkloosters, doch het scheen aan onze heilige voorbehouden, het eerste voor vrouwen te stichten en het offer, hetwelk de hertog tot die instelling gebracht had, was ene belangrijke gift, want het kasteel Hohenburg was om de gunstige ligging, de sterkte van deszelfs muren en torens, ene tegen vijandige aanval onoverwinnelijke vesting geweest, terwijl hetzelfde kasteel nu wegens de Godsvrucht en deugd van zovele maagden, die zich om Odilia verenigden, ene sterke burg tegen de aanvechtingen der wereld en derzelver ijdelheden werd. Van die tijd werd dan ook de naam van Hohenburg in die van Sint Odiliënberg veranderd.
Met de oprichting van het kloostergebouw waren reeds tien jaren vervlogen en nog ontbrak aan hetzelve de gehele vesting, wijl het plan der heilige op ene buitengewoon grote schaal gevormd was. Honderddertig jonge maagden, allen van aanzienlijke geboorte, hadden zich om Odilia geschaard en zij beijverde zich als ene weldadige moeder, deze maagdenrij door voorbeelden van kloosterlijke deugden en volmaaktheid voor te lichten. De ijver, welke allen bezielde, deed hen niet denken aan een bepaalde kloosterregel; allen streefden naar volmaaktheid en vestigden slechts het oog op haren geestelijke aanvoerster, terwijl zij als gehoorzame kinderen haar voetspoor volgden. Zij verenigden zich in haar stil, afgetrokken, aan het gebed toegewijd leven steeds op ene innige wijze met Jezus, de Bruidegom der maagden en wisselden nu en dan hare Godvruchtige bezigheden af door handenarbeid en psalmgezang, waardoor zij zich voor verveling en moedeloosheid wisten te behoeden. De hertog waakte voor haar onderhoud en zorgde dat enige vrome priesters de Godsdienstige plechtigheden en bedieningen verrichten. De heilige Odilia zag evenwel zeer goed in, dat wanneer men de nieuw gevestigde zusterschap een voortdurend aanzijn wilde geven en tegen wankelmoedigheid, zowel als tegen te overdreven ijver te doen waken, aan een bestemde regel behoefte was. Zij wist zich de gelukkige stemming van hare medezusters, die in haren eerste ijver geen bepaalde regel behoefte hadden, ten nutte te maken; vergaderde allen en na eenstemmige aanroeping van de Heilige Geest zij zich een regel, volgens welke zij vervolgens al hare gangen op de weg der volmaaktheid zouden inrichten. Alle jaarboeken der Benedictijner orde stellen, dat deze maagden de regel van de heilige Benedictus aannamen, zelfs de geleerde Mabillon, mogelijk vooringenomen voor zijne kloosterorde, houdt deze mening en geeft voor, om de bewijsgronden van de tegenstanders op de bodem in te slaan, dat de naam van “kanonikes, koorvrouw” eerst op het einde der achtste eeuw opgekomen zou zijn; doch Lanquille, Hugo van Stibach, Albrecht en de abt Grandidier hebben zijne mening bondig weten te weerleggen.
De heilige Odilia opende de vergadering met de volgende toespraak aan hare medezusters: “Ik weet, zeer beminde zuster, dat wij voor Jezus niet te veel kunnen doen en dat de grootste werken van versterving de aanbidders van de gekruiste Godmens niet kunnen afschrikken; laten wij evenwel de tegenwerpingen der nakomelingschap voorkomen; de toestand van onze stichting vordert een arbeid, tegen welken zij niet bestand zijn; wij moeten zelfs ons met de grootste moeite water verzorgen. Beperken wij ene strengheid, die het lichaam afmat, zonder dat het versterkt wordt en troost gevoelt; dat wij evenwel de oefeningen, welke het hart zuiveren en heiligen, steeds onderhouden, het regelmatig leven, het welk met de regelen der Kerk overeenstemt, schijnt derhalve voor onze tegenwoordige toestand meest geschikt te zijn. “Nauwelijks had de heilige geëindigd, of de zusters bepaalden eenstemmig zich ene bestemde levensregel te vormen. Humbertus, abt van Mozen-Moutier, die in het jaar 1044 het leven van de heilige Odilia in dichtmaat schreef, verzekert, dat zij hare medezusters ene verzameling van instellingen voorlegde, welke uit de regels van de heilige Augustinus, de heilige Benedictus en de heilige Colombanus getrokken waren. Waarschijnlijk hebben de kanonikessen van Sint Stephanus te Straatsburg en die van Eschau insgelijks de regel van Hohenburg aangenomen, want weinige tijd daarna werden de eerste door hertog Adelbert, broeder van de heilige Odilia en de tweede door bisschop Remigius van Straatsburg, haar neef, gesticht, terwijl de beide eerste abdissen van die stichtingen nichten van de heilige en te Hogenburg door haar opgeleid waren.
Deze kanonikessen, ofschoon zo geheten, waren evenwel geen wereldlijke koorvrouwen, zoals later de kanonikessen van Remiremont in Lotharingen. Zij waren werkelijk religieuzen, die al het tijdelijke verzaakt hadden en onder ene abdis stonden; zij werden alleen kanonikessen geheten om haar van de nonnen, die de regel van de heilige Benedictus volgden, te onderscheiden; haar levensregel was minder streng dan van de nonnen; zij werden evenwel gelijk deze “Monialen” of “Sanctimonialen” en hunne stichtingen kloosters of couventen geheten.
De heilige Odilia meende jegens zich zelve grotere gestrengheid dan jegens hare medezusters te moeten gebruiken, en vandaar dat zij zodra hare stichting geregeld was, zich aan de pijnlijkste verstervingen toewijden. Haar voedsel bestond in een weinig gerstebrood en enige peulvruchten; behalve op de feestdagen dronk zij slechts water, bracht de nacht in het gebed door en strekte haar lichaam tot de geringste rust op ene berenhuid neer, terwijl een steen haar tot hoofdkussen diende. De ijver van de heilige abdis klom van dag tot dag; heilige oogmerken waren vruchtbaar in heilige werken en deze strooiden weer honderdvoudige heil-aanbrengende zaden in haar hart, dat van grootmoedige en weldoende liefde meer en meer ontgloeid werd. Haar Godsvrucht bepaalde zich niet bij enkel bidden of bij de stemming en heilige genieting, welke het hart alsdan gevoelt; zij wist het arbeidzame leven met al het zoete van het bespiegelende te verenigen, en terwijl zij de fouten en zielsgebreken van anderen trachtte te genezen, vestigde zij insgelijks haren blik op de lichamelijke ellende, de armoede en behoefte, die veeltijds de zielsgebreken der noodlijdenden doen vermeerderen. Hohenburg was vooral voor de armen en zieken moeilijk te bestijgen en daarom liet zij aan de voet van de berg, ten zuiden waar men de Sint Nicolauskapel ontdekt, een gasthuis optrekken, geschikt om armen en lijdenden te ontvangen. In weerwil der hoge ligging van het klooster, bezocht de heilige Odillia evenwel elke dag de armen en zieken, welke zich in het gasthuis bevonden en verstrekte aan deze bij de zielsvertroostingen, die zij hun mededeelde, rijke aalmoezen.
Odilia had, zoals wij reeds aanstipten, de hertog haren vader tot betere denkbeelden teruggebracht; zijn hart, vroeger onbuigzaam en ruw, bezat thans Christelijk gevoel en het kostte haar geringe moeite hem te overreden, om zich in de nabijheid van het nieuwe gezicht een verblijf te kiezen en zijne reeds zoverre verstreken dagen in boete en rein Godsvrucht te eindigen; hare deugdzame en gelukkige moeder woonde met de hertog op de gekozen plek en beiden dienden de Heer in de verwachting van de dood. Aldaric werd op zijne hoge ouderdom op het bed van smart uitgestrekt, maar genoot de troost van zijne door hem vroeger verworpene, thans, thans zo teder beminde Odilia, een teder en kinderlijk hulpbetoon te genieten; zij bleef hem steeds bij, om hem te troosten en te versterken. Aldaric stierf op 20 Februari 690; de heilige verdubbelde hare gebeden en strenge boetoefeningen en, zoals hare geschiedschrijvers vermelden, had zij de troost, dat de Heer aan haar en enige van hare medezusters, reeds de vijfde dag na het afsterven van de hertog, door ene openbaring verzekerde, dat Aldaric zich onder de hemelingen in het eeuwig verblijf mocht verheugen. Berswinda, van dezelfde ijver ontvlamd, bewandelde met haren echtgenoot de weg der boetvaardigheid en volgde hem weldra in de eeuwige woningen, de negende dag na deszelfs uitvaart. Terwijl zij in de kapel van de heilige Johannes de Doper in gebed verzonken was, stierf zij plotseling en de heilige Odilia deed haar lichaam in hetzelfde graf, dat in de kapel van de Heilige Maagd en Moeder des Heren opgericht was, bijzetten. Etto ook Eticho en Adalbert, broeders van de heilige Odilia, woonden de uitvaart bij, welke zij door hunne rijke aalmoezen luister bijzetten; de graftombe met enig van ’s hertogs en zijner echtgenotes gebeente wordt nog op de Sint Odiliensberg aangetroffen; het grootste gedeelte is evenwel naar de abdij Ebersheimmunster vervoerd. Het graf is een eerbiedwaardig monument, wijl het lichaam insluit van hem, die aan Duitsland zovele keizers en Oostenrijk en Lotharingen zovele soevereinen schonk; ook stamt Adelaide, de echtgenoot van Robert de dappere, wiens nakomelingschap ruim acht eeuwen over Frankrijk de scepter zwaaide, van hertog Adalric af; sommige schrijvers hebben hem de titel eens heiligen toegekend.
De heilige Odilia, ofschoon zij zich met hare medezusters ene regel opgelegd had, bleef evenals deze met hare bloedverwanten in aanraking, zodat deze kanonikessen gene kloosternonnen in de strengste zin waren, ten einde evenzeer aan de heiliging hunner aanverwanten en vrienden werkzaam te kunnen zijn; en in de daad heeft Hohenburg menig gesticht als blijvend gedenkstuk van ware Godsvrucht gevestigd, gestichten, welke tot aan de treurige omwenteling in Frankrijk, de ongelukkigen een toevluchtsoord, aan de kunsten en wetenschappen vrijplaatsen aanboden en tot de welvaart van verschillende landstreken zeer veel bijdroegen.
Daar de beide voor Odila’s terugkomst door hertog Aldaric gestichte kapellen de kloostervrouwen en het volk niet meer konden bevatten, bouwde de vrome abdis ene nieuwe zeer ruime kerk, die onder de aanroeping van de allerheiligste Moedermaagd werd ingewijd; het schijnt, dat zij deze tempel reeds voor de dood des hertogs begon op te trekken, omdat men meent, dat hij er de kosten van gedragen heeft. De heilige, die bij het gebed de afgetrokkenheid zo zeer beminde, stichtte bovendien bij de hoofdkerk nog ene bidplaats, welke zij de Moeder-Gods kapel noemde; naast dezelve bouwde zij de zogenaamde kruiskapel, in welke de oude stenen zark (?) ligt, onder welke het overschot van het gebeente van Aldaric en de hertogin Berswinde bewaard werd, en die eerst in het jaar 1753 uit de zogenaamde hangende kapel, anders die der engelen geheten, derwaarts gebracht is. Uit erkentenis voor het bij de Heilige Doop verkregen gebruik harer ogen, bouwde zij ene derde kapel, ter ere van de heilige Johannes de Doper, welke, omdat zij in dezelve begraven werd, later Sint Odiliens kapel geheten werd; in de kloosterhof stond ene vierde, tot welke men door de kloostermuur toegang had, en die men de kapel der tranen noemde, omdat Odilia er voor het altaar neergeknield, onder een vloed van tranen, voor de zaligheid van haar vader, na diens overlijden, de hemel geweld had aangedaan. In deze kapel rustte het overblijfsel van de heilige Eugenia, nicht van Odilia. Eindelijk ontmoette men nog ene andere, van welke wij reeds gewaagden, de hangende kapel of die der engelen geheten; deze was op de uiterste rand van de rots gebouwd en aan de verering der heilige Engelen toegewijd. Deze onderscheidene kapellen dienden haar als zovele statiën, waar zij in afgetrokkenheid hare gebeden de Heer opdroeg. Tegen het oosten had zij ter ere van de Drie Goddelijke Personen, drie lindebomen geplant, die tevens dienden om het klooster tegen hevige stormwinden te beschutten. Bij de noodlottige brand in 1681 werden twee derzelve door de vlammen verteerd, de derde stond nog in het jaar 1698.
Wij hebben reeds gesproken van het gasthuis hetwelk zij voor de armen en zieken aan de voet van de berg gebouwd had, en waar zij dagelijks de lijders bezocht en hun troost en lafenis schonk. Dit voorbeeld werkte bijzonder op het hart van hare medezusters, zodat deze de heilige abdis verzochten om naast dat Godshuis een nieuw klooster te bouwen, omdat vooral des winters, het op- en afklimmen wel eens bezwaarlijk en ondoenlijk zou kunnen worden, en om te beter in de gelegenheid te zijn van dag en nacht aan de zieken bijstand te verlenen. Het voorstel werd aangenomen en men zag omtrent het jaar 700 het gebouw en de nieuwe kerk reeds voltooid; deze nieuwe stichting werd Niedermünster geheten en bleef onder toezicht van de heilige Odilia.
De hemelse Vader, die over zijne lievelingen meermalen zijne genadegunsten uitstort, waardoor zij reeds onder de mensen groot en eerbiedwaardig worden, toonde meer dan eens hoezeer Hem de grootmoedige en tedere liefde van zijne dienares, jegens hare lijdende medemensen, welgevallig was. Op een zekere dag bevond zich aan de kloosterpoort een melaatse, die om ondersteuning in zijne kwellingen smeekte. Odilia maakte voor die ongelukkige enige spijzen gereed en wilde ze de hulpbehoevende in persoon toedienen, doch toen zij nabij de lijder kwam, ontwaarde zij ene onverdraaglijke stank, welke de melaatse van zich gaf; zij meende te bezwijken en terug te treden, doch wist deze natuurlijke afgekeerdheid te overwinnen, trad nader, omhelsde zelfs de rampzalige, diende hem de spijzen toe en smeekte de Vader aller schepselen, dat het Hem mocht behagen deze mens groot geduld in zijn lijden of hem zijne gezondheid terug te schenken. Haar gebed werd ogenblikkelijk verhoord, de ongelukkige stond aanstonds volkomen hersteld van zijne plaats op en dankte God, die zijne dienares zo zeer begunstigde en hem genezen had.
Latere schrijvers verzekeren, dat zij, uit het gasthuis de berg opklimmende, om zich naar haar klooster te begeven, onderweg ene van dorst versmachtende zieke zag liggen; hare reeds hoge jaren beletten haar spoedig hulp te kunnen verlenen en zij smeekte derhalve de Heer, die in zijne goedheid de aarde door ene weldadige regel bevochtigt; zij zag zich verhoord, want dadelijk ontsprong uit de steenrots ene fontein, welke de zieke tot lafenis verstrekte en hem zijne vroegere gezondheid ogenblikkelijk teruggaf. De “Odilia ‘bron,” welke vier uren beneden het klooster, aan de lange smalle wolfsdalheuvel, uit ene uitgeholde rots ontspringt en onder een stenen kruis door ene greppel in ene stenen vergaarbak loopt, uit welke het water van de berg naar Niedermunster vloeit, maakte de overlevering van de hier vermelde gebeurtenis onsterfelijk. Het was streng verboden om ooit ene arme of zieke terug te zenden; doch op zekere dag was het getal der hulpbehoevenden zo groot, dat alle voorraad van wijn schier verbruikt was; van deze omstandigheid werd zonder uitstel aan de heilige abdis kennis gegeven, die ten antwoord gaf: “De hemel heeft reeds daarvoor gezorgd;” en men bevond dat al het vaatwerk weer met wijn was aangevuld.
Rijp geworden zijnde door de hemel, gaf zij harer medezusters, die met haar in de Sint Janskapel vergaderd waren, van haren aanstaande overgang uit deze wereld kennis; behalve de heilige Attala (alle drie nichten der heilige), vroeger kanonikes te Hohenburg, maar toen abdis van het Sint Stephanusgesticht te Straatsburg, bij deze voorspelling tegenwoordig. De heilige Odilia, na haar dus met harer naderende dood bekend gemaakt te hebben, smeekte haar van toch op gene wijze van haren eerste ijver af te wijken. Zij sprak hartelijk over het ijdele en vergankelijke van het tijdelijke leven, de kortheid der beproeving, aan welke de mens op deze aarde is blootgesteld, over de eeuwige beloning, waarmee de getrouwheid en deugd gekroond worden en vermaande hen vervolgens om God steeds te beminnen en aanhoudend te bidden. Vervolgens gebood zij aan hare medezusters, dat zij zich naar de kapel van de Heilige Maria zouden begeven, ten einde op die plaats voor haar een zalig afsterven door de voorbede van de allerheiligste Maagd te verkrijgen; middelerwijl geraakte de heilige in verrukking, ontving vervolgens de aanbiddelijke geheimen van Jezus vlees en bloed tot teerspijze op de weg naar de eeuwigheid, nam andermaal afscheid van hare medezusters en ontsliep in de Heer op 13 December, de feestdag van de heilige Lucia. Men kan het jaar van haar overlijden niet bepalen; gemeenlijk stelt men het jaar 720; in alle geval stierf zij voor het jaar 722, waarin hare nicht de heilige Eugenia reeds als abdis was opgetreden. Het dierbaar overschot van Odilia werd in de kapel van de heilige Johannes de Doper begraven; de Heer verheerlijkte haar graf met onderscheidene mirakelen, zodat zij weldra openlijk met Godvruchtige ijver door de gelovigen vereerd werd.
In het jaar 1354 kwam keizer Karel IV te Hohenburg en verlangde het lichaam van de heilige Odilia te zien. De bisschop van Straatsburg met die van Olmutz openden het graf; de keizer ontving het voorste gedeelte van de rechterarm, hetwelk hij aan de dom van Praag vereerde. De relikwieën, welke men op andere plaatsen onder de naam van Sint Odilia vereert, zijn geenszins van de heilige stichteres; immers nog drie andere maagden voeren die eerbiedwaardige naam; de eerste behoort tot de gezellinnen van de heilige Ursula en stierf met deze heilige maagd de dood der martelaren; de tweede was in de elfde eeuw abdis te Hohenburg, en de derde, ene heilige weduwe, die tweehonderd jaren later ontsliep, werd in het land van Luik vereerd.
De heilige Odilia was zeer wel onderwezen en in de Heilige Schrift en kerkelijke geschiedenis ervaren. Hare nagelaten schriften, zowel als haar testament, getuigen van ene vurige Godsvrucht en bekwaamheid in de leiding van de haar toevertrouwden. Men bezit van de heilige nog ene verhandeling over “het afgetrokken leven;” haar echte testament, omtrent het jaar 708 opgesteld, hetwelk men met een ondergeschoven stuk niet moet verwisselen, vinden wij bij Grandidier. De heilige Odilia was insgelijks in het Latijn zeer bedreven en de kennis van die taal werd na haren dood steeds in de abdij van Hohenburg onderhouden, want de kanonikessen van Hohenburg oefenden zich vooral in hare nieuwelingsjaren in de Latijnse taal, en dit gebruik was tot aan de vijftiende eeuw in de meeste vrouwenkloosters van Frankrijk en Duitsland vrij algemeen. Drie abdissen van Hohenburg wijdden zich aan de schone wetenschappen en dichtkunde. Kilindis, die op 22 Augustus van het jaar 1167 ontsliep, heeft Latijnse verzen en andere werken nagelaten.
Na de dood van de heilige Odilia, die de gemeenschappelijke inkomsten van Hohenburg en Niedermunster deed afscheiden, met uitzondering van de hof te Oberchuheim, welke gemeenschappelijk bleef en tot band en eenheid moest verstrekken, vergaderden de koorvrouwen van beide kloosters, om elk voor zich ene abdis te kiezen; eenstemmig koos men de heilige Eugenia tot abdis van Hohenburg en Gundelindis tot abdis van Niedermunster; beide nichten van de heilige Odilia waren dochters van hertog Adelbert, broeder der heilige en van Gerlindis, deszelfs echtgenoot. De heilige Eugenia stierf op 16 September 735 en zij werd gedurende enige honderden jaren openlijk vereerd; haar overblijfsel bleef tot het jaar 1622 ongeschonden bewaard, toen de zweden, onder aanvoering van de graaf van Mansfeld, haar graf verbrijzelden; enige relikwieën werden gered en rusten te Oberehnheim en te Wilgotheim.
Menigvuldige bedevaarten werden naar het graf van de heilige Odilia ondernomen, wijl God het door onderscheidene wonderwerken vereerde. In 1354 kwam keizer Karel IV met Johan von Lichtenberg, bisschop van Straatsburg en Johan, bisschop van Olmutz, hetzelve vereren; in 1474 zag men daar koning Christiaan I van Denemarken, met de graven van Barbey en Gleichen en andere Deense edellieden, ten getale van honderddertig, nadat zij eerst ene bedevaart naar de graven der Apostelen ondernomen hadden. Wij zouden ene reeks van vorsten en aanzienlijken kunnen opgeven, die aan ene eenvoudige zich zelve verloochenende dienares des Heren, tot na het jaar 1696, hunne Godsdienstige verering kwamen betonen; in één woord, de Sint Odilia ‘berg, waar het gebeente der heilige onverteerd rust, wordt steeds van alle oorden bezocht; sedert de Franse omwenteling bedient slechts een geestelijke de beroemde kerk van de heilige Odilia.
De verering der heilige vriendin van Jezus dagtekent van haar afsterven. Het oude Martelaarsboek van de achtste eeuw en dat van de heilige Beda stellen haren sterfdag onder de feestdagen, welke destijds in het bisdom van Straatsburg met luister gevierd werden. Haar naam is in een dagregister opgetekend van een Vesperboek der negende eeuw, welk boek door koningin Emma gebruikt en in de bibliotheek van Sint Remigius te Rheims bewaard wordt. Hare verering wordt door onderscheidene mirakelen en door verschillende pauselijke bullen bevestigd. Bij Ado, Molanus en in het Romeins Martelaarsboek vindt men haren naam op 13 December aangetekend.
14 December
De heilige Spiridion (348).
Bisschop van Trimythontes of Trimithus op Cyprus.
De heilige Spiridion, of zoals de Grieken hem noemen Spyridon, was op het eiland Cyprus geboren en één der doorluchtigste prelaten, welke op het beroemde concilie van Nicea vergaderd waren; Rufuinus geeft hem zelfs een hogere rang dan aan de andere vaders. De heilige Triphylus, bisschop van Letra op Cyprus, een verstandig, welsprekend, letterkundig en doorlezen man, die geruime tijd met de heilige leefde en er zich op beroemde zijn leerling geweest te zijn, heeft zijn leven in dichtmaat geschreven; doch dat werk is verloren en wij bezitten thans gene andere levensgeschiedenis als die van Surius, welke door Metaphrastes is opgesteld. Men vindt daarin enige stukken, die echt en uit die van Triphylus of van enig ander vroeger geschiedschrijver getrokken schijnen, doch zij zijn met andere gebeurtenissen vermengd, die of geheel verdicht zijn, of weinig schijn van waarheid hebben; daarbij ontbreken er nog omstandigheden aan, welke bij de oudste schrijvers gevonden worden, terwijl andere zaken vervalst voorgesteld worden. Door men dus aan hetgene Metaphrastes voordraagt weinig zekerheid kan hechten, is het verkieselijk zich te vergenoegen met hetgene Rufinus en Sozomenes van de heilige Spiridion te boek gesteld hebben, wat daarenboven hem genoegzaam als één der uitmuntendste bisschoppen van zijnen tijd zal doen voorkomen. Ook is de getuigenis van Rufinus te merkwaardiger, omdat hij verzekert niets anders te schrijven als wat hij uit de mond van ooggetuigen, die met de heilige geleefd hebben, vernomen heeft, en Socrates, die dezelfde zaken als Rufinus verhaalt, getuigt dat al wat hij uit de geschiedenis overgenomen heeft, hem nog door onderscheidene bewoners van Cyprus bevestigd is. Rufinus rangschikt de heilige bisschop onder de profeten en verzekert, dat hij tot die heilige belijders behoorde, welke Maximiaan (Galerus) tot de mijnwerken veroordeeld had, na hen eerst het rechteroog te hebben doen uitsteken en de linker knieschijf breken, welke getuigenis Usuard, Ado, het Rooms Martelaarsboek mede aanvoeren, terwijl Nicephorus insgelijks met voordracht zegt, dat Spiridion en de heilige Jacobus van Nisibe de merktekenen in hunne lichamen droegen, omdat zij de naam van Jezus Christus beleden hadden.
De heilige Spiridion woonde op het land, was gehuwd en had volgens Sozomenes verscheidene kinderen en tenminste één dochter, Irene geheten, die hem diende en tot haren dood maagd bleef, en zich als navolgster van zijne deugden kenmerkte. De heilige Spiridion was van beroep schaapherder en beoefende het eenvoudige leven en de deugden der aartsvaders; hij werd daarom insgelijks van God met uitmuntende genaden begunstigd, aan welke hij steeds met kinderlijke getrouwheid beantwoordde; en daar zijn levensstand de verhevenheid zijner deugd niet verminderde, werd hij tot zielenherder over de gelovigen verheven en op de bisschoppelijke zetel geplaatst van Trimithus of Trimythontes, ene stad op Cyprus aan de oostkust van het eiland, in de nabijheid van Salamina, destijds de hoofdstad van dat eiland.
Spiridion bleef intussen in deze waardigheid even nederig en liet zijnen vroegere stand niet varen; hij bleef nog in persoon zijne schapen hoeden. Op een zekere nacht kwamen enige dieven om een gedeelte zijner kudde weg te voeren, doch zij gevoelden zich niet slechts door ene onzichtbare hand teruggehouden, maar zelfs zodanig gebonden, dat zij op de plaats moesten vernachten; toen de heilige de volgende dag zijne schapen naar de weide wilde geleiden, vond hij die rampzaligen in deze toestand; hij onderzocht naar de oorzaak van hun onheil en zij bekenden hem in oprechtheid hun boos voornemen. Spiridion bad de Heer om vergeving voor deze kwaadwilligen en zij werden van hunne banden bevrijd, doch hij zei hun tevens, dat zij niet tevergeefs zijne kudde gedurende de ganse nacht bewaakt hadden en schonk hun een schaap met de vermaning, dat zij beter zouden gedaan hebben het hem te vragen als op roof uit te gaan, daar hij nooit iemand onvoldaan van zich liet vertrekken. Door deze goedwilligheid trachtte hij hen tot ene deugdzame levenswijze terug te doen keren.
Dezelfde zachtmoedigheid en belangloosheid kenmerkte al zijne daden; hij verdeelde steeds zijne inkomsten in twee gelijke delen; zijn bisdom was zeer beperkt en bestond merendeels uit arme Christenen, doch die onder de heidenen een voorbeeldig leven leiden; hij schonk derhalve een gedeelte aan de armen, het andere gebruikte hij voor zich en voor het onderhoud van zijne kerk, terwijl hij van het gedeelte, dat hij voor zich zelve behield, nog iets afzonderde om degenen, die in onvoorziene nood geraakten, enigszins te kunnen helpen. Gelijk wij reeds aanstipten was zijn bisdom zeer beperkt, want in die dagen bezat soms ene enkele stad of gehucht een bisschop; zo had men dan ook van Trimythontes een bisschopzetel gevormd, om de afgodendienst, welke reeds naar de velden gevlucht was, te vervolgen; van hier dat de deugdzame prelaat zijne nieuwe waardigheid met zijne vroegere bezigheden wist te verenigen, en van de arbeid zijner herderlijke bediening door enige veldarbeid uitrustte, en terwijl hij er zich op toelegde om de geestelijke rampen der zielen te genezen en het afgodendom te ontwortelen, bezigde hij zijne vroegere werkzaamheden om in de tijdelijke behoeften van zijne gelovigen te voorzien. Aan de vereerders van de valse goden zowel als aan de gelovigen gaf hij gestadig voorbeelden van een eenvoudig, afgetrokken, arbeidzaam, ootmoedig en vergenoegd leven, waardoor hij zich de achting en genegenheid van elk waardig maakte.
Wij vinden in de oude zeden grote gehechtheid aan de deugd van gastvrijheid, en Sozomenes verhaalt een trek uit het leven van de heilige Spiridion, welke Calvyn en Kemnitius met genoegen ophalen, ten einde te bewijzen, dat de vaste van veertig dagen, indien deze te dier tijd ook al algemeen beoefend werd, de gelovigen evenwel onder zonde niet verplichtte.
Spiridion was met zijn gezin gewoon, om gedurende de veertigdaagse vaste slechts op sommige dagen enig voedsel te nuttigen en enige dagen in strenge onthouding van spijs en drank door te brengen. Het geval wilde, dat een vreemdeling, die zeer vermoeid was, in zijne woning de gastvrijheid kwam zoeken, tijdens men zich door boetwerken tot het feest der verrijzenis des Heren voorbereidde. De heilige bood hem met blijdschap zijne woning en bijstand aan; hij gebood aan zijne dochter Irene die man de voeten te wassen en spijs voor te zetten. De deugdzame maagd verzekerde hare vader, dat er noch brood, noch meel voorhanden was en men niets kon opdissen als een stukje spek, een spijs, welke onmogelijk aan een kind der Kerk ten tijde van strenge onthouding kon voorgediend worden. Spiridion de grote behoefte van zijnen gast ziende, bad God van hem van het gebod der kerktucht te ontheffen en gaf aan zijne dochter last die spijs in gereedheid te brengen. Irene gehoorzaamde en toen het voedsel gereed was, deed Spiridion zijnen gast met hem aanzitten; hij nam het eerste van deze vleesspijs, terwijl hij de vreemdeling aanspoorde zulks insgelijks te doen; deze verklaarde dat hij Christen was. “Juist daarom moet gij gene zwarigheid maken,” zei Gods dienaar, “de reinen is niets onrein.”
Deze geschiedenis heeft voor de Katholiek ene dubbele waarde, wijl zij hem overtuigt, dat de veertigdaagse vaste in de vierde eeuw ene openlijke, algemene en verplichtende tucht in de Kerk was, en dat van ene andere zijde beschouwd, de verplichtende gebruiken van Gods Kerk verre van de bijgelovigheden der Joden verwijderd zijn, zodat de strengste wetten der Kerk verplichtend zijn, wanneer hoge noodzakelijkheid iets anders vordert, omdat alles aan de liefde onderworpen is, welke men als de enige niet te schenden wet moet blijven beschouwen. Men moet altijd groot verschil maken tussen de ontheffingen van kerkwetten, welke de begeerlijkheid en lauwheid zoekt en die welke door de noodzakelijkheid gevorderd worden.
Calvyn en Kemnitius leidden uit dit voorval ene geheel valse gevolgtrekking af, want uit het verhaal blijkt, dat elk Katholiek, die zijne plichten kent en beoefent, in dergelijke omstandigheden evenzo zou kunnen spreken. Te vasten en zich van sommige spijzen op vastgestelde dagen te onthouden, is gegund op ene zeer strenge verplichting, welke de Kerk de Christen oplegt, maar het gebruik van vleesspijzen is heden evenmin als toen verboden; het verbod steunt op ene bepaalde en uitdrukkelijke wet der Kerk, van welke deze zorgvuldige moeder in honderden omstandigheden, wanneer de strenge noodzakelijkheid zulks vordert, hare kinderen ontheft. De geschiedschrijver stipt met veel nauwgezetheid de vermoeienis van de vreemdeling en het gebrek aan ander voedsel in het huis van de heilige Spiridion aan, terwijl hij tevens doet zien de angstvallige nauwgezetheid van de heilige en zijne bekommeringen om zich eerst tot God te wenden, ten einde van de Heer af te bidden, dat Hij ene ontheffing van de kerkelijke wet in deze noodzakelijkheid zou gelieven te bekrachtigen. Spiridion dient een vreemdeling in de vaste vleesspijzen voor, wijl deze honger had en bij hem geen ander voedsel kon voorzetten; hij handelt hier evenals ene ziekenoppasser, die ontheven is van de wet om op Zondagmis te horen, wanneer hij ziet, dat wegens zijne afwezigheid, voor zijnen naaste nadeel zou kunnen ontstaan; zoals insgelijks een landman ontheven wordt van de wet, die de Zondag gebiedt te heiligen door geen slafelijke werken te doen, wanneer onweer en onstuimige lucht dreigen zijnen oogst te zullen vernietigen of merkelijk te beschadigen. Niettegenstaande de nauwgezette en volstrekte gehoorzaamheid, welke God door zijne Kerk omtrent hare inzettingen van ons vordert, heeft Hij de natuurwet voor de bepaalde wetten in de harten gedrukt en de liefde tot de naasten onder de rang der voornaamste deugden gesteld.
En wanneer men uit de woorden van de heilige Spiridion: de reinen is niets onrein, wil afleiden, dat de Kerk geen vastgesteld gebod omtrent de onthouding van vleesspijzen gegeven had, mogen wij, zulks gedeeltelijk toegevende, vrij aanmerken, dat die zorgvuldige moeder, ten tijde van gevaar, zulks in het algemeen vermijdt; het antwoord van Spiridion geeft ons daarvan de rede; de Kerk vreesde terecht, wanneer zij het verbod algemeen vaststelde, dat daardoor de dwaling der Marcioniten zou kunnen begunstigd worden, die zich van vlees en wijn onthielden, omdat deze volgens hun gevoelen voortbrengselen waren van het kwade beginsel; waarom de apostolische canons verordend hadden, dat de kerkelijke, die zich uit beweegrede van afschuw en geenszins om zich te versterven, van vlees en wijn onthield, van zijne bediening moest ontzet worden, wijl hij deze als gaven van de Schepper verachtte en zich een laster tegen de schepping schuldig maakte. Toen alle gevaar geweken was, is de onthouding van vleesspijzen algemeen in acht genomen en het is zeer ten onrechte, dat de Protestanten zich tegen deze eerbiedwaardige kerktucht verzetten.
Dezelfde geest, die de heilige Spiridion zachtmoedigheid en toegevendheid voor zijne medemensen inboezemde, gaf hem insgelijks nauwgezette en grootmoedige ijver voor de kleinste zaken de Godsdienstleer betreffende; dit toonde hij in ene vergadering der bisschoppen van Cyprus, waar zich insgelijks Triphylus, bisschop van Letra, ene stad op Cyprus, vroeger Luton geheten, bevond. Deze prelaat, zoals Sozomenes getuigt, had zich ene geruime tijd te Byrete opgehouden en zich in die stad op de rechtsgeleerdheid toegelegd, en was zo welsprekend, dat hij ten zijnen tijde alle anderen overtrof. De heilige Hieronymus getuigt van hem, dat hij onderscheidene werken schreef en roemt zijne schriften, die niet slechts vervuld waren met de schoonheden van menselijke begaafdheid, maar die tevens een groot licht bij de verklaring der Goddelijke schriften verspreidden. Deze bisschop bevond zich op voormelde vergadering en door de vaders belast om het volk te onderrichten, bracht hij de plaats uit het Evangelie bij, waar Jezus de zieke gebiedt om zijn bed op te nemen en te wandelen; in plaats van het gemeenzame woord, hetwelk de tekst bezigt, nam hij er één die sierlijker was; de heilige Spiridion kon deze fijnheid van taal niet verdragen en vroeg hem of hij de zaak beter wist dan de Evangelieschrijver, omdat hij zich diens uitdrukking scheen te schamen; hij stond ogenblikkelijk van zijnen zetel op en gaf degene, die opgeblazen scheen door ijdele wetenschap, voor de ogen van het volk, een voorbeeld van diepe nederigheid; zijne handelswijze bij deze gelegenheid werd ondersteund door de algemene eerbied, welke men de heilige toedroeg; daarbij behoren wij op te merken, dat de om zijne deugd en heiligheid doorluchtige Spiridion in jaren reeds verre de bisschop van Letra overtrof en bovendien zijn leermeester en opleider geweest was. De akten van de heiligen verzekeren nog, dat hij die bisschop door zijne raadgevingen zover bracht, dat hij om zijne deugden verdiend heeft een uitverkoren werktuig te zijn, en in de daad het Rooms Martelaarsboek heeft de naam van Triphylus op 13 Juni onder de heiligen aangetekend.
De liefde voor de Kerk spoorde de heilige bisschop van Trimythontes aan, om naar Nicea te reizen en met de daar te vergaderen vaders de goddeloosheden der Arianen te veroordelen. Volgens de akten, werd gedurende het verblijf van de heilige Spiridion te Nicea, zijne dochter Irene door God uit deze wereld opgeroepen, om de beloning te ontvangen, welke aan de getrouwe en zuivere bruiden van Jezus Christus beloofd is. Voor enige tijd had zij van een zeker mens ene zeer aanzienlijke schat ter beveiligen, had zij die in de aarde begraven. Hij aan wien de som behoorde begaf zich tot de heilige Spiridion, die van één en ander onkundig was, en verzocht om het aan zijne dochter toevertrouwde geld; het was nergens te vinden, ofschoon men met de meeste nauwgezetheid alle boeken der woning doorzocht. De eigenaar bleef steeds de som terugvorderen en scheen wanhopig te zullen worden, wanneer de gelden niet teruggegeven werden. De heilige, meer en meer getroffen en bezorgd wegens die zaak, gaat met een gelovig vertrouwen naar het graf van Irene en roept haar volgens gewoonte bij haren naam; Irene antwoordt en vraagt wat haar vader van haar vordert; hij vraagt haar vervolgens waar zij het haar toevertrouwde pand verborgen had; zij toont de plaats aan en verzekert hem, dat hij het onder de aarde zou vinden; Spiridion keert huiswaarts, vindt het geld op de door zijne dochter aangetoonde plaats en geeft het de verheugde eigenaar terug.
Men verhaalt, zegt Rufinus, nog onderscheidene wonderbare daden van Spiridion. Sozomenes zegt, dat de bewoners van Cyprus steeds van de daden van de heilige Spiridion met alle eerbied spreken; Suidas en de Grieken in hunne aantekeningen geven hem de titel van wonderdoener.
De heilige Athanasius spreekt van hem met alle eerbied en stelt hem onder de bisschoppen van Cyprus, die door hunne ondertekeningen de onschuld van deze grote patriarch en uitmuntende vader erkend en in het concilie van Sardica, dat in 347 gehouden werd, verklaard hebben; de naam van de heilige Spiridion vinden overal onder die der prelaten vermeld, die tot het midden der vierde eeuw de geloofswaarheden tegen de Arianen met roem verdedigden. De Grieken vereren zijne nagedachtenis op 12 December, de Latijnen op 14 December. Daar de Turken de belegering van Corfu in 1716 juist op de feestdag van de heilige opgeheven hadden, heeft Paus Clemens XI verordend, dat deze in het vervolg in de staten van het gemenebest van Venetië met luister zou gevierd worden.
God riep niet alle heiligen langs dezelfde weg tot de volmaaktheid; sommigen zijn door het verachten van al het ijdele der wereld tot die verhevenheid opgeklommen, anderen doormiddel van eenvoudig en gewoon leven, waarin zij gestadig met het eigenbelang, hetwelk de maatschappij zoveel onrust baart, te kampen hebben, en indien zij al met de daad niet arm waren, waren zij evenwel arm van geest en hebben door zelfverloochening zich de gunsten des Heren weten waardig te maken. Vragen wij met een ootmoedig hart van de Heer die verhevene wetenschap, waardoor de eenvoudige ziel van de heilige Spiridion voorgelicht werd. Met die wetenschap verrijkt, zullen wij gemakkelijk onze voet op paden zetten, welke ons met zekerheid naar de hemel leiden. Wij zullen aan de hinderlagen ontkomen, in welke de wereld ons zonder ophouden tracht te doen vallen. De eenvoudige wetenschap der heiligen zal ons de kunstgrepen leren kennen, welke de ijdelheid in het werk stelt, om de mens te verleiden; alles leren verachten, wat ene verachtelijke eerzucht beoogt, welke de mens tot vermaak, nietswaardige grootheid en dwaze begeerlijkheden naar het vergankelijke zoekt aan te prikkelen; de wetenschap der heiligen zal de begoochelingen van het tegenwoordige leven, die de ziel doden, weten te verdri9jven en ons weten terug te voeren tot de wezenlijkheid der Evangelische zedenleer, die de getrouwe Christen gelukzalig maakt. Neen nooit zal de wereldse geschiedenis ons helden kunnen aantonen, die te vergelijken zijn met de herders, welke God aan zijne Kerk geschonken heeft. Dat wij derhalve kinderen van Jezus Christus, deze vertegenwoordigers van zijne macht en goedheid steeds eerbiedigen en dat wij hen omgeven als ene heilige bende, die hen volgt op de rechte, moeilijke, maar zekere weg van ootmoed, zelfverloochening en van het kruis, en wij zullen in de nederigheid van een gelovig en getrouw hart, evenals zij, overwinnaars zijn en de onsterfelijke glans der zaligen verdienen.
15 December
De heilige Eusebius (370).
Bisschop van Vercelli.
Nopens de geschiedenis van deze heilige, die de titel van martelaar verworven heeft, ofschoon hij de kampstrijd voor Jezus Kerk met zijn bloed niet bezegelde, worden wij voorgelicht door de heilige Hieronymus, in zijn geschrift over de uitstekende schrijvers; door de heilige Ambrosius in sommige brieven; door de heilige Maximus van Turin in enige leerredenen; door Pus Libereius in zijne brieven; door de heilige Hilarius in het schrijven tegen keizer Constancius en in zijne geschiedkundige stukken; door de heilige Athanasius in zijnen brief aan de woestijnbewoners; door Sulpicius Serverus in het tweede boek zijner geschiedenis; door Rufinus, Socrates, Sozomenes, Theodoretus in hunne kerkelijke geschiedenissen; door Lucifer van Cagliari in zijn schrijven ter verdediging van de heilige Athanasius, en door de heilige Basilius in één zijner brieven, terwijl alle latere geschiedschrijvers, zoals Baronius, Fleury, Tillemont, Stolberg, enz., uit deze bronnen geput hebben; daarbij bezit men nog de geschrevene akten, het leven behelzende van deze doorluchtige belijder en verdediger der waarheid, onder de titel van “Passio S. Eusebii Vercellensis.” Dit schone exemplaar bevond zich voor de staatsomwenteling van Frankrijk, in de achttiende eeuw, in de boekverzameling der Benedictijnen van Sint Pieter of “Saint Pair” te Chartres.
De heilige Hieronymus vermeldt, dat de heilige Eusebius in Sardinië geboren is, en zulks kan aanleiding gegeven hebben, dat hij ene bijzondere gehechtheid van Lucifer, bisschop van Cagliari, hoofdstad van dat eiland, betoond heeft. Hij was van edele afkomst en men verhaalt, dat zijn vader, die Christen was, tijdens de vervolging van Diocletiaan in het jaar 310, in Afrika gevangen genomen werd en op zijne overbrenging naar Rome stierf; dat Restituta, zijne moeder, haren tocht naar de hoofdstad der wereld met hare beide kinderen, Eusebius en ene dochter, voortzette, waar zij met die kinderen door de heilige Paus Eusebius gedoopt werd, om welke rede de jonge heilige waarschijnlijk de naam van Eusebius zal ontvangen hebben. Restituta trachtte met moederlijke zorg hare kinderen in de wetenschap en liefde tot de Godsdienst op te voeden. Overigens weten wij van zijne vroegere geschiedenis niets, maar uit de gevolgen blikt, dat de jongeling de zaden der Godsvrucht in zijn hart aankweekte en aan de genade, hem door God geschonken, met alle nauwgezetheid beantwoordde. Zodra de jeugdige Eusebius zich bekwaam gevoelde om ene staat te kiezen, bestemde hij zich tot de geestelijke en ijverde zich om in het leerstellige en in de zedenleer der Katholieke Godsdienst te bekwamen, en men mag vrij zeggen, dat van toen af de uitgestrekte werkkring een begin nam, waarbij hij later één der uitmuntendste kerkvaders, een steun der kerkvergaderingen en een licht in Gods huis geworden is. Paus Silvester ordende hem voorlezer in de kerk van Rome en wij zien hem enige tijd daarna, ofschoon men de aaneenschakeling der omstandigheden niet kent, de priesterlijke bediening te Vercelli in het Piemontesche uitoefenen, en weldra werd hij op die bisschoppelijke zetel verheven. Het is onbekend wie zijn voorganger geweest is, want de naam van Eusebius staat aan het hoofd van het naamregister der prelaten dier kerk. Zij, die haar vroeger bestuurden, zijn onbekend gebleven, maar de verdiensten van de heilige Eusebius trokken die kerk uit hare vergetelheid. De heilige was vroeger onbekend en als vreemdeling in die stad gekomen, zoals de heilige Ambrosius en alle andere schrijvers eenparig aanmerken, doch nauwelijks was hij daar, of men keurde hem de bisschoppelijke bediening waardig en hij werd onder toejuiching der ganse kerk van Vercelli, op de bisschoppelijke zetel verheven. Deze vereniging van aller harten was een kenteken, zegt genoemde kerkvader, dat God hem tot die waardigheid verkozen had, en insgelijks een voorteken van hetgene hij eenmaal zijn zou.
Hij gaf weldra blijken, dat hij vervuld was van ijver voor het huis des Heren en dat Gods Geest in en door hem werkte; vol van levendig geloof, woonde in hem ene onwrikbare kloekmoedigheid, om al hetgene God van hem vorderde getrouw ten uitvoer te brengen; nooit was hij vermoeid in de strijd des geloofs en stelde zich onophoudelijk tegen de vijanden der Godsdienst. Zijn ijver ging vergezeld van inwendige vrede en diepe kunde, welke hem de waarheid onder de menigvuldige grove dwalingen, waarmee men deze dochter des hemels trachtte te verduisteren, deed onderscheiden; deze verhevene man muntte evenzeer uit in zachtmoedigheid, goedaardigheid en gelijkvormigheid van handelen, zodat hij in alles getuigenis gaf van de heiligheid en gerustheid van zijne ziel; indien men in hem, zegt de heilige Ambrosius, enige overmaat ontdekte, bestond deze in zijn geduld; hij stelde zijnen roem in het lijden, in de zelfverloochening en versterving. Bij zijn langdurig vasten leste hij zijne dorst met enkel water en kleedde zich met geringe en grove stoffen; in één woord, de aan deugden rijke Eusebius toonde in alles zijne liefde voor de armoede, terwijl hij de wereld met al hare ijdelheden met diepe verachting behandelde. Op deze wijze predikte hij door zijne daden en nodigde zijne onderhorigen door zijn voorbeeld tot deugdbetrachting uit. Bij deze verhevene hoedanigheden, die in hem de heilige deden opmerken, vuurde hij insgelijks zijne schapen door zijne vermaningen en onderrichtingen steeds onvermoeid aan, en verhief zijne stem met kracht tegen de boosheid en misdaad. Zijne deugdzame en volmaakte levenswandel scheen ene levendige vloed, welke zich over al de hem toevertrouwden uitstortte. Hij muntte uit in de liefde tot de zuiverheid en bevestigde de maagdelijke reinheid in zijne kerk en onder zijne priesters; zijne zachtmoedigheid en liefde ontvlamden de ganse stad in liefde tot God, en daar hij zelf een bisschoppelijk gedrag betrachtte, vormde hij van zijne leerlingen zovele heilige bisschoppen, welke de andere kerken met aandrang tot leidsmannen verzochten. Eusebius was de eerste in de Westerse kerk, vervolgt Ambrosius, wiens getuigenis wij in de beschrijving van des mans karakter volgen, die het kloosterleven met het bewonen ener stad, de matigheid der kluizenaars met de bisschoppelijke zorgen, de genade van het priesterschap met vasten en onthouding verenigde, en hij voerde het zo strenge leven der monniken in zijn bisdom in, want hij wist het jeugdige geslacht te leren, om door liefde tot de onthouding en de regels ene engelachtige zuiverheid op te volgen, het vuur hunner jeugdige hartstochten zo niet geheel te verdoven, dan toch te matigen; al zijne gelovigen leerde hij zich aan de gebruiken en gewoonten, in de steden ingeworteld, te onttrekken, zonder evenwel de stad te verlaten. Zijne ganse geestelijkheid omhelsde dit schier kloosterlijke leven; alle geestelijken van Vercelli bewoonden met hem hetzelfde huis en zij oefenden zich zowel in onthouding en strenge zuiverheid als in de bediening, welke de priesterlijke waardigheid oplegt. Evenals de woestijnbewoners toonden zij dezelfde ijver in het verachten van de ijdele dingen der wereld, als zij de waakzaamheid van bedienaars der Kerk aan de dag legden; wanneer men hunne arme legersteden beschouwde, zegt de heilige Ambrosius, zou men menen onder de woestijnbewoners van het Oosten te zijn, en verlustigde men zich in het zien van de Godsvrucht en ijver, welke deze heilige leerlingen van de grote Eusebius bij hunne bedieningen betoonden, dan gevoelde men dezelfde vreugde in het hart ontspringen, als of men de ganse koren van engelen aanschouwde, zodat men dit huis niet verliet als om bisschop of martelaar te zijn. “Die geestelijkheid,” vervolgt de heilige Ambrosius, “is als een hemels en egelachtig krijgsleger, dag en nacht bezig met de Heer lof te zingen; zij hebben gene andere eerzucht als om zich Gods barmhartigheid gunstig te maken, en door vurige en aanhoudende gebeden zijne gramschap te bevredigen. Hun geest is altijd op studie en arbeid gevestigd; van de omgang met vrouwen verwijderd, strekken zij de één de anderen ten wapenschild. Is er iets voortreffelijker dan dusdanig leven, waarin men niets te vrezen heeft en alles navolgenswaardig wordt? waar de kommer en de gestrengheid van het vasten, door de gerustheid van gemoed beloond, door de gewoonte verzoet, door zielsvrede en rust onderschraagd of door heilige oefeningen en voorbeelden versterkt worden, terwijl men niet overladen is met de dingen der aarde, noch in de zaken van anderen gewikkeld is, noch door zorgen verontrust wordt, die zouden kunnen noodzaken om de straten der stad te doorkruisen.” De heilige Eusebius plukte van dit werk overvloedige vruchten van genade en heilige stichtingen; door hunne levenswijze toonden zijne priesters oprechte navolgers van Jezus Christus te zijn, en dit klooster vormde de uitmuntendste bisschoppen, welke overal de goede geur der deugden verspreiden, en deze ijverige bedienaars van Jezus Kerk, onder de leiding van hunnen grote bisschop gevormd, oefenden vooral ene heilzame invloed op de bevolking van zijn bisdom. Zij veronachtzaamden het onderwijs der gelovigen niet en men kon hen nooit naderen zonder zich van het liefdevuur, dat hunne harten verslond, doordrongen te gevoelen. Weldra zag men gans Vercelli als van gedaante veranderen. De stad werd een groot huisgezin, hetwelk door dezelfde onderrichtingen gevormd is, naar hetzelfde geluk haakt en door de handen van een heilige en volmaakte liefde verenigd is. Een groot getal zondaars, door de kracht van het Woord van Gods Geest, die door de mond van Eusebius sprak, ontroerd en in welke zijne eerbiedwaardige priesters als zovele afgezanten des hemels, door dezelfde Geest ondersteund en voorgelicht, het grote werk der bekering voltrokken hadden, verlieten hunne ongeregeldheden en kwamen hunne vroegere afwijkingen en misdaden onder de belijdenis hunner zonden door ware boettranen uitwissen, terwijl zij, door edelmoedige na-ijver aangevuurd, het gedrag van de heilige Eusebius en zijne eerbiedwaardige priesterschare ten voorbeeld namen en streven; daarbij zag men vele uitmuntende zielen, die zich beijverden om aan de inwendige bewegingen der genade gehoor te geven, ene ijdele wereld te verzaken en zich door engelachtige zuiverheid aan God toe te heiligen.
Beschouwen wij tot nu toe de heilige Eusebius als een vader, voorbeeld en leermeester zijner geestelijken, als een waakzaam en ijvervol herder, die aan de volmaking en heiligwording zijner hem toevertrouwde kudde onvermoeid arbeidde, nu zullen wij in deze bisschop van Vercelli een prins der Kerk zien, aan wie de Heer het geheiligde pand des geloofs toevertrouwde, hetwelk hij ongeschonden bewaarde en met de kloekmoedigheid eens martelaars verdedigde.
Deze kloekheid toonde hij vooral in het jaar 355 in ene kerkvergadering, welke te Milaan tegen de Arianen belegd was. Keizer Constancius, oppermachtig beheerser van het keizerrijk, zocht langs alle middelen de heilige Athanasius te ontwapenen, met hem van de vereniging en gemeenschap, in welke hij met zijne medebisschoppen leefde, te scheiden, of zeggen wij liever, Constancius zocht door het vervolgen van de heilige Athanasius, niets anders als de Kerk te ontwapenen en het rechtzinnig geloof te vernietigen, ten einde aan de Ariaanse ketterij alle vrijheid te laten. Paus Liberius dacht en wenste het kwade te verhoeden met ene kerkvergadering te beleggen, in welke men over alle zaken volgens de grondbeginselen der rechtzinnige leer en regels der rechtvaardigheid zou beoordelen. Reeds in het begin van het jaar 353 had hij ten dien einde Vincentius van Capua met sommige anderen tot keizer Constancius gezonden, om deze vergadering te beleggen, maar het ontbrak deze gezanten aan moed; allen die zich te Arles bevonden, uitgezonderd de heilige Paulinus van Trier, die daarom verbannen werd, ondertekenden de veroordeling van de heilige Athanasius, maar bij deze ramp werd Paus Liberius op ene merkbare wijze vertroost en versterkt door de heilige Eusebius van Vercelli. De Heer had deze heilige aan zijne Kerk verbonden en wilde, dat hij de Paus in de kommervolle omstandigheden, waarin deze zich bevond, zou versterken en in de verdediging der Kerk ondersteunen. Eusebius zond aan de Paus bovendien de bisschop van Cagliari, Lucifer, met wien Eusebius bijzondere vriendschap onderhield. Deze bisschop, die al de oogmerken der Ariaansche partij kende, zag dat zij onder het voorgeven van Athanasius te veroordelen, de waarheid zochten aan banden te leggen. Lucifer kwam te Rome en stelde zich ter beschikking van de heilige Vader, die, om bij de keizer met meer kracht te werken, hem naar de heilige Eusebius zond en dezen bad hij om met Lucifer het verzoek aan de keizer meer kracht bij te zetten en allen aan te moedigen, die tot de verdediging der Kerk konden meewerken. Baronius heeft deze brief van Paus Liberius aan de bisschop van Vercelli in zijne kerkelijke jaarboeken aangetekend.
Pancratius, priester en Hilarius, diaken der kerk van Rome, werden door de Paus aan de bisschop van Cagliari toegevoegd. Door een zekere Calepodius had Paus Liberius andermaal aan de heilige Eusebius geschreven, om hem zijne gezanten aan te bevelen en uit te nodigen van zich bij hen te voegen, opdat zij gezamenlijk aan de verdediging van de Kerk, het geloof en van ene bisschop, die men tegen alle wetten in zijn afzijn wilde veroordelen, zouden arbeiden.
De pauselijke gezanten kwamen te Vercelli en de heilige Eusebius ontving hen met broederlijke genegenheid; hij weigerde geenszins zich bij hen te voegen en zij hadden weldra ene bijzondere eerbied en achting voor hem opgevat. Eusebius schreef de Paus het voorgevallene in deze bijeenkomst en de heilige Vader betuigde hem in zijn antwoord, dat hem één en ander met blijdschap vervuld had en dat hij hoopte, dat de zaak onder zijne bemiddeling wel zou slagen. De Paus, die zo zeer wenste, dat zijne gezanten het houden ener vergadering zouden verkrijgen, zag zich in zijne verwachting niet teleurgesteld, want men hield in de daad in het jaar 355, waarschijnlijk in de eerste maanden van dat jaar, ene kerkvergadering te Milaan.
Deze kerkvergadering, welke de heilige Vader als middel tot heling van de rampen, welke de Arianen aan de Kerk berokkenden, beschouwd had, vermeerderde dezelve in waarheid. En in der daad kon er wel enige schijn bestaan van vrijheid op ene kerkvergadering, onder ene vorst als Constancius, die de waarheid niet zocht, noch zich aan dezelve met alle kinderlijke getrouwheid hechtte, maar die in alles wilde gehoorzaamd worden en zijnen wil boven alle kerkelijke wetten en grondregels wilde geëerbiedigd hebben. In de verwachting, dat de vergaderde bisschoppen, die tot nu toe rechtzinnig waren, zich aan de willekeur der ketters zouden onderwerpen, hadden de Arianen zelfs op de bijeenroeping ener kerkvergadering aangedrongen. Zij meenden de bisschoppen te zullen kunnen dwingen om al hetgene zij te Tyrus tegen de heilige Athanasius verricht hadden, te bekrachtigen en dachten, zodra zij hem met algemene stem van zijnen zetel verdreven zouden hebben, gemakkelijk te zullen slagen in het opstellen en doordrijven van een nieuw geloofsformulier, met verwerping van dat, hetwelk te Nicea bekrachtigd was. Slechts weinige bisschoppen uit het Oosten waren tegenwoordig; ouderdom, ziekte en verre afstanden waren daarvan de oorzaak, doch indien wij Socrates en Sozomenes geloven, waren er meer dan driehonderd bisschoppen, die door bevelschriften van de keizer opgeroepen waren, tegenwoordig en het laat zich gemakkelijk begrijpen, dat Constancius al zijne macht had doen gelden, in de verwachting van op die wijze er in te zullen slagen om de waarheid aan banden te leggen.
Men merkte al spoedig in de handelswijze dezer bisschoppen zoveel gewelddadigheid en vertreding van alle oprechtheid en alle regels der Kerk op, dat de heilige Eusebius, die zelf tot het bijeenroepen van ene kerkvergadering te Milaan had bijgedragen, niet kon besluiten om op dat concilie te verschijnen. De daar vergaderde verraders zonden een zekere Eustomius, die waarschijnlijk Eudoxius van Germanicie kan geweest zijn, met Germinus van Sirmich tot hem en berichtten hem hetgene te Milaan plaats had en nodigde hem dringend uit om spoedig te verschijnen. Zij zonden hem de brief, welke wij nog bezitten, waarbij die bisschoppen de verheven prelaat van Vercelli vermaanden om zich aan hunne zijde te scharen en de veroordeling te bekrachtigen, welke schier de ganse wereld tegen de ketters Marcellinus en Photinus en tegen de heiligschendende Athanasius uitgesproken had. Zij verzekerden hem, dat wanneer hij van ene tegenovergestelde mening was, zij zich gedrongen zouden zien van hem volgens de regels der kerktucht te behandelen, dat wil zeggen, hem van zijne waardigheid vervallen te verklaren, en dat hij zich dan slechts over zich zelven zou te beklagen hebben. De keizer bekrachtigde dit schrijven door een bevel aan de heilige Eusebius, van zich naar Milaan te begeven. Zo verlangden dus de vijanden van de waarheid de tegenwoordigheid van de heilige bisschop van Vercelli, ten einde hem zo mogelijk deelgenoot van hunne misdaad te maken, of tenminste de voldoening te hebben van zich over zijne edelmoedige standvastigheid te kunnen wreken. De gezanten des Pauses verlangden evenzeer zijne tegenwoordigheid, in het vertrouwen, dat dan alle kunstgrepen der Arianen zouden verijdeld en Valens van Murcia, die het hoofd der goddeloze factie was, zou verdreven worden. Ofschoon Eusebius het lot wel voorzag, dat hem wachtte, besllot hij evenwel van zich niet te laten wachten; hij beantwoordde de brief des keizers en zei, dat hij op de vergadering alles zou beproeven wat hij rechtvaardig en God aangenaam zou oordelen. De moedige bisschop van Vercelli kwam te Milaan, maar de toegang der kerk, in welke de bisschoppen vergaderd waren, werd hem gedurende tien dagen ontzegd. De Arianen, die thans nog de vergadering uitmaakten, namen die tussentijd waar, om de listen en kunstgrepen te beramen, welke zij tegen de heilige prelaat zouden bezigen; toen zij eindelijk hunne plannen beraamd en het vonnis, dat zij vervolgens tegen hem uitspraken, opgesteld hadden, ontboden zij Eusebius, die er met de gezanten van de Stoel van Rome, te weten Pancratus, Hilarius en Lucifer van Cagliari, binnen kwam. Men drong hem aanstonds om de veroordeling en het vonnis van de grote Athanasius te onderschrijven, maar de moedige geloofsheld verklaarde, dat hij zich eerst van het geloof en de Godsdienstige gevoelens der bisschoppen moest verzekeren, wijl er sommigen in de vergadering tegenwoordig waren, van welke hij zeker wist dat zij schuldig aan ketterij waren; hij legde aanstonds de geloofsbelijdenis van Nicea op de lessenaar en zei, dat wanneer allen dezelve ondertekenden, hij zou doen wat hem recht en billijk zou toeschijnen. De heilige Dionysius, destijds bisschop van Milaan, een deugdzaam man, een goed en moedig bisschop en verdediger der waarheid, en zo men meent een leerling van de heilige Eusebius, die hem zijnen zoon noemt, had nauwelijks het voorstel van de bisschop van Vercelli vernomen, of hij nam het geloofsformulier van Nicea om het te onderschrijven; doch toen hij het begon te ondertekenen, rukte Valens van Murcia hem met geweld de pen en het papier uit de handen en schreeuwde overluid, dat men langs die weg nooit iets zou kunnen uitrichten. Dit geschil liep zo hoog en maakte zoveel gerucht, dat het volk zulk weldra vernam, want terwijl de Ariaansche en Katholieke bisschoppen in het koor der kerk, hetwelk door een gordijn gescheiden was, vergaderd waren, bevonden zich de gelovigen van Milaan, die allen Katholiek waren, in het schip of de buik der kerk; allen zowel mannen als vrouwen waren zeer gehecht aan het rechtzinnig geloof, zodat het de toedracht vernemende, groot misbaar maakte, dat zelfs bisschoppen het geloof durfden aanranden. De heilige Dionysius trachtten het volk te stillen en verklaarde, dat men niets kon uitrichten, maar de Katholieken vorderden, dat men eerst de Arianen uit de kerk zou verdrijven. Toen de bisschop van Milaan weer in het koor gekomen was, om aan de bisschoppen het voorgevallene te berichten, hoorde men andermaal een groot gedruis in de kerk. De oorzaak was dat enige keizerlijke beambten zich van een persoon meester hadden gemaakt en die wegvoerden. Het laat zich gemakkelijk vermoeden, dat deze persoon de bisschop van Cagliari geweest moet zijn, die deze onstuimige zitting had bijgewoond, doch bij de andere niet kon tegenwoordig zijn, omdat hij door de Arianen gevangen genomen en in het paleis opgesloten was, waar zij te vergeefse pogingen aanwendden om hem in hunne strikken te doen vallen.
De Arianen hadden zich overtuigd, dat zij van de zijde van Dionysius niets te verwachten hadden en keerden nu opnieuw hunne strijdkrachten tegen de heilige Eusebius, drongen hem andermaal om de veroordeling van de heilige Athanasius te onderschrijven; doch een heilig en standvastig man, die met de wereld niets gemeen wil hebben en zich door de loze streken der booswichten niet laat misleiden, maar zich steeds bereid toont om alles voor de rechtvaardigheid te verduren, laat zich door de bedreigingen van vijanden niet zo gemakkelijk vervaard maken. “Wij zijn hier in de kerk vergaderd,” zei hij, “om over de geloofsaangelegenheden te onderhandelen; wanneer zij derhalve, die daarvan afgeweken zijn, tot het licht der waarheid willen terugkeren, dan kunnen wij over Athanasius beginnen te denken en ons ter plaatse begeven waar hij is; vindt men hem alsdan schuldig, zo zal ik de eerste zijn die zijne veroordeling ondertekenen zal.” De Arianen bleven echter aandringen, dat Eusebius zonder uitstel Athanasius zou veroordelen, wilde zij zelf niet veroordeeld worden; waarop de moedige bisschop hun toevoegde: “Gij weigert zelve het formulier der rechtzinnige geloofsbelijdenis te teken en gij zoudt mij willen dwingen de veroordeling van mijnen broeder te onderschrijven, zonder enige zekerheid van zijne schuld te hebben!” Deze krachtige bestraffing van hunne onrechtvaardige handelswijze maakten hunne woede jegens de grote bisschop van Vercelli meer en meer gaande en zij waren voornemens hem te veroordelen en in de handen der keizerlijke beambten, die bereid waren de bevelen van hunnen meester ten uitvoer te brengen, over te leveren. De menigte welke zich in de kerk bevond, getuige van al wat er voorviel, riep met luide stem: “Dat de ketters buiten gaan, dat de Arianen verdreven worden, dat de stichters van goddeloze leerstellingen verwijderd worden. Leve Dionysius! leve Eusebius! die de Kerk gered hebben.” Men kan met gene genoegzame zekerheid melden wat verder in deze tweede zitting plaats greep, als dat, nadat de stilte hersteld was, het geloofsformulier van Nicea weer voorgelegd werd. De heilige Dionysius en de heilige Eusebius ondertekenden hetzelve; Germinus van Sirmich verklaarde, dat hij in hetzelfde geloof instemde, doch toen men er op aandrong dat hij het formulier zou onderschrijven, verontschuldigde hij zich met te verklaren, dat het genoeg was zulks in het openbaar mondeling gedaan te hebben. Het is altijd duister gebleven wat hem bewogen heeft om zelfs deze eerste stap tot de waarheid te doen. Het concilie van Milaan, zegt Socrates, scheidde nu zonder iets verricht te hebben, wegens de edelmoedige en krachtige tegenstand, welke de heilige Eusebius en de heilige Dionysius boden aan de wederrechtelijke veroordeling van de heilige Athanasius.
Nadat dan de zitting opgeheven was, verschenen beide heiligen in de kerk onder de gelovige menigte. Het volk wilde Lucifer van Cagliari insgelijks zien; de bisschop van Milaan verklaarde, dat deze prelaat in het paleis gevangen gehouden werd, doch dat men geenszins behoefde te twijfelen of Jezus Christus was met hem binnen gegaan. Hij beklom vervolgens de bisschoppelijke zetel, doch daar de Arianen zich onder de menigte gemend en enige hunner bisschoppen de verhevene plaatsen bij het altaar bezet hadden, klom hij weer af; nu verdreef het volk de ketters uit de kerk, die gesloten werd; op aandrang van het volk vierde de heilige Dionysius de Heilige Geheimen, welke met ene openbare dankzegging aan Jezus Christus voor de bescherming, die Hij aan zijne ware aanbidders verleend had, gevolgd werd. Daar men voor geweld vreesde, besloot het gelovige volk de nacht in de kerk door te brengen, en reeds in de vroege morgen kwam Germinus van Sirmich, begeleid door een gesnedene, in de kerk en wilde er ten gunste der Arianen spreken; hij had zich reeds op ene verhevenheid geplaatst, toen het volk hem met de gesnedene uit de kerk verdreef. Men bracht de ganse dag en de volgende nacht in de kerk door; de gesnedenen kwamen vervolgens de heilige Dionysius, de heilige Eusebius en andere rechtzinnige bisschoppen, die met hen waren, vragen wat zij van de keizer verlangden. Zij verklaarden, dat zij niets zo zeer wensten, dan in vrijheid over de geloofspunten met de ketters te spreken en het genoegen te hebben van de bisschop van Cagliari weer in hun midden te zien. Het laatste werd ingewilligd, doch geen der Arianen was stout genoeg zich in hunne tegenwoordigheid te begeven, ten einde hunne goddeloze en godslasterende leerstellingen te verdedigen, of nederig genoeg om de dwaling af te zweren en de waarheid te omhelzen. deze ketters hadden andere oogmerken; zij vreesden het volk en durfden in deszelfs tegenwoordigheid hunne afschuwelijke ketterij niet openlijk te belijden; op bevel van de keizer waren zij nu in het paleis vergaderd en die verloochenaars van Jezus Christus en schandelijke aanbidders en kruipers voor de tijdelijke macht, droegen de keizer het voorzitterschap op, zelfs bij de behandeling der Godsdienst en leerstellige punten. Men zond nu vanwege de keizerlijke theoloog bevel aan de heilige Eusebius, aan Lucifer en Florentius, om zich naar het paleis te begeven; later zond men de heilige Dionysius, die bezig was met het volk te onderwijzen, hetzelfde bevel, doch deze weigerde te komen en verklaarde, dat zijne schapen, die zich in de kerk bevonden, niet kon verlaten en betuigde, dat zij, die zich op het paleis bevonden, zeer wel in staat waren om het rechtzinnige geloof tegen de goddeloosheden der Arianen te verdedigen. De Arianen legden aan de bisschoppen een brief of liever een besluit voor in naam van Constancius, welk geschrift al het venijn der ketterij bevatte; de keizer vorderde, dat men dit geschrift zou aannemen en deed hen door zijne beambten zulks dringend voorstellen in een vertrek, waarvan hij slechts door een voorhangsel afgezonderd was, zodat hij gemakkelijk de ganse redetwist kon vernemen. De pauselijke gezanten verklaarden, dat wanneer de vorst tegen hun al het geweld bezigde, hetwelk de tijdelijke macht hem toekende, hij evenwel nooit van hen zou verkrijgen van tegen de geloofsbelijdenis van Nicea te handelen. Constancius, die niets meer vorderde dan dat Athasius veroordeeld werd, wel bewust, dat het gevolg daarvan het Arianisme op de troon zou vestigen, had met geen ander doel de vergadering bijeengeroepen als om een bisschop te doen veroordelen; hij vorderde, dat zij degenen, wiens misdaad men niet kende, als schuldig zou beschouwen; hij wilde, dat allen zich aan zijne kerkelijke gemeenschap zouden onttrekken, wijl Athanasius, zoals hij zei, gezondigd had tegen God, zodat hij om zijne heiligschennis zelfs de dood verdiende en dat hij hem wilde veroordeeld hebben, wijl hij wist, dat men daardoor een God aangenaam werk verrichtte. De heilige Eusebius antwoordde eenstemmig met zijne medebroeders, dat het niet geoorloofd was iemand in zijne afwezigheid te veroordelen, dat men anders tegen de rechtvaardigheid zou handelen; allen boden aan om zich op eigen kosten naar Alexandrië in te schepen, ten einde te midden van het volk, over hetwelk God de grote Athanasius gesteld had, de beschuldigingen te horen en te onderzoeken, doch dat de Arianen tegen een Katholieke bisschop niet konden gehoord worden; dan Consrtancius wilde van niets weten en vorderde het bloed, naar hetwelk hij reeds zolang dorstte. Het is genoegzaam bekend dat Ursacius en Valens in het jaar 349, bij de zegevierende intocht van de heilige Athanasius in Alexandrië, hunne vroegere beschuldigingen tegen de heilige herroepen hadden. Ofschoon die herroeping meer een gevolg van hunne staatkunde dan van een boetvaardig hart was geweest, bleef het echter van belang voor de rechtvaardiging van de aartsbisschop van Alexandrië, hunne vroegere beschuldigingen tegen de heilige herroepen hadden. Ofschoon die herroeping meer een gevolg van hunne staatkunde dan van een boetvaardig hart was geweest, bleef het echter van belang voor de rechtvaardiging van de aartsbisschop van Alexandrië, dat twee zijner woedendste vijanden, die het grootste deel aan de vroegere vervolgingen tegen hem genomen hadden, zijne onschuld openlijk erkenden en door hunne herroeping beleden, dat al hetgene zij tegen de heilige patriarch aangevoerd hadden, laster geweest was. Lucifer van Cagliari en de heilige Eusebius bedienden zich voor de keizer van deze herroeping van Ursacius en Valens, ten einde de onschuld van de heilige Athanasius te bewijzen, en daar zij daardoor zijne beschuldigers zo zeer in het nauw brachten, dat deze niets meer konden antwoorden, stond de keizer op en liet zich deze vreemde uitspraak ontvallen: “Ik ben in dit ogenblik de beschuldiger van die Athanasius en gelooft om mijnentwille al hetgene, wat men tegen hem aanvoert.” Doch de bisschop van Vercelli antwoordde met zijne medebisschoppen, dat er niet veel aan gelegen was of hij al of niet zijn beschuldiger was, wijl de beschuldigde niet tegenwoordig zijnde, ook niet kon veroordeeld worden; dat hier over gene burgerlijke zaak, waarbij men de keizer op zijn woord te geloven had, gehandeld werd, maar over de veroordeling van ene bisschop, waarbij men de striktste onpartijdigheid in acht moest nemen. Constancius, in stede van zich met dit antwoord tevreden te houden, nam het als ene belediging op, welke hij niet ongestraft wilde verdragen. De heilige Athanasius maakt ons nog met andere omstandigheden bekend; hij had, zegt de heilige, van de bisschoppen gevorderd om de aartsbisschop van Alexandrië te veroordelen en met de Arianen kerkelijke gemeenschap te houden. Zij vonden die vordering vreemd en verklaarden, dat beide zaken tegen de wetten en regels der Kerk streden, waarop de rampzalige vorst aanstonds uitriep: “Mijn wil moet u als een regel der kerk wezen; want zij, die gij bisschoppen van Syrië noemt, dulden, dat ik op deze wijze spreek. In één woord, gij moet mij gehoorzamen, of gij zult gelijk anderen gebannen worden.” De bisschoppen stonden over de vermetelheid van de vorst verslagen, hieven hunne handen ten hemel en verklaarden met bisschoppelijke vrijmoedigheid, dat het keizerrijk niet hem, maar aan God, die het hem gegeven had, behoorde; vermaanden hem vervolgens, dat hij de Goddelijke Majesteit vrezen moest, die hem op een ogenblik de kroon en het leven ontnemen kon. Zij bedreigden hem met de grote oordeelsdag en smeekten, dat hij toch de wetten der Kerk niet zou schenden, noch de keizerlijke macht met het bestuur der Kerk zou gelijk stellen en steeds zou zorgen, dat de ketterij van Arius zich niet in de Kerk indrong. Constancius hield evenals Farao zijne oren voor de vermaningen gesloten, hij gebood de bisschoppen van te zwijgen en antwoordde hen met de vreselijkste bedreigingen; trok zelfs zijn zwaard tegen hen, gaf bevel om sommigen hunner met de dood te straffen, doch veranderde weldra van gedachten en veroordeelde hen tot verbanning. Het vonnis werd evenwel niet dadelijk ten uitvoer gelegd; de heilige Eusebius verwierf met de bisschop van Cagliari en Florentius vrijheid om met het gelovige volk naar de kerk terug te keren, evenwel was het gerucht reeds algemeen verspreid, dat zij de volgende nacht naar het oord hunner ballingschap zouden vervoerd worden; zulks belette niet, dat men zich de ganse nacht bezig hield om God te verheerlijken en zijne barmhartigheden lof te zingen; reeds voor de morgenstond verscheen een zekere kamerdienaar van Constancius, een gesnedene, met geweld binnen de geheiligde gewelven en nam honderdzevenenveertig personen, bisschoppen, geestelijken en gelovigen gevangen; de leken en geestelijken werden in de badstoven van Maximianus Hercules opgesloten, de bisschoppen Lucifer en Florentius aan de tribun Cajus en de heilige Eusebius aan de tribun Galbion overgeleverd. De heilige Dionysius was nog in zijne kerk met de gelovigen vergaderd gebleven, doch in het oog der Arianen even misdadig als de anderen, en deelde alzo weldra in hunne overwinning. De getrouwheid en ijver, welke de inwoners van Milaan aan de dag legden, die gehecht aan het geloof, het bevelschrift des keizers verwierpen, was het bewijs van de vaste spijze, die zij van hunnen bisschop ontvangen hadden, maar tevens de oorzaak dat men hem met drift vervolgde. Constancius had zich altijd nog zijnen vriend getoond, doch van het ogenblik dat de vorst de ketterij beschermde, verwierp Dionysius ’s keizers vriendschap, uit vrees van die van Jezus te zullen missen; hij verlangde vurig in ballingschap gezonden te worden, want hij vreesde van het gezelschap der heiligen buitengesloten te blijven.
De Arianen werden tegen hem en de heilige Eusebius nog meer dan tegen de anderen verbitterd. Misleid en bedrogen door de leugens, welke de keizer zich niet geschaamd had aan te voeren, liet de heilige Dionysius zich overreden om de veroordeling van de heilige Athanasius te ondertekenen, onder beding evenwel, dat men het pand des geloofs zou onderzoeken; zoals Baronius aanmerkt, was zulks reeds geschied eer de heilige Eusebius te Milaan was gekomen. Deze heilige, die, zoals wij volgens de heilige Ambrosius gezegd hebben, hem zijnen zoon noemde, stond daarover niet weinig verslagen en dacht nu, ten einde de bisschop uit ene misslag te redden, in welke hij door zijn te groot vertrouwen op ’s keizers woord gevallen was, schier dezelfde kunstgreep te mogen bezigen, namelijk die van misleiding. Hij zei, toen men hem de ondertekening der veroordeling door Dionysius voorlegde, dat hij het vreemd vond, dat zij zijnen leerling, die hij zijnen zoon noemde, aan hem voorgetrokken en dat dat zij dit gedaan hadden, die volgens hun gevoelen, niet eens geloofden, dat God de Zoon aan zijnen Vader gelijk is. De Arianen, die de kunstgreep van de heilige Eusebius niet begrepen, wilden hem hierin wel voldoening geven, wijl zij zich van Dionysius verzekerd hielden; zonder zwarigheid wisten zij de handtekening van de bisschop van Milaan uit, opdat de bisschop van Vercelli de zijne bovenaan zou kunnen plaatsen, doch hoe groot was niet de verwarring en verslagenheid van deze bisschoppelijke hovelingen, toen zij overtuigd werden, dat deze twee vrienden alle medewerking aan het werk hunner goddeloosheid van de hand wezen, door te weigeren hunne namen onder het afschuwelijke en onrechtvaardige vonnis te stellen.
Wij hebben reeds aangetekend, dat de heilige Eusebius, Lucifer van Cagliari en Florentius van Merida met onderscheidene andere personen, ten getale van honderdzevenenveertig, gevangen genomen waren, tegen welke men zoveel te meer woedde, om de kunstgreep van de bisschop van Vercelli, door welke hij te voren Dionysius van Milaan gered had. Na zich derhalve van deze drie bisschoppen verzekerd en hen overgeleverd te hebben, begaven de Ariaansche bisschoppen, begeleid door keizerlijke beambten, zich naar de kerk, waar de heilige Dionysius zich nog met het onderrichten van de gelovigen bezig hield; zij drongen deze prelaat om met hen tegen de drie hiergenoemden het vonnis van afzetting uit te spreken, maar hij, versterkt door de genade des Allerhoogste, antwoordde, dat hij er verre af was van dusdanige misdaad te bedrijven en dat hij zich zeer gelukkig zou achten, wanneer hij evenzo behandeld werd als deze getrouwe verdedigers der Godheid van Jezus Christus en der onschuld van ene bisschop, die men had durven veroordelen zonder hem gehoord te hebben. Nu spraken de Ariaansche bisschoppen zelve het vonnis van afzetting tegen hem uit, doch zij werden door het gelovig volk weldra met hunne ganse aanhang uit de kerk gedreven. De volgende dag verscheen een zekere Datianus, een hofbeambte, met het stellig bevel van de keizer, dat de bisschop zich naar het paleis te begeven had en hij werd zelfs met geweld daarheen gevoerd; weldra vergaderde de menigte voor het paleis en men zag zich gedwongen de heilige Dionysius weer vrij te laten; hij keerde eerlang met de menigte naar de kerk terug, besteeg de bisschoppelijke troon, onderhield de gelovigen met de voorlezing en de verklaring van Gods woord en vierde de Heilige Geheimen van Jezus vlees en bloed, aan welke allen deel namen. Dionysius had de dwaling en ketterij te zeer bestreden, om niet gelijk zijne medebroeders behandeld te worden. Zodra de menigte de kerk had verlaten, kwam de gewapende macht hem gevangen nemen. Men sloot hem op in het huis van een gerechtsbeambte en hij vertrok de volgende nacht naar de plaats zijner ballingschap. De heilige Eusebius en Lucifer werden insgelijks vervoerd, misschien wel tezelfdertijd; de priesters Pancrasius en de diaken Hilarius, insgelijks gezanten van de Paus, deelden in hetzelfde lot; doch voor men hen vervoerde, lieten Ursacins en Valens met enige gesnedenen de diaken Hilarius ontkleden en hem de rug door zweepslagen verscheuren; de diaken zegende de Heer en versterkte zich in het lijden door het voorbeeld des Verlossers’de Arianen beschimpten hem en vroegen waarom hij zich niet tegen Liberius had verzet en zich met zijne brieven belast.
De belijders werden alzo verbannen, zonder andere misdaad begaan te hebben, dan zich tegen de vestiging der Ariaansche ketterij en tegen de veroordeling van de heilige Athanasius verzet te hebben; het ene zowel als het andere punt was genoeg om hun de titel van belijder te doen verdienen, maar de Arianen, die niet wilden, dat men zou kunnen zeggen, dat zij om de Heer vervolgd werden, beschuldigden hen van verschillende misdaden, doch hunne valse aantijgingen waren zo duidelijk, dat zij hierdoor de roem van deze geloofshelden nog meer verbreid hebben.
Deze helden wilden moedig de weg der smarten bewandelen; zij schudden het stof van hunne voeten, hieven hunne ogen en handen tot God en verheugden zich, dat zij om de Heer noch de bedreigingen van ene dwingeland, noch de tegen hen uitgetrokken zwaarden ontzien, maar het geloof zuiver en vlekkeloos bewaard hadden; de wapenen, die hen bedreigd, de soldaten, die hen van des Heren altaren weggesleurd hadden, waren inderdaad als zovele bewijzen van hunne zegepraal.
Deze geloofshelden wisten hunne ballingschap voor het heil der Kerk en voor de verbreiding der waarheid nuttig te doen zijn, want de boeien, welke zij torsten, beletten hen niet om overal het Evangelie en de Godheid van Jezus Christus te prediken. Elke plaats, elke stad, welke zij doortrokken, hoorde hen het rechtzinnig geloof en de verdoeming van de Ariaansche ketterij prediken, zodat de vijanden der waarheid moesten dulden, dat hunne boosheid tegen hen gekeerd werd; want hoe verder deze heiligen vervoerd werden, hoe smartelijker en langduriger hun tocht werd, hoe meer de afschuw tegen hun geweld verbreid en vermeerderd en de goddeloosheid van hunne leerstellingen zichtbaar en duidelijk werden. Zij, die getuigen waren van hun lijden, werden insgelijks de bewonderaars van hunnen moed; men ontving hen overal als zovele belijders, die geenszins door Christenen, maar door de vijanden van Jezus Christus vervolgd werden; men zag hen in waarheid overal met eerbied behandeld, van alle zijden werd overvloedig in hunne behoeften voorzien en uit alle streken kwamen van de zijde der Katholieken enige gezanten, die hen uit naam hunner geloofsbroeders vereerden.
Paus Liberius, die nog niet verbannen was, maar die een gelijk lot verbeidde, had niet zodra vernomen, dat zij hem in deze heerlijke belijdenis, van welke hij gewenst had een voorbeeld te geven, waren voorgegaan, of hij zond hun ene brief, die aan de heilige Eusebius, Lucifer en Dionysius gericht was, maar die zij elk in het bijzonder ontvingen. De heilige Vader betuigde hun zijne vreugde over hunne standvastigheid en zijne smart van niet in hun lot te mogen delen. Hij smeekte hen, dat zij hem evenwel als bij hen tegenwoordig en met hen in ballingschap verenigd zouden beschouwen, wijl hij zich in hun persoon als balling aanzag. Hij verzekert hun, dat hun roem te groter is, wijl zij geenszins het bloedig zwaard eens vervolgers, maar de trouweloosheid van valse broeders te bestrijden hadden, en verzocht ernstig hunne voorbede om insgelijks met moed de rampen te verduren, welke hem boven het hoofd hingen; hij smeekte hun vervolgens, dat zij toch nauwkeurig in geschrift al de gevolgen van hunnen roemvolle kampstrijd zouden optekenen en hem toezenden.
Mochten zij dus overal de vertroosting der Katholieken, die als om strijd tot hen snelden en bijstand boden, smaken, de ketters daarentegen stelden alles in het werk om hunne ellende te vermeerderen en hunne folteringen te verzwaren. De geschiedenis van de heilige Eusebius zegt, dat hij naar Scythopolis vervoerd wordende, gedurende enige tijd in ene zo enge en lage kerker opgesloten werd, dat hij niet overeind staan of uitgestrekt liggen kon, en wij zullen weldra zien in hoeverre de heilige bisschop van Vercellki door Patrophilus in Scythopolis mishandeld werd. Vernemen wij slechts hetgene Lucifer van Cagliari zowel van zich als van zijne lotgenoten in de ballingschap vermeldt. “Omdat,” zo schrijft hij aan keizer Constancius, “wij uwe goddeloze vergadering verfoeien, omdat wij ons van uw concilie afgescheiden hebben en uwe rampzalige samenzwering tegen Jezus Christus met afschuw aanzien, daarom worden wij in ballingschap gezonden, doet men ons in de kerker versmachten, berooft men ons van het licht der zon, laat men ons in de duisterste holen aan ons lot over, terwijl het aan niemand vergund wordt ons te komen vertroosten.”
Wij kunnen van ons niet verkrijgen de schone lofspraken van de heilige Ambrosius betreffende deze geloofsbelijdenis niet te vermelden, want God, die hem voor de verdediging zijner waarheid in het lijden van zijnen Zoon deed delen, stortte over hen grotere gunsten en vertroostingen uit, naarmate de Arianen hunne ellenden zochten te vermeerderen. “Zij,” dit schrijft de heilige Ambrosius vooral de heilige Eusebius van Vercelli en de heilige Dionysius van Milaan, “zij dwaalden op fde ganse aarde om, schenen aan alles gebrek te hebben, ofschoon zij alles bezaten. Zij beschouwden elke plaats, waarheen men hen voerde, als een liefelijk oord. Vervuld met de schatten des geloofs, hadden zij aan niets enige behoeften en verrijkten zelfs anderen, omdat zij zo rijk aan genade waren, als zij aan al het uitwendige arm schenen. Beproefd door vaste, vermoeienissen, kerkers en waken, vonden zij veeleer het leven dan de dood. Hunne zwakte maakte hen sterk, zelfs door de honger gevoed, achtten zij noch de genoegens, noch de zoetigheden van het leven. De brandende hitte van de zomer smarte hen niet, want zij gevoelden ene aangename verfrissing in de verwachting van de eeuwige heerlijkheid; de strenge winter der fijne luchtstreek, onder welke zij gesteld waren, was niet in staat om hen neer te slaan, want de vurige ijver die hem vervulde en de blijdschap van zich voor God te kunnen opofferen, deed hen te midden van de harde winter de zoetigheden der lente genieten. Zij duchten de banden niet, waarmee mensen hunne lichamen knelden, want Jezus Christus had hunne ziel vrijgemaakt. Zij waren niet verlangend om van de dood bevrijd te worden, want zij hielden zich verzekerd door Jezus Christus te worden opgewekt.”
De geloofsbelijders werden naar verschillende plaatsen verbannen; dit was ene nieuwe wreedheid van Constancius, want door deze maatregel wilde hij de bisschoppen tot zwakheid brengen, doch hij begreep niet, dat hij, met de heiligen van elkander te scheiden, zijne schande en de misdaad van de Ariaansche ketters overal ten toon stelde, terwijl de onschuld van de heilige Athanasius zoveel te meer bleek, want niets was meer in staat die vervolgde heilige te rechtvaardigen, dan dat zovele doorluchtige mannen liever de hardste vervolgingen wilden verduren, dan in ene onrechtvaardige veroordeling toe te stemmen. Lucifer van Cagliari werd naar Germanicie in Syrië, waar de Ariaan Eudoxius de bisschoppelijke zetel bevlekte, de heilige Eusebius naar Scythopolis in Palestina in handen van de afschuwelijke Patrophilus overgeleverd. Wat van Pancracius en Hilarius geworden is, is niet bekend, dit weten wij, dat de laatste de keizer Constancius overleefde en ongelukkig genoeg in de scheuring van Lucifer van Cagliari en later in de ketterij der Luciferianen vervallen is. De heilige Dionysius werd naar Armenië gezonden en in ene nauwe kerker opgesloten, doch zulks belette niet dat zijn roem alom verbreid werd; de Heer begunstigde hem met de gave van mirakelen, welke hij omtrent elk, die zijne toevlucht tot hem nam, aanwendde. De heilige Ambrosius vermeldt, dat hij van God door vurige gebeden verwierf van in ballingschap te sterven, en zo naderde hij de roem der martelaren meer dan de heilige Eusebius, die hem wel is waar in de eer der belijdenis was voorgegaan, doch eindelijk in vrede onder zijne schapen te Vercelli stierf. Nauwelijks was de heilige Sionysius ontslapen, of men stelde op de zetel van Milaan een zekere Auxentius, één der afschuwelijkste Arianen van zijnen tijd.
De heilige Eusebius was, zoals wij opgemerkt hebben, naar Scythopolis in Palestina verbannen; onderscheidene priesters, diakens en andere gelovigen waren insgelijks derwaarts vervoerd. Onder dezen worden een zekere priester Triginus, een zekere Exuperantius, leerling des heiligen, later bisschop van Tortona en de heilige Honoratus genoemd, die omtrent het jaar 396 door de heilige Ambrosius tot bisschop van Vercelli gewijd werd. De vermaarde Baronius heeft in zijne gedenkschriften ene brief bewaard, door de heilige Eusebius eigenhandig geschreven, in welke hij al het lijden vermeldt, dat men hem deed ondergaan en de behandeling, welke hij te Scythopolis te verduren had. Hij had zijnen intrek genomen bij graaf Joseph, die zijn gezag slechts aanwendde om het vonkje van het Katholieke geloof tegen de Arianen in Scythopolis brandende te behouden. Daar ter plaats kwam de heilige Epiphanius, die toen als kluizenaar onder de leiding van de grote Hilarion Palestina bewoonde, Eusebius meermalen troosten; omtrent die tijd werd graaf Joseph, wiens bescherming zo noodzakelijk scheen te zijn, door de Heer ter eeuwige beloning opgeroepen; de Herder der Kerk wilde daardoor de gelovigen doen opmerken, dat de waarheid gene menselijke verdedigers behoeft, en dat zij meer zegeviert in de vervolging, welke hare dienaren te verduren hebben, dan in schijnbare vrede en rust.
De heilige Eusebius werd nu naar ene andere woning vervoerd (wij volgen hier het geschiedverhaal des lijders door de grote bisschop van Vercelli zelf medegedeeld), waar hij als een gevangene behandeld werd, want van de zijde des keizers werd hem zulks door Patrophilus, Ariaansch bisschop van Scytopolis, bericht en hij ging niet vandaar voor dat men hem met geweld verplaatste; hier was de heilige belijder evenwel nog vergund om de bijstand en het bezoek te ontvangen van onderscheidene personen, die hem zelfs van verwijderde plaatsen kwamen zien; hetgeen hem opbeurde bij het ontvangen van de gelovigen, die in zijn lot levendig deel namen. Zijne droefheid was bovenmatig en hij stortte meermalen hete tranen, omdat hij gedurende geruime tijd geen bericht van Vercelli ontvangen had; de waakzame, maar door de wreedheid eens vervolgers van zijne kudde afgerukte en in ballingschap zuchtende herder vreesde, dat de verleiding van Satan, het geweld der mensen en menselijk belang zijne kinderen wellicht had doen bezwijken. Dan God, die zijne getrouwe dienaren met troost in lijden vervult, verblijdde insgelijks de moedige geloofsheld door de komst van de diaken Syrus en van de exorcist Victorinus, die hem brieven en aalmoezen van zijne kinderen van Vercelli en van die van Novarre, Tortona en andere plaatsen brachten. De heilige Eusebius was buiten zich zelven van vreugde, toen hij hierdoor overtuigd werd van het onwrikbare geloof, van de liefde en goede werken zijner kinderen; hij deelde hunne aalmoezen niet slechts aan de priesters, diakens en anderen om het geloof vervolgden uit, maar stortte die ook rijkelijk in de schoot der armen van Scythopolis. De Arianen, die deze werken van barmhartigheid met leden ogen aanzagen en nog woedender werden, omdat zij met al hun geweld de belijders niet konden verleiden, besloten zij om ene laatste poging tegen de moedige verdedigers der Godheid van Jezus aan te wenden. Zij sleurden derhalve de heilige Eusebius met geweld uit zijne woning, sleepten hem langs de straten, of droegen hem met het hoofd neerwaarts en met zijn lichaam gans ontbloot schaamteloos rond; nu wierpen zij hem in een ander huis, waar hij in een eng vertrek werd opgesloten; bij dat alles bad hij de grootste beschimpingen te horen, daar zij zich voor hem beroemden, dat zij van de keizer volmacht hadden, om hem naar verkiezing te mishandelen. Eusebius toonde hun evenwel hoe zwak en nietig alle menselijk geweld is; hij bleef steeds rustig, klaagde niet en gaf hun, als aan zovele beulen, zijn lichaam over. Op deze wijze mishandelden zij hem vier achtereenvolgende dagen, en ofschoon zij zijne standvastigheid kenden om met hen gene kerkelijke gemeenschap te willen houden, wilden zij evenwel beproeven, of zij zich tegen hem niet zouden kunnen beroemen, dat hij met hen gemeenschappelijke spijzen nuttigde; de kettergeest trouwens is onuitputbaar in listen. Zij beletten derhalve de priesters en diakens hem te bezoeken en verboden aan elk ten strengste om hem enige bijstand te verlenen. Eusebius, die hunne kwaadwillige oogmerken bevroedde, weigerde gedurende vier dagen enig voedsel uit hunne handen te ontvangen, en toen hij schier zou bezweken hebben, zond hij hun ene akte, welks titel aldus luidde: “Eusebius, dienaar des Heren, benevens de andere dienstknechten van God, die om het geloof met mij mishandeld worden, aan Patrophilus, kerkermeester en aan de zijnen.” Vervolgens gaf hij een klein verslag van al het geweld en de folteringen, welke hij te verduren had en hij verklaarde aan deze ketters, dat hij om gene gemeenschap met hen te tonen, geen de minste spijs of drank uit hunne handen wilde ontvangen, totdat zij beloofd en ondertekend zouden hebben, dat zij aan de andere belijders toegang tot hem zouden verlenen, die hem dan wel uit hunne woning voedsel zouden doen toekomen. Hij voegde er bij, dat hij hun deze verklaring zond en in het openbaar verspreidde, opdat zij zouden weten, dat wanneer zij hem liever van honger wilden doen omkomen, dan toelaten, dat hij door zijne broeders gevoed werd, elk zou weten, dat zij moordenaars waren en dat men hem nooit zou kunnen beschuldigen van zich zelven, om voor verdere smaad behoed te worden, om hals gebracht te hebben; en dat hij, wanneer zij deze verklaring niet zouden willen eerbiedigen, de geringe tijd, die hem te leven nog over was, zou bezigen, om aan alle kerken hunne mishandelingen mede te delen, opdat de ganse wereld zou leren kennen hoezeer de wreedheid der Arianen tegen de recht6zinnigen en tegen het Goddelijk geloof bleef woeden. Hij eindigde deze verklaring met de volgende merkwaardige woorden, die de Arianen ene donderslag waren: “De almachtige God weet het; zijn enige en onbeschrijfelijke uit Hem geboren Zoon, die de oorsprong van onze zaligheid, God van eeuwige kracht, die de volkomen mens heeft aangedaan, heeft willen lijden en na de dood overwonnen te hebben, de derde dag verrezen is, die aan de rechterhand des Vaders zit en de levenden en doden zal komen oordelen, weet het; de Heilige Geest weet het; de Katholieke Kerk, die deze geheimen gelooft, is getuige, dat ik niet schuldig ben aan mijnen dood, maar gij, die mijne mededienaren belet mij het noodzakelijke voedsel te doen toekomen. Ik Eusebius bisschop heb dit onderschreven.” Na vervolgens deze akte ondertekend te hebben, bezwoer de heilige allen, die haar zouden lezen, in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest, dat zij het stuk insgelijks aan anderen zouden doen lezen.
De Arianen durfden na deze verklaring hem niet langer te martelen en gaven hem vrijheid om naar zijn eerder verblijf terug te keren; ten aanschouwen van zijner vijanden werd de roemvolle belijder door de menigte met groot gejuich begeleid; men omringde zijne woning met flambouwen en lantaarns, en hij verdeelde weer de aalmoezen, die men hem toezond of bracht, onder de armen.
De Arianen konden het niet verduren, dat de heilige Eusebius dusdanige vrijheid in zijne ballingschap genoot, en het smartte hen die gunst te hebben toegestaan; nauwelijks had hij vijfentwintig dagen rust genoten, of zij kwamen gewapend met stokken en begeleid door ene hoop gemeen volk, hem opnieuw verontrusten; dat schuim brak met geweld in het aan zijne woning belendende huis, welke binnenmuur zij verbrijzelden; zij verzekerden zich van Eusebius en de priester Triginus en brachten beiden in ene kerker; de andere priesters en diakens werden insgelijks gevangen genomen en naar ene kerker vervoerd; zij wierpen op eigen gezag onderscheidene andere personen, die gene andere misdaad bedreven hadden als dat zij de bisschop van Vercelli waren komen zien, in de stadsgevangenis, in welke zij hen enige dagen lieten zuchten; onder dezen waren de dienaars van de heilige Eusebius en zelfs enige aan God toegewijde maagden. Ook vaardigden zij een streng bevel uit, waarbij aan elk verboden werd Eusebius te komen bezoeken en onder de scherpste bedreigingen werd zelfs door hen belet in de nabijheid der gevangenis te komen.
Niet tevreden van de dienaar des Allerhoogste opnieuw gekerkerd te hebben, roofden zij bovendien al wat hij ten behoeve der belijders en armen had afgezonderd; doch daar het volk begon te morren, gaven zij hem enige klederen van weinig belang terug en wilden dit doen voorkomen als hadden zij zijne bezitting onaangeroerd gelaten, doch al het andere en de gelden verdeelden zij onder elkander. De Arianen en hun bisschop Patrophilus verlangde niets zo zeer als de heilige Eusebius uit de weg te ruimen en verboden andermaal ten strengste om hem enige levensmiddelen te brengen; zij lieten hem gedurende zes dagen, in welke hij niets gebruikte, liggen, doch daar zij het gemor der menigte niet langer durfden te trotseren, veroorloofden zij de zesde dag, dat zijne vrienden hem enige spijzen brachten, hetgeen hoog tijd was, daar hij begon te bezwijken.
In deze ellendige toestand bezocht en vond hem de diaken Syrus, bij zijne terugkomst van Jeruzalem. Hij was juist bezig met aan de kerken van Vercelli, Novarre, Tortona en anderen te schrijven, ten einde deze met zijn lijden bekend te maken en tot standvastigheid in het geloof aan te manen. Hij schreef zijne brieven met de grootste zorgvuldigheid, uit vrees dat zijne kerkerwachters hem deze zouden ontweldigen; hij getuigt, dat hij de Heer onophoudelijk bad van niet toe te laten, dat zij hem overvielen voor het werk zou geëindigd zijn; hij vroeg ootmoedig verschoning aan de gelovigen, dat hij zich gedrongen zag van slechts allen in het algemeen te groeten, en betuigde zijne liefde tot hen en verzekerde hen, dat hij niets meer wenste dan hun alle mogelijke diensten te kunnen bewijzen, en dat hij zelfs bereid was zijn leven voor het heil van hunne ziel op te offeren.
Deze in de daad merkwaardige bijzonderheden hebben wij uit zijnen brief, aan zijne en andere kerken gezonden, overgenomen; de kardinaal Baronius heeft denzelven in zijne jaarboeken overgenomen en wij gaan nog enige andere omstandigheden voorbij, wijl wij vrezen te wijdlopig te worden. Deze is behalve een klein briefje aan keizer Constancius, het welk hij hem zond voor hij zich naar Milaan begaf en de brief aan Gregorius, bisschop van Elviria in Spanje, van welke wij nog zullen gewagen, het enige gedenkstuk, hetwelk wij nog van deze grote heilige bezitten. Eusebius had insgelijks de verklaring over de psalmen, door Eusebius van Cesarea bewerkt, in het Latijn overgebracht; dit werk was zeer geleerd, maar van ene ketter en vandaar, dat de heilige slechts datgene overnam, wat de Katholiek ongehinderd kon lezen, terwijl hij al het overige vermeed. Dit werk, zeer zeker ene vrucht van zijne ballingschap, wijl de heilige Hieronymus verzekert, dat hij het licht deed zien toen hij onder Juliaan in Italië terugkwam, is niet tot ons gekomen. Zijn levensbeschrijver zegt insgelijks, dat de bisschop van Vercelli ene brief aan de kerk van Milaan gezonden heeft en de gelovigen vermaande van toch getrouw te blijven aan het rechtzinnig geloof, hetwelk de heilige Dionysius onder hen gepredikt en tot zijnen dood verdedigd had.
De heilige was nog groter lijden beschoren, want hetgene wij nu nog te vermelden hebben, is waarschijnlijk na de beproeving door de bisschop zelve beschreven, te Scytholis voorgevallen en door ene schrijver zo oud als de heilige Ambrosius medegedeeld. Onder alle andere folteringen, welke men Eusebius in het Oosten deed verduren, wordt opgegeven, dat de Arianen, na van hem gevorderd te hebben, dat hij met hen kerkelijke gemeenschap zou houden, hetwelk hij volstrekt bleef weigeren, de belijder van Jezus Christus met het hoofd neerwaarts tot op de grond langs ene lader neerlieten en weer deden opstijgen, en bij zijne voortdurende weigering deze marteling zolang herhaalden, totdat zijn hoofd geheel gekneusd, zijn lichaam gekwetst en zijne ledematen verrekt waren; doch zijne ziel bleef standvastig. in de daad, de wreedheid van de onmenselijke Patrophilus bewees de waarheid van hetgeen een heiden van de schijn-Christenen zei: “Dat er geen voor de mens wreedaardige en bloeddorstiger dieren gevonden worden dan de Christenen jegens elkander.”
De heilige mocht te Scythopolis het einde van zijne verbanning niet ondervinden, maar werd naar Cappadocië en vandaar naar Egypte in de hoge Thebaïsche woestijnen gezonden, waarom hij in de brief, aan de bisschop Gregorius in Spanje gericht, van zijne derde verbanning spreekt. Deze bisschop schreef hem in het jaar 359 of 360 nopens de tegenstand tegen de ongelukkige Osius, bisschop van Corduba, na diens val en tegen allen, die in het concilie van Rimini zich aan de zijde der Arianen geschaard hadden. de heilige Eusebius verheugt zich in zijnen brief aan die prelaat over zijne kloekheid in het weigeren van kerkelijke gemeenschap met huichelaats te houden, hij vermaant standvastig te blijven en de aardse vorsten evenmin als de macht der Arianen te vrezen, wijl deze hunne hoop ene met tijdelijke macht bekleden mens stelden. Wijders zegt hij, dat hij door de hoop op de bijstand des Heren gerugsteund, wenst voor zich zelven tot aan het einde van zijne kwellingen standvastig te blijven, om eenmaal door God in zijn koninkrijk verheerlijkt te worden. Hij verzekert hem van zijne kerkelijke gemeenschap en bidt hem al degenen, die met hem aan hunne plichten gehecht bleven, op te noemen.
Wij mogen hier niet voorbijgaan wat wij in het leven van de heilige Gaudentius, eerste bisschop van Novarre, lezen en hetgene waarschijnlijk in het jaar 360 zal voorgevallen zijn, dat namelijk Satan, tijdens de ballingschap van de bisschop van Vercelli, in die kerk onrust en verdeeldheid trachtte te zaaien, doch dat Eusebius de heilige Gaudentius, welke hij in zijne school opkweekte, derwaarts zond en dat deze er de vrede en de rust herstelde, die kerk met moed en Godsvrucht voorlichtte, totdat hij die weer in handen van haren manmoedige herder ongeschonden kon overgeven. Eusebius trouwens mocht in het jaar 363 zijne geliefde kudde terugzien en tot aan zijnen dood besturen.
Eindelijk brak de dag aan, waarop de Heer der Kerk, de vervolging moede, welke hij, die Gods tempel had moeten beschermen, berokkend had, de ongelukkige Constancius ter verantwoording van zijne daden opriep. Ene lichte koorts overviel hem te Tarsus in Cilicie, toen hij tegen Juliaan de Afvallige te veld trok; hij zette evenwel zijne reis tot Mopsueste, aan de voet van de Taurus gelegen, voort en hier stierf hij, die zich heer der wereld durfde noemen, na een lange doodstrijd, op 3 November 361. Wij laten het oordeel aan God, die koningen en vorsten voor zijnen rechterstoel daagt, en verheugen ons, dat zovele in rouw gedompelde kerken het geluk mochten genieten om hare herders, die als ballingen omzwierven, terug te zien; want Juliaan, die Constancius opvolgde, verleende aan de verbannen bisschoppen vrijheid, om naar hunne zetels terug te keren; de zich nog verbergende vijand van het Christendom werd dus de hersteller der onrechtvaardigheden van de rampzalige Constancius, van wie de heilige Hieronymus zegt: “De Heer ontwaakte, Hij gebood de stormen, die de Kerk schenen te zullen verwoesten, het beest stierf en de stilte keerde terug.”
De bisschop van Vercelli verkreeg insgelijks vrijheid om uit het hart der woestijnen van Thebe naar zijne geliefde kudde terug te keren, doch vooraleer hij te midden van zijne kinderen de vreugde ging zoeken, welke hem daar verbeidde, achtte hij het van zijnen plicht om eerst tot herstel der rust in andere kerken te arbeiden en begaf zich naar Alexandrië, om met Athanasius over de middelen te beraadslagen, om de verdeeldheden, die de kerk van Antiochie heersten, te doen ophouden. Hij wilde insgelijks Lucifer van Cagliari overreden van zich met hem eerst naar Alexandrië te begeven, en had zulks plaats gegrepen, menige ramp zou aan de Kerk bespaard zijn geworden, doch Lucifer begaf zich rechtstreeks naar Antiochië en zond slechts zijnen diaken naar Alexandrië. De heilige Eusebius werkte met de heilige Athanasius met alle ijver om in Alexandrië een concilie te beleggen, hetwelk werkelijk in het jaar 362 plaats greep en voorwaar onder de merkwaardigste kerkvergadering, welke ooit in de Kerk geopend zijn, kan deze gerekend worden. Hier werd de Godheid van de Heilige Geest opnieuw bevestigd; het geheim der menswording van de Zoon des eeuwige Vaders bekrachtigd en de regels vastgesteld, welke men omtrent de bisschoppen, die in de ketterij van Arius vervallen waren en tot de Kerk verlangden terug te keren, in het oog te houden had, terwijl men nog andere voor de Kerk en voor het herstel van de vrede nuttige punten behandelde. Na de heilige Athanasius ondertekende de heilige Eusebius het eerst aan het hoofd der andere bisschoppen, de besluiten in dit concilie vastgesteld, en daar de aangelegenheden, welke Antiochië verdeelden, niet wel als op de plaats zelve konden vereffend worden, verzocht de vergadering de moedige Eusebius van zich met de heilige Asterius, bisschop van Petrus, naar die stad te begeven. Beide namen met blijdschap die opdracht aan en bedwongen hun levendig verlangen om naar hunne eigene kerken terug te keren ten nutte der algemene zaak, waarom de heilige Athanasius hun grote lof toekende. Eusebius begaf zich werkelijk naar Antiochië, doch ondervond, dat Lucifer van Cagliarii, zoals wij in het leven van de heilige Meletius op 12 Februari en in de geschiedenis van de heilige Paus Damasus op 11 December meer breedvoerig vermeld hebben, door Paulinus tot bisschop van Antiochië te wijden, de weg tot vergelijk zeer bemoeilijkt en gesloten had. Dit smartte hem en hij was over de handelswijze van de bisschop van Cagliari, wien hij steeds ene bijzondere achting toedroeg, verslagen; om zijnentwille veroordeelde hij die daad niet openlijk, maar haastte zich om Antiochië te verlaten, zonder zich met de ene of andere partij gemeenschap gesteld te hebben. Lucifer, die het ten kwade duidde, dat Eusebius de partij van Paulinus niet had willen omhelzen, brak de gemeenschap met hem en met de andere bisschoppen af, die de Ariaansche bisschoppen, welke tot de schoot der Kerk terugkeerden, in gemeenschap opnamen; dat is hij brak met de heilige Athanasius en met de ganse Kerk. De heilige Eusbius nam bij het verlaten van Antiochië met zich de heilige priester Evagrius, die later Paulinus op de zetel van Antiochië volgde. Uit het Oosten vertrok hij door Illyrie naar Italië, en de heilige Hieronymus verzekert, dat Italië wegens de blijdschap, welke er over zijne terugkomst heerste, het rouwgewaad aflegde. Hier trof de heilige Hilarius van Poitiers aan, die evenals hij arbeidde om vooral het Katholieke geloof te herstellen; beiden verenigden hunne pogingen en waren als twee grote lichten, die door hunne weldadige stralen gans Illyrie, Italië en Gallië voorlichtten en uit de geheimste holen de duisternissen der ketterij verdreven. Op het einde van het jaar 364 bestreden zij gezamenlijk de afschuwelijke Auxentius, die zich op de zetel van Milaan gevestigd had en alle pogingen aanwendde om de goddeloze leer van Arius te verbreiden.
In de levensgeschiedenis van de heilige Gaudentius lezen wij, dat de heilige Eusebius zijne kerk in goede staat vond, hetwelk hij aan de zorg van genen dankte, want zoals wij reeds opmerkten, was deze er drie jaren geleden, door hem gezonden en steeds werkzaam geweest.
Wij vinden verder gene bijzonderheden nopens Eusebius opgetekend. Zijn dood viel voor, volgens de heilige Hieronymus, in het jaar 370, onder de regering van Valens en Valentiaan. Hij stierf op dezelfde dag waarop men de gedachtenis van de marteldood der Machabeen herdenkt, op 1 Augustus. Zijn feestdag wordt evenwel op 15 December, de dag der opheffing van zijne relikwieën, gehouden. Men bewaart nog in de hoofdkerk van Vercelli een oud door de heilige vervaardigd handschrift der Evangeliën van de heilige Mattheus en de heilige Marcus; keizer Berengarius dit liet dit geschrift met zilveren platen omvatten.
Wij mogen vrij zeggen, dat een leven als dat van de heilige Eusebius van Vercelli, doorgebracht in de moedige belijdenis van Jezus Christus, in het over de aarde verspreiden van het licht des geloofs, in het aanmoedigen van bisschoppen tot standvastigheid en in verschrikkelijk lijden, moeilijker is dan het martelaarschap. De martelaar geeft wel is waar door zijnen dood, aan de ganse wereld ene getuigenis en voorbeeld van onwrikbare standvastigheid; hij bevestigt de waarheid door de grootste getuigenis, welke de mens ooit geven kan, door de getuigenis van zijn bloed; doch door het vonnis des doods opeens van deze wereld weggenomen, deelt hij het vuur, dat zijne ziel ontvlamde, slechts door zijne levenloze ledematen mee en hij is niet meer in staat om met zijne koude lippen de vertroostingen te verhalen, welke hem de smarten licht maakten, of om over de hoop en liefde te spreken, welke hem voor ijzeren haken, voor zweepslagen en folterraam ongevoelig maakten. De heilige Eusebius was gedurende zes jaren, want zolang duurde zijne ballingschap, voor de Katholieke, doch door de afschuwelijkste ketterij aangevallene wereld, en voorbeeld, naar hetwelk de gelovigen hun gedrag en hun geloof konden regelen. Zijne standvastigheid stichtte de Kerk van het Westen, de eerste getuige van zijnen kampstrijd en die van het Oosten, die zijne onwrikbare en onverzettelijke kloekmoedigheid in alle soorten van lijden bewonderde. Te midden der Kerk door de verschrikkelijkste stormen beroerd, was Eusebius ene heldere vuurbaak, welke de weg der waarheid en zaligheid aantoonde.
En wij Christenen zijn evenals de heilige Eusebius geroepen, om te midden der gelovigen voorbeelden van getrouwheid en stichting te geven. Wij zullen evenals hij op ene krachtige wijze Jezus Christus belijden, wanneer onze daden het geloof tonen, hetwelk wij met de mond belijden. Doch helaas, in stede van met onwrikbare moed en onverschrokken het teken van Gods kinderen en mede-erfgenamen van Jezus Christus overal te verbreiden, zijn wij dikwijls ongelovig met de ongelovigen, loszinnig met hen, die ons de vergiftigde beker der losbandigheid of tenminste der onverschilligheid en flauwhartigheid toereiken. En wanneer het somtijds gebeurt, dat wij getuigenis van ons geloof moeten afleggen, wanneer het loochenen onmogelijk is, ach mijn God, dan is het als of men gelijk een kwaaddoener, zich van ene misdaad beschuldigt, terwijl men zich schier schaamt Christen te zijn. Deze zo schuldige toegevendheid verbergt de lauwe Katholiek onder de schijn van de zonderlinge niet te willen schijnen, maar is het niet de plicht van elk Christen, wanneer hij getrouw wil blijven, om zich van ene goddeloze wereld af te zonderen en in die wereld zonderling te zijn, om niet met haar verworpen te worden? En daar Jezus Christus bedreigt, dat Hij zich bij zijnen Vader eenmaal schamen zal over degene, die Hem voor de mensen zal miskend hebben, heeft Hij dan wel door deze woorden vurige gelovige, op wien Hij zich beroemen zal, kunnen aanduiden?
16 December
De heilige Adelheid of Adelaide (999).
Keizerin.
De geschiedenis van deze in Duitsland en Italië zo beroemde vorstin is door de heilige Odilo, zesde abt van Cluny, die in het jaar 1049 ontsliep, beschreven. Leibnitz deelt ons de geschiedenis van hare wonderen mee en de geleerden Räsz en Weis, welke wij in het opstel dezer geschiedenis volgen, verklaren, dat zij zich het goed geschrevene werk van Georgius Augustus von Breitenbach, “Levensgeschichte der Kaizerin Adelheid, Gemahlin Otto’s des Groszen u. s. w.” Leipzich 1788, ten nutte gemaakt hebben.
Te midden der rijks-verdelingen en geweldige bewegingen, welke na de dood van Karel plaats grepen, is het moeilijk de verschillende levensbeschrijvers met elkander in overeenstemming te brengen, en de vele gebeurtenissen aaneen te schakelen, die zich zo snel opvolgden. Adelheid, ofschoon alles wat de groten der aarde najagen, onder de voet tredende, zag zich gewikkeld in de bloedige gevechten, die plaats grepen over de verdeling der grote erfgoederen van het tweede keizerrijk van het Westen. Elke troon welke verviel, elke macht die zich vestigde op de puinen van de overwonnenen, bevorderde hare grootheid of haar onheil, of berokkende haar ene verbanning of de kerker.
Na de dood van Lodewijk de Stamelaar, zoon en opvolger van Karel de Kale, keizer en koning van Frankrijk, die regeerde van 877 tot 879, onder het zwakke bestuur van Lodewijks beide zonen, Lodewijk en Carloman, terwijl de Noormannen gestadige strooptochten en invallen deden, vormde zich ene menigte onafhankelijke Staten. Boson, die van moederszijde van Lodewijk de Goede afstamde en door Karel de Kale zeer begunstigd was, bezat als koninkrijk Bourgonje aan deze zijde van het Juragebergte. Lodewijk en Carloman bestreden die vorst en verdeelden onder zich de lande aan zijne heerschappij onderworpen. Kort daarna werd een zekere hertog Rudolf te Sint Maurice in Walliserland (in Zwitserland) als koning uitgeroepen, en gaf aan zijn nieuw koninkrijk de naam van Transjuraansch Bourgonje, wijl dat landschap aan de andere zijde van het Juragebergte gelegen was, en bracht zijne heerschappij over aan zijnen zoon Rudolf II. Deze wist bij de nalatenschap van zijnen vader de oude gewesten van het Cisjuraansche Bourgonje te verenigen, heerste over Zwitserland, Graauwbunderland, de graafschappen Savoye, Bourgonje en Provence, en was de vader der Godvruchtige keizerin, wier levensgeschiedenis wij mededelen. De echtgenoot van Rudolf, moeder van de heilige Adelheid, heette Berha, ene vrouw van uitmuntende hoedanigheid en dochter van Coenraad, hertog van Zwaben. De heilige Adelheid was slechts zes jaren oud, toen zij haren vader in het jaar 937 door de dood verloor; de jonge vorstin scheen toen reeds uitmuntende aanleg te hebben, welke door ene zorgvuldige opvoeding meer en meer gevormd werd. Hugo, koning van Italië, huwde in het jaar 938 de weduwe van koning Rudolf en op dezelfde dag, dat dit huwelijk voltrokken werd, verloofde men de nog jeugdige Adelheid aan de beminnenswaardige Lothar, zoon van Hugo, die slechts een jaar ouder dan deze maagd was. In het jaar 931 had Hugo zijnen zoon, om hem de opvolging op de troon van Italië te verzekeren, tot mederegent doen benoemen; hij werd door de landsstaten erkend en het kind werd door Lantbertus, aartsbisschop van Pavia, gekroond. De verloving der deugdzame Adelheid met Lotharius geschiedde in Bourgonje, waar Hugo zijnen zoon gebracht had en tot bruidsgift schonk Hugo aan de prinses de steden Pavia, Ravenne en enige anderen in Toscane en het graafschap Lucca, benevens drie abdijen en enige duizenden bunders land. Toen Lothar zijn zeventiende jaar bereikt had, werd het huwelijk met de aan hem verloofde nu zestienjarige Adelheid in het jaar 947 voltrokken en uit dit huwelijk werd ene dochter, Emma geheten, geboren, die in het jaar 966 met Lotharius, koning van Frankrijk, huwde. Omtrent dezelfde tijd stierf koning Hugo en Italië begroette thans Lothar als koning, doch Berengarius, zoon van Albert, markgraaf van Irre en van Giseles, dochter van Berengarius I, had zich reeds in het jaar 939 tegen koning Hugo gewapend, doch was gedwongen geworden om naar Duitsland te vluchten; na weer in Italië teruggekeerd te zijn, ondervond hij, dat de Italianen zich tegen Hugo verklaard hadden en hij maakte zich dus in het jaar 945 meester van een gedeelte van het land. Hugo en zijn zoon waren nu slechts koningen in naam, terwijl de macht in Berengars handen was. Hij had zich evenwel door zijne afpersingen insgelijks gehaat gemaakt en daar zijne grootheid dieper en dieper zonk, won de jonge Lothar door zijne goedwillendheid en edele hoedanigheden het hart van de Italianen. Terecht vreesde Berengarius, dat zijne heerschappij een einde zou nemen, doch werd weldra door het onverwacht afsterven van de jonge vorst van alle kommer bevrijd. Lotharius had zich tot nu toe meest te Milaan, waar hij de tederste genegenheid ontmoette, opgehouden; in het jaar 950 begaf hij zich naar het Piemontesche, was volmaakt gezond toen hij Milaan verliet, werd te Turyn door ene geheel vreemde ziekte aangevallen en stierf enige dagen daarna op 22 November; niet zonder rede werd Berengarius verdacht gehouden van de jeugdige vorst vergeven te hebben. Wel is waar wordt deze verdenking niet door alle schrijvers bevestigd, maar de geruchten verbreidden zich in alle landen en men moet bekennen, dat Berengaars handelswijze omtrent de vrome Adelheida ene hoge graad van waarschijnlijkheid aan dat gerucht gegeven heeft.
Adelheid, van haren beschermer en hare schone verwachtingen beroofd, vreesde niet zonder grond, dat Berengarius haar zou vervolgen; zij onderwierp zich aan de wil van de Allerhoogste en nadat zij het lichaam van de koning haar gemaal te Milaan in de ouderlijke rustplaats had doen bijzetten, besloot zij om zich naar Pavia te begeven en zich aan alles, wat de vaderlijke voorzienigheid Gods over haar en hare dochter Emma besloten had, te onderwerpen. Gelijk te voorzien was, begaf Berengarius zich dadelijk na de dood des konings, naar Pavia en maakte zich van die stad meester, eer Adelheid er kon aankomen. Slechts tweeëntwintig dagen bleef de troon onbezet; alle vorsten, bisschoppen en graven hadden zich naar Pavia begeven, maar vonden er reeds de waarschijnlijke moordenaar van hunnen geliefde koning, die alles in het werk stelde om de gemoederen ten zijnen voordele te stemmen. Hij was bovendien één der machtigste vorsten van Italië, want behalve de markgraafschappen van Frial en Yvrey bezat hij nog het graafschap Milaan en daar de groten hem bijvielen, was het hem niet moeilijk aller stem op zich te verenigen; hij werd als koning uitgeroepen en maakte aanstonds zijn zoon Adelbert deelgenoot van de regering; beiden werden op Zondag 15 December in het jaar 950 in de hoofdkerk te Pavia gekroond.
De booswicht begreep intussen het onzekere van zijne aanspraak op de troon en om derhalve een vast recht er op te verkrijgen, achtte de listige Italiaan niets voordeliger dan zijn eigen zoon Adelbert met de nagebleven en beminnenswaardige jonge weduwe van Lotharius door het huwelijk te doen verbinden. Maar Adelheid, die nog geen twintig jaren telde, verwierp de aanvraag om hare hand voor de zoon des moordenaars van haren eersten door haar zo teder beminde en nu zo bitter betreurde echtgenoot. Alle beloften, alle nederige smekingen, welke Berengaar en Adelbert zich getroostten, bleven vruchteloos, en Adelaide verklaart met vastberaade wil, dat zij de echtgenoot van Adelbert niet kon of wilde worden. De vrouw van Berengarius heette Willa en was ene duivelin in het vlees; door haar aangestookt, nam de vorst zijne toevlucht tot de afschuwelijkste bedreigingen, en toen de edele vorstin ook nu nog onverzettelijk bij haar besluit bleef, veroorloofde zich de booswicht de wreedste en ongehoordste mishandelingen; hij beroofde haar niet slechts van het bezit der stad Ravenna, maar ook van al hare in Italië gelegene goederen, ontnam haar al hare sieraden, klederen en kostbaarheden, hare mannelijke en vrouwelijke dienstboden en beroofde haar vervolgens van hare vrijheid. Als een gevangene in het paleis van Berengarius opgesloten, moest deze schuldeloze de afgrijselijkste folteringen en hoon van de vrouwelijke woede van Willa verduren; schier dagelijks werd zij aan hare schone lange hoofdharen langs de grond gesleept, met vuistslagen overladen, met voetschoppen begroet, alle lichaams- en zielssmarten werden haar door hare beulen aangedaan, zelfs de laatste vertroosting, welke zij genoot van hare ellende en smart in de boezem van ene getrouwe dienaar te kunnen uitstorten, werd aan de beminnenswaardige afgrijselijk vervolgde en van de ganse wereld verlatene Adelaide niet vergund.
Desalniettemin bleven Berengarius en zijne helse vrouw beducht, dat de jonge en schone weduwe aan een ander hare hand zou kunnen schenken en dat zij daardoor in het bezit van de overweldigde troon konden verstoord worden. Daar zelfs de hardste mishandelingen de standvastigheid van Adelaide niet hadden kunnen buigen en men evenwel nog niet bedorven genoeg was, om haar heimelijk om hals te brengen, nam men het besluit om de ongelukkige vorstin aan het oog der wereld te onttrekken, en haren naam en aandenken door ene soort van burgerlijke dood in de vergetelheid te begraven. Zij werd derhalve uit Pavia vervoerd en in ene toren van het aan de Lago di Garda gelegen kasteel Garda opgesloten. Al wat het geduld zelfs van ene heilige zou kunnen uitputten, en een reeds bloedend hart eindelijk te verbrijzelen, werd ook hier beproefd om Adelaide tot het verlangen van de tiran te doen toetreden; zelfs werden haar nu en dan noodzakelijkste levensbehoeften onthouden. Zij verdroeg honger, dorst, kou en naaktheid, en de aan de wil van Berengarius en Willa onderworpen stokbewaarders kwelde haar, volgens het verlangen van die onmensen, schier dag en nacht, daar men weldra verwachtte, dat opeengehoopte ellende weldra aan haar leven en aan de bekommeringen van Berengarius een einde zou maken. Dit gruwelstuk, hoe geheim ook gepleegd, werd evenwel hier en daar ruchtbaar en elk wie nog een hart in het binnenste had kloppen, beweende het rampzalige lot van Adelaide en vloekte de tiran en deszelfs wijf. De edele Adelbert, bisschop van Reggio, die één der vertrouwdste vrienden van koning Lotharius geweest was en onderscheidene gunsten en weldaden van die brave vorst genoten had, was vast besloten, zodra hij enige kennis van Adelaides opsluiting in het kasteel Garda droeg, om, welk offer hem zulks ook zou kosten, de gemalin van zijnen koninklijke vriend en weldoener aan de handen van hare vijanden te ontrukken. Eén hem zeer genegen priester, vroeger hofkapellaan van koning Lotharius, Martinus geheten, werd door hem naar Adelaide gezonden, om deze zo diep ter nee geslagene te troosten, haar moed en vertrouwen in te boezemen en spoedige redding te beloven. De gevangene gaf gaarne hare toestemming ter bewerking van hare vlucht, doch twijfelde aan de mogelijkheid om die ten uitvoer te brengen, daar een zeer hoge en des nachts wel bewaakte muur haren kerker insloot. Bisschop Adelbert en Martinus hadden, voordat deze laatste naar het kasteel vertrok, het plan ontworpen en voor alles genoegzaam gezorgd en vooral het goed gelukken hunner onderneming in de handen van ene de onschuld steeds beschermende vaderlijke Voorzienigheid aanbevolen. Het gelukte de moedige Martinus, om met geld sommige wachters van het kasteel, die het diepste medelijden voor de gevangene koesterden, voor zijne oogmerken te winnen; met behulp van deze getrouwen slaagde hij er in, om bij nacht de muur van de toren door te k=graven, ene onderaardse gang te openen en langs deze weg aan de gevangen koningin leven en vrijheid terug te geven. In manskleren gewikkeld, verlieten Adelaide en de haar geheel genegen dienstmaagd de gevangenis, volgden de getrouwe Martinus door de onderaardse gang en weinige ogenblikken slechts, of zij ademden met vreugde weer de vrije lucht in. Zij spoeden zich naar de niet ver afgelegene zeeboezem, doch vermits de dag aangebroken was, zagen zij zich gedwongen om zich tussen het menigvuldige riet, hetwelk men daar gelukkig aantrof, te verbergen; zij brachten de ganse dag en een gedeelte van de nacht in de uiterste ellende door, toen een voorbijvarende visser zich over hen ontfermde, de drie personen in zijne schuit en hen aan de andere zijde overbracht.
Ofschoon men de zee overgestoken was, achtte men zich evenwel niet veilig; de bevelhebber van het kasteel stelde alle nasporingen in het werk; Berengaar, woedend van spijt, zond langs alle zijden ruiterbenden af, begaf zich zelfs aan de spits van ene talrijke menigte, om degene op te sporen, van wier ontdekking zijne kroon en misschien zijn leven afhing. De heilige werd als door een wonder gered; verscheidene dagen bracht zij in holen, moerassen en struiken verborgen in de uiterste ellende door, zich slechts met wortelen en kruiden voedende; zij vervolgde des nachts onder angst en vrees haren weg. Op een zekere dag was zij schier in de handen van haren vervolger gevallen; zij lag ineen gekromd in ene akker tussen de hoog opgeschoten korenhalmen, toen zij het getrappel van paarden hoorde en de stem van Berengaar, die de zijnen gebood om met hunne lansen de halmen van elkander te scheiden en alles nauwkeurig te onderzoeken. Adelaide smeekte met een kommervol hart tot God en Berengaar, na lang vruchteloos gezocht te hebben, trok eindelijk af en sloeg met zijne bende ene geheel andere weg in. Maar nu ook was Adelheid het laatste gevaar ontweken; de edele Martinus was twee dagreizen vooruit en had van de nadering der koningin de bisschop Adelbert kennis gegeven. Deze prelaat gaf de graaf van Canossa, leenheer der kerk van Reggio, bevel onder talrijke bedekking de koningin tegemoet te gaan, haar onder zijne bescherming te nemen en op zijn onoverwinnelijk kasteel te geleiden. Weldra verscheen de graaf aan het hoofd van ene sterke ruiterbende; zodra hij haar zag, stegen hij en al zijne ridders af en groetten haar met de aan haren hoge rang en verhevene deugden verschuldigde eerbied. Van dit ogenblik was Adelaide niet slechts ene vrije vrouw, maar weer ene gebied voerende vorstin. Men begaf zich op weg naar het kasteel en nu had de vorstin niets meer te vrezen; het slot trouwens lag op ene ongemeen steile en van alle zijden door water omgeven steenrots, was door sterke muren en torens beveiligd en kon derhalve slechts door uithongering der bezetting veroverd worden.
Doch hoe veilig zij hier ook scheen te zijn en ofschoon het kasteel op zich zelve onoverwinnelijk was, Berengaar was machtig genoeg om de bisschop en de graaf te verontrusten. Bij wie anders kon men in deze toestand hulpvaardiger bijstand zoeken dan bij koning Otto, toen reeds de machtigste monarch der Christenheid, wiens staten aan Italië grensden en wiens roem reeds lang over de hoge Alpen verbreid was. Adelbert en graaf Aso knoopten spoedig ene verbintenis met enige ontevreden graven in Italië aan, maakten hun besluit Paus Agapitus II bekend en toen zij van diens medewerking verzekerd waren, zond men een vertrouwde, waarschijnlijk de priester Martinus, aan koning Otto naar Duitsland. Hij was overbrenger der brieven van de bisschop, van de graaf en van ene eigenhandig geschreven brief van Adelaide, waarin zij de vorst met haren gehele toestand bekend maakte en in de weemoedigste uitdrukkingen verzocht om ene vervolgde, van haar eigendom schandelijk beroofd en schier van de ganse wereld verlatene vorstin, niet langer aan de woede van ene onverzoenlijke overweldiger en vijand prijs te geven. Op Otto maakte deze brief de gewenste indruk; toen daarenboven de briefdrager de vorst met de edele hoedanigheden en deugden van de nog jeugdige schone Adelaide bekend maakte, was zijn besluit genomen. Otto bevond zich in de kracht van ene mannelijke ouderdom. De echtvriendin van zijne jeugd, de beminnenswaardige Editha, was hem voor drie of vier jaren door de dood ontrukt, en hij meende dat het bezit van Adelaide deze smart kon lenigen. De gezant keerde met toezegging van dadelijke hulp naar Italië terug, maar hem werd vooral aanbevolen zich nergens op te houden en aanstonds naar Canossa terug te keren; Otto gaf hem ene ring mee, welke hij, uit naam des konings, aan Adelaide als een onderpand van de aan haar toegezegde bescherming moest overbrengen. De koning rukte weldra Italië in; gans Aquilea was spoedig door de Duitsers, onder aanvoering van Hendrik, hertog van Beijeren en ’s konings broeder bezet, zodat de hoofdarmee zonder slag of stoot Lombardije binnenrukte en bij Otto’s komst was alles spoedig beslist; alle steden openden vrijwillig hare poorten en reeds op het einde van Oktober van het jaar 951 deed Otto in Pavia, de hoofdstad van het Lombardische koninkrijk, zijnen plechtige intocht. De overwinnaar zond de priester Martinus met rijke geschenken naar Canossa tot Adelaide, deed om hare hand verzoeken en nodigde haar om te Pavia te komen. De jonge en schone weduwe van Lotharius beantwoordde aanstonds aan het verlangen des konings, die haar zijnen broeder Hendrik met een luisterrijk gevolg tegemoet zond. Toen zij de hoofdstad naderde, ging Otto haar met zijn hof tot voor de poort der stad verwelkomen en zij, die nog voor weinige maanden geleden in moerassen en in de voren der graanakkers zich had moeten verbergen en het medelijden van ene arme visser moest inroepen, hield nu aan de zijde van de machtigste monarch, omgeven van hertogen en vorsten, haren plechtige intocht in het haar zo wel bekende Pavia, waar zij enige weken later op de Tweede Kerstdag met haren bevrijder Otto in de echt trad. Tot nu toe had misschien nooit de onderdrukte, van de ganse wereld verlatene, maar zo zichtbaar door de hand Gods beschermde onschuld, een heerlijker zegepraal gevierd. Adelaide liet zich door de glans, welke haar, na zovele doorstane ellende, zo plotseling omstraalde, niet verblinden; met een dankbaar en gevoelig hart erkende zij God alleen als haren redder. Hare zo standvastige in geluk en ongeluk onveranderlijke deugden, het aandenken aan haar veelvuldig lijden, in hetwelk zij aan de voeten van de dwingeland Bevengaar gekromd, even groot en machtig scheen als op de verhevenste troon, hare innemende goedaardigheid, hare zuiverheid, edele ootmoed en hart-verrukkende Godvrucht, in één woord, de gelukkige vereniging van alle Christelijke deugden, maakten diepe indruk in aller gemoed en wekten een vast vertrouwen en hoop op, dat de vrede weldra hersteld en het geluk der volken duurzaam bevestig zou worden.
Otto I nam nu weldra de titel van koning van Italië aan, waarop de verbintenis met Adelaide en de opvolging van de Karolingschen stam hem billijke aanspraak gaf; doch reeds in het voorjaar van 952 moest Otto, wegens verschillende in Duitsland uitgebroken weerspannigheden, met zijne gemalin Italië verlaten en het beheer daarvan aan zijnen schoonzoon Coenraad, hertog van Lotharingen, overgeven; voor zijn vertrek verhief hij de bevrijder en redder van Adelaide, Albert Asso, tot markgraaf van Modena en Reggio, en stichtte uit dankbaarheid aan God te Canossa ene kerk, welke hij rijk begiftigde.
Adelaida werd in gans Duitsland als een engel des vredes ontvangen en zij wist aller harten voor de koning te winnen. In het jaar 955 schonk zij koning Otto een zoon, doe men voor Hendrik houdt, welke in tedere jaren stierf. Weldra verbreidde zich het gerucht, dat de vorst zijnen uit het eerste huwelijk geboren zoon Ludolf van de opvolging wilde uitsluiten, en nu zag men nieuwe onlusten uitbreken, die evenwel ten nadele der oproerigen uitvielen. Het volgende jaar schonk de vorstin haren gemaal een tweede zoon, Brand geheten, die in 957 stierf. Maar in 958 werd de vreugd door het dempen der onlusten en de geboorte van ene derde zoon volmaakt, wien men tot gelukkige voorbeduiding de naam zijns vaders gaf, omdat men meende, dat hij de erfgenaam van de kroon en van de deugden zijns vaders zijn zou. De deugdzame moeder zorgde derhalve, van de jonge prins met de meeste ijver tot deze verhevene waardigheid op te leiden; zij bestuurde zelve zijne eerste jeugd en vertrouwde hem, toen hij tot hogere wetenschappen moest opgeleid worden, aan zijnen oom, haren zwager Bruno, aartsbisschop van Keulen, die in de Rijnstreken als een heilige vereerd wordt en zowel om zijne grondige kennis als heilige levenswandel tot deze taak het beste geschikt was. Gerbertus, een Frans priester, werd van het jaar 968 tot 972 insgelijks met de opvoeding van de jonge Otto belast en kreeg tot beloning voor zijner diensten, van keizer Otto de abdij Bobbio, in Italië gelegen. Adelaide schonk haren gemaal nog ene dochter, die met recht de naam van Mathildis ontving, wijl zij de deugden en Godsvrucht van deze heilige vrouw volgde. Zij werd later abdis van het klooster te Quedlinburg, hetwelk de heilige Mathildis gesticht had.
Nadat Otto de Grote de trouweloze Berengarius, welke hij meermalen spaarde, schier geheel ten onder gebracht had, werd hij in 962 te Rome, door Paus Joannes XII, tot keizer gekroond, welke eer aan zijne echtgenoot insgelijks ten deel viel. De Godvruchtige Adelaide, ofschoon tot de hoogste waardigheid geklommen, bleef even ootmoedig en dankte steeds de hemelse Vader, die zich gewaardigde zijne genadegunsten en weldaden over haar zo overvloedig uit te storten. Hare handen waren steeds voor de armen geopend, de onderdrukten vonden in haar deelnemend hart bescherming; al hare schatten besteedde zij tot vrome doeleinden en bezigde haren invloed en haar aanzien bij de keizer, om elk dienst te bewijzen. De abt van Sint Maximinus had aan haar zijne verheffing tot aartskanselier, de bisschop van Modena de schenking der goederen, welke Berengaars zoon daar bezat, de abdij van Monte-Cassino en meer voorrechten te danken, en wanneer iemand in oprechte deugd en Godsvrucht uitmuntte, kon hij op de gunst van deze machtige keizerin rekenen. De vorstin zowel als de keizer haar gemaal werkten mee tot het verenigen van de vermaarde, ijverige en heilige schare geloofshelden, die in het jaar 961 vertrok, om het licht des Evangeliums onder de Rugiers te verbreiden. Deze bewoonden een gedeelte van Pommeren tussen de Oder en de Wieper en hadden insgelijks het eiland Rugen in de Baltische zee in bezit, en van dat eiland hunnen naam ontleend. De Rugiers hadden vroeger hunnen koning en ene hogepriester, wiens macht zelfs onder de nabijgelegene volkeren, die in de duisternissen der afgodendienst omdoolden, schier onbeperkt was; deze dienaar van Satan beweerde, dat hij met de goden in vertrouwelijke omgang stond; deze afgoden hadden op het eiland Rugen een tempel, welke zeer vermaard was en waarin men om de duivelen, die daar het gebied voerden, te vereren, de kostbaarste schatten offerde, terwijl de naburige volksstammen aanzienlijke en rijke geschenken naar die tempel zonden. Tijdens de regering van Lodewijk de Goede ondernamen enige kloosterlingen van nieuw Corbey of Cervey onder deze volkeren de naam van Jezus te verkondigen. Zij bewerkten in de daad onderscheidene bekeringen en bouwden op dat eiland Rugen, tot nu toe de hoofdzetel der afgoderij en als de hoofdplaats van het heidendom in die streken, de Heer een tempel onder aanroeping van de heilige Vitus, patroon van Corbey. Het zaad des Goddelijk geloofs schoot echter, ongeacht de inspanning van de Evangeliepredikers, geen diepe wortelen in de harten van de aan de misdaad verslaafde Rugiers; zij vervielen weldra, na het Christendom verlaten te hebben, in hunne oude goddeloze gebruiken; zij gingen in hunne dwaasheid zo ver, dat zij de heilige Vitus als hunnen oppergod vereerden, bouwden hem een tempel, waarin zij zijn beeld plaatsten en offers opdroegen. Niemand kon met hen enige handel drijven, of hij werd gedwongen om Swanthewich, zo noemden zij hunnen god, een geschenk aan te bieden, en er bestond geen volk op aarde, dat groter afschuw van de Christenen aan de dag legde; de priesters vooral waren de voorwerpen van hunnen haat. Wij mogen derhalve als zeker stellen, dat zij slechts als afschuwelijke huichelaars zich tot de keizer gewend hadden, om van hem geloofspredikers te verzoeken en de gevolgen bewijzen de zekerheid dezer vooronderstelling. Keizer Otto meende, dat het verlangen der Rugiers om zich te bekeren oprecht was en ontving hunne gezanten met blijdschap. Libutius, kloosterling van Sint Albanus te Maints, werd tot bisschop der Rugiers bestemd, doch wijl Libutius weinige tijd daarna ontsliep, werd Adelbertus, een kloosterling van Sint Maximinus van Trier, een man vol apostolische ijver, tot bisschop der Rugiers gezalfd. De keizer voorzag in alle kosten van de schijnbaar heilvolle onderneming. Adelbertus begaf zich met zijne priesters naar dat eiland, doch vond de gemoederen ongeneigd tot het ontvangen der boodschap des heils; onderscheidene priesters werden schandelijk om hals gebracht. Adelbert en aan enige weinigen mocht het gelukken om, door de hand des Allerhoogsten zichtbaar beveiligd, aan het moordzwaard te ontkomen. Tot in het jaar 1168 bleven de Rugiers in hunne goddeloosheden volharden, toen werden zij door Waldemar, koning van Denemarken, overwonnen en door ijverige zendelingen tot de schaapsstal van Jezus gebracht.
Ofschoon keizer Otto thans schier over geheel Italië het gebied voerde en de Kerkelijke Staat onder zijne bescherming genomen had, was evenwel Berengaars partij nog niet geheel onderdrukt. Berengarius had de bezetting van het kasteel Sint Leo op Monte-Feltro weten te versterken. Willa, zijne vrouw, bevond zich op het kasteel Sint Juliusberg en Adelbert, Wido en Conraad, hunne zonen, stroopten in het noorden van Italië. Otto, die met kracht en geweld zijne vijanden trachtte ten onder te brengen, trok met zijn leger eerst tegen Juliusburg op en na een beleg van twee maanden, moest Willa zich met al de daar veroverde schatten overleveren. De keizer schonk haar edelmoedig de vrijheid en veroorloofde haar om zich bij haren man op het kasteel Sint Leo te vervoegen, in het vertrouwen, hetwelk die listige en doortrapte vrouw de vorst had weten in te boezemen, dat zij haren gemaal zou overreden om zich aan Otto over te geven. Daar alle uitzicht tot vrijwillige onderwerping van Berengarius verdwenen was, trok de keizer in de lente des jaars tegen de halsstarrige booswicht op en belegerde hem in het kasteel Sint Leo; men sloot de vesting zo zeer in, dat zelfs geen enkel voetpad onbezet bleef en alle verstandhouding met de andere oproerigen afgesneden was. Daar er evenwel in het leger nadelige geruchten verspreid werden, die de keizer zeer verontrustten deed, begaf hij zich naar Rome, om orde op de zaak tegen Adelbert, Wido en Conraad te stellen en de onlusten te dempen, welke de rampzalige Joannes XII berokkend had; hier ontving de keizer de heugelijke tijding, dat het kasteel Sint Leo zich had onderworpen. Berengarius, Willa en hunne beide dochters Gisela en Geberta werden op Otto’s bevel als gevangenen naar Bamberg gevoerd en in die stad zeer wel behandeld; de eerste stierf evenwel reeds twee jaren daarna, waarschijnlijk van hartzeer, en nu nam zijne weduwe de sluier aan, om achter de stille kloostermuren de zonde van zo’n aan de wereld en de hoogmoed overgegeven leven te bewenen; de beide dochters van Berengaar en Willa werden door Adelaide, die zo gaarne alle de haar aangedane beledigingen vergeten en vergeven wilde, opgenomen; zij behandelde deze onschuldige wezen als vorstinnen en stelde alles in het werk om haar lot te verzachten; in één woord, zij was voor haar ene tedere en zorgvuldige moeder.
De edele keizer Nicephorus werd in December 970, op ene verraderlijke wijze, vermoord en Joannes, bijgenaamd Tzimiszes, besteeg de troon van Konstantinopel. Deze bewilligde er gaarne in, om de Griekse prinses Theophania, dochter van keizer Romanus II, aan de zoon en opvolger van keizer Otto ten huwelijk te geven; reeds in de lente van het jaar 972 landde de Griekse vloot met d prinses aan de kusten van Italië en op 14 April, de eerste Zondag na Pasen, werd door Paus Joannes XIII het huwelijk tussen het jonge keizerlijke paar ingezegend. Weldra verliet keizer Otto Italië, want na een zesjarig afwezen verlangde hij om naar Duitsland terug te keren en ging in de laatste dagen van Augustus op reis. Reeds in de eerste helft bevond hij zich op het door Karel de Grote gebouwde slot Ingelheim. Gedurende zijn oponthoud in Italië, had Otto zware verliezen in zijn huis ondergaan. Het smartelijkste van deze was dat van zijne moeder, de heilige Mathildis, die op 14 Maart 968, in het door haar gestichte klooster Quedlenburg ontsliep; zij stierf zoals zij geleefd had, namelijk als ene heilige. De keizer begaf zich in het jaar 973 naar Maagdenburg, vandaar naar Quedlenburg, waar het gebeente van zijnen vader, de grote Hendrik en van zijne moeder, de heilige Mathildis, rusten; vervolgens naar Merzeburg en vandaar naar Memleben; hier was in het jaar 936 zijn vader koning Hendrik aan ene beroerte gestorven. Gezond en wel kwam Otto op 6 Mei 973 in die stad. De volgende dag was hij aan tafel zeer opgeruimd en vrolijk, at met veel graagte en ging volgens gewoonte des namiddags naar de kerk, om de Vesper bij te wonen; doch opeens zag men, dat zijn hoofd op zijne borst zonk en zijne gelaatstrekken ene gehele verandering hadden ondergaan, en terwijl men hem uit de kerk naar het paleis droeg, ontdekte men, dat de zorg en bijstand der geneesheren reeds tevergeefs was, trouwens zijne ziel had reeds hare aardse woning verlaten.
Otto II, reeds sedert geruime tijd door de rijksgroten erkend en door de Paus tot keizer gekroond, volgde zijnen vader in de heerschappij over Duitsland en Italië op; de jeugdige vorst was slechts twintig jaren oud en zijne regering was, zolang hij zich door zijne heilige moeder Adelaide liet geleiden, zeer gelukkig en zij had ene zeer grote invloed op het hart van haren zoon; doch Theophania, ofschoon bevallig en beminnenswaardig, was heerszuchtig en doortrokken van het begrip der Grieken nopens alleenheersing; zij zocht derhalve het hart van haren gemaal alleen te besturen en zijne moeder uit het paleis en uit het gemoed van de keizer te verdringen; zij werkte in alles hare schoonmoeder tegen en Otto vergat wat hij aan zijne moeder verschuldigd was en ging zelfs in zijne verblinding zover, dat hij, aangehitst door de jonge keizerin en lage hovelingen, die hare weldaden aan kloosters en arme gestichten als grote verkwisting aanmerkten, bedacht was om de heilige Adelaide van het hof te verbannen; doch de vorstin voorkwam de misdaad van haren zoon en zegevierde over de kunstgrepen van Theophania en de haar vleiende en te gedienstige hovelingen. Zij verliet in het jaar 978 vrijwillig het hof van haren zoon en begaf zich eerst naar Italië. Haar oponthoud in dat land werd te hoger geschat om de weldaden en gunsten, welke zij aan diegenen, die tot haar hunne toevlucht namen, bewees. Vervolgens ging zij naar Bourgonje en werd door haren broeder koning Coenraad en zijner gemalin Mathildis met eerbied en hoge belangstelling ontvangen. Zo groot de vreugde der Bourgonjers was, zo algemene droefheid heerste er in Duitsland, want men betreurde terecht, dat met haar het geluk van het Duitse volk verdwenen was. In het ganse rijk heerste verwarring en de zwakke keizer, alle verstandige raadsmannen van zich verwijderd hebbende, verviel van de ene dwaasheid tot de andere. De rechtvaardigheid, milddadigheid en oprechtheid, welke de troon van zijnen vader versierden, verdwenen in de vloed van onrechtvaardigheid, lichtzinnigheid en tweedracht der groten en ambtenaren des keizers, die steeds tot ondergang van Kerk en Staat werkzaam waren. De heilige Adelaide beweende intussen de verkeerdheden van haren zoon en deed met gebeden en moederlijke verzuchtingen de hemel geweld aan; het gebed van deze engel des vredes werd door de hemelse Vader verhoord. De geboorte van ene erfgenaam van de troon, wien de naam van Otto gegeven werd, was niet slechts voor Duitsland maar ook voor des keizers moeder ene heugelijke gebeurtenis. Otto opende daarenboven zijne ogen bij de rampen, die hem sedert de vrijwillige verbanning van zijne moeder getroffen hadden en trachtte zich met haar weer te verzoenen. De schrijvers zijn het over de omstandigheden, welke die verzoening bewerkten, niet eens. De heilige Odilo verklaart, dat keizer Otto II aan koning Coenraad van Bourgonje en aan de heilige Majolus, abt van Cluny, een gezantschap afvaardigde, met verzoek om de vrede tussen ene beledigde moeder en berouwhebbende zoon te bemiddelen en haar tot de reis naar Pavia, waar de vorst zich ophield, te bewegen, dat Adelaide zich naar haren zoon begaf en deze onder het storten van overvloedige tranen omhelsde. Andere schrijvers berichten, dat de verzoening met enige moeilijkheid gepaard ging; dat niemand der hovelingen de moed had om de vorst over zijne moeder te spreken, dat de heilige Majolus aan het hof verscheen en de keizer met de grootste vrijmoedigheid toesprak en hem verklaarde, dat het hem als regeerder van een groot gedeelte der aarde, het minste voegde om Gods geboden uit het oog te verliezen; dat de Heer, die hem op het toppunt der tijdelijke grootheid verheven had, hem in één ogenblik in de uiterste diepte kon doen neerzinken, en dat het de volstrekte wil des Allerhoogste was, dat men zijne ouders de meeste eerbied toedroeg. Die woorden zouden op de keizer diepe indruk gemaakt hebben, zodat hij zijne moeder te voet viel en om vergiffenis voor de haar aangedane belediging bad. Het onbepaalde vertrouwen, dat Otto II haar tot zijnen dood geschonken heeft, bewijst dat zijne verzoening kinderlijk oprecht geweest is. De keizer veranderde geheel en gedroeg zich vervolgens als een goed Christen en vroom keizer, zodat de geschiedenis hem terecht de erenaam toelegde van ene vrees voor zijne vijanden, een wijs en verstandig monarch en een ijverig vereerder van de Godsdienst te zijn.
De heilige Adelaide bleef aan het hof en ging met de keizer en zijne gemalin in de lente van het jaar 891 naar Rome, waar zij het Paasfeest vierden. Na in de maand September naar Pavia teruggekeerd te zijn, bekrachtigde de vorst ene verzoeking van enige goederen der keizerinmoeder aan het Salvators klooster. Otto, die in de kracht zijns levens, dapper en begerig naar roem was, verlangde niets meer dan de loopbaan eens veroveraars te betreden, dacht aan niets anders als om de Grieken en Saracenen van de kusten van Italië te verdrijven en geheel Italië van de Alpen tot aan de zee-engte van Sicilië, dit eiland en alle om Italië liggende eilanden onder zijnen scepter te doen bukken. Theophania moedigde hem hiertoe aan en haar erfrecht diende tot voorwendsel van de krijg, want Otto hield staande, dat hij, doordien Tzimisces kinderloos gestorven was, door zijne gemalin het erfrecht op Calabrie en Apulie verkregen had. Adelaide, door ene hogere hand geleid, voorzag de ongelukkige uitslag van de strijd en trachtte haren zoon te bewegen, om de vrede met keizer Basilius II, die onderhandelingen aangeknoopt had, niet te verbreken. Daar zij echter op het vurig hart des vorsten niets kon verkrijgen, wendde zij zich tot God en smeekte Hem van het de keizer en zijne onderdanen dreigende gevaar af te wenden. Otto begaf zich in het oorlogsveld, behaalde enige overwinningen op de Grieken en Saracenen, doch werd vervolgens woedend aangevallen door zijne, zo hij meende, reeds verslagene vijanden en zag zich, terwijl zijn ganse leger schier omkwam en hij bijna gevangen werd, genoodzaakt om in zee te springen en bereikte zwemmende een schip, dat hem naar Rosana bracht, waar zich Theophania bevond. De vreugde van de keizer terug te zien was algemeen, maar niet minder de droefheid over het in de veldslag geleden verlies. Otto begaf zich, na eerst te Verona een rijksdag gehouden te hebben, met de keizerin en zijne moeder naar Pavia en vandaar naar Rome; de keizerinmoeder bleef evenwel te Pavia. De vorst, ofschoon hij in zijnen rampspoed het zeldzaamste bewijs van algemene redere deelneming, getrouwheid en afhankelijkheid ontvangen had, gevoelde dat de smart over zijnen tegenspoed zijne gezondheid meer en meer ondermijnde; hij werd te Rome plotseling door ene gevaarlijke kwaal, de buikloop, overvallen en gevoelde dat deze hem naar het graf zou slepen, beschikte hij over zijn vermogen, hetwelk hij in vier gelijke delen vermaakte, één deel aan de kerk, een ander aan de armen, het derde aan zijne moeder en zijne zuster Mathildis, abdis van Quedlinburg en het vierde aan die getrouwe krijgsmakkers, die hun leven voor hem in Italië veil gehad hadden en thans nog zijn gevolg uitmaakten. Na vervolgens de Heilige Sacramenten ontvangen te hebben, stierf Otto II op 7 December 983, in zijn negenentwintigste jaar, het tiende van zijne regering sedert de dood van Otto de Grote.
Staande deze treurige gebeurtenis in Italië, troffen de heilige Adelaide nog andere smarten betrekkelijk hare dochter Emma. Deze verloor haar gemaal Lotharius, koning van Frankrijk; de minderjarige zoon liet zich tegen zijne moeder voorinnemen en leende zelfs het oor aan de afschuwelijkste laster dier roekelozen, welke haar beschuldigden als hield zij ongeoorloofde omgang met Ascilinus, bisschop van Laon. Emma, ofschoon zo hard vervolgd, vond nog enige troost met hare klachten in de schoot van hare moeder uit te storten. “Mijn droefheid,” zo schreef zij, “o mijne beheerseres, aan wie ik de zoete naam van moeder geven mag, is tot het hoogste geklommen. Toen ik mijn gemaal de koning verloor, had ik al mijn vertrouwen op mijnen zoon gevestigd en deze is mij een vijand geworden. Mijn vertrouwde vrienden hebben mij verlaten en mij en mijn gans geslacht met schande en smaad overladen. Men heeft de bisschop van Laon met de schandelijkste lasten bezwalkt, men vervolgt hem en zoekt hem van zijne waardigheid te ontzetten, om mij tevens ene eeuwige schande aan te doen. Spoed u, geliefde moeder, om ene dochter, die anders van droefheid vergaan moet, te hulp te komen. Mijne vijanden verheugen zich, dat mij geen broeder, geen aanverwant, geen vriend is overgebleven, om mij enige bijstand tegen hunne kwaadwilligheid te verlenen.” De heilige Adelaide werkte aan de verzoening der moeder met de zoon; er had ene bijeenkomst te Montfaucon bij Verdun met de jonge Lodewijk plaats en alle onaangenaamheden werden door hare bemoeiing uit de weg geruimd.
In Duitsland regeerde keizer Otto III en stond wegens zijne minderjarigheid onder het regentschap van zijne moeder Theophania; deze vorstin betoonde zich jegens hare schoonmoeder zeer wantrouwend en behandelde haar met grote hardheid. Adelaide evenwel verdroeg alles in stille onderwerping, zonder aan iemand te klagen, totdat de Heer van leven en dood hierover beschikte. Theophania stierf eensklaps te Nijmegen in het jaar 991, en Adalaide zag zich gedrongen het regentschap weer op zich te nemen. Doch nu schitterde hare deugd, zelfverloochening en verachting van de wereld meer en meer; de waardigheid, welke haar kroonde, scheen haar een ondragelijke last; om evenwel hare plichten nauwgezet te vervullen, wijdde zij zich geheel aan de staatsaangelegenheden en in plaats van zich over hen, welke de bewerkers van hare vroegere rampen geweest waren, te wreken, trachtte zij hen bij alle gelegenheden met weldaden te overladen; zij besteedde al de tijd, welke haar overbleef, in oefeningen van versterving en Godsvrucht, zonderde zich op bestemde uren in hare kapel af om te bidden en weldra genoot zij de liefde van hare onderdanen en strekte aan allen ten voorbeeld. In jet jaar 993 ontving zij het treurig bericht van de dood van haren broeder Conraad, koning van Bourgonje, die om zijne verhevene hoedanigheden en deugden de bijnaam van de “vreedzame” verworven heeft. In het jaar 999 stierf de abdis Mathildis te Quedlinburg, ene de heilige Adelaides waardige dochter; hare nicht Adelaide, zuster van Otto III, volgde haar als abdis in haar klooster op. Slechts tien maanden mocht de heilige keizerin hare dochter overleven. Zij had in haar laatste levensjaar nog ene reis naar Bourgonje ondernomen, om ene verzoening tussen haren neef koning Rudolf III en zijne onderdanen te bewerken; voor hare afreis bezocht zij eerst nog in verschillende streken de door haar gestichte kloosters en onderzocht met nauwgezetheid of alles volgens de regel ingericht was; te Geneve bezocht zij de kerk van de heilige martelaar Victor en als had zij een voorgevoel, dat zij deze wereld weldra zou verlaten, stelde zij zich te Lausanne herhaalde malen met aandrang onder de bescherming van de Heilige Moedermaagd Maria. In die stad ontmoette zij koning Rudolf. Zij beproefde de bemiddeling en om er te beter in te slagen begiftigde zij de armen en kerken; de onderhandeling was langdurig, doch alles liep naar wens af. Vervolgens begaf zij zich naar het klooster van Paterny, aan gene zijde van Mont-jou, hetwelk zij gesticht en rijk begiftigd had en waar hare moeder Berha begraven lag; dit gesticht was door haar onderworpen aan de congregatie van Cluny, onder de heilige abt Majolus, die in het jaar 994 gestorven was en de heilige Odilo tot opvolger had. Na de fondsen van dat gesticht verzekerd, na de kerken en armen zo overvloedig begiftigd te hebben, dat de heilige Odilo zulks als een wonderwerk beschouwde, bezocht zij de andere Godvruchtige plaatsen van het koninkrijk Bourgonje. Zij zond rijke geschenken aan de kerk van de heilige Martinus van Tours, welke voor enige tijd door brand verwoest was, en aan verschillende kloosters in Italië en Duitsland, waar zij op eigene kosten vier kloosters had doen bouwen, waarbij hij Pavia in Lombardije niet meerekende. Toen zij zich van Cluny, waarheen zij zich begaven had om met de heilige Odilo te spreken, zou verwijderen, onderhield zij zich een geruime tijd met de heilige abt, beval hare ziel in zijne gebeden, wierp zich voor hem op hare knieën, kuste de zoom van zijn kleed, verzekerde hem, dat zij elkander op deze wereld niet zouden terug zien en verzocht zijnen zegen. Vandaar begaf zij zich naar Elsas en stierf te Selz, zes mijlen van Straatsburg. Hier had zij voor twaalf jaren een prachtig klooster, onder aanroeping van de heilige Petrus, gesticht en aan de regel van de heilige Benedictus onderworpen. De heilige Adelaide bereidde zich hier met ijver tot de dood; zij bad onophoudelijk en wanneer iemand haar over tijdelijke aangelegenheden begon te spreken, voegde zij hem aanstonds deze woorden toe: “O mij rampzalige, wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods!” Toen zij haar einde nabij was, ontving zij de aanbiddelijke geheimen en het laatste oliesel en riep als in heilig ongeduld uit: “Ik verlang ontbonden te worden en met Christus te zijn!” God verhoorde haar gebed, zij stierf op 16 December in het jaar 999, in achtenzestigjarige ouderdom.
Het ganse keizerrijk en het koninkrijk Bourgonje waren in rouw gedompeld. Frankrijk, getuige van hare deugden en goede werken, deelde in de smart en de heilige Odilo, welke de levensgeschiedenis, die wij als echt moeten beschouwen, heeft opgetekend, verzekert, dat God haar graf door onderscheide3ne mirakelen verheerlijkte; blinden, lammen en andere zieken keerden, na zich daar aan hare voorbede aanbevolen te hebben, hersteld huiswaarts. Haar feestdag houdt men op deze dag en is in enige martelaarsboeken aangetekend; het Rooms evenwel maakt gene melding van haar en wij vinden niet, dat hare heiligverklaring volgens de gewone vormen uitgesproken is.
De levensgeschiedenis van de heilige Adelaide doet zien, dat zelfs in bloot tijdelijke zaken de doorslepenste berekeningen, evenmin als vele middelen, welke de staatkunde in het werk stelt, het geluk van de mens kunnen verzekeren, want de beschikking der vaderlijke Voorzienigheid heersen boven de schranderheid der mensen, terwijl onverwachte gebeurtenissen de best beraamde plannen omverwerpen. Drie onderscheidene malen van het gezag beroofd, in de gevangenis geworpen, schier gebannen, zocht de heilige keizerin nooit door geheime streken weer op de troon te geraken. Toen de dood haar bedreigde en zij door ene afschuwelijke tiran onderdrukt werd, hield zij zich tevreden met slechts voor de Heer te zuchten en te klagen over de onmogelijkheid, waarin zij gesteld was, om weldaden te kunnen bewijzen; zij wachtte hare rechtvaardiging overigens gelaten van de tijd, die machtige verdediger van elke goede zaak, die de hartstochten tot bedaren brengt en eindigt met de deugd te kronen. Handelen wij evenzo? Mistrouwen wij helaas de Voorzienigheid niet, wanneer wij de gebeurtenissen van deze wereld naar de kansen van een niet bestaand toeval berekenen? En wanneer wij onze pogingen verijdeld zien, gedragen wij ons als aan Gods wil onderworpen? Hoe menigmaal gaan ontevredenheid, morren, vloek en godslastering met ene teleurstelling gepaard! God zegent onze bemoeiingen niet, Hij doet de vruchten van onze ijdele wijsheid afvallen en de ouderdom in ellende doorbrengen, ofschoon wij alle berekeningen om die dagen in rust te leven dachten. Dat wij dan toch eindelijk begrijpen, dat er boven ons ene machtige hand bestaat, aan welke wij ons nooit kunnen onttrekken; ene hand, welke de mens aan onzichtbare koorden houdt en met zijne hoogmoed, bekwaamheid en list de spot drijft. Achten wij boven alles de eeuwige wijsheid van de Schepper en verlaten wij ons nooit op het schepsel; leggen wij altijd onze belangen in zijne handen en dat onze eerste zorg zij, om die te bevorderen, want zij zijn verplicht te waken van nooit iets te verrichten wat tegen zijnen wil zou kunnen strijden.
17 December
De heilige Olympiades (410).
Weduwe.
De bronnen, waaruit de schrijvers der levensgeschiedenis van de van de heilige weduwe Olympiades geput hebben, zijn zeventien brieven, door de heilige Chrysostomus aan haar geschreven, de werken van Palladius, een tijdgenoot, die het leven van die heilige kerkvader opstelde, een andere Palladius, mede tijdgenoot der heilige, in zijne “Historia Lausiacu,” Sozomenes en anderen.
De heilige Olympiades, die bloem der weduwen in de kerk van het Oosten, stamde af van een doorluchtig en vermogend geslacht. Hetgene men van hare onmetelijke schatten verhaalt, schijnt schier ongelooflijk, maar wij behoeven slechts aan te merken, dat zij onder hare voorouders de beroemde veldheren, de machtigste overwinnaars telde, wier vermogen dat van onze koningen overtrof, en dat de rijkdommen, welke zij sedert vele jaren vergaderden, steeds op het hoofd van de stam overgemaakt werden, rijkdommen, welke voldoende zouden geweest zijn om in de onbegrijpelijke dwaasheden te voorzien, die door de geschiedschrijvers van de laatste tijdvakken der Romeinse heerschappij verhaald worden, en deze schatten vielen allen in de hand der weduwe Olympiades, die aan al de armen van de wereld hare milddadigheid deed gevoelen, terwijl andere Romeinen, die gelijk zij van raadsheerlijke stam ontsproten waren, de wereld als onder brandschatting stelden, ten einde de weelde van hunne tafels te onderhouden en hunne paleizen en vorstelijke verblijven op te schikken.
Onze heilige verdient behalve om hare milddadigheid, ook onze eerbied, wijl in de tijden van scheuring en verdeeldheid, zich steeds aan diegenen hechtte, welke de waarheid standvastig bleven verdedigen, ofschoon zij moest ondervinden hoeveel smaad zij daarom te verduren had; doch wegens deze edelmoedige getrouwheid verkreeg zij die kracht waarmee zij aan al de rampen het hoofd bood, welke hare liefde voor de waarheid en jegens degenen, die rechtzinnigheid verdedigden, haar vervolgens deed ondergaan. Zij beklaagde zich nooit van door Godsdienstige vriendschap aan de heilige Chrysostomus verbonden te zijn, ofschoon men haar om zijnentwille vervolgde, en zij rekende zich gelukkig om met hem te lijden. Olympiades stelde daarom rampen boven een leven, hetwelk zij in genoegen, vermaak en rust voor deze wereld had kunnen doorbrengen. Zij was te verlicht om niet in te zien waar haar wezenlijk geluk te vinden was en zij had moeds genoeg, om standvastig aan datgene gehecht te blijven, hetwelk zij het voordeligste voor haar zeilenheil erkende, hoe moeilijk zulks ook aan de zinnelijke mens mocht voorkomen. De Christelijke vrouwen, welke om haren rang en staat in deze wereld aanzienlijk zijn, zullen in deze heilige een groot voorbeeld vinden en in haar de schoonste voorbeelden van alle soort van deugden aantreffen. Hare Godsvrucht, liefde, nederigheid, heldhaftige kloekmoedigheid, edelmoedige getrouwheid jegens hare vrienden, blijdschap in vervolging, standvastigheid in lijden en ontelbare andere bewonderenswaardige hoedanigheden en deugden, zijn zovele spiegels, in welke men zich zelve zal kunnen opmerken en waarin wij kunnen zien, welke overeenkomst er bestaat tussen de Christen van deze eeuw en tussen de heilige weduwe, welke de vierde en vijfde kerkeeuw door haar volmaaktheden versierde.
De heilige Olympiades werd omtrent het jaar 368 uit aanzienlijke en vermogende ouders geboren; de doorluchtigheid van hare geboorte blink nog meer uit door de onmetelijke rijkdommen, welke haar voorvaderlijke stam bezat en die op haar overgegaan waren. Zij was de dochter van de graaf Seleucus, nicht van de onder Constantijn de Grote zoveel vermogende Ablavius, die overste der lijfwacht en in 314 stedehouder van Afrika was. Zij werd door de Goddelijke beschikking reeds vroegtijdig ene wees en aan Procopius, die als oom der jeugdige maagd voorkomt, werd het beheer van hare goederen opgedragen, terwijl aan de vrome Theodora, zuster van de heilige Amphiloquus, bisschop van Iconie, hare opvoeding toevertrouwd werd. Deze was ene verstandige en Godsdienstige vrouw, ene vriendin van de heilige Gregorius van Nazianze, die haar als voorbeeld van Godsvrucht voorstelt. De jeugdige maagd, dus voorgelicht, volgde de voetstappen van hare brave voedster en werd ene getrouwe opvolgster van hare deugden. Men begon weldra de jeugdige Olympiades als de uitstekendste jonge dochter van het ganse keizerrijk hoog te schatten; behalve adel en rijkdom, bezat zij grote lichaamsschoonheid, maar zij wekte nog meer de belangstelling op door de uitmuntende begaafdheden van hare ziel en men beijverde zich met de meeste zorg om haar insgelijks op te leiden in die verhevene wetenschappen, die de mens voor het oog van God beminnelijk maken. De heilige Gregorius noemde haar een voorbeeld van Godsvrucht.
Nog jong en volgens sommige schrijvers slechts zestien jaren oud zijnde, werd Olympiades uitgehuwd, door bemiddeling van haren oom en voogd Procopius, aan de edele Nebridius, vroeger rentmeester der vaste goederen van Theodosius de Grote, later stadvoogd van Konstantinopel. Tot nu toe had men in de kerk geen huwelijk met meerdere Godsdienstige praal zien inzegenen. Onderscheidene bisschoppen en dienaren van ’s Heren altaar, vrienden van beide families, zowel als andere personen van de eerste rang waren daarbij tegenwoordig. De heilige Gregorius van Nazianze was door keelziekte verhinderd er bij te wezen en zich met geen blote verontschuldiging in ene brief aan Procopius willende bepalen, zond hij aan de jonggehuwden ene schone bruiloftszang in dichtmaat, waarin hij aan beiden enige onderrichtingen gaf, hoe zij zich in hunnen staat moesten gedragen. Na slechts twintig maanden gehuwd te zijn werd Olympiades reeds weduwe. De tijd van rouw over haren echtgenoot was nog niet verstreken, of zij werd door verschillende aanzienlijken tot een tweede huwelijk aangezocht, doch zij wees allen van de hand, want hare gedachten waren reeds op edeler stand gevestigd. Keizer Theodosius verlangde deze met in- en uitwendige begaafdheden versierde jonge weduwe aan Elpidius, een Spanjaard en zijn bloedverwant, te verbinden en deed haar zijn voornemen met aandrang voorstellen, maar de heilige weduwe wist dit aanzoek met beleefde bewoordingen af te slaan. Op een zekere dag nochtans met meer hevigheid van de zijde des vorsten gedrongen om hare toestemming, antwoordde zij vrijmoedig aan de keizer, dat wanneer het God welgevallig geweest ware, dat zij met ene man leven zou, Hij haar degenen, aan wie zij verbonden geweest was, niet zo spoedig zou ontnomen hebben, en dat zij nu alle rede meende te hebben van te geloven, dat de Heer, met haar hare eerste vrijheid zo spoedig terug te schenken, verlangde, dat zij zich door geen tweede huwelijk verbinden zou, en dat zij vast besloten had haar gehele leven in de weduwlijke staat door te brengen. De anders zo zachtmoedige Theodosius werd vergramd en gebruikte dwang om haar tot andere gedachten te brengen; hij ontnam haar de vrije beschikking over al hare goederen en stelde die onder het beheer van de stadvoogd van Konstantinopel, die belast werd die te besturen tot dat de nu achttien- of negentienjarige Olympiades dertig jaren zou bereikt hebben. Hetzij dat dit bevel gevolgd werd door een ander, wat de persoonlijke vrijheid van deze heilige vrouw beperkte of dat de stadvoogd op eigen gezag ’s keizers wil uitbreidde, hij veroorloofde haar niet om de bisschoppen te bezoeken, zelfs niet eens ter kerk te gaan. Hij scheen door Elpidius nog meer tegen haar opgezet te worden, die van de ene zijde dacht dat zij zich door de invloed en raad der geestelijken liet leiden, en van ene andere zijde hoopte haar te vermoeien en haar eindelijk tot een huwelijk van hem te doen besluiten. Zelfs de keizer bleef alle middelen in het werk stellen en liet geredelijk al deze strenge behandelingen toe, om haar te bewegen van aan zijnen wil genoegen te geven, terwijl hij haar te kennen deed geven, dat hij steeds op haar verstoord bleef. Olympiades, in plaats van zich te beklagen, schreef de vorst de volgende regels: “Ik heb u, o mijn vorst, alle dank te betuigen, dat gij mij ene gunst bewijst, welke niet alleen een keizer, maar een bisschop waardig is, met door het bewaren van mijne goederen, mij van ene zware last ontheven te hebben. Gij zult nog meer doen en mijne blijdschap volkomen maken, zo gij een bevel uitvaardigt van die aan de armen en de kerken te schenken, want ik zag reeds voorlang naar middelen uit, om de ijdelheid te ontwijken, welke men te vrezen heeft, wanneer men die zelf uitreikt, en om mij te waarborgen tegen het gevaar van mij aan stoffelijke en vergankelijke goederen te hechten, ten nadele van de ware goederen, die geestelijk en Goddelijk zijn.” De keizer werd getroffen door dit schrijven en bewonderde hare deugd; hij ging naar Italië, van waar hij, na de tiran Maximus ten onder gebracht en het Westelijke rijk bevredigd te hebben, in het jaar 391 te Konstantinopel terugkeerde. Hij vernam alstoen welke Godvruchtige levenswandel Olympiades leidde, en nu gaf hij haar het volkomen beheer van hare goederen en alle vrijheid weer. Terecht moest deze vorst hare deugden bewonderen, want in waarheid gans Konstantinopel was gesticht in de zo bij uitstek uitmuntende levenswandel van deze jeugdige weduwe. Zij besteedde hare goederen tot de edele einden, welke hare Godsvrucht haar inboezemde. Als weduwe trachtte zij met alle ernst de aan deze staat door de heilige Paulus zo nadrukkelijk voorgeschreven en aanbevolen deugden op te volgen. Olympiades geloofde, dat zij zich aan de vorderingen der voegzaamheid, zoveel haar stand en staat veroorloofden, kon onttrekken en achtte zich hoogst gelukkig, dat het haar vergund was van in die eenvoudigheid te leven, welke zelfs in de ogen ener ijdele wereld eerbiedwaardig blijft. Onaangezien hare lichaamszwakheid en teder gestel, leefde zij in gestadig gebed en strenge boetoefeningen; vaste zeer streng en ontzegde zich het gebruik van vleesspijzen en al wat dierlijk leven ontvangen had; de gewoonte maakte haar het nachtwerken tot ene natuur; nooit gebruikte zij de baden, welke in warme landen behoefte zijn, vooral voordat men zich van linnen klederen bediende. Hare zachtmoedigheid en nederigheid getuigden, dat zij reeds haren wil verzaakt had en dat de ijdelheid geen van hare handelingen bezielde; en bescheidenheid, ingetogenheid en eenvoudigheid, die in al hare handelingen doorstraalden, gaven het schoonste bewijs van de beweegredenen, die hare neigingen en begeerten bestuurden; zij had alle ijdele opschik verworpen; haar huisraad was gelijk aan dat der armen en was haar gebed aanhoudend en vurig, hare liefde en milddadigheid waren onbeperkt. Terecht mocht de heilige Chrysostomus dan ook die milddadigheid jegens allen bij ene rivier vergelijken, welke voor elk open is, die over ene grote uitgestrektheid lands verschillende staten en rijken onafgebroken doorloopt, tot zij zich in zee uitstort, welks haren zij door de overvloed, die zij aanvoert, nog meer doet zwellen. De afgelegen steden, de eilanden, de woestijnen verheugden zich over hare milddadigheid; de behoeftige kerken hadden deel aan hare goederen; waren hare rijkdommen onmetelijk, haar verstervend leven stelde haar in staat, om al hare goederen de Heer uitsluitend toe te wijden; de heilige Chrysostomus was verplicht om haar later aan te manen van toch toe te zien hare aalmoezen bij voorkeur uit te reiken aan de meest behoeftigen en deze niet aan elk vrager uit te delen. Zij beschouwde alle armen, waar ook in de wereld verspreid, als kinderen van het huis des Heren, welker voedster zij zijn moest; kocht duizenden slaven vrij, welke zij aan hun huisgezin terug schonk; men ontmoette haar bij de zieken, weduwen, wezen, maagden en verlatenen; overal stortte zij hare aalmoezen uit, in één woord, er was geen goed werk, dat aan hare kunne voegde, of zij beijverden zich het ten uitvoer te brengen; maar hare liefdadige werken bepaalden zich niet tot het lenigen van lichamelijke ellenden; zij nam elke gelegenheid te baat, om de zaden van Godsvrucht en deugd in de harten te storten; zij weende met de ongelukkigen, spoorde de zondaars tot boete aan, vertroostte de kleinmoedigen en wist hun vertrouwen op God in te boezemen; menig afgedwaalde werd door hare bemoeiing op het pad der deugd teruggebracht, en terwijl zij zich beijverde om vrouwen, die nog in de schaduw des doods zaten, dat wil zeggen aan de dienst der afgoden gehecht waren, de Godsdienst van Jezus te leren kennen, zo trachtte zij niet minder de Christelijke vrouwen, die aan heidenen gehuwd waren, door heilzame onderwijzingen op de goede weg te behouden en haar aan te moedigen, om mee te werken om de kennis van de ware God in hunne huisgezinnen te bevorderen.
De levenswijze dezer deftige en aanzienlijke vrouw, die aan elk tot bewondering strekte, bewerkte, dat zij met alle personen van uitstekende vroomheid en waardigheid briefwisseling onderhield. Zij had met de voornaamste, grootste en heiligste bisschoppen van haren tijd vrome omgang, schreef aan en ontving brieven van de heilige Amphiloquus van Iconie, de heilige gregorius van Nyssa, de heilige Petrus van Sebaste, beide broeders van de heilige Basilius de Grote, de heilige Epiphanes van Salamina, de heilige Optimus van Antiochië in Pisidie, wien zij de ogen in Konstantinopel sloot. Zij bewees grote en verhevene diensten aan Acasius van Berea in Syrië, aan Antiochus van Ptolemaida in Phenicie, aan Severianus van Gabala in Syrië, die nochtans alle drie hare vervolgers geweest waren. Nectarius, patriarch van Konstantinopel, droeg hare deugden al de achting toe, welke deze verdienden; deze gemoedelijke bisschop, van haren volmaakte levenswandel overtuigd, verwierf haar, ofschoon zij nog jong was, om hare uitstekende deugden tot diakones van zijne kerk, en terwijl zij voor de reinheid van het altaar zorg droeg, hernieuwde zij gestadig de belofte van de Heer in reinheid en zuiverheid van hart en lichaam te dienen. Niets evenaarde de vriendschap, welke zij de opvolger van Nectarius op de patriarchale stoel van Konstantinopel, de heilige Chrysostomus, toedroeg, in wie zij ene ware vriend en zielsbestuurder vond. Zij beantwoordde aan zijne vriendschap en toonde hem, dat hare insgelijks uit ene oprecht Christelijke hoogachting voor de eerbiedwaardige en verheven heilige patriarch van Konstantinopel voortvloeide; zij onthief hem insgelijks van de zorg voor zijn onderhoud en zijne andere behoeften, want de grote prelaat gebruikte niets voor zich van de inkomsten van zijne kerk en hij willigde in, dat de heilige Olympiades hem zou verzorgen, ten einde te zijn en zich met de aangelegenheden van zijne heilige bediening uitsluitend te kunnen bezig houden. De vriendschap tussen de heilige Chrysostomus en haar was de enige misdaad, die haar in de ogen der vijanden van deze heilige bisschop hatelijk maakte. Een Theophilus van Alexandrië, hun hoofd en aanvoerder, kon haar niet vergeven, dat zij de Meerderbroeders en andere monniken, die door hem vervolgd werden, ondersteunde; deze waren door Theophilus verdreven en te Konstantinopel ene schuilplaats en toevluchtsoord komen zoeken, en door de heilige Chrysostomus aan de heilige Olympiades aanbevolen. De heilige aarsbisschop werd in het jaar 403 op ene vergadering, aan wier hoofd zich Theophilus bevond, veroordeeld en het vonnis der afzetting, door deze valse vergadering geveld, uitgesproken; het hof beval verbanning van Chrysostomus; dit vonnis werd wel is waar herroepen, doch in het jaar 404 opnieuw uitgevaardigd en de blohartige keizer Arcadius liet zich door de keizerin Eudoxia en Theophilus met zijne eerloze bisschopelijke hovelingen opstoken, zodat de heilige Chrysostomus zich naar de plaats zijner ballingschap inscheepte. Olympiades, die bij de hoofdkerk woonde, bevond zich in de heilige plaats en Chrysostomus had moeite om haar van zich te verwijderen. Zij en enige andere weduwen en maagden van grote onderscheiding betuigden en bezegelden hunne standvastige getrouwheid jegens de wettige herder, en het was onmogelijk om haar in de onrechtvaardigheden tegen de heilige prelaat gepleegd, te doen instemmen, of Arcasius, die zich op de zetel van Konstantinopel ingedrongen had, te erkennen. Men zocht zich over hare gehechtheid aan de banneling aan haar te wreeken. Het is bekend, welke mishandelingen en vrienden van Chrysostomus, die men om zijnentwille Joanniters noemde, te verduren hadden; overal bezigde men ketenen en geselroeden; de vrouwen werden op ene gewelddadige wijze van hunne versierselen beroofd, door de soldaten schandelijk mishandeld en het scheen als of de tijden van de wrede Nero weer aangebroken waren. Ook de heilige Olympiades moest het lot der vervolgden delen en men wist daartoe geen beter middel, dan haar van medeplichtigheid aan brandstichting te beschuldigen, bij gelegenheid dat een hevige maar wonderlijke brand de Sint Sophiakerk in as legde. Palladius, ooggetuige van dat onheil; zegt daarvan het volgende: “Na de dikste duisternissen, steeg eensklaps de vlam op uit de troon, waarop Joannes gewoon was te zitten; deze zetel stond in het midden der kerk, zoals het hart in het lichaam; hier verkondigde hij Gods woord en strooide de zaden des levens in alle levende ledematen die er vergaderd waren. Het scheen of deze vlam van de hemel gekomen, de heilige op zijnen bisschoppelijke zetel zocht en hem niet vindende, dezelve verteerde; vandaar spreidde zij zich naar alle zijden uit, verbrandde de muren en gewelven des tempels, om door deze zo spoedige als wonderdadige brand, de buitengewone straf af te beelden, welke Gods rechtvaardigheid voor hem bereidde, die zich aan zijnen dienaar zo verregaande vergrepen hadden. Hetgeen nog meer bevreemdde, was dat het vuur, op heldere dag, het gebouw aangreep, waarin de raad vergaderde, hoewel het enige schreden van de kerk gelegen was, en dat juist niet aan de zijde der kerk, maar aan die van het keizerlijk paleis; alle omliggende huizen werden verteerd, uitgezonderd de kleine kapel, in welke de heilige vaten verborgen waren. Deze brand van het paleis van de senaat duurde van zes tot negen uren en vernielde hetzelve.” Palladius en anderen beschouwden niet zonder rede ene en andere ramp, evenals het vernielen van de gehele oogst, als ene tuchtiging des hemels. De brand werd intussen aan de vrienden van Chrysostomus geweten; velen moesten gevangenis en pijnbank verduren, en men kon zich voor het ogenblik verbeelden, dat het heidendom uit deszelfs as verrezen was, daar men weer ijzeren haken en brandende fakkels zag bezigen; de voornaamste slachtoffers waren de voorlezer Eutropius, die met vuur en staal gemarteld, onder de folteringen de geest gaf, en de priester Tigrius, die, na nog afgrijselijker gemarteld te zijn, naar Mesopotamie verbannen werd.
Mannen, vrouwen en maagden werden op gelijke wijze behandeld, van welke sommige onder de folteringen en andere in de kerker de geest gaven. Optatus, de stadvoogd van Konstantinopel, een heiden, liet insgelijks de heilige Olympiades voor zijnen rechterstoel brengen en vroeg haar waarom zij het vuur in de kerk gelegd had. Zij antwoordde: “Mijn levenswandel tot dusverre zal mij van deze beschuldiging vrijspreken, want die zoveel geld tot de herstelling en opbouw der kerken aanwendt, zal zich toch niet aan het in brand steken der bedehuizen schuldig maken.” – “Uwe levenswijze,” hernam Optatus, “is mij bekend.” – “Indien dit zo is,” zei Olympiades, “wordt dan mijn aanklager en dat een ander mij rechter zij.” De stadvoogd, die begreep, dat wilde hij er met gene schande afkomen, hij de beschuldiging niet verder moest volhouden, begon van toon te veranderen en zei haar, als om haar en de andere vrouwen schijnbaar ten beste te raden, dat zij, om zich van alle moeilijkheden vrij te waren, kerkelijke gemeenschap met de benoemde bisschop moesten houden; de vrees voor de ongenade des keizers, maar vooral de mishandelingen, welke de handlangers en vleiers van een zwak of onwetend vorst in het werk stelden, maakten dat enige toegaven, maar Olympiades verklaarde aan Optatus met hare gewone vrijmoedigheid: “Na eerst voor het oog der bevolking wegens ene gewaande misdaad gedaagd te zijn, strijdt het tegen de regels van het recht, dat ik mij wegens een ander beklag, voor dat het eerst afgehandeld is, zou moeten verdedigen. Geef mij rechtsbepleiters wegens de eerste beschuldiging, doch houd u verzekerd, dat, wat gij ook ondernemen mocht, ik nooit kerkelijke gemeenschap zal houden met degene, die door mijn geweten niet kan, noch mag erkend worden.” De stadvoogd, verlegen met dit geschil, gaf zoals het gewoonlijk gaat, haar vrijheid om huiswaarts te keren en met pleitbezorgers te spreken. De heilige werd intussen door ene ziekte overvallen, die de ganse winter aanhield; in het voorjaar betekende men haar evenwel het bevel van de stad te ruimen, na haar eerst weer voor de rechterstoel van Optatus gedaagd te hebbe; deze veroordeelde haar, wanneer zij Arcasius als patriarch niet wilde erkennen, tot ene ongehoorde geldboete; zij werd meermalen voor de rechterstoel gesleept en de soldaten durfden de schaamteloosheid zover te drijven, dat zij haar de klederen van het lichaam scheurden; hare goederen werden in het openbaar verkocht en het gemeen plunderde ongestraft hare woning; zelfs zij, die van haar met weldaden overladen waren, smaadden en bespotten haar. De heilige wilde liever al hare goederen prijs geven, dan aan de goddeloze eisen toegeven, verliet Konstantinopel en begaf zich naar Cyzikus in de Propontis. Daar was het, dat zij de meeste brieven ontving, welke de heilige Chrysostomus uit Cucuse, de plaats zijner ballingschap, ene kleine stad in Armenië, haar schreef.
Atticus, die de rampzalige Arcasius op de zetel; van Konstantinopel volgde, verdreef en bande de maagden, die verenigd onder hare leiding leefden; in een brief, welke de heilige patriarch haar uit Cucuse schreef, zei hij haar onder aderen, na haar de ijdelheid der pogingen van hare vijanden getoond te hebben: “O Godsdienstige vrouw, gij moet u zelve en degenen, die met u dezelfde strijd gestreden hebben, opwekken; doe uw best, om allen dezelfde moed in te boezemen.” Volgens het verhaal van Palladius schijnt het, dat Olympiades overste of abdis van een klooster, bij de hoofdkerk gelegen, geweest is, hetwelk tot aan de vernietiging van het Griekse keizerrijk bestaan heeft. De heilige weduwe beweende het gemis van haren heilige bestuurder, zowel als de rampen, welke de kerk van Konstantinopel bij de onrechtvaardige verbanning van haren herder drukten, doch zij bleef gelaten en onderworpen aan de wil des Heren, die degenen, welke Hem in oprechtheid des harten zoeken, nooit verlaat, en de heilige Chrysostomus, haar de voorbeelden van Job en Lazarus voorhoudende, vermaande haar haar lijden als ene kostbare kroon aan te merken. In één zijner brieven zegt hij haar onder andere. “Gij weet welke verdiensten en voordelen het lijden aanbrengt; gij hebt derhalve alle rede u te verblijden, omdat gij van uwe jeugd af in droefheid geleefd en dus een weg, die laurierkransen en kronen schenkt, bewandeld heeft. Altijd onder uw lichamelijk lijden en krankheden zuchtende, die pijnlijker dan duizend doden zijn, zijt gij bovendien overladen met gestadige beledigingen, hoon en lasteringen nooit zonder nieuwe ellende; uwe ogen hebben niet opgehouden stromen van tranen te vergieten; een enkele van uwe jammeren zou voldoende geweest zijn om uwe ziel met geestelijke schatten te verrijken.” Bij ene andere gelegenheid, toen zij vervolgd werd, schreef hij haar: “Al wat gij verduurd hebt, is slechts spinnenweb, rook en schaduw en zelfs nog geringer, bij het beschouwen van de beloning, die gij voor uw lijden hebt ontvangen, want wat wil het zeggen uit de stad verbannen, van plaats tot plaats verdreven, van tijdelijke goederen beroofd, voor de rechtbanken gesleept, van soldaten mishandeld te worden, van hen, die men ontelbare weldaden bewezen heeft, beledigingen, van huisgenoten en vrienden onbillijkheid te moeten verduren, wanneer de hemel de prijs voor de strijd is, zowel als die heilvolle goederen, welke door geen woorden kunnen uitgedrukt worden, die eeuwig zijn en welker genot eindeloos is.”
Wij weten, dat deze heilige weduwe de heilige Chrysostomus overleefd heeft, doch eindelijk riep de Heer deze waarlijk Godsdienstige vrouw, deze weduwe, die zo waardig is om onder die van de eerste kerk gerangschikt te worden, ter beloning; God had haar door ziekte, vervolging en verbanning beproefd, en uitgeput door vasten, lichamelijk en zielenlijden, bezweek zij omtrent het jaar 410, ten tijde dat Palladius zijne samenspraak over het leven van de heilige Chrysostomus schreef. De andere Palladius, in zijne Historia Lausiaca, tien jaren later geschreven, zegt: dat zij de beloning, aan de belijders (zo noemde men in die tijd degenen, die om het geloof vervolgd werden) toegezegd, verdiende en dat zij onder de heiligen de hemelse heerlijkheid geniet.
De Grieken vieren haren feestdag op 25 Juni; haar naam staat in het Rooms Martelaarsboek op 17 December aangetekend.
18 December
De heilige Wunibaldus (760).
Abt te Heidenheim in de Beijerse Paltz.
Niet de heilige Walburgis, zuster van de heilige Wunibaldus, wier leven wij op 25 Februari mededeelden, maar ene non uit het klooster van die heilige abdis, die tijdgenoot was en insgelijks het leven van de heilige Willibaldus, broeder van de heilige Wunibald, beschreef, heeft ons de levensschets van Wunibals nagelaten. Ene zeer goede uitgave daarvan is door Mabillon geleverd in zijne Acta Sanct. sOld. S. Bened. Saec. 3. part 2. pag. 176 et 365 et seqq., insgelijks bij Henschenius ad 25 Febr.
De heilige Wunibaldus, broeder van de heilige Willibaldus en de heilige Walburgis, was de zoon van de heilige Rigardus, wiens naam op 7 Februari in het Rooms Martelaarsboek vermeld en die onder de voornaamste vorsten behoort, welke de West-Saksen bestuurden. Beide broeders geleidden hunnen vader, die ene bedevaart naar Rome ondernam, op deze Godsdienstige tocht. Richardus stierf omtrent het jaar 722, toen men te Lucca kwam en werd in de kerk van de heilige Frigridianus bijgezet; de broeders zetten evenwel hunne reis naar Rome voort en na enige tijd in die stad vertoefd en de graven der Apostelen en andere heiligen vereerd te hebben, ondernam Willibaldus ene bedevaart naar Palestina. Wunibaldus, wiens gezondheidsstaat niet zeer voordelig was, bleef te Rome en wijdde zich gedurende zeven jaren aan d oefeningen der schone en Godgeleerde wetenschappen toe, ontving vervolgens de kruinschering en heiligde zich aan de dienst des Heren; later keerde hij naar Engeland terug en wist daar enige van zijne verwanten en vrienden te overreden, om met hem weer ene bedevaart naar Rome te ondernemen en nu namen zij gezamenlijk het kloosterkleed aan. De heilige Bonifacius, bloedverwant des heiligen, wist hem en zijnen broeder Willibaldus te overreden, om met hem de akker des Heren in Duitsland te beploegen en beiden begaven zich, door de grote bekeerder van Duitsland gezonden, naar Thuringen en wijdden zich aan het verbreiden der Godsdienst van Jezus onder de ongelovigen. De heilig Wunibaldus, na priester gewijd te zijn, kreeg de zorg over zeven kerken, en wij zien de ijverige geloofsverbreider zijne woorden door zijnen deugdzame levenswandel bekrachtigen. De heilige Willibaldus tot bisschop van Eichstädt in Frankenland gewijd zijnde, ontbood zijnen broeder Wunibaldus en deze gehoorzaamde aan de stem die hem riep, begaf zich in het bisdom zijns broeders, zette zich in de wouden van Heidenheim neer en werd voor die streken een weldadig hemellicht. Hij koos zich vervolgens in deze wildernissen een verblijf, roeide enige bomen uit, bearbeidde de grond en bouwde voor zich en zijne volgelingen enige cellen. Weldra rees daar een klooster op en dit oord van Godsvrucht werd door ijveraars voor de Heer bevolkt, zodat het kloosterleven in die streken gevestigd werd. Aanzienlijke giften deden het klooster in rijkdom toenemen, doch die goederen werden bloot als het goed der armen beschouwd en tot geen ander einde besteed. De kloostertucht werd er in volmaaktheid beoefend. Vervolgens stichtte hij in de nabijheid een tweede klooster voor Godsdienstige maagden, welke leiding hij aan zijne zuster de heilige Walburgis vertrouwde.
Hij arbeidde met onvermoeide ijver aan de bekering der afgodendienaars, ofschoon zij het meermalen op zijn leven toelegde; zijne apostolische loopbaan onttrok hem evenwel niet aan de zorg voor de volmaking zijner kloosterlingen. Hij wist onder zijne broeders de geest van gebed, van ootmoed en van versterving te onderhouden; de onderrichtingen, welke hij hun gestadig gaf, wist hij volgens ieders gesteldheid zo in te richten, dat hij de zwakken onder hen versterkte, de sterkere aanmoedigde en allen naar de volmaaktheid deed streven, wijl hij zelfs allereerst de deugden beoefende, die hij anderen aanprees.
“Deze man van God,” zegt de deugdzame non, welke zijn leven beschreven heeft, “liet zich noch door de bedreigingen der goddelozen vrees aanjagen, noch door de schijnheilige redenen van vleiers, van zijnen eenmaal ingeslagen weg afleiden; sterk door het geloof des Heren, hield hij nooit met door zijne onderrichtingen het volk van de goddeloosheid der afgodendienaars af te rukken en tot Gods kennis op te voeren. Overal met dezelfde inspanning het zaad van het Goddelijke woord strooiende, voerde hij de Heer ene ontelbare schare toe en was volgens des Verlossers woord, het levendige afbeeldsel van die slangenvoorzichtigheid, met welke hij in ene zowel eenvoudige geest als in krachtvolle bewoording en handeling, de verderfelijke inzichten van de verleider der mensen wist te straffen, terwijl hij de dwalenden leerde en door zijne zachtmoedigheid overtuigde. De heilige wist zich tegen de woedende aanvallen van de boze geest te sterken, met het schild des geloofs en de helm der rechtvaardigheid, met de speer van het Goddelijke woord en het zwaard der versterving; met het harnas der onthouding en zuiverheid, voorzien met de pijlen van alle Christelijke deugden, streed hij dag en nacht tegen de duizenden kunstgrepen en listen van de eeuwige vijand. Hij bezat in volstrekte zin de eenvoudigheid der duif, want hij wist het vuur van zijnen ijver door liefelijke zachtmoedigheid te matigen; diep doorgedrongen in de zin der Heilige Schrift en zijne woorden naar het begrip van zijne hoorders wijzigende, was hij alles van allen, vol medelijden met de kleinmoedigen en broeder lievend jegens de armen; hij bracht ieder mens op de weg der deugd, omdat elk zich getrokken gevoelde door de zachte koorden van zijne Godsvrucht en liefde, want deze zich beminnelijk voordoende, vindt gewillige harten en oren.”
God beproefde zijnen dienaar door verschillende ziekten, zelfs had men reeds drie jaren voor zijnen dood alle hoop op zijn herstel opgegeven; naar Fulda gereisd zijnde, lag hij in dat klooster gedurende drie weken ziek; deed vervolgens ene tocht naar Wurzberg, waar hij zich bij de bisschop Megingoz drie dagen ophield, waarna hij naar zijne broeder terugkeerde. Daar zijne Godsvrucht de krachten van een zwak lichaam overtrof, verlangde de heilige ene bedevaart naar het graf van de heilige Benedictus te ondernemen en te Monte-Cassino zijne levensdagen te eindigen, doch hij wilde eerst van de abt van dat gesticht verlof en de verzekering erlangen, dat hij hem onder zijne kloosterbroeders zou opnemen; ongevraagd ontving de heilige de hartelijkste uitnodiging, en hij maakte zich reeds tot de reis gereed, toen zijne kloosterlingen, welke hij zijn voornemen had meegedeeld, zich tegen zijn verlangen aankantten en hem door hunne smekingen en tranen bewogen om in hun midden te blijven. De heilige Wunibaldus verzwakte meer en meer, zodat hij zich niet meer naar de kerk kon begeven om de offerande op te dragen en hij was derhalve gedwongen, om de Heilige Geheimen in ene naast zijne cel zich bevindende kapel of zelfs in zijne cel te vieren. Voor zijnen dood verlangde hij nog eenmaal zijnen broeder Willibaldus, bisschop van Eichstädt, te zien, die hem ook werkelijk in zijne laatste ziekte kwam bezoeken. Voor dat hij deze wereld verliet, vergaderde hij zijne leerlingen om zich en zei hun: “Mijne zonen en broeders, weest steeds bezorgd voor de belangen uwer zaligheid; handelt altijd met voorzichtigheid en tracht onophoudelijk uw doen en laten naar de wil des Allerhoogsten, die u tot de volmaaktheid geroepen heeft, in te richten; bewaart altijd onder elkander ene heilige liefde en in alles het oprechte geloof der Katholieke Kerk; draagt zorg de kloostertucht nauwgezet in acht te nemen en de regels na te leven, zoals u die door ons geschreven en geleerd zijn en zoals gij de Heer beloofd hebt. Ik wil u gaarne alle menselijke fouten kwijtschelden, aan welke gij u door nalatigheid in woorden en werken onder mijn bestuur plichtig maakt; en mocht ik in woorden of werken, of in wat het ook zij, gedwaald hebben, vergeeft mij zulks van uwe zijde. Na God door mij te zijn aanbevolen, zo volhardt ik de vrede en laat mij nu in deze voldoening des harten de mij bestemde weg uit deze wereld opwandelen, want de dag van mijn afscheiden staat voor de deur, op welke mijne ziel de kerker des lichaams zal verlaten en naar de beloning voor de strijd en de rust van alle kwellingen heen spoedt, onder de bijstand en volgens de beloften des eeuwige Vaders.” De heilige hief zijne ogen ten hemel en onder de uitroep van: “In uwe handen, o Heer, beveel ik mijnen geest;” ontsliep hij op 18 December 760, in ene zestigjarige ouderdom; tien jaren had hij onder de zijnen de waardigheid van abt bekleed. De kloosterlingen droegen het ontzielde lichaam in de kerk, brachten de ganse nacht in gebed en psalmgezang door, en legden het dierbaar overschot in het graf, hetwelk hij zich reeds enige jaren eerder had laten bereiden.
De non, die zijn leven beschreven heeft, verzekert, dat God het graf van zijnen dienaar door onderscheidene wonderwerken verheerlijkte, en wij lezen in het leven van de heilige Gregorius van Utrecht, door de heilige Ludgerus opgesteld, deze belangrijke woorden: “Mijn leermeester Gregorius beminde Wunibaldus zeer, en de schitterende mirakelen, welke hij na zijn afscheiden wrochtte, zijn een klaar bewijs, dat hij in de eeuwige heerlijkheid opgenomen is.” Ofschoon men in het Rooms Martelaarsboek de naam van de heilige niet opgetekend vindt, wordt hij toch in zeer vele kerken van Duitsland en in die van Utrecht Godvruchtig vereerd.
Omtrent zestien jaren na de dood van de heilige Wunibaldus, liet de heilige Willibaldus het lichaam, dat geheel ongeschonden bevonden werd, uit het graf opheffen en in ene met goud en zilver kostbaar versierde kist leggen. Toen in de twaalfde eeuw de kerk te Heidenheim door ene vreselijke brand verwoest werd, redde men nog tijdig het heilig gebeente en legde het in het jaar 1358 in het koor der nieuw opgebouwde kerk. Men verzekert, dat deze heilige overblijfselen bij de beroeringen der kerkschenders in de zestiende eeuw, naar Scher in Frankenland, op de landgoederen va de heer Truchses overgebracht en tegen ontheiliging bewaard gebleven zijn.
19 December
De heilige Nemesion en anderen (250).
Martelaren
Het Rooms Martelaarsboek stelt ons bij het naderen van de grote en onbegrijpelijke gebeurtenis, die der wereld zaligheid aanbracht, heden verschillende heiligen ter verering voor, van welke de geschiedenis ons behalve hunnen bloedige strijd, slechts weinig bewaarde, zodat de verwachting en aandacht, welke de ganse Kerk bezig houdt met de komst van de Verlosser in het vlees, welke nabij is, niet onderbroken wordt. Hoe meer wij dus deze gelukzalige ogenblikken zien naderen, hoe meer wij onze verzuchtingen ten hemel moeten opzenden om aan de genaden, die ons bij de geboorte van Jezus Christus aangebracht worden, deelachtig te worden. Mochten wij ons slechts een denkbeeld maken van het vurig verlangen, hetwelk de heiligen van het Oude Verbond bezielde, om de Zaligmaker te aanschouwen; hoezeer zouden wij bezorgd zijn om in ons hart dat vuur te ontsteken, hetwelk in de harten der heiligen van het Nieuwe Verbond voor Jezus gloeit, sedert Hij op deze wereld gekomen is.
De verlangens van de vroegere profeten waren in Jezus Christus besloten. Het: “dauwt hemelen van boven en dat de wolken de rechtvaardige afregenen; moge toch de aarde zich openen en de Zaligmaker voortbrengen,” was de gestadige bede der aartsvaders en profeten, die zijne dagen in de toekomst zagen aanbreken! Hoe groot moet dan ons verlangen zijn, die Hem zelfs dagelijks voor ons geboren zien worden, om Hem in zijne tweede komst, of tenminste in ons stervensuur te zien, als beloner van zijne getrouwe gelovigen! Voor de menswording van het eniggeboren Woord des eeuwige Vaders, leefde die verwachting en dat verlangen slechts in een gering getal der zielen, maar hoe gaarne zouden zij, in wie God door zijnen Heilige Geest dat verlangen ontstoken had, met een bereidwillig hart alles prijs gegeven en zich geheel en al opgeofferd hebben, indien het hun vergund geweest ware gelijk wij, zijne heilvolle komst te mogen zien. En indien de heiligen van het Oude Verbond zich bereid zouden getoond hebben, om Jezus Christus, aan alles wat buiten Hem is vaarwel te zeggen, hoeveel te meer behoren wij dan alle grootheid, eer en aards geluk te verwerpen, die met het verlangen naar en met het bezitten van Jezus Christus strijdig zijn. Dat wij dan bij de beschouwing van al de opofferingen, die de martelaren en heiligen van het Nieuwe Verbond zich zo bereidvaardig om Jezus Christus getroosten, de hemelse Vader in deze voorbereidingsdagen vurig smeken, van ons levendige Godsvrucht en een aller vurigst verlangen tot Jezus Christus, tot zijne komst en heerlijkheid in te boezemen, ene Godsvrucht en verlangen, welke die der rechtvaardigen en der profeten van het Oude Verbond overtreffen, wier vurige begeerten tot de Verlosser ons in de plechtige gebeden der Kerk, die aan deze tijd bijzonder eigen zijn, voorgehouden worden! Smeken wij de Vader door Jezus Christus, dat de kennis aan zijnen eeuwige Zoon, welke het Hem behaagd heeft ons te schenken, bij ons verre verheven zij boven die kennis, welke Hij onze voorouders in de Oude Wet en in de eerste wereld heeft doen toekomen. Wij mogen ondertussen met alle rede klagen, alhoewel de hemelse Vader ons zijnen Zoon heeft doen kennen, dat deze kennis, hoe verheven ook, zich evenwel niet over de ganse aarde uitstrekt, en dat er helaas zeer weinigen gevonden worden, die zich met een dankbaar hart geheel en al aan deze grote geheimen van onze door Jezus geheiligde Godsdienst hechten. Dat wij dan, die van de Heer de genade verkregen hebben van waarheden te bezitten en te overwegen, terwijl Hij ons de ogen geopend heeft, om ons te doen zien wat voor anderen, die zich aan het vergankelijke hechten, verborgen is, gevoelen, dat wij Hem gene genoegzame dank kunnen aanbieden, en dat wij ons zelven onophoudelijk aanmoedigen, om Hem met alle getrouwheid des harten te dienen, die over ons zijne onbegrijpelijke gunsten uitstortte. Herhalen wij gestadig in de geest en met de mond de woorden, welke Gods Zoon gezegd heeft: “Zalig zijn de ogen die zien hetgene gij ziet,” willen wij ons niet aan de schandelijkste ondankbaarheid schuldig maken. Deze korte beschouwing wilden wij doen voorafgaan, ten einde in ons het verlangen naar de Verlosser op te wekken, dat in de heilige martelaren zo vurig leefde en de geschiedenis van de marteling van de heilige Nemesion en andere bloedgetuigen van Jezus Christus, zal ons weer tot spoorslag strekken.
In het zesde boek der kerkelijke geschiedenis, door Eusebius medegedeeld, vinden wij de marteldood van de heilige Nemesion aangetekend, welke heilige het Rooms Martelaarsboek heden herdenkt; onderscheidene martelaren onder de afschuwelijke Decius, die alle gewesten van het keizerrijk met het bloed der belijders van Jezus christus bevochtigde, worden ons 12 December tot op deze dag voorgehouden en wij willen van sommigen iets vermelden, omdat zij evenals de heilige Nemesion, hunnen verheven en glorievolle strijd te Alexandrië voltrokken.
De heilige Nemesion was van afkomst een Egyptenaar; zijne taal en levenswijze droegen insgelijks daarvan de blijken; hij was Christen en die hoedanigheid verdiende hem de dood onder de regering van de afschuwelijke Decius. Bij tirannen maakt men zich verdienstelijk, wanneer men aan hunnen bloeddorst enige offers weet aan te bieden; waarom enige goddelozen, die deze heilige haat toedroegen, hem beschuldigden van medeplichtig te zijn aan de misdaden, door sommige rovers, welke men gevangen genomen had, gepleegd; de heilige, genoegzaam volgens de leer van de heilige Petrus onderwezen, dat wij niet gelijk dieven en moordenaars moeten lijden, meende dat het hem niet vrijstond bij dusdanige laster te zwijgen en belangstelling voor zijne eer drong hem om zich, zoals hij gemakkelijk kon, te rechtvaardigen. Hij deed dit met zoveel kracht, dat men hem in het vervolg niet meer van die misdaad durfde te beschuldigen. Satan had echter zijnen ondergang besloten en niet geslaagd zijnde om hem als rover te doen omkomen, vuurde hij zijne vijanden aan hem te beschuldigen van Christen zijn, hetwelk hij wist dat de dienaar van Jezus Christus niet zou loochenen. Nu werd hij voor de landvoogd van Egypte gebracht, die geen andere als Sabinus geweest kan zijn, die gedurende de loop van dit jaar zoveel Christenbloed deed stromen. Deze was als een dienaar van alle boosheid bekend, die zowel met alle regels der rechtvaardigheid als met de levens der mensen de spot dreef, en wien de onschuld meer afschrik scheen in te boezemen dan de afgrijselijkste misdrijven. Deze onmens deed de heilige Nemesion het dubbel der folteringen ondergaan, welke men tegen de gemene rovers in het werk stelde; eindelijk werd hij met deze weggevoerd en evenals zij levend verbrand. Eusebius en andere schrijvers, welke over de heilige martelaar spreken, bewenen de blindheid der goddelozen, die Jezus Christus in zijne dienaren aanranden, en kunnen niet genoeg bewonderen, dat al wat zij in het werk stellen, om de ware vereerders van de gekruiste Godmens ten spot te stellen en te onteren, aan dezen tot groter eer verstrekte; zij meenden, dat zij de heilige Nemesion gene grotere hoon konden aandoen, dan hem met moordenaars en rovers gelijk te stellen, en zulks strekte hem in waarheid tot grote eer, wijl hij hierdoor zoveel te gelijkvormiger werd aan de Zoon Gods, die met moordenaars gelijk gesteld en tussen moordenaars als de beruchtste onder hen gekruist is.
Na deze strafoefening zag men vijf soldaten voor de rechterstoel verschijnen, te weten Ammon, Zenom, Ptolemeus, Ingenes en met dezen een grijsaard, Theophilus geheten; alle vijf boden zich eensklaps voor de rechter aan; men was juist bezig een Christen te ondervragen en had die op het folterraam uitgestrekt; het scheen, dat die martelaar zou bezwijken en op het punt was om het geloof te verzaken; deze krijgsknechten merkten zulks op, vrees tekende zich op hungelaat en zij gaven de martelaar wenken met hunne ogen, hoofd, handen en andere gebaren, om toch kloekmoedig de strijd tegen de hel te voeren; weldra waren aller ogen op hen gevestigd; men begreep gemakkelijk hunne bedoeling en zij, zonder te wachten dat men de hand op hen zou leggen, liepen voor de rechterstoel en dus in de nabijheid van het schavot, dat voor de geloofsbelijders opgericht was en verklaarden met luider stem Christenen te zijn. Deze moedige daad verbaasde de landvoogd, zijne raden en bijzitters; men stond vooral verwonderd over hunne onversaagdheid in het verachten van de dood en het bespotten der folteringen, die de wreedheid der mensen tegen de gelovigen uitdacht; één en ander deed de rechter en zijne bijzitters beven; alle vijf verlieten zij de gerechtsplaats met blijdschap, God lovende, die hun de kracht gegeven had om de naam van Jezus Christus openlijk voor zijne vijanden te belijden. Ofschoon men niet weet wat het uiteinde dezer edele belijders geweest is, vereert de Kerk hen evenwel als martelaren en wij vinden hunne namen in het Rooms Martelaarsboek op de volgende dag aangetekend.
De heilige Dionysius, bisschop van Alexandrië, bijgenaamd de Grote, die te dier tijd die kerk bestuurde, verhaalt nog, dat men drie Christenen voorbracht, Heron, Ater, ook Arsenius geheten en Isidorus, alsmede een knaap, Dioscorus genaamd, die nauwelijks vijftien jaren telde. Men begon het onderzoek met de laatste, in de verwachting van hem door beloften en schone woorden te misleiden, of hem als de zwakste van lichaam door foltering tot afval te dwingen; doch Dioscorus, door de onzichtbare hand van die God, wiens naam hij belees, ondersteund, toonde zich even kloek onder de martelingen, die men hem deed ondergaan, als tegen de vleierijen; nu begon men in zijne tegenwoordigheid de andere drie martelaren te pijnigen, maar het was aan de dienaren van de duivel niet mogelijk iets op hen te winnen; zij werden dus veroordeeld om levendig verbrand te worden en op dezelfde brandstapel omgebracht. De rechter ziende, dat de vele omstanders de grootheid van moed en de wijsheid der antwoorden van de jeugdige Dioscorus bewonderden, en dat hij de loftuitingen en de achting en genegenheid, welke men hem openlijk betoonde, niet in staat was te beletten, stelde hem op vrije voeten en zei hem, dat hij medelijden met zijne jeugd had en hem de tijd schonk om zich te bedenken. De jeugdige belijder werd dus tot ene andere kampstrijd in de zich opvolgende vervolgingen voorbehouden en het schijnt, dat hij zijnen bisschop de heilige Dionysius overleefd heeft, wijl deze gene verdere melding van hem maakt. Zijn naam is met die van de heilige Heron, de heilige Ater en de heilige Isidorus, op 14 December, in het Rooms Martelaarsboek aangetekend.
Het is voor ons van het grootste gewicht, ons oog op deze grote voorbeelden van standvastige moed te vestigen. Ach mochten wij, indien het God behaagde ons te vernederen, gelijk Hij toeliet, dat de heilige Nemesion vernederd werd, insgelijks in navolging van onze Goddelijke Jezus, die door deze moedige geloofsheld op het spoor gevolgd werd, evenzo smaad en schande beminnen! Voor een misdadiger is het nooit een teken van moed, wanneer hij onverschrokken zijn leven op een schavot laat; mensen mogen die ongelukkige bewonderen, die misschien geen moed genoeg had om zijne gruwelen met ware boettranen te bewenen. Maar schuldeloos voor een misdadiger door te gaan en zelfs de dood der boosdoeners met schande en smaad voor de wereld, om de rechtvaardigheid te ondergaan, ziedaar de verdienste en overeenkomst met Jezus Christus, die zich met onze zonden beladen heeft en stierf als ware Hij zelf een schuldige. Openen wij insgelijks de ogen en zien wij met eerbiedige bewondering in de martelaren hetgene de heidenen zelf verstomde; bewonderen wij vooral de werken der genade van Jezus Christus, die weldra aan ons zal verschijnen, en bidden wij van het Goddelijk Kind, dat onder ons staat geboren te worden, iets van die kloekmoedigheid om zijnen naam te verdedigen af, welke zijne oprechte dienaars en bloedgetuigen vervulde. Schamen wij ons over onze zo gewone lafhartigheid en beijveren wij ons voortaan, om door onze gehechtheid aan God en door onze getrouwheid in het geloof, anderen te bemoedigen en diegenen te onderschragen, wien de standvastigheid schijnt te begeven. Deze is de genade, welke wij van Gods Zoon behoren af te vragen, daar wij Hem bereid zien, om weldra al de rijkdommen en de overvloed van zijne genaden over de ganse aarde op de dag van zijne geboorte uit te storten.
20 December
De heilige Philogonius (325).
Bisschop van Antiochië.
De lofrede van de heilige Chrysostomus op de feestdag van de heilige, die de Kerk heden vereert en wiens daden wij gaan vermelden, met het weinige, hetwelk Theodoretus in zijne kerkelijke geschiedenis van deze beroemde bisschop van Antiochië geboekt heeft, dient ons zowel als andere schrijvers over de daden der heiligen, tot leidraad en versterkt ons in de Godsdienstige eerbied, welke wij aan de vrienden van de Allerhoogste, die onze vaders zijn in het geloof, toegedragen.
De heilige Philogonius was geruime tijd, voor hij tot de bisschoppelijke waardigheid verheven werd, de eer der pleitzaal. Hij was advocaat en daar men van zijne bekwaamheid, ervarenheid en algemeen geachte braafheid overtuigd was, werd hij met verschillende zaken belast. Hij offerde zich geheel en al ten dienste van het algemeen op en trachtte zich steeds als man van eer en geweten in zijne moeilijke loopbaan te gedragen. Hij verdedigde door zijne bediening zijne medemensen tegen de onderdrukking van anderen, beschermde de onschuld tegen het geweld en de onrechtvaardigheid. Zijn huiselijk leven was even lofwaardig als zijne gedragingen in het openbaar; hij was gehuwd en had ene dochter, doch de huwelijksband was evenmin als de andere verbintenissen, waardoor zijne betrekking hem aan de wereld boeide, een hinderpaal tegen de beschikking des Heren, die hem verkozen had om zijn volk te geleiden; men hield zelfs braafheid en onbesproken levensgedrag als een bewijs van zijne roeping, zodat hij met deze kentekenen van Gods wil uit de pleitzaal tot het bestuur der kerk van Antiochië verheven werd, terwijl zijne buitengewone verdiensten hem genoegzaam van de gewone vormen onthieven, die zodanige verheffing anders voorafgingen. Horen wij hoe de heilige Chrysostomus van hem spreekt in de lofrede, welke hij in het jaar 386, op de feestdag van de heilige Philogonius, in de kerk te Antiochië uitsprak: “Ofschoon onze krachten zeer gering, ja zonder enige waarde zijn, zo doen wij toch hetgene wij vermogen, en ofschoon zij niet beantwoorden aan de grootheid van de verheven en vrome geest van Philogonius, is het nochtans weer een bewijs van zijne grootmoedigheid, dat hij het geringe niet verwerpt, maar gelijk vermogenden handelt, die, wanneer zij van de geringe mens iets, wat zij niet behoeven, ontvangen, degenen, die hetgene hij kon opdroeg, belonen met van het hunne daarbij te doen; evenzo zal insgelijks de heilige, na de hem opgedragene lofrede, welke hij niet behoeft, ons zijnen zegen, welke wij zo nodig hebben, terug schenken. Waar zullen wij nochtans in deze lofrede beginnen, welk punt het eerste aanroeren? Zijne tijdelijke ambtsverrichting? Maar de tijdelijke ereposten kunnen door zich zelven de deugden niet bewijzen van degenen, die dezelve bekleedt, want zij sluiten meermalen in zich de verdenking van zonde, en waarom? omdat men om dusdanige ambten te verwerven, de bekommeringen van vrienden, aanzoeken, vleierij en andere onedele zaken moet in het werk stellen, terwijl daar, waar God aan iemand zijne stem betekent, ene onomkoopbare getuigenis, een niet te verdenken raadsbesluit, een oprecht en zuiver oordeel ten voordele des verkorenen bestaat, om het gewicht en aanzien van Hem, die de bestemming verleend heeft. Nu, dat God Philogonius geroepen heeft, blijkt genoegzaam uit zijnen zuivere levenswandel, zodat Hij hem uit de boezem der pleitzaal op deze zetel verheven heeft. Vroeger had de verkorene een zo zuiver en voorbeeldig leven geleid, toen hij nog ene vrouw en dochter bezat en in de pleitzaal handelde, dat Hij hem uit de tijdelijke gerechtszaal in de heilige vierschaar overplaatste. In de eerste verdedigde hij mensen tegen mensen, die valstrikken legden, en wist hen, die onrecht leden, boven hen, die de ongerechtigheid uitoefenden, te verheffen; maar hier is hij ene verschansing en bolwerk voor degenen, die door Satan tevergeefs bestormt en belaagd worden.”
De heilige Philogonius volgde omtrent het jaar 318 de bisschop Vitalis op de zetel van Antiochië op, en de heilige Chrysostomus doet ons in zijne lofrede op deze heilige, zeer gunstig over hem oordelen wegens zijnen ijver in de heilige bediening, en Godsvrucht en de goede orde, welke ten zijnen tijde nog in de kerk van Antiochië gevonden werden, vooral door de moeilijkheid in het besturen der kerken, die nog maar onlangs van de vervolgingen der heidenen bevrijd waren. Deze hadden, toen de heilige Philogonius tot de bisschoppelijke waardigheid opklom, in de kerk van het Oosten nog niet geheel opgehouden, en toen hij meende de overblijfselen der vervolging, door Maximinus uitgevaardigd, weggeruimd te hebben, moest hij opnieuw al de woede van die door Licinius berokkend ondervinden, terwijl bovendien het gewicht daarvan schier op hem alleen drukte; en het is staande deze vervolging, dat hij die vurige ijver, welke hem voor de Godsdienst en de eer van zijnen Meester bezielde, deed blijken en dat hij de titel van belijder van Jezus Christus, welke men in die tijd aan de martelaren toekende, verdiende, ofschoon men hem deze erenaam gewoonlijk niet heeft toegekend.
De woede dezer laatste vervolging was nog niet gestild, toen het vuur van ene nieuwe ketterij ontvlamde, van ene ellendige ketterij, die veel groter wanorde in de Kerk veroorzaakte, dan alle bloedige oorlogen, welke de bruid van Jezus tegen de heidenen had moeten verduren. Deze ketterij begon in de kerk van Alexandrië omtrent het jaar 319, door de opstand tegen de Godheid van Jezus, welke de hoofdketter Arius, die in die stad ene kerk bestuurde, berokkende en zich tegen zijnen heilige bisschop Alexander verzette. Moest de heilige Philogonius de smart ondervinden van tijdens hij de kerk van Antiochië bestuurde, dat monster uit de hel voortgebracht te zien worden, hij genoot ook de roem van één der eerste en ijverigste onder de herders der Kerk te zijn, die met Alexander van Alexandrië, door zijne zorg en gezag, toen reeds de voortgang van deze alles vernielende brand zocht tegen te houden. Arius beroemde zich, dat alle bisschoppen en priesters van het Oosten in zijn gevoelens deelden, en hij durfde zulks ook van de heilige Philogonius te verklaren, doch de moedige bisschop van Antiochië maakte gene zwarigheid om hem als ketter te behandelen, terwijl Arius evenmin wist, dat Hellunicus, bisschop van Tripolis in Phenicie en de heilige Macarius, bisschop van Jeruzalem, zich met onze heilige uit alle macht tegen zijne goddeloosheden verzetten en tegen hem met alle ijver de eeuwigheid, gelijkvormigheid en medezelfstandigheid van de Zoon met de Vader verdedigde. Nadat de heilige Alexander, bisschop van Alexandrië, de goddeloze Arius veroordeeld en verdreven had, schreef hij in naam van het concilie van Egypte aan de heilige Philogonius en aan andere voorname verdedigers van de apostolische leerlingen ene synodale brief, om hen op hunne hoede te doen zijn tegen de aanslagen welke dat ketterhoofd, zijne voorstanders en volgelingen zouden kunnen beproeven.
Het ware te wensen, dat de heilige Chrysostomus in zijne lofrede op de heilige Philogonius ons meer met zijn bijzonder bisschoppelijk leven, deugden en handelingen had bekend gemaakt en hij zou zonder twijfel hierin niet in gebreke gebleven zijn, wanneer hij niet geoordeeld had dit werk te moeten overlaten aan de heilige Flavianus, zijn bisschop, die zegt hij als navolger van de gelukzalige Philigonius, meer dan hij met al wat die heilige betreft bekend was. Zo sprak Chrysostomus op het feest van de verheven bisschop van Antiochië, vijf dagen voor de gedachtenisviering van de geboorte des Heren, en wij mogen daaruit opmaken, dat de heilige Flavianus op diezelfde dag de lofspraak over zijnen thans bij God verheerlijkte opvolger gehouden heeft, maar helaas, de nakomelingschap is van die lofrede verstoken.
De heilige Philogonius stierf in het vijfde jaar van zijne bisschoppelijke bediening, na zijne kerk de wijsheid te hebben doen bewonderen, waarmee hij verschillende misbruiken, helaas! ellendige gevolgen der vervolgingen, verbeterde en de loop der ketterij wist tegen te houden, welke reeds algemeen werd door de onachtzaamheid of kwade wil der prelaten, die de ketters begunstigden. Gewoonlijk wordt zijn dood in het jaar 323 opgegeven en wel op 20 December, welke reeds ten tijde van de heilige Chrysostomus aan zijne verering was toegewijd. De lofrede op deze heilige toont, dat de verering van de heilige Philogonius reeds oud was in de kerk van Antiochië en dat deze zeer wel weinige tijd na zijn afsterven kan begonnen zijn, ofschoon men in die dagen niet gewoon was aan anderen dan aan martelaren openlijke verering toe te wijden. De Grieken vierden zijnen feestdag altijd op 20 December; de Latijnen hebben hen hierin gevolgd, ofschoon zeer laat en hebben waarschijnlijk zijnen naam eerst in de zestiende eeuw in hunne martelaarsboeken geplaatst.
21 December
De heilige Thomas (eerste eeuw).
Apostel.
De heilige Thomas, waarschijnlijk een Galileeër van geboorte en van behoeftige stand, had een dubbele naam, te weten Thomas en Didymus; de ene het gewone Hebreeuws of Syriachs, de andere Grieks, betekende dezelfde zaak, te weten “tweeling.” Deze om zijnen stand in de wereld onbekende en bij haar onbeduidende mens, werd na het tweede Pasen van de openbare prediking van Jezus Christus, toen de Goddelijke Leermeester onder zijne volgelingen twaalf bijzondere vertrouwelingen, die Apostelen genoemd werden, uitkoos, mede tot het apostelambt verheven. Jezus, die de harten en nieren doorgrondt, kende de goedhartigheid, eenvoudigheid en getrouwheid van deze deugdzame Israëliet, en vertrouwde hem dus met de andere elf meer bepaaldelijk de geheimen van het koninkrijks Gods.
Het Evangelie vermeldt ons omtrent hem gene bijzonderheden sedert zijne roeping tot de apostolische bediening, tot aan de ziekte van Lazarus, de vriend van Jezus en de broeder van Maria en Martha. Jezus bevond zich over de Jordaan, toen men Hem van de zijde dezer zusters kwam boodschappen, dat Lazarus ziek was; die boodschap nam de Goddelijke Verlosser aan om zijne leerlingen te beproeven, ofschoon Hij hun hart kende en wel wist wat Hij doen zou, en zei dus aan zijne Apostelen: “Laat ons weder naar Judea gaan.” Daar het gevaar, waarin hun Leermeester voor weinige dagen te Jeruzalem verkeerd had, toen de Joden stenen opgenomen hadden om Hem te stenigen, hun nog levendig voor de geest stond en hun vrees had aangejaagd, zeiden zij Hem: “Rabbi! zo even zochten de Joden U te stenigen, en Gij gaat weer derwaarts.” Jezus gaf hun nu te kennen, dat Hij niet vreesde; dat Lazarus gestorven was en Hij zich om hunnentwil verheugde vandaar niet geweest te zijn; nu was Thomas degene, die de andere leerlingen aanspoorde om met hem hunnen Leermeester te volgen. “Laten ook wij gaan,” zei hij, “om met Hem te sterven,” als wilde hij zeggen: daar onze Meester besloten heeft het gevaar, dat Hem bedreigt, tegemoet te gaan, zo laat ons insgelijks ene zekere dood tegemoet gaan, want het is niet billijk, dat wij Hem verlaten. deze woorden van de Apostel duiden wel is waar bereidvaardige wil, maar evenzeer vreesachtigheid en ene edelmoedige en God beminnende, maar tevens met ongeloof vervulde ziel aan; want hij wil zonder Jezus niet achterblijven, maar vermaande zijne medeleerlingen om met hunnen Meester het gevaar te delen. “Laten ook wij gaan,” als zei hij; gaan wij, dan is het ons leven gedaan; doch weigeren wij niet om te lijden, want het betaamt niet, dat wij zoveel prijs op ons leven stellen om ons van Hem te scheiden. Thomas gaf hij zijnen moed nog gering geloof te kennen, want daar hij niet kon besluiten om Jezus te verlaten en om zonder Hem op ene zekere plaats te blijven, zo schijnt het van de andere kant, dat hij nog met te menselijke gevoelens over Jezus dacht en dat hij zich verbeeldde, dat de Joden hem ondanks hem zelven konden om het leven brengen. Volgens de zin nu, welke de meeste uitleggers aan die woorden van de heilige Thomas geven, kwamen die uit de mond voort van een man vast karakter en die aan zijne medeleerlingen zijnen moed wenste mede te delen.
Toen Jezus met zijne leerlingen de avond voor zijnen dood het Laatste Avondmaal hield, gaf Hij, om hen te troosten en tegen de droefheid en ongerustheid, waarin Hij hen geworpen had, met hun te zeggen, dat zij allen in Hem zouden verergerd worden, te versterken, onderscheidene onderrichtingen en zei onder anderen, dat wij er in het huis zijns Vaders vele woningen waren, Hij gaan zou om er hun ene te bereiden; dat Hij terug zou komen om hen te nemen en daar te geleiden, opdat zij zijn zouden waar Hij is, maar voegde daarbij, dat zij wel wisten waar Hij ging en dat zij de weg kenden; Thomas nu, die zoals wij gezien hebben, zijnen Meester gaarne volgen wilde, zei: “Heer! wij weten niet waar Gij henen gaat en hoe kunnen wij de weg weten?” De Apostel, die zo gaarne onderwezen wilde zijn, verklaarde, dat hij en zijne medeleerlingen evenmin de plaats als de weg wisten, en daardoor gaf hij nog het duidelijkste bewijs van zijne zwakheid en gering begrip; de Heer zegt hun, dat zij beide zaken wisten; ja zij wisten het, maar weten niet, dat zij het weten. Zij kenden Christus, die de weg is langs welke men tot de hemel komt, maar zij wisten nog niet, dat Hij de weg was; zij kenden het rijk der hemelen, maar wisten nog niet, ofschoon de Heer hun zulks meermalen verklaard had, dat dit de plaats was tot welke Christus zou gaan; in één woord, Thomas en de anderen begrepen het geheim niet van zijn lijden, zijne verrijzenis en hemelvaart, en dat Hij langs die weg tot zijnen Vader zou terugkeren. Jezus antwoordde hem: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door mij, indien gij mij gekend hadt, gij zoudt ook mijn Vader gekend hebben, en eerlang zult gij Hem kennen, en gij hebt Hem gezien.” Ik ben de weg waarnaar gij vraagt en langs welke men tot de Vader gaat; ik ben de waarheid en het leven, Vader gaat; ik ben de waarheid en het leven, tot welke men komt. Door mijne leer toon ik de enige weg aan; door mijne voorbeelden ga ik u voor, in de daad open ik die weg, welke voor anderen nog gesloten is en doe hen dien door de kracht van mijne genade bewandelen en geleid hen door het geloof tot de Vader. Ik ben de weg, de waarheid en het leven tot welke men komt, in wiens kennis en gebruik het eeuwige en gelukkige leven te vinden is. Ik ben de leraar der waarheid, in wien gij geloven, de oorsprong des levens, in wien gij hopen en tot wien gij u richten moet. Ik ben de waarheid, die alle beloften, schaduwen en afbeeldingen vervul, die de wetenschap der zaligheid onderwijs en de eeuwige goederen beloof en schenk. Ik geef het eeuwig leven en geleid door mijnen dood en mijne verrijzenis tot hetzelve. Niemand komt tot de Vader dan door mij, omdat ik de weg ben om tot de Vader te gaan; niemand kan tot de waarheid en tot het leven, dat in de hemel, waar de Vader is, gesmaakt wordt, komen als onder mijn geleide en door de verdiensten van mijne menswording, van mijnen dood en van mijne verrijzenis. Indien gij zoudt zeggen, dat gij mijnen Vader, tot wien ik ga, niet kent, dan zeg ik u, dat gij, wanneer gij mij in waarheid kende, zodanig ik door mijne Godheid ben, ook mijnen Vader zoudt kennen, omdat ik hetzelfde wezen bezit, en dat hij, die door het geloof de Zoon ziet, ook terzelfdertijd de Vader ziet, die hem voor alle eeuwen in ene volmaakte gelijkheid aan Hem zelven voortgebracht heeft.
Op dezelfde dag van zijne verrijzenis kwam Jezus, toen het avond geworden was en de deuren gesloten waren, wijl de leerlingen de Joden vreesden, in het midden van zijne Apostelen en toonde hun zijne handen en zijde. Thomas was toen niet met hen, maar de leerlingen verzekerden hem, dat zij de Heer gezien hadden; hij antwoordde: “tenzij ik in zijne handen de gaten der nagelen zie, mijnen vinger in de plaats der nagelen steek, en mijne hand in zijne zijde leg, zal ik het niet geloven.”
God liet toe, dat Thomas niet met de overige Apostelen was, toen Jezus de eerste maal aan die vergadering verscheen en wij zijn verwonderd, dat hij, toen al zijne medeleerlingen verklaarden de Heer gezien te hebben, weigerde te geloven, want hoe meer zij evenals hij, de woorden van Jezus niet konden geloven, toen Hij met hen nog omwandelende, met hen over zijne verrijzenis sprak, zoveel te eer had hij aan hunne woorden geloof moeten hechten toen zij hem verklaarden de Heer verrezen gezien te hebben, maar hij kon zich evenwel niet overtuigen, zoals de heilige Chrysostomus aanmerkt, van ene zaak, die hem onmogelijk voorkwam, dat namelijk Hij, die de Joden op zo’n wreedaardige wijze aan het kruis om het leven gebracht hadden, verrezen zou zijn. Thomas was evenwel insgelijks getuige geweest van de opwekking van Lazarus, maar zijn geloof, dat zo zeer geschokt was door de dood van Hem, die in zijne tegenwoordigheid zovele wonderen had gewrocht, kon niet aannemen, dat Hij, na gestorven te zijn, de macht zou hebben om zich zelven ten leven op te wekken. Neen, zegt Thomas, indien ik mijn vinger niet steek in de gaten der nagelen en mijne hand in zijne zijde, welke na zijnen dood door ene lanssteek doorboord is, zal ik nooit geloven, dat Hij van de dood verrezen is; ja ik zal mij overtuigd houden, dat uwe ogen misleid zijn en dat gij ene schim voor een waarachtig lichaam hebt aangezien. Voorwaar de Apostel was halsstarrig in zijn ongeloof, daar hij noch de Godsdienstige vrouwen, noch de Apostelen, noch Christus zelf geloven wilde, die meer dan eens zijne verrijzenis voorzegd had. Jezus wilde evenwel niet zo dadelijk deze Apostel van zijne ongelovigheid genezen, maar verbeidde acht dagen, om hem in zeker opzicht voor zijne hardnekkige weigering te straffen, want het was in de daad God als beproeven, te verklaren, dat hij niet geloven wilde, tenzij hij zijne wonden zou aangeraakt hebben, zijnen vinger in de gaten der nagelen stak en zijne hand in de wond der zijde legde. Waar is het geloof, wanneer men vraagt te zien? Waar is het geloof, wanneer men het van de zintuigen wil doen afhangen? Doch wie bewondert hier niet de toegevendheid van de Goddelijke Jezus omtrent deze ongelovige Apostel? Met om hem alleen, na acht dagen, terug te komen, doet Hij ons de waarheid van zijne uitspraak zien, dat Hij van diegenen, welke zijn Vader Hem had gegeven, niemand verloren had.
Jezus verschijnt dan aan zijne leerlingen opnieuw, zoals de eerste keer, met geslotene deuren; Hij richt zijne woorden tot Thomas en geeft hem aanstonds het bewijs, dat al wat hij gezegd had, voor Hem niet verborgen is, want zich van dezelfde woorden, die hij gesproken had, bedienende om hem zijn ongeloof te verwijten, zegt Hij hem: “Thomas, steek uwen vinger hierin en bezie mijne handen, breng uwe hand hierbij en steek die in mijne zijde, en wees niet ongelovig maar gelovig.” Uit deze woorden blijkt; dat niet slechts de littekenen; maar zelfs de openingen door de lans en de nagelen gemaakt, op ene geheel wonderdadige wijze in het verheerlijkte lichaam van Jezus Christus gebleven waren, wijl Hij tot de ongelovige Apostel anders niet gezegd zou hebben zijnen vinger en zijne hand daarin te steken. Thomas zag ze en hij zag ze niet alleen, maar raakte die aan, en door die aanraking van het aanbiddelijk lichaam van Gods Zoon en van zijne Goddelijke wonden, die gestrekt hadden om de wereld vrij te kopen van de zonde, verdiende hij geheel en al van zijne ongelovigheid genezen te worden, want terzelfdertijd dat hij de handen en zijde van de Zaligmaker aanraakt, gevoelt hij ook de uitwerkselen der krachtdadige woorden, welke Jezus hem toespreekt en die tot in de diepte van zijn hart indrongen: “wees niet ongelovig maar gelovig.” Thomas antwoordde en zei Hem: “Mijn Heer en mijn God!” Wij stonden verbaasd over de harde ongelovigheid van deze Apostel, die de getuigenissen verwierp, welke zijne mede Apostelen en anderen betreffende de waarachtigheid der verrijzenis aflegden, zodat hij zelfs verklaarde niet eer te zullen geloven, tenzij hij zijn vinger in de gaten der nagelen, die de handen en voeten van Jezus Christus doorboord hadden, zou steken; doch nauwelijks had hij het woord van zijnen Meester vernomen, hetwelk hem uitnodigde om de wonden van zijne handen en zijde aan te raken en om niet meer ongelovig te zijn, of hij erkent hem voor zijnen Goddelijke Meester en roept uit: “Mijn Heer en mijn God!” Als zei hij: Ja gij zijt in waarheid mijn Heer en ik erken U voor mijnen God. Men kan wel niet stellig verzekeren, dat Thomas zijnen vinger in de gaten der handen en zijne hand in de opening der zijde van Jezus gestoken heeft; mogelijk heeft hij, zoals de heilige Augustinus opmerkt, daar hij zag, dat Gods Zoon hem aanbood de wonden aan te raken en hem hierdoor zijn ongeloof aan de waarheid zijner woorden verweet, zulks niet durven doen; maar hetzij bij dezelve aangeraakt heeft, of dat het aanschouwen alleen van Jezus Christus, gevoegd bij hetgeen Gods Zoon zei, hem daarvan terug hield, hij deed uit de grond van zijn hart deze beroemde belijdenis van de Godheid van Jezus Christus, welke gediend heeft en tot het einde der eeuwen dienen zal om de goddeloosheid der Arianen en andere ketters beschaamd te maken, die geweigerd hebben en nog weigeren om de Zoon als God te aanbidden en Hem als medezelfstandig aan God zijnen hemelse Vader te erkennen. Ja de nu weer gelukkige Apostel, na de herstelling en bekrachtiging van zijn geloof in de wonden des Heren gevonden te hebben, gaf aanstonds het klaarst bewijs, hoezeer hij verlicht en zijn geloof volmaakt was, toen hij uitriep: “Mijn Heer en mijn God!” en in de mens die hij zag zijnen God erkende die hij niet zag, en zo gaf hij ons de wapenen in de handen om de ketters te bestrijden, die leerden, dat in Jezus Christus twee Personen waren, een Goddelijk en een menselijke, en dat het Woord geenszins op ene persoonlijke wijze met de menselijke natuur verenigd was, zoals de aartsketter Nestorius later leerde.
Jezus, onze Goddelijke Verlosser, heeft dan de ongelovigheid van Thomas toegelaten, om het geloof der Kerk te bekrachtigen, om de kracht van zijne genade aan te tonen. Christus had door zijne almacht de ongelovigheid van Thomas kunnen beletten, maar Hij wilde die toelaten, om daaruit groter goed te doen geboren worden, te weten het grotere geloof en de ootmoed van die Apostel, de meerdere glorie en roem van zijne genade, de bekering der ongelovigen en de versterking der gelovigen in het geloof.
“De oppermachtige goedertieren Heer heeft op ene wonderbare wijze gehandeld,” roept de heilige Gregorius de Grote uit, “opdat deze twijfelende leerling, toen hij de wonden des lichaams in zijnen Meester aanraakte, in ons de wonden des ongeloofs zou helen. Het ongeloof van Thomas is ons geloof voordeliger geweest, dan het geloof der gelovige leerlingen, opdat toen hij door aanraking tot het geloof werd teruggebracht, ons verstand en onze ziel alle twijfeling verwerpende, in het geloof zouden versterkt worden. O wonderbare liefde en goedheid van Christus jegens Thomas! Daar was duisternis over de vlakte van de afgrond en God zei: dat het licht worde! Om een dwalend schaap komt de goede herder andermaal tot zijne leerlingen. Terwijl de deur van zijn hart door zijn ongeloof gesloten is, staat de Heer in het midden. Hij schept het licht des geloofs, verleent de vrede, welke hij ongelovig blijvende niet kon genieten. “Hij stond in het midden en zei: Vrede zij u.” De barmhartigheid en liefde van Jezus Christus jegens Thomas, is dezelfde jegens u mijn broeders; wat Hij voor velen deed, deed Hij om u. Hoe menigmaal is Hij tot u gekomen, heeft Hij door het licht van zijne genade uw verstand verlicht, uw haat geraakt, uw geloof opgewekt, u de vrede aangeboden, die de wereld niet geven kan, en welke niemand geniet zolang de zonde hem overheerst. Hij stond in het midden en zei: Vrede zij u.”
Enige dagen daarna verlieten de Apostelen Jeruzalem en gingen naar de zee van Tiberiades in Galilea, om te vissen. Thomas was met Petrus en de anderen. Zij brachten de ganse nacht in vergeefse arbeid door; des morgens bevond Jezus zich op de oever en Hij verscheen hun, zonder dat zij Hem kenden. Zij herkenden Hem weldra bij de wonderdadige visvangst, welke zij op zijn woord verkregen en aten vervolgens met hunnen Meester. Nu zwijgt het Evangelie en de apostolische geschiedenis van de heilige Thomas evenals sommige andere Apostelen. De oudste schrijvers vallen evenwel die gaping aan, en wij zullen het door hen vermelde hier te boek stellen.
De overlevering der gelovigen ten tijde van Origenes was deze: toen de Apostelen onder elkander de gewesten der aarde verdeelden, waar zij de naam van Jezus Christus zouden gaan verkondigen, vielen de Parthen de heilige Thomas ten deel; hij vertrok nu om aan deze volkeren, die gans Perzië bewoonden en met de Romeinen in vermaardheid en strijd wedijverden, het geloof in Jezus Christus te gaan prediken. Sommige schrijvers tekenen aan, dat hij onder onderscheidene volkeren, onderdanen van Perzië, te weten de Meders, de Perzen, de Carmanianen, de Hircanianen, de Bactriers en de Magiers, aan welke laatste Pilnius een eigen landschap in Perzië toekent en die in verschillende gewesten van het Oosten verspreid waren, het licht des geloofs ging ontsteken. De schrijver van het onvolkomen werk over de heilige Mattheus zegt, dat de heilige Thomas, na in het landschap gekomen te zijn, waarin de wijzen, die vroeger te Bethlehem Jezus Christus waren komen aanbidden, woonden, hen doopte en bezigde om Jezus Christus met hem te verkondigen. Fortunatus van Poitiers rekent de Apostel de bekering der Perzen toe. Enigen zeggen, dat de heilige in Ethiopië zou geweest zijn, en onderscheidene vaders merken aan, dat hij in de Indiën gepredikt heeft.
De heilige Chrysostomus zegt, dat de heilige Thomas, die weleer zich de zwakste en ongelovigste onder de Apostelen betoonde, door de toegevendheid, waarmee Jezus Christus zijne zwakheid heeft willen verdragen en door de kracht van zijne genade, de sterkste, vurigste en onwrikbaarste schier geweest is; dat hij bijna de ganse wereld doorkruist heeft en dat hij, zonder iets te vrezen, te midden der volkeren verkeerde, die van woede knarsetandden en niets minder zochten dan hem om het leven te brengen.
Mirakelen waren bij de verbreiding en vestiging der Godsdienst van Jezus Christus noodzakelijk, want het zegel der Goddelijkheid der openbaring van het Christendom diende op het zelve gedrukt te worden; die mirakelen dienen nog tot een bewijs der waarheid van het Christendom, zodat hij, die dezelve in twijfel durft te trekken, zelfs de ogenschijnlijkste wonderen moet loochenen. Ten allen tijde wanneer God zich door wonderen kenbaar maakte, en toen Jezus Christus, door de uitstekendste mirakelen, onder welke wij slechts twee willen aanstippen, de genezing van de blindgeborene en de opwekking van de reeds vier dagen aan het graf overgeleverde Lazarus, de Goddelijkheid van zijne macht blijkbaar bewees, waren er ongelovigen en dusdanigen zijn er nog en zullen er blijven. Zij, die ten tijde van Jezus Christus aan Mozes en de profeten weigerden te geloven, verwierpen het grootste aller wonderen, de opwekking van ene dode en met die verwerping het geloof aan de Godheid van Jezus, en dus het enige middel van hunne zaligwording.
Wij vernemen uit oude schrijvers, dat de heilige Thomas, na de afdaling van de Heilige Geest, een zekere Thaddeus, één der zeventig leerlingen des Heren, die men geenszins met de Apostel Judas, bijgenaamd Thaddeus, verwarren moet, naar Edessa in Mesopotamië zond, om de koning Abgarus te genezen, te onderwijzen en te dopen. Wij vinden in de kerkelijke geschiedenis van Eusebius, de oudste geschiedschrijver der kerkelijke zaken, die van het jaar 315 tot 338 bisschop van Cesarea was, ene omstandige beschrijving van de genezing van koning Abgarus, en hij beroept zich niet op horen zeggen of op andere schrijvers voor hem, maar op de onwraakbaarste bronnen, op het archief en de publieke oorkonden der stad Edessa. Abgarus, zo verhaalt ons Eusebius van Cesarea, heeft aan Jezus Christus, die hij de goede Verlosser in de omstreken van Jeruzalem verschenen noemt, geschreven en Hem gebeden, van wien hij gehoord had, dat Hij de blinden deed zien, de kreupelen wandelen, de melaatsen zuiverde, de onzuivere geesten en duivelen uitdreef, langdurige ziekten genas en doden opwekte, en daaruit nu als zeker afleidde, dat Jezus of God is uit de hemel neergedaald, of de Zoon Gods, die deze feiten doet, om insgelijks tot hem te komen en hem van zijne kwaal te genezen.
Op deze brief, zoals de stedelijke archieven inhouden, schreef de Zaligmaker de Toparch, die hij zalig noemt, omdat hij in Hem geloofde, dat Hij alles, waartoe Hij gezonden was, te Jeruzalem moest vervullen en na het volbracht te hebben, terugkeren tot degenen, die Hem gezonden had, dat Hij, na tot Hem teruggekeerd te zijn, hem één zijner leerlingen zou zenden, om hem van de pijn te genezen en aan hem en de zijnen het leven te bezorgen. Na des Heren verrijzenis zond Thomas de leerling Thaddeus en weldra deden de wonderwerken, in de naam van Jezus verricht, aan het hof van hem spreken als van de beloofde gezant van Jezus. Hij wordt ontboden, komt bereidwillig en zegt, dat hij voornamelijk om de koning daar gekomen was; Abgarus hem ziende, valt tot aller verwondering voor hem neer; er straalde trouwens uit zijn gelaat iets Goddelijks af en de vorst vroeg hem: “Zijt gij de beloofde leerling van Jezus?” Het bevestigend antwoord wordt, daar Abgarus zijn geloof in Jezus betuigde, door ’s konings genezing bekrachtigd en de volgende dag predikte Thaddeus over Jezus voor Abgarus en zijne verzamelde onderdanen, en zo werd het Christendom in het gebied des konings ingevoerd.
Het stervensjaar van de heilige Apostel is onbekend gebleven, doch de heilige Nilus verzekert, dat de heilige Thomas de dood na de heilige Apostelen Petrus en Paulus, die in het jaar 66 gemarteld zijn, ondergaan heeft. Sophronius zegt, dat hij te Calamina, ene stad in de Indiën, zou gestorven zijn; de heilige Gaudentius houdt insgelijks, dat hij in de Indiën zijnen strijd voltrokken heeft en de oudste martelaarsboeken spreken evenzo. De Portugezen verzekeren, dat zij, bij de bezitneming van Oost-Indië, te Meliapour een oud schrift gevonden hebben, waarin onder andere vermeld wordt, dat de heilige Thomas in de nabijheid van die stad met ene lans zou doorstoken zijn, en wanneer men aan hun woord en aan het gevoelen der Indiërs hecht, dan heeft de heilige Apostel aan de Brachmanen en Indiërs aan de andere zijde van het grote eiland Trapobane, hetwelk sommigen voor Ceylon, anderen voor Sumatra houden, de naam van Jezus verkondigd. Dit is zeker, dat onderscheidene kerken in de Indiën de heilige Thomas als hunnen vader in het geloof vereren; het is evenwel waarschijnlijk, dat sommige dier kerken door zijne leerlingen gesticht zijn. De kerk van Meliapour en alle zogenaamde Thomas-Christenen verrichten de Heilige Geheimen en andere Godsdienstige handelingen in het Chaldeeuws en staan onder de patriarch van Mosul; twee omstandigheden die bewijzen, dat hunne eerste geloofspredikers uit Assyrië gekomen zijn, terwijl de patriarchen van Mosul bovendien hun geestelijk rechtsgebied over de kerken van dat landschap uitoefenen, en deze gedurende enige eeuwen door de dwalingen der Nestoriaanse ketterij verduisterd zijn. De Portugezen vonden bij hunne komst in Oost-Indië nog zogenaamde Thomas-Christenen, en men berekende dat wel vijftienduizend huisgezinnen daarvan op de Malabarsche kusten geweest zijn. Uit de synode, in het jaar 1599 te Cochin door Alexius Menesses, aartsbisschop van Goa, gehouden, blijkt, dat zij de Nestoriaanse ketterij toegedaan waren, dat zij eerst in de negende eeuw in die ketterij gevallen zijn en door enige priesters, die aanklevers van de ketterij van Nestorius waren, verleid zijn; daarenboven heersten nog ontelbare misbruiken, dwalingen en bijgelovigheden onder de misleiden. Zij vierden twee feestdagen van de heilige Thomas; de voornaamste in de maand Juli. Wij weten uit het Rooms Martelaarsboek, dat de gedachtenis van de overbrenging der heilige overblijfselen van de heilige Thomas naar Edesse in Mesopotamië op 3 Juli gehouden wordt, welke dag in het Martelaarsboek en in de vroegere is aangetekend.
Betrekkelijk de marteldood van de heilige Thomas verklaart de heilige Clemens van Alexandrië, dat volgens een zekere Heracleon, de ketterij der Velentinianers toegedaan, de heilige Thomas die strijd niet zou ondergaan hebben. Theodoretus stelt evenwel een heilige Thomas, welke men bezwaarlijk van de Apostel kan onderscheiden, onder de doorluchtigste martelaren en de heilige Gaudentius verklaart rondweg, dat de heilige Apostel door de ongelovigen om hals gebracht is en dat hij door de mirakelen, welke hij verricht, nog leeft na zijnen dood. Ook erkent de heilige Nilus, dat hij martelaar is en d heilige Austerus van Amasea rekent hem onder de hoofden der martelaren. Wat het overbrengen der heilige overblijfselen naar Edesse betreft, de heilige Gregorius van Tours zegt daarvan, dat het lichaam geruime tijd in lndië rustte, maar sedert naar Edesse vervoerd en aldaar begraven zou zijn. Wij hebben reeds aangestipt, dat het Rooms Martelaarsboek na Usuard en Adon, die gedachtenis op 3 Juli heeft opgetekend. De oudste martelaarsboeken vermelden deze gebeurtenis op die dag, of op 21 December. De heilige Chrysostomus verklaart, dat men de graven van de meeste Apostelen niet weet op te sporen en dat men alleen zekerheid heeft van die van de heilige Petrus, de heilige Paulus, de heilige Johannes en de heilige Thomas. Ook Rufinus zegt, dat de relikwieën van de heilige Apostel te Edesse rusten, en Baronius verklaart, dat deze zaak zo klaar is als de dag. Dezelfde schrijver zegt nochtans, dat slechts een gedeelte naar Edesse gevoerd en het overige grootste gedeelte te Meliapour zou gevonden en vandaar later naar Goa zou overgebracht zijn. De relikwieën, welke te Edesse gevonden werden, zijn, toen die stad door de Perzen en Arabieren of Sarecenen verwoest werd, eerst naar het eiland Chio en vandaar naar Ortona, ene zeestad van Abruzzie in Italië, gebracht.
Leren wij heden van de heilige Apostel Thomas om evenals hij uit de grond van ons hart te zeggen: “Komt, laten ook wij gaan om met Jezus te sterven,” en in al onze betrekkingen ons getrouw aan God en aan zijne dienst te hechten. Dat wij Christenen, kinderen en leerlingen van de enige apostolische Kerk, door de opvolger van de heilige Petrus bestuurd, aan de ganse wereld tonen, dat wij deze gedenkspreuk, die de martelaren en gelovigen der eerste eeuwen met moed bezielden, steeds tot kenmerk hebben: “Later wij gaan, om met Jezus en voor Jezus evenals de Apostelen en martelaren te sterven.” De Apostelen en martelaren, die de smartelijkste dood om Jezus en zijne leer ondergingen, werden evenals onze Goddelijke Meester alleen daarom de dood schuldig verklaard, wijl zij de mensen op de weg der waarheid en naar de hemel wilden voeren; en hoezeer zij bezorgd waren om het geluk der mensen te bevorderen, waren zij evenwel aan de haat dergenen, wier enig welzijn zij beoogden, blootgesteld en moesten die onder het plengen van hun bloed ondervinden. Wanneer de Heer dan van ons evenals van de heilige Thomas mocht vorderen, dat wij zijne eer en naam met het storten van ons bloed verdedigen, volgen wij dan het voorbeeld van die Apostel, zeggen wij als hij: “Laat ons ook gaan om met Hem te sterven,” want met en voor Jezus te sterven is ons een gewin. Zorgen wij bij de overdenking van het ongelukkige voorbeeld van ongeloof, hetwelk de heilige Thomas gaf, dat wij het verwijt van Jezus: “Wees niet ongelovig, maar gelovig,” niet verdienen. De heilige heeft zich voorwaar meermalen de gevaarlijke staat, waarin hij toen verkeerde, in het geheugen teruggeroepen en de oneindige goedheid van zijnen Meester, die medelijden met hem had en hem in zijn ongeloof niet deed vergaan, zich dankbaar herinnerd. Wie weet hoe dikwijls hij zich de bijzondere verschijning van Jezus Christus r zijner gunste voor de geest stelde, en hoe zal diezelfde genadegunst zijne diepe nederigheid hebben vermeerderd bij de beschouwing, dat hij dit redmiddel der Goddelijke goedheid van Jezus behoefde, om genezen te worden. Door erkentelijkheid voor die genade en schaamte over zijnen val, welke hij gedurende zijn volgend leven beweende, trachtte hij zich meer en meer in de deugd des geloofs te bevestigen. Mogen wij de geest der Kerk navolgen, welke op deze feestdag, van God de genade afsmeekt van het geloof van die Apostel te volgen. Daaruit leren wij, dat het wezenlijke vereiste van ene oprechte bekering niet enkel is zich over de zonden, waardoor men God vergramde, te schamen, maar met zich die gedurende zijn ganse leven voor te stellen die door tegenovergestelde werken te boeten.
22 December
De heilige Ischirion (derde / vierde eeuw).
Martelaar.
De heilige Flavianus (derde / vierde eeuw).
Martelaar.
De heilige Chaeremon (derde / vierde eeuw).
Bisschop van Nicopolis, Martelaar.
Het Rooms Martelaarsboek vermeldt ons op deze dag de naam van de heilige martelaar Flavianus, een man die in de wereld een verheven ambt bekleedde en als voornaam magistraatspersoon werkzaam was. Onder de goddeloze Juliaan de Afvallige werd hij beschuldigd een ijverig Christen te zijn, en hij toonde zich die eer waardig. De afschuwelijke Juliaan wilde, daar Flavianus, de vader van de heilige Bibiana, zijnen God niet ontrouw werd, hem voor altijd onteren en gaf bevel, dat men hem op het voorhoofd het merkteken zou inbranden, hetwelk rovers en dieven gewoonlijk ontvingen. De Christenen moesten meermalen die hoon ondergaan en de diaken Poncius spreekt daarvan in het leven van de heilige Cyprianus, zijnen bisschop. Men schiep er in die dagen van vervolging behagen in, om personen, welke ene verheven rang in de wereld bekleed hadden, op die wijze ten toon te stellen en men wilde dat zij aldus geschandvlekt, ene voortdurende foltering ondergingen en overal aan de bespotting en verachting der mensen bloot gesteld bleven.
Men prentte door diepe insnijdingen en zelfs met brandende ijzers in het voorhoofd zeer schandelijke tekenen, welke nooit meer verdwenen en zo verenigde men wereldheid met hoon. Daardoor werd het ganse gelaat zo schandelijk misvormd, dat Constantijn de Grote aanstonds een bevel uitvaardigde, waarbij deze strafoefening werd afgeschaft en gebood, dat aan de misdadigers, die zulks verdienden, het schandmerk in plaats van op het voorhoofd, op de hand of ander gedeelte van het lichaam, hetwelk gemakkelijk aan het oog onttrokken kon worden, zou geprent worden; want hij kon niet dulden, dat het gelaat van een mens, hetwelk de schoonheid van Gods beeld aantoont, door dusdanige schandelijke tekenen zou misvormd worden. Juliaan had aan de Godsdienst van Jezus en aan hare belijders ene eeuwige haat gezworen; wij zien dat hij niet gelijk de eerste vervolgers, de Christenen door het vuur en staal wilde uitroeien, maar hij legde het er op toe om hen te doen verachten, door hen met de afschuwelijkste uitvaagsels van het menselijk geslacht gelijk te stellen en daarom voerde hij die strafoefening weer in, welke hij evenwel slechts voor de Christenen bepaalde. De heilige Flavianus, die in de geschiedenis de waardigheid van prefect van Rome bekleedde, hetwelk zonder twijfel hoofdbeambte bij het opperbestuur der stad betekent, werd omdat hij Christen was, eerst van zijne bediening ontzet en om in hem Jezus, zijne Godsdienst en derzelver belijdenis aan de verachting bloot te stellen, werd hij tot de slavenstand vernederd; men schond door de afschuwelijkste insnijdingen en brandingen zijn gelaat, op hetwelk men schandelijke tekenen inprentte, doch de heilige liet zich niet afschrikken, noch door de smart, noch door de smaad, welke hem deze barbaarse mishandeling deed ondergaan; hij bood zijnen beulen een stalen voorhoofd en gelaat aan, hetwelk zich noch de smaad, noch de smarten, noch de hoon van Jezus Christus schaamde. Na deze foltering, welke de eerzuchtige wereldling alleen ondragelijk zou geweest zijn, begaf hij zich blijmoedig naar de plaats zijner ballingschap, Aquapendente in Toskanen, destijds Aquae Taurinae geheten; in de uiterste ellende leefde hij daar en deed zo als alle heiligen gewoon zijn in soortgelijke omstandigheden te doen, dat is hij verheugde zich waardig bevonden te zijn, om de versmading met Jezus te dragen en zich door gestadig gebed met God te verenigen, aan welke oefening hij zo zeer gehecht was, dat hij al biddend stierf. Was hij verachtelijk voor de wereld geworden, hij werd groot in het oog van God en terwijl de afschuwelijke Juliaan in de wereld thans alle verachting, zowel als in het andere leven alle ellende der verdoemden en der voor eeuwig uit Gods koninkrijk verbannen vervloekten heeft ingeoogst, prijkt de heilige Flavianus hier met de doorluchtige en roemrijke titel van belijder van Jezus Christus, en ziet zich in alle eeuwigheid door dezelfde God, die hij getrouw bleef en wiens kruis hij torste, met de eeuwige luister der zaligen verheerlijkt.
Doch de voornaamste heilige, van welke het Rooms Martelaarsboek op deze dag melding maakt, is de heilige Ischirion. Het vuur der vervolging woedde onder de goddeloze Decius met de grootste hevigheid in Alexandrië en verteerde daar gedurende het jaar 251, een ontzettend getal Christenen; het verbreidde zich met gelijke woede naar alle steden van Egypte en bracht de Kerk onderscheidene heiligen, de hemel ontelbare zegevierende martelaren aan. De heilige Dionysius van Alexandrië getuigt zulks in ene brief, welke hij aan Fabius, bisschop van Antiochië, gezonden en welke de geschiedschrijver Eusebius in het zesde boek van zijne kerkelijke geschiedenis geplaatst heeft. De heilige Dionysius verheft in zijn geschiedverhaal de standvastigheid van talloze Christenen, die door de heidenen, in de steden, vlekken en gehuchten, verscheurd en in stukken gehouwen werden; maar opdat wij over de getrouwheid der martelaren in de bloedige strijd tegen de machten der hel zoveel te beter zouden kunnen oordelen, roemt hij vooral het voorbeeld van de heilige Ischirion, wiens gedachtenis de Kerk heden eerbiedig viert. Deze heilige was in dienst bij een voornaam overheidspersoon en had het bestuur over zijne zaken; deze beambte onderschepte, dat Ischirion Christen was en meende al zijn gezag in het werk te moeten stellen, om hem te dwingen de Godsdienst van Jezus te verzaken en de afgoden te aanbidden. Deze heilige man, die wel wist, dat de gehoorzaamheid aan zijnen Heer verschuldigd hem niet kon verplichten om zijn geweten te bezoedelen en God ontrouw te worden, geleerd hebbende aan de mens die achting toe te kennen, welke deze slechts van hem vorderen kan en aan God te geven wat God verschuldigd is, bleef standvastig weigeren om zijnen Schepper te beledigen, Jezus te honen en zijne Godsdienst te verzaken. Hij verklaarde, dat hij Jezus zijnen opperste Meester niet wilde verloochenen en evenmin de afgoden, welke hij wist dat gene macht hadden, te aanbidden. Zijn heer, van zijne standvastigheid overtuigd, begon hem met duizenden versmadingen te behandelen, maar hij vond hem onder al de verwijtingen en hoon even rustig, tevreden, kalm en onverzettelijk; eindelijk overmeesterde hem de woed en werd hij opeens zijn beul; hij nam een scherp gepunt hout, hetwelk voor de hand stond, stootte het zo diep in de onderbuik van Ischirion, dat de ingewanden er uitvloeiden en hij ogenblikkelijk de geest gaf; door deze misdaad dus van zijnen meester, die geen het minste recht op zijn leven had, verwierf Ischirion de kroon der martelaren.
Reeds van het begin deze vreselijke vervolging in Egypte, mistrouwden onderscheidene Christenen hunne krachten en vluchtten, op het voorbeeld van sommige hunner herders, naar de woestijnen, want in plaats van de vervolgers af te wachten en zich aan het gevaar bloot te stellen, om onder de afgrijselijkste folteringen af te vallen, wilden zij liever overwinnaars blijven, met zich door de vlucht te onttrekken. Zij hadden evenwel deel in de roem der martelaren en van anderen, die hunne belijdenis standvastig voor de rechtbanken aflegden, en het schavot beklommen. Want volgens de getuigenis van de heilige Dionysius, stierven zeer velen in de uiterste ellende, van honger, dorst, hitte, kou en gebrek, terwijl anderen in de bossen en woestijnen door de dieren verscheurd, of door de wreedheid der rovers en barbaren om hals gebracht werden. Onder anderen noemt de heilige Dionysius ene bisschop van Nicopolis, Chaeremon geheten; deze was reeds zeer ver in jaren gevorderd en moest zeer zeker een uitmuntend deugdzaam man zijn, wijl hij, ofschoon gehuwd zijnde, tot de bisschoppelijke waardigheid verheven werd, hetwelk wel is waar in de eerste eeuwen plaats had, doch alleen met mannen, die door deugd en Godsvrucht uitmuntten. Toen de heilige bisschop de ongehoorde wreedheden zag, die men overal in het werk stelde, om de Christenen tot afval te dwingen, begon hij zijne krachten te mistrouwen en wilde zich liever aan de hand van God dan aan de mensen overleveren; hij nam derhalve zijne vrouw, waarmee hij als met ene zuster geleefd had, sedert hij tot de bisschoppelijke waardigheid geklommen was, en vluchtte met haar naar de bergen van Arabië, waar niemand hem, toen de vervolgingen een einde genomen hadden, kon vinden. Men ging hem zoeken, want men verlangde hem levend of dood te bezitten, maar vond hem niet; de Kerk heeft Chaeremon nochtans evenals de andere Christenen die tijdens die vervolging omkwamen, onder de martelaren geplaatst.
23 December
De heilige Servulus (590).
Bedelaar en verlamde te Rome.
Een heilig door lamheid geslagen mens, die heden in de Kerk het voorwerp ener Godsdienstige verering is, zal onze Godsvrucht voor enige ogenblikken bezig houden. Evenals de Zoon Gods, wiens heugelijke geboorteviering de bruid van de aanbiddelijke Jezus tegemoet ziet, voorbeeldeloze tederheid jegens die ellendige betoonde, zodat het Evangelie de genezing van sommigen zeer omstandig voordraagt, meent de Kerk insgelijks die geest te moeten volgen en in dit teder gevoel van Jezus te treden, met ene heilige ter verering voor te stellen, die lam naar het lichaam was, doch misschien veel gelukkiger was dan zij, welke Jezus Christus door zijne Goddelijke kracht genas, omdat het niet genoegzaam blijkt, dat de genezing hunner lichamen tot die van hunne ziel heeft bijgedragen, terwijl de lamheid van Servulus diende om hem te heiligen. Wij zullen slechts weinige woorden behoeven, om het leven van deze volgens de wereld arme en ellendige, maar in het oog Gods verheven dienaar des Heren te kennen, want zijne levensgeschiedenis levert niet veel opmerkenswaardig op wat onze nieuwsgierigheid zou kunnen prikkelen. Zijne dagen gingen in het oog ener bevolking, die hem aan de drempel van Gods huis gewoon was te zien bedelen, eenvormig voorbij, maar hij wist zich onder het lijden dat hij verduurde, onder elke versmading, aan welke hij blootgesteld was, een schat te vergaderen, met welke hij aan de voet van Gods troon verscheen. Door één van die wonderen, welke in de Kerk van Jezus zo menigvuldig zijn, gingen de gelovigen, gewoon de bedelaar ene geringe aalmoes te geven, zich later voor zijne afbeeldsel neerwerpen en zijne machtige voorbede bij de Heer inroepen. De heilige Gregorius de Grote acht die heilige lijder ene bijzondere vermelding waardig en stelde hem aan het volk als een voorbeeld ter navolging voor, in een kort verhaal van zijn leven en zijn dood en merkt daarbij aan, dat de levenswijze van de heilige Servulus die gelukkigen volgens de wereld veroordeelt, die door de vaderlijke voorzienigheid Gods met lichamelijke gezondheid en tijdelijke goederen gezegend, bij het geringste lijden door gemor en ontevredenheid tegen God zondigen, en schier gene liefdewerken beoefenen.
De heilige Gregorius de Grote, in wiens tijd de heilige Servulus leefde, verhaalt, dat hij van zijne jeugd af met lamheid aan zijn ganse lichaam geslagen en daarbij zeer arm was, zodat hij verplicht was zijn brood te bedelen; dagelijks werd hij door zijne moeder en zuster aan de ingang der kerk van de heilige Clemens gebracht, en was niet in staat om zich van de rustbank, waarop hij neerlag, op te heffen, te zitten of zijne hand aan de mond te brengen, zodat hij in die uiterste ellende zijn bestaan en onderhoud zag afhangen van de liefde der voorbijgangers en gedwongen was te bidden. Bij deze rampen, die God hem ter beproeving toegezonden had, versterkte hem de Heer door inwendige genaden, die hem rijk maakten aan verdiensten; hij ontving onder de grootste dankbetuigingen de giften, welke men hem bedeelde en gevoelde nooit de geringste beweging van ongeduld of ontevredenheid tegen degene, die zijne bede om onderstand afwees; hij werd des avonds naar zijne woning teruggevoerd en gaf dan aan zijne moeder en zuster hetgene hij ontvangen had, haar biddende van hetgene men niet voor de behoefte nodig had aan andere armen uit te reiken. Hij loofde de Heer gedurende zijn leven, dankte Hem over de beschikking van zijnen aanbiddelijke wil en bezong nacht en dag de lof en grootheid des Allerhoogsten. Ofschoon in menselijke wetenschappen niet ervaren, was hij niettemin zeer ervaren in de Heilige Schrift; hij had enige gelden van de aalmoezen, welke men hem schonk, bespaard en schafte zich daarover de Heilige Schrift en andere boekwerken aan, had de religieuzen, die hem kwamen bezoeken en met wie hij het overschot zijner aalmoezen deelde en die hij in zijne woning verzorgde, van hem de Heilige Schriften voor te lezen en te verklaren, zodat hij door deze oefening schier de ganse Schrift van buiten kende en naar zijn begrip wist te overwegen. Zo wist hij een leven, dat in zich zelven heilig was, in de beoefening van de wetenschap der heiligen voor God door te brengen. De tijd door de Heer bestemd, om zijne getrouwe dienstknecht te belonen en zijn geduld en getrouwheid te verheerlijken, was nabij; hij gevoelde, dat de kwaal, waaraan hij tot dusverre geleden had, zijne levenskrachten ondermijnde en dat zijn einde naderde; hij vergaderde nu de armen en Godvruchtigen, maakte hun zijnen toestand bekend, bad hen dat zij lofzangen zouden aanheffen, totdat hij de geest zou gegeven hebben en had zelfs de moed om zijne stervende stem de hunne te verenigen; toen men te midden van ene lofzang gekomen was, riep hij met luide stem, die de aanwezigen verbaasde: “Houdt stil, hoort het aangename lied, hetwelk in de hemel aangeheven wordt.” Hij alleen hoorde dat gezang en gaf ogenblikkelijk de geest. De heilige Gregorius de Grote, aan wie wij dit geschiedverhaal verschuldigd zijn, zegt, dat op hetzelfde ogenblik dat Gods dienaar stierf, het vertrek met ene aangename deur vervuld werd, welke de tegenwoordig zijnde verschrikte en hetwelk beschouwd werd als een teken, dat God hem in zijn rijk had opgenomen. Eén der kloosterlingen uit het gesticht van de heilige Andreas te Rome, die nog leefde toen deze heilige Paus, die dat klooster gesticht had, deze geschiedenis optekende, was insgelijks getuige van het afsterven van de heilige Servulus en daardoor zo getroffen, dat hij, wanneer hij over deze gebeurtenis sprak, altijd overvloedige tranen stortte. Zodanig was het leven en de dood van een mens, zegt dezelfde grote Paus, die door God in gestadige armoede en ziekte geheiligd werd, en die, ofschoon hij geen gebruik van zijne ledematen, uitgezonderd zijne tong, kon maken en gene andere vrijheid als die van zijnen geest om te handelen had, de wetten des Heren nauwgezet wist te volbrengen. Het lichaam des heiligen werd in de kerk van de heilige Clemens begraven, in welke schilderstukken de geschiedenis van zijn leven voorstellen. De martelaarsboeken van Adon en Usuard en het Roomse vermelden, dat de Heer het graf van zijnen dienaar door onderscheidene wonderwerken verheerlijkte.
De tien martelaren van het eiland Kreta (250).
Nauwelijks had de afschuwelijke Decius het bevel, om de Christenen met geweld uit te roeien, doen afkondigen, of niemand toonde zich vuriger om dit bevel ten uitvoer te leggen, dan de landvoogd van het eiland Kreta, die volgens sommigen evenals de keizer, Decius, volgens anderen Lucius heette en er zich op toelegde, om door alle middelen, de gunst van de wrede keizer te verdienen. Het ganse eiland werd door hem in de grootste wanorde gebracht door de oorlog, welke hij aan Jezus Christus verklaarde en door de tegenkantingen, welke hij overal ontmoette. Onder zovele roemwaardige geloofshelden, die de machten der hel tegenstreefden, merkte men tien Christenen op, die zich door de vereniging van hunne krachten onderscheidden, nadat men hen uit verschillende plaatsen tezamen gebracht had, om op dezelfde dag voor de rechterstoel van de landvoogd verhoord te worden.
Zij waren Theodulus, Saturninus, Euposus, Gelasius, Eunicianus, Zoticus of Zeticus, Pompeus ook Cleomenes, Agathopus, Basilides en Evaristes. De drie eersten waren van Cortyna, de hoofdstad van het eiland en waarschijnlijk door de heilige Cyrillus, bisschop van die stad en reeds eerder onthoofd, onderwezen; de anderen waren uit drie of vier bijzondere steden van het eiland. De landvoogd koos om hen te oordelen op 23 December, welke dag vooral aan Jupiter, de voornaamste afgod van het eiland, toegewijd was, omdat men zich beroemde, dat deze vader van alle andere goden der heidenen daar geboren, hun koning geweest was en men er zijn graf nog toonde. De landvoogd stelde hun voor, dat zij aan de bevelen des keizers hadden te gehoorzamen en aan Jupiter hun offer moesten aanbieden. Toen hij hunne standvastige weigering zag, dreigde hij, dat zij, terwijl het ganse eiland zich aan alle soort van vermaak overgaf, de vreselijkste folteringen zouden ondergaan, wanneer zij niet ogenblikkelijk gehoorzaamden. De heiligen antwoordden hem eenparig, dat al de martelingen, welke hij hun voorbereidde en die zij voor de eer van de ware en enige God te ondergaan hadden, een waar vreugdefeest waren. De landvoogd, die zijne goden wilde verheven hebben, begon met hen over Jupiter, Juno zijne zuster en vrouw, en Rhea zijne moeder te spreken, maar juist daardoor gaf hij aan de heiligen gelegenheid om met hem de spot te drijven, wijl zij toonden nopens de afkomst en de stand van zijne goden beter dan hij onderricht te zijn. “Zwijg,” zeiden zij, “over Jupiter en zijne moeder Rhea; wij kennen zijn geslacht en de geschiedenis van zijne daden; wij kunnen u het graf van Jupiter aanwijzen; hij is op dit eiland geboren, was koning of veeleer tiran over zijne onderdanen, heeft zich aan de afschuwelijkste misdaden, die tegen de natuur zelve niet uitgezonderd, overgeleverd, nam om anderen te misleiden tot tovermiddelen zijne toevlucht, zodat zij, die hem als god vereren, zich er nog geen geweten van maken om zijne schanddaden na te volgen.” De landvoogd begreep meer dat hij had willen horen en wilde zich nu over de schande wreken, welke hij had ondergaan, door de uitgezochtste martelingen, welke hij aan deze tien geloofshelden liet voorbereiden. Hij vermeerderde die op verschillende wijzen, om het afgodisch volk, hetwelk wegens de hoon, hunnen grote goden aangedaan, van woede buiten zich zelve was en dat hen zonder verder rechtsgeding wilde verscheuren, genoegen te geven. De tien martelaren bleven tot het einde overwinnaars over de rechter en zijne beulen, en toonden zich in een vermorzeld en verscheurd lichaam even stoutmoedig en onwrikbaar als voorheen. De landvoogd zich overwonnen ziende, sprak het doodvonnis over hen uit en veroordeelde de bloedgetuigen om door het zwaard te sterven; dezelfde dag werd dat vonnis tegen de avond ten uitvoer gelegd en zij werden naar ene bijgelegen plaats, Alona geheten, gevoerd. Zij smeekten God voor hunne beulen, voor de bekering hunner medeburgers en voor volharding hunner geloofsgenoten, en boden met blijdschap de hals aan de beul, die hen onthoofde. God verhoorde de gebeden zijner dienaren, want wij zien, dat de in het jaar 458 te Kreta in concilie vergaderde vaders aan keizer Leo schreven, dat het eiland zeker aan de kracht van de voorbede dezer heiligen te danken heeft, dat het tot nu toe tegen alle soort van ketterijen volhardend in het geloof gebleven is. Het is zeer waarschijnlijk, dat destijds hunne lichamen nog op het eiland en in hetzelfde graf aanwezig waren; hunne overblijfselen zijn vervolgens naar Konstantinopel en later naar Rome vervoerd.
De Joden, in de Babylonische gevangenis zuchtende, dachten steeds aan hun vaderland en haakten naar Jeruzalem; hunne harpen en speeltuigen hadden zij aan de wilgen opgehangen; hunne vijanden zelfs, begaan met hunne ellende, zochten hen te troosten en baden hen van toch hunne Godsdienstige gezangen, welke vroeger in de tempel en op Judea’s bergen weergalmden, aan te heffen. “Hoe,” antwoordden zij, “zouden wij het gezang des Heren zingen in een vreemd land?” De Christen moet dit voorbeeld volgen. Wij moesten op deze aarde van ballingschap onder duizenden gevaarvolle voorbeelden, gelegenheden tot val, bekoringen van allerlei aard, niets anders dan verzuchtingen en rouwliederen aanheffen. Wij moesten snakkend verlangen naar het bezit van ene gelukzalige eeuwigheid, welke zij genieten, die deze wereld overwonnen hebben. Maar helaas, gekromd naar de aarde, zijn wij als stoffelijke mensen geworden en wij blijven doof voor die stem, die ons van hier boven toeroept; ach, onze geest schijnt niet meer vatbaar te zijn om zich met heilige liefde aan Jezus Christus te hechten. Gelukkig intussen hij, die van zijn erfdeel voor de eeuwigheid verzekerd is; gelukkig zij, die zich noch aan de verleiding der wereld, noch aan het oproer des vlezes, noch aan de inblazingen van Satan laten gelegen zijn en deze vijanden steeds bestrijden; wanneer wij naar dat geluk niet streven en naar de rust niet verlangen, welke de zaligen na zovele vermoeienissen en strijd genieten, dan is het een bewijs, dat wij ons van God verwijderd, dat wij het werkzame geloof verloren hebben. Als wij niet in navolging der martelaren deze vergankelijke aarde verachten, dan voorwaar tonen wij ons de kroon onwaardig, welke ons in de hemel wacht.
24 December
De heilige Tharsilla (zesde eeuw).
Maagd.
De heilige Emiliana (zesde eeuw).
Maagd.
De geschiedenis van deze beide heiligen vinden wij bij de heilige Paus Gregorius de Grote, in zijne achtentwintigste homilie over de Evangeliën en in het zestiende hoofddeel van het vierde boek van zijne samenspraken aangetekend. Hij hield deze homilie voor het Romeinse volk, hetwelk, zoals hij zei, getuige van haar leven geweest was en nog onderscheidene personen leefden, gelijk hij voorgeeft, die hetgene hij verhaalde, met eigen ogen gezien hadden.
Gordianus, Romeins raadsheer, vader van de heilige Gregorius de Grote, had drie zusters, die zich uitsluitend aan de dienst des Heren bestemd en aan God hare maagdelijke zuiverheid toegeheiligd hadden. De eerste was de heilige Tharsilla, welke de Kerk op deze dag vereert; de tweede heette Gordiana en de derde, wier feestdag in het Rooms Martelaarsboek op 5 Januari is opgetekend, was de heilige Emiliana. Alle drie hadden, omtrent dezelfde tijd, de ijdelheden der wereld verzaakt, ontvingen op dezelfde dag de sluier en bewandelden met gelijke ijver dezelfde heilige loopbaan. Zij leefden te midden der stad in het vaderlijk huis zo afgetrokken, als bewoonden zij het gestrengste klooster en moedigden elkander door hare voorbeelden en gesprekken aan, en maakten de schitterendste vorderingen op het pad der deugd. Alle drie schenen na enige jaren reeds een vergeven trap van deugd beklommen te hebben, toen men weldra enig onderscheid in handeling onder de zusters begon op te merken. Tharsilla en Emiliana volgden onvermoeid haren weg zonder om te zien en naderden met elke trede tot de volmaaktheid; zij leefden in ene gehele afscheiding van het aardse, in ene zodanige versterving van zinnen, in ene zo’n nauwe verering met God, dat het scheen als of zij het lichaam reeds afgelegd hadden, om slechts volgens de geest te leven. Zo was het evenwel niet met Gordiana, die door hare flauwhartigheid en onachtzaamheid weldra het eerste ijver vuur verkoelen, hetwelk in haar zowel als in hare zusters in den beginne ontstoken was en zij verviel langzamerhand in verslapping, opende haar hart weer voor de genoegens der wereld en deze namen ongevoelig plaats in, welke aan God toegewijd was. Zoiets kon voor het oog van de ijverige Tharsilla niet onopgemerkt blijven en deze gevoelde daarover diepe smart, zodat zij onder tranen en gezucht zich over die zorgeloosheid meermalen met hare zuster Emiliana onderhield en haar zei, dat zij met grote smart zag, dat hare zuster Gordiana niet meer tot haar gezelschap behoorde, dat zij zich te zeer aan de uitspanningen overgaf, het grootste gedeelte van hare plichten veronachtzaamde en aan de genade van hare eerste roeping trouweloos geworden was. Zij trachtten derhalve met verenigde pogingen haar tot hare plichten terug te brengen, bezwoeren haar zelfs door hare aanhoudende met zachtheid vermengde vermaningen en Gordiana scheen aanvankelijk getroffen en beschaamd te zijn over haar vroegere gedrag; zij nam het besluit om evenals hare zusters getrouwer haren eerste weg te bewandelen, doch deze indrukken waren spoedig uitgewist en zij keerde weldra tot hare afwijkingen terug, begon opnieuw zich de vrijheden te veroorloven, welke men in haar zo zeer berispt had, zocht het gezelschap der wereldlingen en kon noch de afzondering, noch de stilzwijgendheid, noch de samenleving met hare eigen zusters of andere voor God levende personen langer verdragen. Tharsilla, wier hart diep gewond werd door de zielsellende van hare zuster, nam toe in liefde en vurige ijver door aanhoudende gebeden en een verstervend leven en bereikte weldra het einde van hare sterfelijke loopbaan. De heilige Gregorius, haar neef, maakt ons met de bijzonderheid van ene verschijning bekend, welke zij op het einde van haar leven had, waarin de heilige Paus Felix, één harer voorouders, haar verscheen, haar ene glansrijke verblijfplaats aanwees en haar uitnodigde om hem daar te komen terugzien. Dezelfde heilige zegt, dat zij reeds de volgende dag door ene brandende koorts aangevallen werd, welke haar weldra op de oever des doods voerde; in de doodsangst ontwaakte zij opeens als uit ene diepe slaap en zei met luide stem aan hen, welke haar sterfbed omringden en onder welke hare schoonzuster Sivia, de moeder van de heilige Gregorius, zich bevond: “Ik bid u gaat terug, ziet Jezus, die tot mij komt.” Zij stierf op hetzelfde ogenblik, op de vooravond van Kerstmis. De aangename geur, welke weldra het gehele vertrek vervulde, bekrachtigde het gevoelen, hetwelk men reeds van hare heiligheid had; toen men het lichaam ontblootte, om het volgens gewoonte te wassen, zag men dat hare ellenbogen en knieën geheel vereelt en aan het vel der kamelen gelijk waren, hetwelk getuigde voor hetgene men van haar aanhoudend bidden gezegd had. Na de feestdag der geboorte van Jezus Christus, verscheen zij aan hare zusters Emiliana en zei haar, terwijl zij haar tot zich riep, dat het God niet behaagd had dat zij het feest van de geboorte van de Zoon Gods tezamen zouden vieren, maar dat Hij wilde, dat zij met elkander de feestdag van de veropenbaring des Heren aan te wijzen zouden vieren. Emiliana was slechts ongerust omtrent hare zuster Gordiana en verlangde te weten wat van haar nu alleen overblijvende zou worden. Tharsilla zei met een treurig gelaat, dat zij Gordiana, wijl zij haar reeds lang in haar hart vergeten had en bereid was om weldra in de wereld terug te keren, aan haar zelve zou overlaten. Deze verschijning werd gevolgd door hevige ziekte. Emiliana stierf op 5 Januari, de vooravond van Driekoningen. Toen Gordiana zich nu aan zich zelve overgelaten zag en niemand meer had die haar terughield, vergat zij weldra al de verplichtingen, aan welke zij zich voor God en jegens Hem verbonden had, wierp de sluier van zich af, keerde in de wereld terug, huwde met een dienstknecht van haar huis, werd de verachting der mensen en zonk waarschijnlijk, zegt de heilige Gregorius, in de poel der eeuwige rampen.
Wij willen deze geschiedenis slechts de zedenles trekken, welke de grote heilige Gregorius ons aanbiedt en deze is: dat wij steeds moeten beven bij de woorden van het Evangelie, ter gelegenheid waarvan de heilige Paus deze geschiedenis aanhaalt: “Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.” Dat derhalve niemand, zegt deze heilige Paus, zich beroemd op de deugden, welke hij thans beoefent en dat hij zich de roem daarvan niet toekent, al verricht hij die uit eigene krachten en door zich zelven. Wij zien heden hetgene wij zijn, maar wij weten nog niet hoe wij morgen zullen wezen. Zo lang wij leven, verkeren wij in onzekerheid wegens hetgene ons zal overkomen, en hij is waarlijk dwaas, die zich over het goede verheugt, hetwelk hij doet, als of men verzekerd was, dat men daarin tot het einde toe zal volharden. Luisteren wij dus naar de raad van de heilige Paulus en bewerken wij onze zaligheid met vrees en beven. Ook Gordiana kon zich eerst over hare heilige besluiten, toen zij nog onschuldig en heilig in het gezelschap van hare zusters leefde, verblijden, doch wij hebben gezien wat van haar geworden is, van het ogenblik af dat zij niet genoegzaam over haar zelven waakte en welk onderscheid van sterven op het verschil van levenswijze gevolgd is. Ontwaken wij dus bij het zien van dit grote voorbeeld, trachten wij gelijkvormig te worden aan de heilige Tharsilla, welke wij heden vereerden; zeggen wij heden duizendmaal de woorden, welke zij stervende uitriep: “Gaat allen weg van mij, gaat allen terug, ziedaar Jezus, die komt.”
Op de vooravond van Kerstdag.
Ofschoon wij in de geschiedenis, welke wij schrijven, ons uitsluitend bij de levensgeschiedenis der heiligen bepaald hebben, kunnen wij evenwel bij het naderen van de grote feestdag der geboorte van Jezus Christus, van de Koning en oorsprong der heiligen, niet van ons verkrijgen om niet enige woorden tot voorbereiding tot die dag neer te schrijven, wijl de Kerstavond, zoals de gehele dag voor de geboorte des Heren door de Kerk genoemd wordt, ons aanmaant om ons met alle ernst tot die grote feestviering te bereiden. Sedert de instelling van het feest der geboorte van Jezus, is de Kerstavond altijd als een dag beschouwd, welke wij moeten doorbrengen met ons te heiligen en is daarom van de eerste tijden aan het vasten en het gebed toegewijd, en wel zo, dat de schennis daarvan onder de misdrijven gerekend werd, welke de Kerk bestrafte. De heilige Augustus oordeelde op het einde van het jaar 401, dat de priester Abondancius, verzorger der kerk van Strabon, in zijn bisdom van Hyppone, een zwaar misdrijf gepleegd had, omdat hij, na een groot gedeelte van de dag bij de priester van Gippi, waar het zoals overal vastendag was, doorgebracht te hebben, hem omtrent de vijfde uur voormiddag verliet, als wilde hij zich naar zijne kerk begeven, maar in plaats daarvan ene vrouw ging bezoeken, daar het middag- en avondmaal nuttigde en vervolgens een groot gedeelte van de nacht verbleef, zodat de heilige bisschop hem van zijne waardigheid ontzette en uit zijn bisdom verdreef. De heilige Gregorius van Tours verhaalt insgelijks de straf, welke God ene priester van Riom in Auvergne deed ondergaan. De ongelukkige Epacus, zo heette die rampzalige, die in groot aanzien en vermogend was, verliet gedurende het kerkelijk officie op Kerstavond meermalen de kerk, om in zijn huis te gaan drinken en zelfs na middernacht; hij was vervolgens roekeloos genoeg de heilige offerande op te dragen, maar, zegt de heilige Gregorius, nauwelijks had hij de Heilige Geheimen genuttigd, of hij begon als een paard te grinniken, het schuim bruiste hem uit de mond en hij kon het Heilige Sacrament, dat hij genuttigd had, niet inhouden, maar braakte hetzelve uit. Men bracht hem vervolgens naar zijne woning, waarna hij bij elke verandering van maan, een beroerte kreeg. Bij deze gelegenheid verhaalt de heilige Gregorius van zich zelven, dat hij bij de plechtige gelegenheid van Kerstavond zich door de slaap overvallen gevoelde huiswaarts ging, om enige rust te nemen; doch dat toen hij ingeslapen was hem een onbekende verscheen, die hem aanmaande van vaardig naar de kerk terug te keren. Ontwaakt zijnde, hield hij zich tevreden met het kruisteken te maken en sliep vervolgens weer in; andermaal verscheen dezelfde onbekende en gaf hem dezelfde vermaning; doch opnieuw ingeslapen zijnde, gaf deze onbekende, welke hij ten derde male zag, hem een kaakslag en zei: “Het is uw plicht de andere gelovigen voor te gaan en hun een voorbeeld van waken te geven, en gij laat u door de slaap overwinnen!” Verschrikt, stond de heilige vaardig op en ging naar de kerk.
Wanneer ene zwakheid in een heilig bisschop, vermoeid door de arbeid in de heilige bedieningen en door het strenge vasten van die dag afgemat, zo streng berispt werd, hoe moet men dan over de strengheid oordelen, waarmee God degenen behandelen zal, die de heilige vooravond van de verheven feestdag door vrijwillige overtreding schenden, en in plaats van zich door boetvaardige werken tot de komst van Jezus in het vlees voor te bereiden, Hem door uitspattingen en overtredingen beledigen? Volgen wij de ijver der vroegere Christenen, en de geboorteviering van het Goddelijk Kind zal ons evenals hun zaligheid aanbrengen.
25 December
Gedachtenisviering der geboorte van onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus, gewoonlijk Kerstmis geheten.
Reeds vierduizend jaren reeds de zon voor de wereld op en hernieuwde de jaargetijden en dagen, toen eindelijk dat grote licht, dat bij zijne komst in de wereld alle mensen verlicht, de zon der rechtvaardigheid, die hemelse vuurbaak voor alle geslachten en verstanden, de eeuwige glans, hoezeer vrijwillig verdonkerd onder de wolken van het menselijk vlees en des tijds, aan de gezichtseinder der zedelijke wereld verscheen; Jezus Christus, zolang verwacht, kwam om alles in ene verhevene eenheid te voltrekken, door de eeuwige waarheid aan te brengen, die alle verstanden verenigen, alle harten door ene heilige liefde zou ontvlammen. Doch waartoe zolang verbeid? waarom moesten er veertig eeuwgetijden verlopen, voor het eeuwige licht aan de in dikke duisternis gezonken mens opging? Had het niet vroeger en bijgevolg eerder moeten opdagen? Zo zou een kind spreken, hetwelk verrukt door het daglicht, hetzelfde verwijt aan de zon zou doen, wanneer zij langzaam de duisternissen van de nacht verdrijft. Op één en ander zouden wij kunnen antwoorden, dat God, die de wereld gemaakt heeft, volgens zijnen wil handelt en dat wij verplicht zijn om ons aan zijn wijs bestuur te onderwerpen. Doch welk gevoelig en dankbaar Christen ziet niet de rede en het doel van dit lange verwijl? Wanneer trouwens de mens, na zijnen val, aanstonds opgeheven ware geworden, zou hij noch de afgrijselijkheid van zijne zonde, noch de diepte der ellende waarin hij gezonken was, noch de onschatbare weldaad van zijne verlossing uit des duivelse slavernij begrepen en ingezien hebben. En het bewijs daarvan is, dat onaangezien het lang toeven van vierduizend jaren, het hem nog moeilijk valt deze zaken te bevatten, terwijl er zelfs nog wezens gevonden worden, die één en ander loochenen. Ook van ene andere zijde overwogen, moeten wij ronduit bekennen, dat God, wanneer Hij zich gehaast had om de mens, nadat de zonde hem slechts een gering gedeelte van zijnen ramp en afschuwelijkheid had doen gevoelen, weer op te heffen. Hij de grootheid van zijne almacht, rechtvaardigheid en barmhartigheid op zulk ene bewonderenswaardige wijze niet had doen schitteren. De mens werd dan aan zijne zwakheid en blindheid voor enige tijd prijs gegeven, maar met de belofte van ene toekomende Verlosser begunstigd en met genoegzame hulpmiddelen verrijkt, zodat hij niet als door zijne schuld zich ene eeuwige ramp in het gezelschap der duivelen kon berokkenen, want van alle eeuwigheid wilde God de dood van de zondaar niet. Van tijd tot tijd wekte God getrouwe aanbidders van zijnen naam op, die tot leidsmannen aan degenen, die afweken, verstrekten en Hij verkoos zich uit alle afgewekenen een volk, om al de oorspronkelijke grondleringen te bewaren en dat volk, welks wetgever de Heer zelf wilde zijn, werd nu en dan onder de afgewekenen en ongelovigen verspreid, om dezen tot een licht te midden der duisternissen, die hen omgaven, te verstrekken en in de nacht der dwaling tot ene fakkel te dienen. Zo is dan voor het begrip van elke mens de wijsheid en goedheid van ene door hem beledigde God opgehelderd, de val en de ellende van de afgeweken sterveling door veertig eeuwen van dwaasheid en bederf bewezen, en wij, die ons in de Goddelijke zolang verwachte weldaad der verlossing verheugen, ons blijft de verhevene plicht opgelegd, van in het levendigst gevoel van dankbaarheid, aanbidding en vurige liefde als weg te zinken.
Hoelang was het morgenrood, hetwelk de schoonste der dagen, de dag van de verlossing van de rampzalige gevallen mens voorafging; maar alles is in Gods werken, die nooit met overijling, maar met ene wijsheid de Godheid overwaardig geschieden, volgens zijne oneindige raadsbesluiten, zo vastgesteld. Nauwelijks was de mens, die koning der schepping van de troon zijner heerlijkheid, van de zetel der oorspronkelijke rechtvaardigheid en heiligheid gevallen, of reeds schitterde in zijne door tranen doorweekte ogen de straal ener eerste belofte van redding. Tweeduizend jaren later bevestigde ene tweede belofte aan Abraham gedaan, de eerste en wees de vervulling er van aan in zijn nazaat. Aan Isaak en Jakob werd nieuwe hoop verzekerd en de laatste op zijn sterfbed uitgestrekt, ziet met een profetisch oog reeds in de toekomst de Messias, de eeuwige bevrijder uit de stam van Juda voortspruiten. Andere onfeilbare voortekenen tonen Hem aan in het huis van David, doch opdat men de Messias met de andere kinderen, welke uit hetzelfde stamhuis zullen geboren worden, niet zou verwarren, worden andere meer duidelijke aanwijzingen gegeven. Wij zien de Messias in ene lange rij van doorluchtige mannen betekend, die van Adam af tot aan de profeet Jonas Hem voorstellen, in sommige omstandigheden van zijne geboorte, van zijnen dood, van zijne verrijzenis en van zijne overwinning; ene menigte Godsdienstige door God zelf vastgestelde en bepaalde gebruiken en gebeurtenissen tekenen enige trekken van zijn leven en Goddelijke karakter af, en met al die figuren en schaduwbeelden weer samen te brengen, erkent men zeer gemakkelijk het Goddelijk afbeeldsel; dat voorgesteld wordt. de voorzeggingen der profeten, de schilderij voltooiende, vullen de kenmerken op zulk ene wijze aan, dat al die dezelve miskent, zich onverschoonbaar maakt. “Men ziet duidelijk,” zegt een zeker geleerd schrijver, “dat bij een nauwkeurig en oplettend onderzoek der Heilige Schriften, de voorzeggingen der profeten, indien ik mij zo mag uitdrukken, van de omloop van vierduizend jaren, die de komst van de Messias voorafgingen, ene grote cirkel vormen, welks stralen op een algemeen en vast punt uitlopen, welk punt niets anders zijn kan en niets anders is als onze Heer Jezus Christus. Zij stellen in hun geheel het volmaaktste schilderstuk daar. De oudste onder de profeten trokken de eerste omtrekken er van en zij werkten naarmate zij zich opvolgden, deze trekken af, die door hunne voorgangers onvolkomen gelaten waren; hoe meer zij de grote gebeurtenis naderden, hoe levendiger hunne kleuren aan het oog voorkwamen, en toen het tafereel was afgewerkt, verwijderden zich de schrandere werkmeesters.” Evenzo houden de wapenhelden op met de komst van de koning aan te kondigen, zodra de vorst zich aan de vergaderde bevolking vertoont.
Onder de voorzeggingen bepalen sommigen de tijd, waarop de Messias komen moet, en deze zijn bijzonder de voorzeggingen van Jakob, Daniël, Aggeas en Malachias; de anderen geven ons ene menigte voorvallen en omstandigheden op, welke God alleen kon voorzien. Alles is op ene zo duidelijke wijze voorzegd, dat, wanneer men hetgene bij de verschillende profeten verspreid en opgetekend is, bijeen brengt, men de ganse geschiedenis van de Zaligmaker en van de verlossing van het menselijk geslacht zal kunnen opstellen. Zij voorzeiden, dat de Messias in de schoot van ene maagd zal ontvangen en te Bethlehem geboren worden; dat Hij arm zal zijn, een voorloper hebben, die zijne stem in de woestijn zal doen horen; dat Hij de armen en ootmoedigen het Evangelie zal verkondigen; dat de wonderwerken zich op zijnen weg zullen vermenigvuldigen; dat Hij, niettegenstaande de heiligheid van zijn leven, de glans van zijne leer en mirakelen, aan tegenspraak, laster en verachting zal blootstaan en door de zijnen verworpen en vervolgd worden; dat hij als een zachtmoedig vorst, op ene ezelin met haar veulen gezeten, Jeruzalem binnen trekken, al de offers doen ophouden en dat Hij alleen de enige offerande zijn zal, welke op alle plaatsen als een zuiver offer zal opgedragen worden; dat Hij door zijn vriend verraden, voor dertig zilverlingen verkocht en van de zijnen zal verlaten worden; dat valse getuigen tegen Hem zullen opstaan, en Hij zich vrijwillig aan de dood opofferen zal, zonder zelfs zijnen mond te openen en zich naar de gerechtsplaats zal laten voeren gelijk men een schap ter slachtbank leidt, en als een lam, hetwelk stom is onder de hand van degene die het scheert; dat Hij smadelijk behandeld, geslagen, bespogen, met schande en hoon verzadigd en als een rampzalige met misdaden overladen beschouwd zal worden; dat Hem de handen en voeten doorboord zullen worden; dat de voorbijgangers het hoofd schudden en op de tanden tegen Hem knarsen zullen, dat Hij in zijne smarten zal beschimpt worden, dat men zijne klederen verdelen en over zijne rok het lot zal werpen, dat Hem gal en azijn tot drank aangeboden, zijne zijde doorstoken, Hij van vermogende mensen begraven zal worden en dat zijn graf heerlijk zijn zal; dat Hij tot de onderste delen der aarde afdalen en daar opgeslotene gevangenen verlossen zal; dat Hij als overwinnaar uit het graf verrijzen, ten hemel opklimmen en vandaar de Heilige Geest over alle vlees afzenden zal; dat de Joden verworpen en de heidenen tot de kennis van de ware God zullen geroepen worden, dat de Kerk zich over de aarde verbreiden zal en dat de machten der hel nooit iets tegen haar zullen vermogen.
Terwijl de Messias op deze wijze voorzegd en aangeduid was, is alles ook voorbereid om Hem te ontvangen; ene om hare grootheid en majesteit wonderdadige voorbereiding, die bij de roeping van Abraham reeds tastbaar werd, maar die vijfhonderd jaren voor de komst van deze nieuwe beheerser der volken volmaakt blijkbaar werd; de vier grote rijken van Daniel, te weten die der Meden, der Perzen, der Grieken en Romeinen, welke alle andere koninkrijken inzwolgen, brachten de ganse wereld voor de voeten van Jezus Christus, zoals de grote rivieren de schatting der wateren, welke zij in haren loop ontvangen, in de grote wereldzee uitstorten. Het laatste van deze grote rijken, dat der Romeinen, maakt de paden voor de prediking van het Evangelie effen, met alles wat de toegang zou kunnen sluiten omver te werpen, de landstreken te verdelen, de brede wegen tot aan de eindpalen der aarde open te stellen en de beide talen, welke die der Kerk zijn zouden, te verbreiden. O wonderbare, Goddelijke wijsbegeerte, welke in drie spreuken de algemene geschiedenis van veertig eeuwen inhoudt en in het kort herhaalt; alles tot Christus; Christus voor de mens; de mens voor God!
De oudste geschiedschrijvers onder de heidenen doen ons opmerken, dat de ganse wereld in het tijdvak van de geboorte van Jezus Christus, ene grote gebeurtenis verwachtte. “In het ganse Oosten,” zegt de heiden Suetonius, heeft zich ene algemene en standvastige mening verspreid, dat juist in deze tijd, door een besluit van het noodlot, is vastgesteld, dat uit Judea de beheersers der wereld zullen komen.” Volgens Tacitus: “waren velen overtuigd, dat de oude oorkonden der priesters inhielden, dat juist om deze tijd, het Oosten het oppergebied zou hernemen en dat mannen uit Judea gekomen de heerschappij der wereld zouden verkrijgen.” Ene grote menigte bedriegers trad insgelijks op, die zich voor de Messias uitgaven, hetwelk ten bewijze strekken kan, dat de mensen omtrent deze tijd de lang verwachte verbeidden. De zeventig weken van Daniel waren verstreken, de scepter was uit het huis van Judea weggenomen en Judea een wingewest der Romeinen. Na de dood van Jezus Christus zien wij de tempel verwoest, de Joden verstrooid en Gods vloek op hen rusten.
Bij de geboorte des Verlossers is de ganse wereld in rust en zwijgt, om zijne stem te vernemen; het gedruis der oorlogswapens is geweken. Het Romeinse rijk, het vierde der door Daniel voorzegde, had de hoogste trap van grootheid en luister beklommen en keizer Augustus, de tijdelijke beheerser der wereld, was één der voornaamste vorsten, welke ooit onder de Romeinen de troon bestegen. Deze vorst was ruim vijfenzeventig jaren oud geworden, van welke hij, na de slag van Actium, het opperbewind vierenveertig jaren alleen gevoerd had. Onder zijne regering zag men de tempel van Janus driemaal sluiten, hetwelk voor hem slechts tweemaal had plaats gegrepen; de wereld genoot thans ene algemene vrede, welke twaalf jaren voortduurde; de uitbreiding van de Romeinse heerschappij was onbetwistbaar een werk van de Goddelijke Voorzienigheid, die door de vereniging van alle volkeren der aarde onder ene scepter, de verbreiding van het Evangelie wilde verlichten. Nu zag men de voorspelling van de profeet Isaïas vervuld. De volkeren zullen hunne zwaarden tot ploegijzers smeden en hunne lansen tot zeisen. Het ene volk zal het zwaard tegen de andere niet meer opheffen, noch zich meer ten oorlog oefenen, en nu verschijnt in de daad de nieuwe beheerser der volken, “op wiens schouderen het vorstendom gelegd is, de God, de machtige, de Vader der toekomende eeuwen, de vredevorst.” De verlosser werd geboren in het achtentwintigste regeringsjaar van Augustus na de slag van Actium, het eenenveertigste na zijn eerste consulschap, vierduizend jaren na de schepping der wereld, tweeduizendvijfhonderd jaren na de zondvloed, omtrent twee duizend jaren na de roeping van Abraham en ruim duizend jaren na de opbouw van Salomons tempel.
De wereld smaakte de rust des vredes en keizer Augustus, wiens heerschappij zich over de toen bekende wereld schier uitstrekte, vaardigde het bevel uit, krachtens welk al zijne onderdanen zich naar bestemde plaatsen der gewesten, steden en geslachten begeven moesten, om zich te laten opschrijven; de vorst wilde de kracht en het vermogen van zijn uitgestrekt rijk kennen; de stadhouder Cyrinus, ook Cyrenius, Cyrinius en Kerinius geheten, had in last dit opschrijven in Syrië en Palestina te bewerkstelligen. De staatkunde scheen wel is waar aan de keizer daartoe aanleiding gegeven te hebben, doch de aanbiddelijke Voorzienigheid, welke alles regeert, had deze omstandigheid gekozen om aan de ganse wereld te doen kennen, dat Jezus Christus, zoals de profeten van Hem voorzegd hadden, uit het huis van David en uit Juda’s stam ontsproten was, en hierbij moeten wij nog opmerken, dat God dit opschrijven niet slechts beschikt heeft, opdat Jozef en Maria naar Bethlehem zouden trekken en dat Christus aldaar, volgens de voorzegging der profeten, zou geboren worden, maar dat God dit opschrijven ook bestuurd heeft, opdat de Christenen uit de openbare akten en aantekeningen des rijks tegen de Joden en heidenen zouden kunnen bewijzen, dat Jezus Christus inderdaad uit het huis en geslacht van David is geboren en de geschiedenis leert, dat de oude verdedigers van het Christendom zich tegen de Joden en heidenen op deze openbare akten beroepen hebben. De nakomelingen van David moesten zich naar Bethlehem, een stadje in de stam Juda, begeven, ten einde zich aldaar te laten inschrijven, naar dat Bethlehem, hetwelk men de stad Davids noemde, omdat aldaar zijn vader en vaderlijk geslacht gewoond had en hij in die stad geboren was. Deze stad, onderscheiden van een ander Bethlehem, in de stam Zabulon gelegen, werd vroeger van de Zebuseërs Bethlehem Ephrata geheten en lag op de weg naar Gaza, twee uren van Jeruzalem. De naam van Bethlehem betekent in onze taal “huis des broods” en Ephrata wil “overvloed, vruchtbaar” en “groeizaam” zeggen, en heeft waarschijnlijk deze namen gekregen, omdat het in ene groeizame en vruchtbare landstreek lag, waar overvloed van koren en graan gevonden werd, zodat het als een broodhuis en korenschuur voor de ganse stam van Juda werd aangemerkt; maar wij, die hoger opzien, beschouwen terecht die namen als profetische namen, wijl degene daar zou geboren worden, die met alle waarheid van zich zelven zei: “Ik ben het levend brood, die van de hemel ben afgedaald.” en omdat daar die “gezegende vrucht” uit de akker van het maagdelijk lichaam zou te voorschijn komen, dat “tarwegraan,” hetwelk in de aarde geworpen en stervende een oneindige oogst voor de hemel moest voortbrengen.
De heilige Mattheus en de heilige Lucas hebben de stamregisters van de Verlosser opgegeven en daardoor willen bewijzen, dat Hij van David en Juda afstamde, en dit dubbele stamregister dient tot een veel duidelijker en krachtiger bewijs, want de ene Evangelist geeft ons de stam op van de heilige Jozef, volgens de orde der natuur en Lucas volgens de orde der wet, welke bij sommige gevallen de aanneming van een zoon billijkte. De heilige Joannes Chrysostomus maakt ons opmerkzaam op de overgrote barmhartigheid en de ootmoed van Jezus Christus, die om zondaars te verlossen, het zijner niet onwaardig achtte, om de grootste zondaars onder zijne voorvaders te tellen en met zich op die wijze te willen vernederen, boette Hij onze hoogmoed en genas ons van de gevolgen dezer ondeugd. Dezelfde vader, na aan zijne hoorders het geslachtsregister, hetwelk wij aan het hoofd van het Evangelie van de heilige Mattheus vinden, voorgelezen te hebben, roept in verrukking des harten uit: “Wat zegt gij, o Evangelist! gij belooft ons, dat gij van de eniggeboren Zoon, van God zult spreken en gij noemt ons David, en gij herinnert ons, dat Hij diens Zoon is, van een mens, die eerst na enige duizenden jaren geboren is, en gij noemt deze de vader en grootvader van Jezus? Bindt u toch een weinig in, ga niet dieper, verlang niet om in eens in alles, maar allengs en stuksgewijze onderwezen te worden, aangezien gij u nog in de voorportalen, zelfs voor de ingang der deur geplaatst ziet. Waarom haast gij u toch zo zeer om tot het binnenste in te treden, daar gij alles wat buiten is, nog niet genoegzaam opmerkt! Ik zal het nooit wagen om u de afkomst des Heren te verklaren,…. want zij is onverklaarbaar en voor niemand te begrijpen. De profeet Isaïas heeft dit reeds voor mij gezegd (nadat de profeet over de Goddelijke geheimen van zijn lijden gesproken had) en riep met luide stem: “Wie zal zijn geslacht op(s)tellen!” Denkt niet, dat gij iets van gering belang zult vernemen, wanneer gij over zijne geboorte hoort spreken, maar heft uwe geest op en staat verstond, daar gij verneemt, dat God op aarde gekomen is. Zo wonderbaar, zo ongehoord is dat wonderwerk, dat de koren der engelen vergaderde en in naam van het ganse heelal lofzangen aanhieven, juichten en zelfs de profeten verbaasd stonden, “omdat Hij op aarde gezien is en met de mensen verkeerd heeft.” Want het gaat alle begrip te boven te vernemen, dat de onbegrijpelijke, onuitsprekelijke, onbeschrijfelijke God, in alles aan de Vader gelijk, uit ene maagdelijke schoot voortkwam en uit ene vrouw heeft willen geboren worden, dat Hij David en Abraham tot zijne vaders verkozen heeft; wat zeg ik, David en Abraham! zelfs, wat nog meer te bewonderen is, vrouwen, zondaressen, over welke ik vroeger met u sprak. Heft dus, terwijl gij deze dingen hoort, uwe geest omhoog en stelt u gene geringe gebeurtenis voor, maar staat er ten uiterste over verbaasd, dat Hij, de ware Zoon van de eeuwige God, zich insgelijks verwaardigd heeft om een zoon van David te zijn, opdat hij u een zoon van God zou doen worden, dat een knecht zijn vader werd, opdat Hij u, die een knecht zijt, de Heer tot Vader zou maken…. Want om volgens het menselijke verstand te spreken, is het veel moeilijker te bevatten, dat een God, mens, dan dat een mens tot Zoon van God verklaard werd. Daar gij nu hoort, dat Gods Zoon, de Zoon van David en van Abraham is, zo twijfelt niet meer of ook gij, zoon van Adam, zult een zoon van God worden; want Hij heeft zich niet tevergeefs en zonder inzicht zo diep vernederd, maar opdat Hij ons uit de nietigheid zou opheffen; Hij werd volgens ons vlees geboren, opdat gij naar de geest zoudt geboren worden; Hij van ene vrouw, opdat gij zoudt ophouden zoon van ene vrouw te zijn; daarom was die geboorte tweevoudig, de ene gelijk aan de onze, de andere oneindig boven ons verheven. Hij heeft met ons gemeen van uit ene vrouw geboren te zijn; dat Hij evenwel noch uit het bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil van een man, maar uit de Heilige Geest, uit God geboren is, belooft ons ene ons verre overtreffende, toekomstige geboorte volgens de geest.”
God had aan koning David ene uitstekende belofte gedaan, dat de Christus, de Messias uit zijn zaad zou geboren worden. David was te Bethlehem geboren en daar was zijn geslacht en zijn stamhuis; het voegde derhalve ook, dat de Messias aldaar geboren werd, om des te duidelijker het kenteken te dragen, dat Hij van het geslacht en uit het stamhuis Davids was, en daarom had God ruim zevenhonderd jaren voor de geboorte van de Messias, door zijne profeet Micheas, doen voorzeggen, dat Christus te Bethlehem zou geboren worden. “En gij Bethlehem Ephrata, gij zijt wel klein onder de duizenden van Judea, uit u zal voortkomen, die de heerser zal zijn van Israël.”
Ofschoon reeds verre in hare zwangerschap gevorderd, ondernam de Heilige Maagd de moeilijke tocht van Nazareth in Galilea, waar zij met de heilige Joseph woonde, om naar de door de landvoogd bestemde plaats te vertrekken. De reis, welke beiden aflegden, was lastig, duurde enige dagen en liep langs bergachtige streken. Te Bethlehem konden Maria en Joseph in de herberg niet worden opgenomen; het aantal vreemdelingen was zo groot, daarenboven waren beiden arm en wij weten, dat de wereld de armen veeltijds miskent; zij konden bij niemand huisvesting vinden, en het was toch noodzakelijk, dat zij onder dak kwamen; want toen zij daar waren, werden de dagen vervuld, dat de Heilige Maagd zou baren. Zij vonden gene andere plaats als ene bergspelonk, welke tot ene stal diende en als zodanig bekend was; in deze duistere, verworpene, voor intrek van vee alleen geschikte plaats, bracht de Koningin der engelen en mensen het Goddelijke Kind ter wereld, en wel zonder smarten, terwijl zij voor en na het baren maagd bleef. Na haren eerstgeboren Zoon, die de eniggeboren Zoon van de hemelse Vader was, ter wereld gebracht te hebben, wond zij Hem in doeken en moest, van elk verlaten en veracht, dit werk van moederlijke liefde zelf aan haren Zoon verrichten, en na Hem dus omzwachteld te hebben, legde zij Hem in de krib, welke niet anders als een trog of bak kan geweest zijn, waarin men het voer voor de beesten stortte en waaruit de beesten aten; deze krib was ene bekende en algemene krib, ene krib, welke met deze naam wordt aangewezen, zoals de engel des Heren aan de herders deed, zeggende: “Gij zult het kind vinden in de kribbe,” niet in “ene” kribbe, maar in “de” aan u bekende kribbe, en juist daarom schijnt de Evangelist onnodig geacht te hebben om de plaats te vermelden waar deze kribbe was; de kerkvaders getuigen uit ene mond, dat deze kribbe in ene spelonk of berggrot was, welke tot een stal voor de beesten diende. “Zie,” roept de heilige Hieronymus, die deze spelonk naderhand tot zijne verblijfplaats gekozen had, uit, in deze kleine spelonk is de Schepper der hemelen geboren, hier is Hij in doeken gewonden! Hier van de schaapherders aanschouwd! Hier is Hij door de ster aangewezen! Hier door de wijzen aanbeden!” Jezus wilde bij zijne geboorte de krib niet ontwijken, die in zijnen mannelijke leeftijd het kruis niet ontvluchtte. De overlevering bericht ons, dat in die stal zich toen een os en een ezel bevonden, en zulks houden de heilige Hieronymus, de heilige Ambrosius, de heilige Gregorius van Nazianze, de heilige Gregorius van Nyssa en anderen, volgens de uitdrukking van de profeet Isaïas: “De os kent zijnen meester, en de ezel de kribbe van zijnen Heer.” Ziedaar dan nu het paleis, waarin de Zaligmaker, de Koning der koningen geboren werd. Een bergspelonk een beestenstal! Ziedaar de koninklijke wieg, waarin Hij werd neergelegd, ene kribbe en voedertrog der beesten; ziedaar de edellieden en hovelingen, een os en een ezel. “Hij, die rijk was, is om onzentwille arm geworden, opdat wij door zijne armoede zouden rijk worden.” Met alle recht mocht Jezus later van zich zelven zeggen: “De vossen hebben holen, de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij zijn hoofd mag neerleggen.”
Helaas, het toneel van Bethlehem hernieuwt zich dagelijks! Hoe menigeen, in de bekommeringen des tijdelijke levens, onrust, vermaak, hartstochten, ijdele waan en andere tijdelijke en aardse beuzelingen verzonken, heeft in zijn hart gene plaats om Jezus te ontvangen en weigert Hem op te nemen, wanneer Hij aan de deur zijns harten aanklopt! en hoe velen vindt men er, die Hem wel innemen, maar helaas, in ene afgrijselijke, donkere, ijskoude en geheel onreine spelonk binnen leiden, in welke men niets dan vuile adders en slangen ziet, terwijl zij onder het slaafse juk van Satan, onder afschuwelijke monsters, als onreine en afzichtelijke misboorlingen leven, welke de vorst der helse afgronden in hunne ziel geteeld heeft. Hoe zeldzaam worden er zuivere en edele zielen, die voor Jezus leven, gevonden, die hunne geestelijke armoede en ellende gevoelen en volgens het voorbeeld van Maria en Jozef, het Goddelijk kind verheerlijken, verzorgen, aanbidden, het hunne hulde bewijzen en het met de tederste liefkozingen, die uit een hart, dat van zuivere en heilige liefde gloeit, omhelzen!
De wereld moge het wonder in twijfel trekken, dat Gods liefde tot de mens in Bethlehem wrochtte, maar de hemelen staan verbaasd bij de beschouwing van dat onbegrijpelijke toneel. De engelen, die aan God geheel dienstbare geesten, vervullen met hunne tegenwoordigheid de schuilplaatsen van de oneindige God, de stal, waarin de Koning der engelen geboren is; zij omringen de krib, in welke het Goddelijke en daarom alle aanbidding waardige kind rust; zij bewaken het en kussen de windsels en doeken, in welke het gezwachteld is; wijl Jezus om de mensen gekomen en geboren is, worden de stervelingen door hen uitgenodigd, om met hen hunne hulde aan de Verlosser van Adams nakroost te bewijzen; maar wie zullen zijne eerste aanbidders zijn? Min God! de wijzen en verstandigen der wereld, de koningen en machtigen der aarde, de rijken en vermogenden dezer ijdele, nietswaardige wereld, zij, die het vergankelijke aanbidden en voor hetzelve leven, worden buiten gesloten. Het zijn arme, eenvoudige, Godvruchtige herders, “die waakten en de nachtwacht hielden voor hunne kudde,” en die terwijl zij de plichten van hun nederig beroep vervulden, zich waarschijnlijk in de stilte van de nacht bezig hielden met de Heer te loven en te aanbidden, die mogelijk gezamenlijk, volgens het voorbeeld der vaderen, hunne zuchten ten hemel verhieven en met vurige bede smeekten, dat toch de rechtvaardige van boven afdaalde en de aarde Hem, die zaligheid moest aanbrengen, voortbracht. Dusdanige zijn in het algemeen de gunstelingen van God, die, daar Hij de “hovaardigen weerstaat,” zijne “genade aan de nederigen schenkt.” Want gelijk het water van de hoge bergen afloopt en de valleien bevochtigd en vruchtbaar maakt, zo ziet God met zijne genade en licht niet op de hovaardigen, maar schenkt die gunsten aan de geringen en eenvoudigen van harte. Het was dan ook over dit geheim van Gods raad, dat Jezus later zijnen Vader dankte, toen Hij zei: “Ik dank U, Vader Heer van hemel en aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen en aan de kleinen veropenbaard hebt.”
Een engel des Heren stond nu bij de herders; de luister des Heren omscheen hen, zij werden met grote vrees bevangen, maar de bode des hemels stelde hen gerust en zei hun: “Vreest niet; want ziet, ik breng u ene blijde tijding, die tot grote vreugde zal zijn voor al het volk: want heden is de Zaligmaker, die Christus de Heer is, in de stad Davids geboren. En dit zij u het teken: gij zult een kind in doeken gewonden in de krib vinden liggen.” Men vermoedt en niet zonder rede, dat deze engel de engel Gabriël geweest is, die, zoals de heilige Lucas vroeger getuigde, tot Zacharias en tot de aller gelukkigste der maagden, tot de Heilige Maria had gesproken en nu daarom, als genoeg bekend, zijnen naam verzwijgt. De herders werden bij de verschijning van de engel met een helder en hemels licht omschenen, en die glans strekte om hen te doen begrijpen, dat de engel die hun verscheen, een Goddelijke gezant was. De herders werden op dat gezicht met grote vrees bevangen. Hetzelfde was, om van gene anderen te spreken, insgelijks aan Daniel, aan Zacharias, ja zelfs aan de aller heiligste Maagd overkomen, en geen wonder, want de menselijke zwakheid is zo groot, dat deze op het eerste gezicht van ene zo hoge en verhevene macht, en op ene zo onverwachte en buitengewone glans, niet kan nalaten ontroerd en ontsteld te zijn. Zo verschrikt en ontstelt God nog menigmaal de mens, die Hij tot zijn waar en enig geluk wil leiden; eerst verschrikt Hij hem met zijne oordelen, dan vertroost Hij hem met zijne vreugde-olie, heilige zalvingen en vertroostingen. De duivel doet het tegendeel; hij vleit, streelt, liefkoost eerst degene, die hij tot de zonde wil brengen, en dan verschrikt en kwelt hij hen, wanneer het te laat is. Eva werd evenzo door Satan, toen hij haar tot de zonde aanzette, aanvankelijk niet verschrikt, maar zij was nauwelijks gevallen, of angst en dodelijke schrik vervulden haar hart.
Nauwelijks had de engel deze blijde boodschap aan de herders overgebracht en hen van hunne vrees en ontsteltenis genezen, of zie, “terstond kwam bij de engel ene menigte van het hemels heir, die God loofden en zeiden: Eer zij God in de hoogste en op aarde vrede de mensen van goede wille.” Toen de schare der engelen verdwenen was en de hemelse gezanten door de herders niet meer gehoord werden, zeiden zij nog in de vervoering van bewondering en vreugde: “Laten wij gaan naar Bethlehem en het woord zien, dat daar gebeurt is, hetwelk de Heer ons heeft bekend gemaakt.” Zij begeven zich nu op weg en vinden Maria en Jozef in de stal met de tederste zorgen bezig, zien het Goddelijke Kind, in doeken gewonden liggende in de krib, welke het tot wieg dient. Dit is het verbazend teken, dat hun gegeven was en zij erkennen het woord, hetwelk hun door de engel wegens dit kind gezegd was, hun geloof weifelt niet, zij knielen neer aan de voet van de schamele troon van de in het vlees geboren God, van de Koning der koningen en aanbidden Hem; de gelukkige herders verhalen aan Maria en Jozef en aan allen, die zij spraken, de blijde nieuwstijding, die zij wegens de geboorte des Zaligmakers vernomen hadden, zodat allen, die het hoorden, verwonderd waren over hetgene de herders hun zeiden. Het is zo, alle nieuwe en zeldzame dingen, vooral wanneer zij van groot gewicht zijn, baren verwondering; het was dus natuurlijk, dat alle mensen, die van de herders hoorden, dat hun die nacht een hemels, een Goddelijk licht omschenen had, dat hun een engel des Heren verschenen was, die hun gezegd had: dat heden de Zaligmaker, de Christus, de Heer, in Davids stad geboren was, dat zij een geheel hemels heir gezien en ene menigte engelen gehoord hadden, die door hunnen lofzang, in welke zij God roemden en de mensen geluk en zaligheid verkondigden, de lucht hadden doen weergalmen, en dat zij, toen de engelen naar de hemel vertrokken waren, zich met alle spoed naar Bethlehem naar de hun aangewezene, aan allen bekende krib begeven hadden en aldaar juist bevonden hadden zoals hun van de hemel veropenbaard was, – verwonderd en in verwondering opgetogen waren. Wij lezen evenwel niet, dat de Bethlehemiters zich insgelijks naar de krib gespoed, het Goddelijke Kind aanbeden hebben en de hemelse Vader, die zijnen Zoon ter verlossing der mensen gezonden had, loofden, maar het verhaal der herders, hetwelk slechts geringe vrucht bij de burgers van Bethlehem, ene blote verwondering heeft voortgebracht, deed ene geheel andere uitwerking bij de gelukzaligste der vrouwen. “Maria bewaarde al deze woorden en overwoog die in haar hart, en de herders keerden terug, verheerlijkten en loofden God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, zoals het hun gezegd was.”
Inderdaad is de bewaring van deze woorden en van het grote werk der Goddelijke liefde in ons hart, voor ons ene grote verplichting. Welke beschouwing! welke gebeurtenis welk voorbeeld! Een God, die zich zelven heeft vernietigd, met de gedaante van ene dienstknecht aan te nemen! Een God, kind geworden! een God, arm! Een God lijdende! De engel heeft gezegd, dat zijne geboorte tot vreugde zal zijn voor al het volk, en zouden wij ongevoelig kunnen blijven? Het geringe denkbeeld, hetwelk Adam betrekkelijk dat onbegrijpelijk geheim verkregen had, was genoeg om hem in zijn ongeluk na zijnen val te troosten. De belofte, welke aan Abraham gedaan werd, verzachtte al de kommer van zijne menselijke vreemdelingschap. Deze zelfde belofte onderschraagde Jakob in zijne wederwaardigheden, ondersteunde Mozes bij al de pogingen, welke hij tot bevrijding van Gods volk uit de slavernij van Egypte zich moest getroosten. Alle profeten, ofschoon zij slechts dat geheim van verre mochten zien, sprongen op van vreugde en hoop, en zouden wij, die degene, welke aan de vaders beloofd was, bezitten, onverschillig, koud kunnen blijven! Wij, die voor onze ogen datgene, wat in de vooreeuwen zover verwijderd was, vervuld zien. Ware dusdanige ondankbaarheid mogelijk, dan zou de ganse natuur onze ongevoeligheid terecht veroordelen, want de vreugd en de aangename gewaarwording, welke een redelijk schepsel in het bezitten van een geliefd voorwerp ondervindt, moet aan de hoedanigheid van die bezetting evenredig zijn, zij moet derhalve zoveel te levendiger zijn, naarmate de wezenlijke bezittingen die der verwachte of tegemoet geziene overtreft. “De brief van ene vriend is hoogst aangenaam,” zegt de heilige Petrus Chrysologus, “doch zijne tegenwoordigheid overtreft dit verre; behaagt ons ene schuldbekentenis, de betaling er van is ons van groter gewicht; men bemint de bloesem, doch slechts tot het tijdstip dat de vruchten verschijnen. Welnu, de aartsvaders ontvingen om zo te spreken van God de brieven; maar wij verblijden ons in zijne tegenwoordigheid; zij hadden de belofte en wij verheugen ons in de vervulling.” Hoe verrukt en buiten zich zelven van vreugde zouden de voorvaders geweest zijn, wanneer zij in het geluk van de grijze Simeon hadden mogen delen, met het Goddelijke Kind op de armen te kunnen dragen, en hoever overtreft ons het geluk dat van die heilige grijsaard, terwijl het ons niet slechts vergund is Jezus aan te raken, in onze handen te dragen, maar zelfs in ons hart te ontvangen. “Meermalen gebeurt het mij,” zegt de heilige Bernardus, “dat ik de heilige verzuchtingen overweeg, welke d aardsvaders opzonden om de komst van de Messias verwezenlijkt te zien, en die gedachte vervult mij met schaamte en smart. Ik kan bij het beschouwen van de lauwheid en onverschilligheid van deze tijden, mijne tranen nauwelijks weerhouden en ben van schaamte en droefheid doordrongen, want wie onzer gevoelt zo ene grote blijdschap nu die genade tegenwoordig is, als de beloften in de heiligen van het Oude Verbond, die van verlangen verrukt werden, uitwerkten. Het is waar, ene grote menigte is bij deze feestviering verheugd, doch ik heb alle rede van bekommerd te zijn, dat hunne vreugde niet ten aanzien van de feestdag, als wel betrekkelijk ene of andere ijdelheid der wereld in hen leeft.” Het geheim van deze dag biedt ons een wonderwerk van de Goddelijke almacht aan, en dat grote geheim moest ons tot lofgezangen aanzetten en onze bewondering van Gods oneindige barmhartigheid en liefde opwekken, terwijl terzelfdertijd onze harten van vurige liefde jegens een God van oneindige liefde tot ons moest gloeien.
“Hoe,” riep een groot dienaar des Allerhoogste, “hoe wondervol is uw naam op aarde; Gij zijt waarlijk de God die wonderen werkt; neen ik sta evenmin over de schepping van het ganse heelal verbaasd als over de opvolging der dagen en jaargetijden, maar ik kan van mijne verwondering niet tot mij zelven komen, wanneer ik een God in de schoot van ene maagd opgesloten, de Almachtige in ene krib neergelegd, en het Eeuwige Woord onder de sluier van het vlees verborgen aanschouw.” Nodigen wij dus alle hemelse geesten, die de Heer wegens zijne barmhartigheden de mensen bewezen, gestadige lof zingen, wederkerig uit, dat zij Hem, die grote dingen onder ons gedaan en in dit geheim de mirakelen van zijne almacht, van zijne wijsheid en zijne goedheid heeft doen schitteren, met ons onophoudelijk prijzen. Ja dringen wij er op aan, dat alle geesten met ons de God blijven verheerlijken, die het slachtoffer van zijne liefde is en die, om de zondaar van de vloek vrij te kopen, zich zelven tot in het oneindige vernietigd heeft. Zeggen wij liever: verenigen wij onze aanbidding met de hunne, want wie zal de ijver en liefdegloed, waarmee zij aanbidden, kunnen bevatten? Wie zal ooit kunnen beschrijven of zich een denkbeeld vormen van hetgene in hun hart omging, toen zij de aanbiddelijke Jezus, dat Goddelijk Kind, in de krib aanschouwden, dat kind, die Zoon des mensen, wiens toen zo zichtbaar zwakke handen het ganse heelal gemaakt hebben en door hunne macht hemel en aarde onderschragen. Van welke eenstemmige lofgezangen, van welke vloed van zegen-lof, van welke vereniging van ootmoedige aanbidding weergalmen de hemelen en de aarde! En zal dan de mens, zult gij, die nu de grootheid der onbegrijpelijke liefde van God tot ons overweegt, en om wie dit grote geheim is gewrocht, niet in hunne heilige verrukkingen delen! Zoudt gij ongevoelig, koud blijven, zal uw hart en geest niet ontvlammen bij de toenadering van die God, die zich om u te zaligen vernietigd heeft! Van die zon der eeuwige rechtvaardigheid, die zich onder de wolken der mensheid verbergt en zich van de stralen zijns eeuwige glans ontdoet, om u in uwe ellende te bezoeken en te verlichten! Ach! wee hem, die op deze gelukzalige dag zich door de ijver, om zich aan Jezus geheel en al toe te wijden, niet aangemoedigd gevoelt; zou men niet moeten vrezen, dat zodanige mens het geloof verloren had en dat de vlam van het geestelijke leven in zijn hart en zijne ziel uitgedoofd was!
Welke dankbaarheid behoort ons te bezielen bij de overweging van de grootheid der eeuwige weldaad, die ons door God zelf bewezen is! en welke onophoudelijke lofzangen moeten wij aanheffen en aan God toewijden, bij het zien van dat groot en Goddelijk licht, hetwelk opgedaagd en verschenen is om alle duisternissen van de afschuwelijke afgodendienst, in welke onze vaders verzonken waren, te verdrijven. Welke tijden, welke zeden waren er, toen alles God was en men de enige ware God buitensloot; toen de mensen niet alleen de grote lichamen en dec krachten der natuur, of het maaksel hunner handen of het redeloos gedierte als goden aanbaden, maar hunne knieën bogen voor Jupiter en andere monsters van goddeloosheid, die door de afschuwelijkste misdaden, door de schandelijkste buitensporigheden, door de opvolging van de nog minder dan dierlijke vuiligheden, de natuur verkracht hebben. Welke tijden, welke zeden waren er, toen Jezus geboren werd, onder onze voorvaders; toen de besten onder de afgoden rampzaligen waren, duizendmaal misdadiger dan de booswichten, welke de menselijke gerechtigheid tot de dood veroordeelt, toen de afschuwelijkste neigingen, die de mens onder het redeloos dier verlagen, vergood werden! Welke duisternissen! welke ongebondenheden! Welk zedenbederf! De ganse zolang door alle soort van misdaden bezoedelde aarde riep wraak en zou zij bij het vernemen, dat de Zoon van de enige God, dat haar Schepper onder de mensen gekomen was, zich niet hebben moeten verbeelden, dat Hij gekomen was om hen allen, evenals vroeger de Sodomiters, door het vuur des hemels te vernielen en hen levend in de helse vuurkolken voor ene gehele eeuwigheid op te sluiten! Maar neen, Jezus komt vol zachtmoedigheid, vol medelijden tot de ellendigen, om ons te zuiveren, om ons zalig te maken. Van welke eeuwige dankbaarheid moet ons hart dan doordrongen zijn bij de overweging van de onbegrijpelijke goedheid van Jezus, die ons heden geboren is!
Doch hoe zal onze dankbaarheid levendig kunnen wezen, wanneer ons hart niet gloeit van liefde en wiens hart zal niet ontvlammen bij de overweging der woorden van de profeet, die in zielsverrukking uitroept: “Een kind is ons geboren en een Zoon is ons gegeven!” En dat kind, die Zoon is onze God, die zich met ons vlees, met onze zwakheid, met onze ellende bekleed heeft en zo onder ons komt wonen. Welk onbegrijpelijk wonderwerk der Goddelijke liefde! De eeuwige onderwerpt zich aan de tijd! de Oneindige wordt kind! de Almachtige omkleedt zich met alle kentekenen van zwakheid! De oorsprong van alle grootheid, van alle volmaaktheid en majesteit, vernedert zich tot het niet en wordt onderdaan van zijne eigene schepsels! “O liefde,” roept de heilige Thomas van Villanova uit, “O enig Almachtige zegepraal der liefde! Gij hebt de onoverwinnelijke overwonnen! De almachtige God is een gevangene geworden!” Trouwens het is uit liefde, dat Hij al deze wonderdaden heeft gewrocht, en zouden wij bij het beschouwen van ene zo onuitdenkbare liefde ongevoelig kunnen blijven! De heilige Franciscus van Assisie was in de tederste verrukking wanneer hij over dit geheim sprak. De heilige Bonaventura nodigde alle schepselen uit, om zich met hem te verenigen en de geboren Jezus te beminnen en aan te bidden. Hij richt zijne woorden tot de hemel en de aarde, maar vooral tot de mensen en vond in deze woorden: “Jezus, de Zoon van de levende God, is geboren te Bethlehem in Judea,” ene onuitsprekelijke zoetigheid. Hij kon gene woorden uitdenken om er al de kracht van uit te drukken. “Bij deze woorden,” zegt hij, “gloeit mijn geest, mijne ziel zinkt weg en mijn vurig verlangen doet mij al de blijdschap vergeten, die mij in verrukking bracht. Wanneer God op de troon zijner oneindige grootheid en majesteit gezeten is, dan boezemt Hij eerbied en vrees in, doch welke liefde ontsteekt Hij, nu Hij zich als kind vertoont?” Wij weten genoegzaam hoe aanvallig tedere kinderen zijn; wie gevoelt zich niet gedrongen om de onschuldige lievelingen te beminnen, om hunne eenvoudigheid, oprechtheid, zwakheid en aanvalligheid; wanneer wij zo gestemd zijn voor de kinderen der mensen, wat gevoelen wij dan niet bij het beschouwen van een kind, dat de Godheid als eigenschap bezit! Kan er in de hemel of op aarde wel iets gevonden worden, dat die liefde overtreft, want zijn in Jezus als kind niet alle aanvalligheden, die in de hemel en op aarde te vinden zijn, verenigd?
Lieve Jezus! wanneer wij deze zaak eens wel begrepen, wanneer ons hart slechts van een weinig liefde tot U gloeide, hoe zouden wij uwe kleine handen in doeken gewikkeld aanbidden, zij trouwens onderschragen hemel en aarde, en die voeten kussen, welke weldra om onze wil de wereld zullen omwandelen, om onze verlossing te bewerken en met nagelen doorboord worden; dat aangezicht, de vreugd en bewondering der engelen, verheerlijken en het onschuldig hoofd met ene eerbied, aan God alleen verschuldigd, begroeten, dat voor ons met doornen zal gekroond worden! Jezus, een kind liggende in de krib! hoe dwingt die beschouwing de ziel tot liefde! “Het Goddelijke Kind weent,” zegt Bernardus, “maar niet als andere kinderen, noch om dezelfde rede; het geschreeuw der kinderen wordt gewoonlijk door behoefte en zwakheid veroorzaakt, maar de tranen van Jezus zijn tranen van medelijden en van liefde tot ons.” En zullen dan die Goddelijke tranen de hardheid van ons hart niet verzachten! “Zij dringen mij tot droefheid,” zegt dezelfde heilige, “zij overdekken mij met schaamte, wanneer ik bij al mijne ellende mijne ongevoeligheid overweeg.”
Dat wij ons geenszins verergeren over de staat van zwakheid, vernedering en armoede, waarin de Verlosser bij zijne geboorte zich vertoont, en zo ons gelijk stellen met de vleselijke Jood en sommige wereldwijzen. In het zinnelijke verdiept, hebben de Joden zich zelven een doek voor de ogen gehouden, opdat zij niet zouden zien wat de profeten zo duidelijk voorspelden. Begerig naar schatten, macht, tijdelijke roem en grootheid, verbeeldden zij zich ene Messias, die het juk van vreemde heerschappij zou vernielen, van Jeruzalem de beheersers der wereld maken en hun geslacht over de gehele aarde uitbreiden. Zij verbeeldden zich dusdanige Messias en hunne kinderen zelf verwachten tot nu toe gene andere. Het was derhalve geenszins uit zuivere ijver voor de wet, dat de meesten hunner de Verlosser versmaad en verworpen hebben, want dan zouden zij meer verschoonbaar hebben kunnen zijn, maar uit heerszucht, begeerte naar aardse grootheid en onverdraaglijke hoogmoed, en het zijn juist die misdaden, welke hen zo schuldig gemaakt hebben. Een Messias gelijk de Joden die willen hebben, die de begeerte naar aardse grootheid, rijkdommen en macht, die de eigenliefde in ons vermeerderd en de boze hartstochten zou gevleid hebben, had zeer zeker onze verdorvenheid en ongeregeldheden nog verergerd, in plaats van die te genezen; Hij zou ons misleid hebben met ons geheel en al aan onze ellendige ballingschap te boeien en in ons de zucht naar ons enig vaderland uit te doven; met ons meer en meer van God te verwijderen, ons dus nog erger dan wij waren aan Satan te verkopen, ons dieper in de afgrond van ons verderf te storten, de uitzinnigheid en buitensporigheid van onze hartstochten nog eens te ontvlammen en de boeien van onze slavernij te knellender te doen worden, kan door ons geen middelaar, geen verlosser, geen zaligmaker, geen bevrijder genoemd worden, en evenwel bleven en blijven de Joden zodanige Messias verwachten.
Al onze ongeregeldheden vloeien uit deze drie bronnen, welke de heilige Johannes opnoemt: “Want al wat in de wereld is, zegt hij, is begeerlijkheid des vlezes, begeerlijkheid der ogen en hovaardij des levens.” Dat wil zeggen, dat al het kwaad voortkomt uit liefde tot vermaak, of uit begeerte naar het aardse, of uit onverdraaglijke hoogmoed. De begeerlijkheid des vlezes bestaat in de ongeregelde neiging, welke ons aandrijft tot de voldoening en het vleien van onze zinnelijkheden, en Jezus, die ons aanstonds het voorbeeld van versterving wil geven, begint reeds dadelijk bij zijne intrede in de wereld te lijden. Wie van ons zal dus, daar hij het Goddelijke Kind zo geheel vrijwillig alle ontbering ziet lijden, zich wegens zijne zwakheid verontschuldigen, om alles wat de zinnen kan versterven listig te ontwijken? De tranen, welke de smarten Hem uit de ogen persten, een zo’n geheel teder lichaam op stro uitgestrekt, die zwakke ledematen door de kou schier verstijfd, terwijl alleen de adem van redeloze dieren Hem enige warmte aanbrengt, dit berghol, deze aan alle winden blootgestelde stal, zouden niet noodzakelijk geweest zijn om onze verlossing te bewerken. Het is een voorbeeld, dat ons gegeven, een toonbeeld, dat ons aangewezen is, opdat wij ons even vrijwillig aan de versterving zouden onderwerpen, en om alles nog beter te kunnen bevatten, zo voegen wij het einde bij hetgene door Jezus begonnen is, dat geheiligd lichaam, hetwelk Jezus Christus reeds bij zijne intrede met zulk ene grote gestrengheid behandelt, zal Hij door vasten verzwakken, door arbeid vermoeien en aan hetzelve alle genoegens weigeren; dat lichaam zal door geselslagen doorkorven, met doornen gekroond, met nagelen doorboord, aan een vloekhout uitgerekt en vastgeklonken worden en onder de afgrijselijkste en nooit gehoorde martelingen de geest geven. Mijn God, wie onzer zal na dit alles nog dit lichaam der zonde willen vleien, in misdadige genoegens durven baden, in wellust durven drenken? Wie zal niet het noodzakelijke beseffen van het vasten en de onthouding, door de Kerk zo wijselijk voorgeschreven, van die verstervingen, vrijwillige ontberingen, waardoor wij tonen het Goddelijke voorbeeld van boetvaardigheid te volgen?
Door de begeerlijkheden der ogen duidt de heilige Johannes de liefde of begeerte tot tijdelijke schatten en rijkdommen aan, welke ene andere niet minder rijke bron is, uit welke onnoemelijke ongeregeldheden en ergernissen ontspringen, van welke de wereld overvloeit. De rijkdommen zijn ene verleidende en slechte vrucht, welke door de zondeval van onze eerste ouders met een dodend gift besmet is; zij zijn voor diegenen, welke de hemelse goederen willen bezitten, een aller-zwaarst en ondraaglijk pak en vermeerderen op ene schrikverwekkende wijze de moeilijkheden en hinderpalen, welke wij op de weg naar het hemelse vaderland ontmoeten. Door de zucht, welke de mens gevoelt tot bezit, want hij is geboren om zich oneindige en onvergankelijke goederen te verschaffen, hecht hij zich aan het vergankelijke en wijl het tijdelijke hem bekommering en ijdele zorg baart en tot verkwisting aanspoort, verliest hij de waarachtige en eeuwige goederen uit het oog. Jezus, het voor ons geboren Goddelijk Kind, schenkt ons nu tegen deze tweede ellende, tegen de begeerte naar aardse goederen, tegen deze geestelijke ziekte, die de tweede dood aanbrengt, in zijn voorbeeld en leer, een heilzaam geneesmiddel. Dit kind, dat zo arm, zo behoeftig omringd van alle menselijke jammeren ons verscheen, is evenwel Heer van het heelal, wijl het alles geschapen heeft, de hemel en al zijnen luister, de aarde en alles wat zij bevat, de ganse wereld en al degenen die hemel en aarde bewonen. En ziedaar Jezus wordt in de uiterste armoede en aan al het nodige gebrek lijdende geboren. Kon Hij wel groter versmading van al wat wij goederen en rijkdommen noemen betonen? Hij had in een vorstelijk paleis, in purper en goud, in alle weelde en gemak, welke overvloed aanbrengt, kunnen geboren worden en Hij verschijnt in ene staat, die de uiterste armoede kenschetst! Wij vinden Hem in de stal, op stro, omzwachteld in arme doeken en Hij heeft niets waarop Hij zijn hoofd kan te rusten leggen. Hoe! blozen wij niet, worden wij niet verontwaardigd op ons zelven, wegens onze gehechtheid aan het tijdelijke, terwijl Jezus van zijne geboorte tot aan zijnen dood, zo’n grote versmading, afgekeerdheid, zelfs haat jegens dat alles betoont? Wee de rijke, die zijne zinnen op het vergankelijke stelt en niet arm volgens de geest is. Wee de arme, wiens begeerlijkheid hem naar rijkdommen doet haken. Tot hoe lang zullen wij in tegenspraak zijn met Jezus Christus en met de wereld uitroepen: Hoe gelukkig zijn zij, die zo rijkelijk met het slijk, dat de aarde aanbiedt, bedeeld zijn; hoe ongelukkig zijn die mensen, aan wie de algemene Vader des huisgezin die goederen, welke de meesten die ze bezitten tot hun verderf misbruiken, geweigerd heeft!
hoe welsprekend drukt de geboorte van Jezus Christus ons de versterving van onze zinnelijkheden, de armoede en gehele afgetrokkenheid van al het aardse op het hart; de oude wijsbegeerte had er zich insgelijks wel op toegelegd, om de mens enige wijze lessen voor te houden; ook zij zag, dat de mensen hun geluk te vergeefs in aardse goederen en in het vermaak zochten, terwijl zij overal van verdriet en kwelling omgeven waren. “Lijd en mijdt, dit is het geheim van de wijsheid en van het enige geluk;” zeiden de oude wijsgeren, en die oude wijsbegeerte onderhield tamelijk wel hare eigene voorschriften, ofschoon door de geest van ijdele waan geleid, wijl zij het losrukken van het aardse tot de verachting van hetzelve en de versmading der rampen tot het verloochenen der smarten wist te drijven; maar zij was minder sterk tegen de wellust dan tegen de rampen; zij wist de afschuwelijkste misdrijven onder de ijdele dekmantel van onthouding en gestrengheid te bedekken, en leverde zich in het geheim aan alle schandelijke en verachtelijke hartstochten over. Jezus Christus, boven alle wijzen en verstandigen oneindig verheven, ontdekte ons van het ogenblik van zijne geboorte en zelfs door zijne geboorte de waarachtige bron van alle kwaad, en schonk ons tevens het krachtdadigste geneesmiddel tegen deze geestelijke ziekte, op welke ene tweede dood noodzakelijk moet volgen. En deze onzuivere en dodelijke bron wist Hij ons niet slechts aan in de ongeregelde liefde tot aardse goederen en ijdel zingenot, maar vooral in de ongeregelde liefde, welke de mens voor zich zelven koestert, of in die geest van onafhankelijkheid en hoogmoed, en vandaar zei Hij niet slechts zoals de oude wijzen: “Lijd en mijdt,” maar verootmoedig, verneder u voor God en voor de mensen.
Wie zou zich bij het vernemen, dat een eeuwige God onder de mensen afdaalde, niet verbeelden, dat de hemelen voor Hem zouden wegzinken, dat de aarde bij zijne tegenwoordigheid op hare grondvesten zou schudden en dat de ganse natuur zich op het luisterrijkste zou optooien. Zo kunnen mensen denken, doch God oordeelt en handelt niet gelijk de stervelingen. “Jezus Christus,” zegt de heilige Chrysostomus, is niet gekomen om de wereld door de glans van zijne majesteit te verstommen. Hij heeft zich niet, zoals vroeger, op dezelfde ontzaggelijke wijze onder donder en bliksem als op Sinaï vertoond; Hij is zonder pracht afgedwaald, zodat geen uitwendig teken Hem van de andere kinderen der mensen onderscheidde. Als alles in geruste stilte was en de nacht de helft van zijnen weg doorlopen had, is uw alvermogend Woord, o Heer, van de koninklijke zetels gekomen.” Behalve enige arme herders werd niemand uitgenodigd om het Goddelijke Kind te verwelkomen. Jezus komt op deze aarde en is reeds de voetveeg der mensen; men weigert Hem de herbergzaamheid, die voortreffelijke aartsvaderlijke deugd, te bewijzen en Hij zal tot het einde van zijn tijdelijke leven, als een onbekende, gehaat en veracht onder zijn volk, met belediging en hoon overladen en behandeld worden. Want na het grootste gedeelte van zijn leven in het arme Nazareth, in het huis van ene behoeftige ambachtsman te hebben doorgebracht, zal Hij het overige gedeelte te midden van tegenspraak en vervolgingen, welke zij, om wie Hij gekomen was, Hem zullen aandoen, slijten, tot dat Hem eindelijk, hoewel onschuldig, de dood der slaven, boosdoeners en moordenaars zal te beurt vallen. Hoe oneindig verheven boven de lessen van alle wijsgeren, die ooit de wereld gezien heeft, zijn de onderrichtingen en voorbeelden, welke Jezus ons reeds bij zijne geboorte gaf en gedurende de tijd, dat Hij onder de mensen omwandelde! Maar wij, in hoogmoed en zelfliefde gevoed, hadden daarom de voorbeelden van een Godmens nodig, om ons te leren hoe wij deze ondeugden, de oorsprong van alle kwaad, te bestrijden, te overwinnen, uit te roeien hadden. Omdat de mens aan God gelijk had willen zijn, had de Eeuwige in zijne Goddelijke raadsbesluiten bepaald, dat God mens zou worden, om dezen te leren hoe hij zich te verootmoedigen had, wilde hij aan het beeld Gods gelijkvormig worden. Hoe welsprekend en het hart doordringend is dus het Goddelijk Voorbeeld, welk ene verhevene en voortreffelijke leer van ootmoedigheid bevatten de weinige woorden, waarmee de heilige Johannes het grote geheim der Goddelijke liefde tot de mens voordraagt; “Het woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond.”
Welk geheim van diepe nederigheid! Het eeuwige Woord, de ongeschapene wijsheid des Goddelijke Vaders, neemt de menselijke natuur aan; het neemt die aan met al de treurige gevolgen van de zonde, het neemt die aan met al de zwakheden van een kind, met al de behoefte, welke de uiterste armoede ooit kan te beurt vallen. De Oneindige is dus tot onze nietswaardigheid afgedaald; de Allerhoogste tot de allerlaagste stand. De eeuwige God onderwerpt zich van de tijd, de onlijdelijke verdraagt alle martelingen, de onsterfelijke offert zich aan de dood. Hij, die hemel en aarde niet kunnen bevatten, ligt in een krib; Hij, die de leliën des velds met ene schoonheid en glans bekleedt, welke al de pracht en rijkdom van Salomo overtreft, ligt daar op een hand vol stro, is in arme doeken gewonden; die God, die de engelen in de verrukkingen hunner eerbiedige bewondering aanbidden en eeuwige lof zingen, is omgeven van arme mensen, van sprakeloze en redeloze dieren; Hij, de enige Heer, die hemel en aarde geschapen en met de luister van zijne almacht verrijkt heeft, heeft zijne toevlucht en intrek moeten nemen in ene arme beestenstal. “O welke hoogmoed,” zegt de heilige Augustinus, “zal ooit te genezen zijn, wanneer die door de nederigheid van Gods Zoon niet genezen wordt.”
Bidden wij dan heden, dat Jezus Christus zich gewaardige om in ons hart geboren te worden, maar verwachten wij die genade, dan moeten wij volgens het voorbeeld, dat Hij ons gegeven heeft, arm volgens de geest, ootmoedig van hart, vreemdelingen op deze aarde, gehoorzaam en verstervend gelijk Hij in de krib worden; want Jezus is kind geworden om ons tot volmaakte mensen te vormen, Hij heeft in arme doeken willen gewonden worden, om ons van de handen der zonde te ontdoen; wij zien Hem in ene stal, om ons hier in zijne tabernakelen en in de eeuwigheid in het koninkrijk van zijnen Vader te doen binnengaan. Hij werd arm en zwak, om ons rijk te maken en te versterken.
Hoe aanbiddelijk zijt Gij, Goddelijke Verlosser, in uwe krib! Ja heden nog verenigen wij ons in de geest en uit geheel ons hart met die vrome herders, die U daar aanbaden, met de engelen des hemels, die U in de arme stal verheerlijkten. Dierbaar Goddelijk Kind, wij geven ons aan U, wij heiligen ons geheel en al aan U, want wij willen voortaan niet leren als door U, door uwen Geest, door Uwe liefde en voor U. Schenk ons, voor ons geboren Jezus, de genade, dat wij ons niet bij ene koude, oppervlakkige, onvruchtbare aanbidding bepalen, maar dat wij evenals uwe Heilige Moeder, al wat wij gehoord en overwogen hebben, in ons hart bewaren en met de geheimen onze ziel voeden. Geef Gij dat, daar wij aan de voet van uwe krib de deugden van uw Goddelijk kindschap, uw ootmoedig, verstoren verborgen leven overdacht hebben, wij ons aan U gelijkvormig maken, opdat wij eenmaal aan uwe glorie mogen deelachtig worden. O hoe gelukkig is de Christen, in wiens hart Jezus geboren wordt, in wie Hij leeft, en die met d4e Apostel kan uitroepen: “Ik leef, maar nu niet meer ik, maar Jezus leeft in mij.”
Op deze feestdag is het elke priester vergund, driemaal de Heilige Geheimen op te dragen. Dit gebruik, vroeger alleen aan de opperpriesters toegestaan, is allengs algemeen geworden, doch men is er niet toe verplicht. Dit gebruik heeft tot voorwerp de drievoudige geboorte van Jezus, zijne eeuwige geboorte in de schoot des Vaders; zijne tijdelijke geboorte uit de allerheiligste Moedermaagd te Bethlehem en zijn inwendige geboorte, bij welke wij de Goddelijke Jezus door het geloof en ene vurige liefde in ons hart voortbrengen.
“Kom Heer Jezus!” Ja kom toch spoedig volgens uwe belofte!
26 December
De heilige Stephanus (33).
Diaken, eerste Martelaar.
Daar wij gedurende de loop van het jaar ons oog op de strijd gevestigd hielden, welke zovele martelaren en geloofshelden ten koste van hun bloed en leven voor Jezus Christus, en ter verbreiding en verheerlijking van zijnen naam zo roemrijk voltrokken hebben, is het billijk, dat wij met warme eerbied de strijd beschouwen van de heilige Stephanus, die het eerst van alle leerlingen het voorbeeld aan de anderen gegeven heeft, om voor Jezus Christus te sterven, wij Gods Zoon voor allen gestorven is. En het komt ons recht duidelijk in de geest op, dat de dubbel gekroonde Stephanus met uitmuntende genade en kloekmoedigheid door de Heilige Geest begunstigd is, door welke hij dat voorrecht, om de eerste te zijn, die zijn bloed en leven voor Jezus offerde, en de voorrang boven alle martelaren en geloofsbelijders verdiende, verkregen heeft. Om onze eerbied en onze Godsdienstige verering op te wekken, die wij aan deze vermaarde heilige verschuldigd zijn, behoeven wij slechts ons oog te vestigen op hem, die de daden, de heldhaftige strijd en de dood van de verheerlijkte kampvechter des geloofs beschreven en in de pen gegeven heeft. De heilige Lucas boekte hetgene de Heilige Geest die Evangelist ingaf en voorzegde, en wij hebben dus alleen de gezegden van de Goddelijke Geest bij ons opstel te volgen. “Stephanus was een man vol van geloof en van de Heilige Geest, vol van genade en sterkte, en hij deed grote wonderen en tekenen onder het volk;” zo spreekt Gods Geest zelf van hem. “Hij was vol van geloof,” want wij zullen in zijn ganse gedrang opmerken, dat het geloof, aan hetwelk hij zijn verstand, zijn hart en zijn bloed en leven ten offer bracht, hem boven al het zinnelijke, boven al het aardse verheven heeft en zelfs in zoverre, als de Heilige Geest, die de offerande van de ganse mens vordert, hem tot God deed naderen, zodat het geloof hem die heilige ijver instortte, om met vurige moed voor de verbreiding van Jezus naam en heerlijkheid te arbeiden. Hij was “vol van de Heilige Geest,” en daardoor betekent ons Gods Geest niet slechts, dat in hem volheid van genade en heiligheid woonde, maar dat hij zelfs alle gaven en gunsten in zich verenigde, welke de aanbiddelijke Geest op de Pinksterdag over de eerste leerlingen des Heren uitstortte. “Vol van genade en sterkte,” de ene en andere uitdrukking, welke de Heilige Geest zich gewaardigt over de roemvolle Stephanus te bezigen, doet ons omtrent dezelfde zaak verstaan en kennen; wij mogen hier wel zeggen: “Uit de overvloed des harten spreekt de mond.” Die genade, welke zijn hart vervulde, was uit zijn geloof als dien oorsprong geboren, uit dat alvermogende geloof, hetwelk bergen kan verzetten en dat hem zovele tekenen en wonderen onder het volk deed verrichten. Welke lofspraak bezigt hier de Heilige Geest! “Vol van sterkte,” en die sterkte, welke de heilige Stephanus bezielde, kwam hem van de Heilige Geest, die in hem woonde en van welke sterkte de roemvolle heilige zich bediende om de Joden, de roemvolle heilige zich bediende om de Joden, de gezworen vijanden van Jezus Christus, te beschamen.
Bij het beschouwen der geschiedenis van de heiligen, hebben wij steeds opgemerkt, welke beloning de door de wereld altijd gehate waarheid van haar te verwachten heeft; haar altijd vijandig zijnde, vervolgt en onderdrukt zij deze dochter des hemels en poogt haar met verblinde woede onder de voet te treden, en wij zagen de heldhaftige en grootmoedige verdedigers der waarheid meestentijds onder de moordende slagen van de vijanden van Jezus en zijne Godsdienst vallen en in hun bloed zwemmen, dat zij voor de verdediging des naams van de Goddelijke oorsprong der waarheid veil hadden. Op deze feestdag, aan de verering van de grote Stephanus toegewijd, van hem, wiens nagedachtenis de Kerk met de feestviering der geboorte van de Koning der martelaren verbindt, zullen wij hem door de vijanden der waarheid gestenigd, in zijn bloed zien zwemmen, zijn leven zien geven, wijl de boosdoeners niet rustten voor zij hem aan hunnen onlesbare bloeddorst hadden opgeofferd. De hel toch gloeide van woede tegen hem; bedrogen in hare onderneming tegen Jezus Christus, ziet zij hare heerschappij bestrijden en door de Apostelen de ene overwinning na de andere op haar behalen. De Heilige Geest is nauwelijks afgedaald, Petrus, het hoofd der Apostelen, heeft nauwelijks de eerste maal zijnen mond geopend, of wij zien op dezelfde dag “drieduizend zielen” aan Satan ontrukt; en zij, die zoveel ijver betoond hadden om het geloof te omhelzen, toonden zich even standvastig in die eenheid in Jezus Christus, want zij volharden in de leer der Apostelen, in de gemeenschap van het breken des Goddelijke Broods, in de gebeden en in de werken der liefde; zij hadden alle goederen gemeen, verkochten hunne bezittingen en rijkdommen, en hetgene hunne goederen opbrachten, deelden zij onder de broeders uit die behoeftig waren; hunne Godsvrucht en liefde maakte hen aangenaam bij het volk en de Heer vermeerderde dagelijks het getal van diegenen, die zalig werden. Nauwelijks had Petrus aan de deur des tempels ene kreupele genezen en voor het volk, dat verslagen stond, zijne tweede onderrichting gehouden, of ziedaar, velen van degenen, die bij het wonder door de Apostel verricht, gezien en het woord gehoord hadden, geloofden, en het getal der mannen, die zich bekeerden, klom tot vijfduizend, ofschoon de vijanden der waarheid reeds de handen aan Petrus en Johannes geslagen en hen in de gevangenis opgesloten hadden. Doch daar men het volk vreesde, was het slechts ene bedreiging en weldra liet men de Apostelen weer los.
Toen de Apostelen ontslagen waren, kwamen zij onder de broeders terug en verhaalden hun al wat in de raad der opperpriesters en ouderlingen was voorgevallen, en hoe zij bedreigt geworden waren, wanneer zij weer in de naam van Jezus tot de menigte zouden durven spreken. De gelovigen dankten God en smeekten, dat Hij zijnen dienaren kracht zou geven om met alle vrijmoedigheid zijn woord te verkondigen en het door wonderen in de naam van zijnen Heilige Zoon Jezus Christus te bekrachtigen. De ganse vergadering werd vervuld met de Heilige Geest en allen spraken het woord Gods met vrijmoedigheid. In deze nieuwe kerk kende men gene verdeeldheid en de liefde heerste zodanig onder de eerste Christenen, dat, daar al hunne begeerten tot God gericht waren, zij allen slechts één hart men één ziel hadden; alle goederen waren, zoals wij zeiden, onder hen gemeen en men zag niemand onder hen gebrek lijden, want zij, die landerijen en huizen bezaten, verkochten die en maakten zich vrijwillig arm, om diegenen onder de broeders te kunnen voorzien, die in behoefte verkeerden. En om te tonen, dat zij alle gehechtheid tot het tijdelijke afgelegd hadden, brachten zij het bedrag van hetgene zij verkocht hadden voor de voeten der Apostelen, die daarvan aan elk volgens zijne behoefte uitreikten. De Apostelen deden grote wondertekenen; het volk hield hen in grote achting en het getal dergenen, die geloofden, zowel mannen als vrouwen, nam meer en meer toe. De hoofden der synagoog zagen met angst en woede de voortgang van het Evangelie; de hogepriester en die met hem waren werden vervuld met nijd, sloegen andermaal de handen aan de Apostelen en stelden ze evenals waren zij boosdoeners, in de openbare gevangenis. In de nacht, die op die dag volgde, werden zij door ene engel uit de kerker verlost en gingen, volgens het hun gegeven bevel, des morgensvroeg naar de tempel, waar zij het volk leerden. Andermaal voor de raad gevoerd, werden zij, nadat men geruime tijd ernstig beraadslaagd had over hetgene te doen stond, tot de geseling veroordeeld en hun geboden, gelijk eerder, niet meer in het openbaar in de naam van Jezus te spreken. Deze voor het oog der wereld schandelijke behandeling was evenwel de oorzaak ene nieuwe voldoening voor de eerste dienaren van het Evangelie. Zij verlieten de raad en waren verblijd, omdat zij waardig bevonden waren voor de naam van Jezus versmaadheid te verdragen. Al de bedreigingen der Joden dienden slechts om hunnen ijver te vermeerderen en niets kon hen terug houden, zowel in de tempel als in de huizen te leren en de naam van Jezus Christus te verkondigen. Welk vreemd schouwspel! Wij zien mensen, die zich gelukkig achten van vervolgd te worden en te lijden, die zich in de smaad, welke zij voor de naam van Jezus verduren, verheugen. Dit wonder der Goddelijke genade is nog verbazender dan al de anderen, welke de Apostelen gewrocht hadden. Het woord des Heren verspreidde zich en ongeacht alle pogingen der hel, vermenigvuldigde het getal der leerlingen binnen Jeruzalem. Gods woord was tot nu toe met zulk ene goede uitslag nog niet verkondigd, want zelfs ene grote menigte Joodse priesters omhelsden nederig het geloof en gehoorzaamden aan deszelfs voorschriften. Mijn God! wie staat niet verbaasd! Van de ene zijde zien wij de Apostelen gehoond, met smaad en schande voor de wereld overladen en van de andere zijde de Evangelische leerlingen, welke zij verkondigden, zich meer en meer verbreiden en de schoonste vruchten voortbrengen, en wat nog meer de bewondering opwekt, wij zien ene grote menigte Joodse priesters zich van hunne ambtgenoten afzonderen, het geloof omhelzen, zich aan de leer der Apostelen onderwerpen, alle vooroordeel, haat en ongeloof ten dienste der heiligheid en liefde der leerlingen en der wonderen, van welke zij getuigen waren, opofferen. De voornaamste bewerkers van de dood van Jezus worden zijne aanbidders. Bewonderen en aanbidden wij de goedheid des Heren, die deze Joodse priesters, welke het volk opgeruid hadden om de dood van Jezus te eisen, tot de eenheid des Goddelijk geloofs geroepen en hen tot de genade voorbeschikt heeft.
Satan, die zijne pogingen om de verbreiding van het Evangelie te beletten, verijdeld zag, was er nu op uit, om onder de gelovigen zelfs het zaad der verdeeldheid uit te strooien en hij hield zich schier verzekerd van zijne overwinning onder de Joden, want die het geloof omhelsd hadden waren vele Grieken, welke men Hellenisten noemde, omdat zij in Egypte, Klein-Azië en op de Griekse eilanden woonden; zij spraken de Griekse taal en niet het Syriachs, zoals de Joden van Palestina en Groot-Azië. Deze Griekse tot het geloof bekeerde Joden beklaagden zich en morden, omdat hunne weduwen bij de dagelijkse bedeling der aalmoezen verzuimd werden, als of men voor deze, welke men misschien als vreemdelingen beschouwde, minder bezorgd was dan voor de Hebreeërs. Hetzij dat deze weduwen werkelijk bij de dagelijkse uitdeling veronachtzaamd werden, hetzij dat de na-ijver dat verzuim groter maakte dan het in de daad was, men morde zo luid, dat het gerucht daarvan tot de oren der Apostelen doordrong. Deze wisten, dat ene nieuwe maatschappij veel minder van uitwendige dan van inwendige vijanden te vrezen heeft, en dat zij altijd meer door verdeeldheden dan door vervolgingen benadeeld wordt; zij legden er zich dan ook ernstig op toe, om dat zaad van verdeeldheid aanstonds te verstikken, en wie staat niet verbaasd over het doorzicht der Apostelen, waardoor aan het volk voldoening gegeven, de waardigheid van de heilige bediening des Goddelijke woord bevestigd en de Kerk met ene nieuwe orde van heilige bedienaren verrijkt werd. De Apostelen dan, die niets zo zeer verlangden en wensten als de vrede en de liefde onder de nieuwe gelovigen te behouden en te bevestigen, riepen al de leerlingen in vergadering bijeen en zeiden hun: “Het is niet behoorlijk, dat wij het woord Gods zouden daarlaten en de tafelen bedienen, en ons belasten met de uitdeling der aalmoezen; daarom broeders ziet onder u uit naar zeven mannen, die goede getuigenis hebben, vol van de Heilige Geest en wijsheid, welke wij over dit werk mogen aanstellen. En wij zullen ons geheel tot het gebed en de bediening des woords begeven. Dit voorstel behaagde aan al de menigte.” De volharding in het gebed, de onvermoeide ijver in het verkondigen van Gods woord, zijn de bezigheden en plichten, welke een dienaar van Jezus Christus, de bedienaar der altaren steeds te vervullen heeft. Middelaar tussen God en de mensen, moet hij de Heer hunne behoeften in het gebed gestadig voordragen en aan de gelovigen, door het prediken van des Heren woord, de wil van God bekend maken. Door het woord voedt en versterkt hij zijne broeders, door het gebed voedt en versterkt hij zich zelven. Door het woord bevecht hij de misdaad en dwaling, en door het gebed verkrijgt hij kracht om ze te overwinnen. Het gebed zonder de bediening van het Goddelijk woord, is in ene zielenherder ene trage en onachtzame Godverering, ene hulde die door de Heer veroordeeld wordt, en het woord zonder het gebed is een zwaard zonder snede, is slechts een klinkend metaal. Moet in de plaatsbekleder van Jezus Christus onder de gelovigen ene schitterende Godsvrucht, welke in een oprecht heilig leven zichtbaar is, uitschijnen, die Godsvrucht moet verenigd zijn met wijsheid en voorzichtigheid en daarom zeiden de Apostelen tot ons aller lering: “Wij zullen ons geheel tot het gebed en de bediening des woords begeven.”
Het voorstel der Apostelen moest de gelovigen noodzakelijk welgevallig zijn, want dewijl zij aan de wil der gelovigen de keuze van de personen, die over de uitdeling der aalmoezen te waken hadden, overlieten, is het natuurlijk, dat zij zich met meer tevredenheid onderworpen betoonden aan die mannen, welke zij zelven gekozen hadden. Zij verkozen nu Stephanus, een man onder hen bekend als vol van geloof en van de Heilige Geest, Philippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nicolaus, een aankomeling, dat is een bekeerde Jood uit heidense ouders geboren, die Jood geworden, zich tot het geloof bekeerd had en een Antiochiër was. Na dan deze zeven mannen gekozen te hebben, stelden de gelovigen hen aan de Apostelen voor, want zij wisten wel, dat het dezen toekwam om hunne keuze te bevestigen en aan de verkozenen de macht te geven, welke aan de bediening verbonden was. Nadat dan de Apostelen de keuze der gelovigen goedgekeurd hadden, baden zij over hen en legden hun de handen op, en door deze handoplegging, gevoegd bij het gebed, wijdden zij hen tot de heilige bediening van het diaconaat, welke bediening niet slechts bestond in de zorg over de weduwen en armen, maar insgelijks in het beoefenen der heilige bedieningen aan dat verheven ambt verbonden.
Werd dan bij de aanstelling dezer dienaren, die in het Grieks ‘diakonen’ genoemd worden, hun de zorg over de armen en weduwen toevertrouwd, hun werkkring strekte zich nog wijder uit; zij waren insgelijks dienaren van het Goddelijke woord, zoals wij weldra bij de heilige Stephanus en bij de diaken Philippus, die wij van de Apostel Philippus moeten onderscheiden, zullen opmerken. Wij vinden reeds van het begin der Kerk diakenen en deze werden door de handoplegging der bisschoppen tot het aan het priesterschap ondergeschikt ambt geordend; reeds van de vroegste tijden af, stonden zij in hunne heilige bediening de bisschoppen en priesters bij in de opdracht der Heilige Geheimen en verkondigden het Evangelie, verdeelden onder de gelovigen het van de bisschop of priester geconsacreerde brood en de gezegende kelk, dat is zij reikten onder de gelovigen de Goddelijke Geheimen uit van Jezus Vlees en Bloed. De instelling van het diakenambt geschiedde uit kracht van ene algemene of bijzondere macht, die Jezus Christus zijnen Apostelen had medegedeeld. De heilige Paulus, sprekende van de diakenen, vordert schier dezelfde hoedanigheden van hen, die de bisschop en de priester moet kenmerken. “De diakenen,” zegt de Apostel, “moeten eerlijk zijn, niet dubbel van tong, niet tot veel wijn genegen, geen vuil gewin zoeken, bewarende het geheim des geloofs in een rein geweten, en deze moeten eerst beproefd worden en aldus de bediening aanvaarden, indien zij buiten misdaad zijn…. die maar ene vrouw getrouwd hebben, hunne kinderen wel besturen en insgelijks hunne huisgezinnen, want die wel zullen gediend hebben, zullen ene goede graad voor hen zelven verkrijgen )dat is, zullen tot hogere bediening bewonderd worden) en ene grote vrijmoedigheid verkrijgen in het geloof van Jezus Christus.” De heilige Ignatius, een leerling van de Apostelen, vermaant de gelovigen, dat zij de diakenen als bedienaars der altaren en uitdelers van de Goddelijke Geheimen in ere moeten houden. Het voegt, zegt hij verder, dat de diakenen als bedienaren van de geheimen van Jezus Christus, door ieder met eerbied behandeld worden, want zij zijn gene verzorgers van gewone spijs en drank, maar dienaars der Kerk Gods.
De heilige Stephanus nu was, zoals de heilige Chrysostomus aanmerkt, onder de zeven verkorenen, de eerste in tang en verdienste. En deze uitneming boven de anderen heeft zonder twijfel de heilige Ireneus en anderen na hem aangespoord, om de heilige de hoedanigheid van aartsdiaken, dat is hoofd der diakenen, toe te kennen. De heilige Augustinus zegt van hem, dat hij onder de diakenen de eerste genoemd wordt, zoals de heilige Petrus de eerste onder de Apostelen. Men kent de landstreek en plaats zijner geboorte niet, doch vermoedt, dat toen hij diaken werd en stierf, hij nog zeer jong was, wijl hij in onderscheidene verschijningen als een jongeling gezien is. Men kan evenmin bepalen, of de heilige Stephanus tot de tweeënzeventig leerlingen des Heren behoorde, zoals sommigen willen, of wat aan andere schrijvers waarschijnlijker voorkomt, dat hij bij de eerste preek van de heilige Petrus op de Pinksterdag zou bekeerd zijn. Hij was in zoverre zulks onder de Joden de gewoonte was, in de Heilige Schriften ervaren en kende zeer wel de verklaringen, welke men aan dezelve in de synagogen gewoon was te geven.
Hoe gelukkig zijn wij in dit opzicht boven de heilige Stephanus, want wij hebben aan de voorkomende liefde, waarmee God ons bemind heeft, te danken, dat wij in de schoot der ware Kerk, in het helder licht der waarheid geboren zijn en, om zo te spreken, de zaligende waarheden met de moedermelk ingezogen hebben. Zo gelukkig was de eerste martelaar niet; hij was in de schoot van het Jodendom geboren, dat wil zeggen onder een volk, hetwelk wel is waar van God boven alle andere volkeren door de genade voorkomen is, hetwelk Hij zelf leerde en door heilige mannen, wien hij zijne woorden in de mond legde, leidde, doch juist daarom elk ander volk, helaas, verachtte en dat in de laatste tijdstippen zo diep in duisternis zonk, dat de Jood niet eens de voorspellingen der profeten verstond en in het schuldeloze bloed zijnes uit boosheid miskenden konings, deszelfs misdadige handen waste. Uit zodanig volk nu stamde de heilige Stephanus af en zijn jeugdig verstand was met de bedroevende vooroordelen van dat geslacht gevoed. En Stephanus verlaat de godsdienst zijner voorouders, om de verachte en vervolgde leer der Christenen te omhelzen, die ene aan het vloekhout gestorven Middelaar als hunnen God verheerlijken en aanbidden. Zeggen wij niet Stephanus hoorde uit de mond van mennen, die Jezus de gekruisigde predikten, de Geest des Heren tot zijn hart spreken; hij zag de wonderen, welke de Apostelen wrochtte en moest zich dus wel ten dienste van het geloof gevangen geven. O, hoorden zij, de hoogmoedige priesters, de opgeblazene farizeeën, Schriftgeleerden en duizenden van het volk niet evenzo als hij de Apostelen prediken! zagen ook zij niet met hunne ogen de verbazende wonderwerken, welke de Heer ter bekrachtiging der waarheid, door hen werkte, waarom geloofden zij niet, waarom verstaalden zij hunne harten? Maar de ziel van Stephanus is te groot; zij wilde niet langer onder de boeien der hartstochten smachten; zij verbrijzelt die en zodra hij inzag, dat in de Godsdienst van Jezus alleen zaligheid te vinden is, offert die Jood zijn verstand aan het geloof, al mocht hem zulks ook zijn bloed en leven kosten. Zijne eerste schrede tot de Kerk is dan ene heldendaad en hij, getuige van al de vervolging, welke de Apostelen reeds verduurden, ziet insgelijks het gevaar in, aan hetwelk hij zich bij het omhelzen der waarheid blootstelt. Hij overtuigde zich reeds vroeger van de woede des nijds, die in de harten van de opperpriesters, Schriftgeleerden en oudsten des volks tegen de Apostelen kookt; en hij kan dan ook voorzien wat hij om de naam van Jezus zal te lijden hebben. Stephanus was nauwelijks door het Heilige Sacrament des doopsels in de Kerk van Jezus ingelijfd, of wij zien in hem reeds de ijver eens Apostels; hij gelooft en bemint de waarheid en hij weet, dat hij verplicht is zich voor dezelve op te offeren. Hij had met de andere diakenen de heilige wijding ontvangen, maar meer overvloed van genade, en ofschoon hij als een man reeds vol van geloof en van de Heilige Geest tot die waardigheid verkozen was, de wijding schonk hem nog ene nieuwe volheid van genade en sterkte, welke hij door de genade van het heilig doopsel niet verkrijgen kon. Tot nu toe had men hem geen mirakelen zien doen, maar van dit ogenblik ziet men hem grote tekenen en wonderen onder het volk verrichten, en hij wedijvert met de Apostelen, om evenals zij de afgedwaalden in het huis van Israël op de weg des heils te brengen en diegenen te versterken, welke die weg reeds bewandelden. God opende voor hem, door de genade en volheid van de Heilige Geest, de weg tot het martelaarschap, welke hij weldra bewandelde, als of hij slechts tot de waardigheid van diaken geklommen was om zijn bloed voor Jezus Christus te storten, want de glans zijnen mirakelen wekte de strijd tegen hem op en de ijver, waarmee hij het woord des Heren en de naam van Jezus verkondigde, maakte hem gehaat bij de vijanden van Gods Zoon. De duivel had zich onder de verharden in Israël verborgen, om de waarheid, welke Stephanus verkondigde, te onderdrukken; doch deze wist, dat Jezus zich voor zijnen hemelse Vader zou schamen over degenen, die zich zijnen voor de mensen zouden geschaamd hebben; hij wist, dat in betrekking tot de eer Gods elk Christen een krijgsman zijn moet, en dat, dewijl liefde-betoon de gewichtigste en wezenlijkste plicht is, welke gevorderd wordt, deze zich bovenal met betrekking tot het edelste gedeelte des mensen, tot het bewerken van het heil der ziel moet uitstrekken. Stephanus erkent met een dankbaar hart de redding van zijne ziel naast de genade door de dienst der Apostelen bewerkt, maar van toen af brandde hij van verlangen om zijne nog ongelovige broeders voor Jezus te winnen. Hij verheft dan zijne stem, hij predikt overluid en alom de naam van Jezus de gekruiste, de van de dood verrezen Jezus stromen van hemelse wijsheid vloeien uit zijnen mond, men kon aan de wijsheid en de geest, die door hem sprak, niet weerstaan en Stephanus behaalt op de hel de heerlijkste overwinningen; “want het woord des Heren,” zegt de apostelgeschiedenis, “nam toe; het getal der leerlingen werd zeer vermenigvuldigd.” Weldra woedde de zwarte nijd der Farizeeën en geleerden onder de Joden; van alle zijden vergaderden de valse wijzen en zochten met bedrieglijke redenen de nieuwe onbeschroomde ijveraar voor Jezus naam tot zwijgen te brengen. De Evangelist Lucas verzekert, “dat sommige van de vergadering, tot welke Stephanus sprak, die genoemd worden vrijlingen, aldus genaamd omdat hunne ouders door de Romeinen gevangen en tot slaven gemaakt, in vrijheid gesteld waren, Cyreners, Alexandriners en die van Cylicie in Azië waren, die hunne synagogen te Jeruzalem hadden, opstonden en redetwistten met Stephanus, doch hoe bekwaam en geleerd zij ook schenen, aan de wijsheid en de Geest Gods, die in en door hem sprak, niet konden weerstaan.” Want waartoe is toch de wijsheid naar vlees en bloed in staat, die op ene zo zwakke grondslag gebouwd is, wanneer zij tegen de wijsheid en het woord des Heren optreedt? Ziet, daar staan die geleerden, die valse wijzen voor Stephanus en verstommen; haat, woede, in één woord alle boze hartstochten hebben hun gemoed overmeesterd, hunne leugenachtige mond is gesloten; zij konden aan de wijsheid en de geest, die in hem sprak, niet weerstaan. Stephanus moet evenwel aan hunnen haat ten offer geslacht worden; nu de vijanden der waarheid de waarheid zelve, welke Stephanus verkondigde, niet konden uitroeien, poogden zij de man te doden, die de waarheid predikte; zij namen hunne toevlucht tot ene helse kunstgreep, besloten om hem om hals te brengen, die hunne zielen wenste te redden, hem te verderven, wien zij niet konden overwinnen; zij zochten hem onder een volksoproer te doen omkomen. “Zij ruiden mannen op, valse getuigen, die zeggen zouden, dat zij hem lasterlijke woorden tegen Mozes en God hadden horen spreken, en aldus beroerden zij het volk. Zij, die het meest tegen de heilige diaken woedden, de ouderlingen en Schriftgeleerden, vielen op hem aan, grepen hem en brachten hem in de raad, en zij stelden valse getuigen tegen hem, die zeiden: deze mens houdt niet op woorden te spreken tegen deze heilige plaats en tegen de wet, want wij hebben hem horen zeggen, dat Jezus van Nazareth deze plaats zal te niet doen, en dat Hij de instellingen, die Mozes ons overgeleverd heeft, zal veranderen.” De heilige Stephanus had zeer zeker in de redevoeringen met de Joden gehouden, beweerd en ontegensprekelijk de Goddelijkheid der Godsdienst van Jezus Christus bewezen, en hun voorgedragen, dat de Oude Wet de plaats voor de Nieuwe Wet moest inruimen, omdat de eerste slechts gediend had om de tweede aan te duiden en de harten daartoe voor te bereiden; dat het Evangelie door Jezus Christus verkondigd over de ganse aarde zou verbreid worden en dat men niet alleen in Jeruzalem, maar over de gehele wereld God zou aanbidden en offeranden opdragen; hij had bij deze hoofdpunten waarschijnlijk nog de voorzeggingen herinnerd, die de verwoesting van de heilige stad en de tempel voorspelden, en de verwerping van het ganse volk aankondigden, wanneer het de Zaligmaker bleef verwerpen. Deze herhaalde onderrichtingen, welke de heilige voorgedragen had, zijn zeer zeker de grond geweest van de onderscheidene beschuldigingen, welke men tegen hem aanvoerde.
Satan, zoals de heilige Gregorius van Nyssa terecht aanmerkt, had zijnen zetel in deze raadsvergadering en in de harten van de beschuldigers, van de valse getuigen en van de rechters, welke hij aanhitste om het onschuldig bloed te doen stromen, zonder dat die blinden inzagen, dat de schijnbare overwinning, welke zij op de heilige Stephanus behaalden, aan hunne zaak groot nadeel zou veroorzaken. Terwijl men hem zo zeer beschuldigde, hielden al die in de raad zaten het oog op de geloofsheld gevestigd, om zijne houding op te merken, tijdens hij zich bedreigd zag met de algemene verontwaardiging. Stephanus bleef evenwel te midden van zijne vijanden onverschrokken, behield altijd de vrede en kalmte des gemoeds, dezelfde opgeruimdheid en vrolijkheid van gelaat. De vreugd, waarvan zijn hart doordrongen was, schitterde op zijn gelaat, het licht der Goddelijke genade, welke hem vervulde, fonkelde in zijne ogen, geheel zijne houding was vol majesteit en God, voor wiens eer hij de hel en hare aanhangers bestreed, deed door een mirakel het beminnenswaardige en verrukkende opmerken der gevoelens, welke de getuigenis van een goed geweten, de liefde tot Jezus Christus, het verlangen naar ene bloedige strijd, bij het zien van alle folteringen, welke men hem voorbereidde, in Stephanus uitwerkten. Zij die hem zagen werden vervoerd en door de glans, welke van de martelaar afstraalde, als verblind; zijn aangezicht scheen voor allen glansrijk als het aanschijn van enen engel; zij meenden, dat zij één der hemelse geesten in menselijke gedaante zagen. God had zonder twijfel op het gelaat van de heilige Stephanus deze uitwendige trekken van engelachtig licht en majesteit gedrukt, tenminste door deze uitwendige glans van de schoonheid en onschuld van zijne ziel getuigenis te geven, meer kracht aan de grote waarheden te schenken, welke Stephanus zou voordragen en zijne vijanden met inwendige vrees te bevangen. Die schoonheid en helderheid, dat engelachtig voorkomen, hetwelk zelfs zijne vijanden beschaamde, waren zonder twijfel de beloning van het geloof, de eenvoudigheid en de reinheid van hart en geest van de heilige Stephanus. Dit glansrijk en engelachtig voorkomen, hetwelk hunne harten ontroerde, was dan ook de oorzaak waarom de Joden hem zolang lieten spreken, ofschoon hetgene hij hun zei hunne harten pijnigde; zij waren in de daad, zolang Stephanus sprak, door Gods macht gebonden en de Heer stortte zijnen dienaar de grootste zeggingskracht in, om al wat dienen moest om de glorie van Jezus Christus te verheffen, met aandrang te kunnen voordragen; terwijl de ganse raad onbeweeglijk en verbaasd tot de laatste ogenblikken datgene, wat hen met schaamte en schande moest overladen, aanhoorde. De hogepriester, die in deze vergadering voorzat, vroeg de belijder van Jezus naam – want ofschoon men besloten had Stephanus om te brengen, wilde men evenwel een schijn van recht en billijkheid aan de dag leggen – of hetgene de getuigen, die hem als godslasteraar beschuldigden, zeiden, waar was? Nu hield de martelaar ene vrij uitgebreide en toch zakelijke redevoering, want hij wilde de vijanden des Here de tijd geven van de dwaasheid hunner hartstochten woede in te zien, en trachtte door overtuiging hunne harten te winnen; hij begint met de meeste zachtmoedigheid, hij noemt hen zijne broeders en vaders en poogt hunnen geest minder met hetgene hij geleerd had, dan wel met hetgene Gods Geest door hem spreken zal, te vullen en spreekt met ene vrijmoedigheid, die doet zien, dat vrees voor foltering en dood niet in staat zijn zijn hart te verschrikken, en zo vormt hij van deze vergadering van moordenaren ene school van wijsheid en waarheid.
De heilige diaken betuigde vooraf zijnen eerbied, welke hij aan de aartsvaders toedroeg en hechtte vooral op de vroomheid en Godsdienste onderwerping, waarmee Abraham aan de roepstem Gods gehoorzaamde, die hem gebood om zijn land en maagschap te verlaten; toen sprak hij over de belofte aan dien vader der gelovigen gedaan, zonder dat hij deze noch door de besnijdenis, noch door enig offer, noch door enig plicht betoon der wet verdiend had. Vervolgens wijdde hij uit over de roem van Jozef, door zijne broeders verkocht; van Jozef ging hij tot Mozes over en overtuigde hen, dat men hem ten onrechte beschuldigde van tegen dezen verheven dienaar des Heren gesproken te hebben, doch hij verweet hun, dat zij zelve deze profeet, die door God opgewekt was om hunne vaders uit de Egyptische slavernij in het door de Heer beloofde land over te brengen, tegengestreefd hadden en zelfs, na hunne bevrijding, na getuigen geweest te zijn van de uitstekendste wonderen, geweigerd hadden Mozes te gehoorzamen. De heilige Stephanus herinnerde hen insgelijks met aandrang aan de belofte door Mozes gedaan, dat God hun een profeet gelijk hij was zou zenden, wien zij moesten gehoorzamen en nu mengde hij in zijne rede de overtuigendste bewijzen, waarbij hij hunne gehechtheid aan de afschuwelijkste afgodendienst verweet en dat God, ofschoon zij zich zo schuldig gemaakt hadden, hun evenwel zijne barmhartigheid bewezen had. Daar men hem beschuldigd had, dat hij een vijand van de wet en de heilige plaats, van de tempel was, betuigde hij zijnen eerbied voor deze. Hij zei zeer wel te weten, dat de besnijdenis door God zelf was ingesteld, dat de woorden der wet de Godsspraken inhielden, aan Mozes door de engel bekend gemaakt; dat deze geleider van Gods volk op het bevel des Heren het tabernakel had opgericht, en dat David, die genade bij de Heer gevonden had, gedacht had Hem ene tempel te bouwen, voordat zulks door Salomo ondernomen werd; hij toonde insgelijks uit de profeten, dat God niet alleen woont in de woningen door de handen der mensen gemaakt, als of Hij daarin zou opgesloten zijn en niet wilde, dat zij zich aan ene heilige zaak op ene onheilige wijze zouden hechten. Zo bewees dus de heilige diaken, zonder dat men het wilde opmerken, dat men zich geenszins aan de tempel, noch aan de wet, zonder welke Abraham en de andere profeten geheiligd waren, uitsluitend tegen des Heren wil te binden had, en alle gewelddadige pogingen der Joden de prediking van het Evangelie niet zouden kunnen beletten, omdat de Heer gewoon was zijne oogmerken ten uitvoer te brengen, zelfs dan, wanneer zulks aan de mensen onmogelijk voorkwam.
Toen de moedige diaken zijne rede geëindigd had, zag hij, mogelijk door ene inwendige verlichting des Heilige Geestes, dat zijne leerrede gene uitwerking op hun hart gemaakt had en zij in hunne verblindheid verhard bleven. Nu meende Stephanus hen niet te mogen sparen en sprak hun met de kracht en vrijmoedigheid eens mensen aan, die niets minder dan de dood verwachtte, want de heilige Chrysostomus meent, dat God hem zijnen bloedige strijd veropenbaard had. Uit de gelaatstrekken en de gehele houding van die mannen ziet de heilige leviet, dat hij met wreedaards te doen heeft, wier hart voor de leer der waarheid gesloten was en wie de glans der waarheid tot nieuwe woede vervoerde; als een andere Elias gevoelt hij zijnen ijver ontbranden en zegt: “Gij verharden en onbesnedenen van harte en oren; gij weerstaat altijd de Heilige Geest gelijk uwe vaderen, zo ook gij. Wien van de profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd? zij hebben degenen gedood, die de toekomst des rechtvaardigen verkondigden, wiens verraders en moordenaars gij geworden zijt, gij, die de wet door de beschikking der engelen ontvangen en niet onderhouden hebt.” Ziedaar nu die man, vervuld van de Heilige Geest; hij schijnt in gramschap, maar deze is de gramschap van ene duif, die gene gal bezit, of zeggen wij liever hij is een geneesheer, die slechts bijtende middelen bezigt, om de zieke te zekerder te herstellen. Want de laatste handelwijze van de heilige Stephanus doet zien hoezeer hij diegenen bemint, welke hij door deze woorden vol vuur wenste te treffen en welke de smart van hen in hunnen ellendige staat te zien, hem had doen uitboezemen. De tong roept en berispt, zegt de heilige Augustinus, maar het hart bemint en de ziel denkt aan niets anders, als voor hen barmhartigheid te verwerven.
De Joden intussen verkeerden niet in gramschap, maar in woede en knarsten op de tanden tegen de geloofsheld; zij weigerden om zich ten dienste der waarheid gevangen te geven, want zij verwierpen dat geschenk des hemels; ofschoon het hun werd aangeboden, vonden zij evenwel in de woorden van de heilige Stephanus niets, om hem onder schijn van recht te kunnen doen sterven en daarom moest hij aan hunne woede prijs gegeven worden. De heilige diaken ziet zich te midden van deze razende bende aan zijn lot overgelaten en kan gemakkelijk beseffen wat hem te wachten staat. Maar Jezus, voor wiens naam en eer hij de strijd ondernomen had, verlaat zijnen getrouwe krijgsknecht niet. Daar het de eerste maal is dat voor zijnen naam tot de dood zal gestreden worden en die strijd, om aan alle volgende geloofsverdedigers ten voorbeeld te strekken, volkomen diende te zijn, zo wil Jezus zijnen dienaar genen engel zenden, maar Hij verschijnt zelf in de gedaante, zoals Hij op aarde gewandeld had en zoals Hij gelijk na zijne verrijzenis, ofschoon in een verheerlijkt lichaam, van de mensen kon gezien worden. Hij verschijnt staande en toont in deze stelling, dat Hij als aanvoerder zijner dapperen daar is, om zijn dienaar in de strijd aan te moedigen, bij te staan en hem na de overwinning te kronen. Daar Stephanus de bloeddorstige woede der vijanden van Jezus naam tegen zich zag losbarsten, hief hij zijne ogen ten hemel, van waar hij bijstand en de kroon verwachtte; hij ziet zowel met de ogen des lichaams als des geestes “de glorie Gods, en Jezus staan aan Gods rechterhand,” die hem tot de strijd aanmoedigt. Stephanus ziet Hem alleen, want deze verschijning geschiedt bijzonder ten zijnen gunste; bij dit gezicht, dat hem met troost vervult, roept hij met enige rustige maar krachtige stem: “Ik zie de hemelen open en de Zoon des mensen staan aan de rechterhand Gods.” De heilige getuige noemt Jezus hier Zoon des mensen, geenszins Zoon Gods, wijl hij de Zaligmaker en Heer met gene meer betekenden naam kon aanwijzen; onder deze naam was hij onder allen bekend; Jezus zelf had zich die naam bijzonder toegeëigend. Toen Hij over zijn lijden en dood sprak, zei Hij: “De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen; De Zoon des mensen zal overgeleverd worden om gekruist te worden; De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der zondaren.” En toen Jezus van zijne komst als rechter der wereld gewaagde, zei Hij: “De Zoon des mensen zal in de heerlijkheid des Vaders komen, en dan zal Hij aan ieder vergelden naar zijne werken. Dan zal het teken van de Zoon des mensen in de hemel verschijnen, en zij zullen de Zoon des mensen zien komen in de wolken des hemels met grote kracht en majesteit.” Stephanus bezigt hier deze uitdrukking: “Ik zie de hemelen open en de Zoon des mensen staan aan de rechterhand Gods;” als wilde hij zeggen: ik sta hier voor dezelfde vergadering, voor welke mijn Heer en Zaligmaker gestaan heeft; die Jezus, die nog onlangs tot u voor deze Bloedraad zei: “Van nu af zult gij de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van Gods kracht, en komen op de wolken des hemels.” Gelijk Hij, zo word ik door u als een vijand der wet, als een godslasteraar beschuldigd, omdat ik voor zijnen naam heb gesproken en geijverd; maar Hij, die Zoon des mensen, die Zoon van de levende God, die als een godslasteraar op deze plaats, in deze vergadering ter dood gedoemd is, en die als Zoon des mensen deze schandvlek heeft uitgewist en de dood overwon, leeft thans, is met eer en heerlijkheid gekroond: Hij is aan Gods rechterhand en zal, gelijk hij u gezegd heeft, als rechter der gehele wereld, in zijne volle heerlijkheid verschijnen.. Ziedaar, “Ik zie de hemelen open en de Zoon des mensen staan aan Gods rechterhand.” Doch de Joden, die, toen Jezus Christus zijne heerlijkheid als Zoon des mensen verklaarde, hunne klederen scheurden en uitriepen: Hij heeft God gelasterd en is des doods schuldig, “stopten” nu insgelijks “hunne oren,” als hadden zij andermaal ene godslastering gehoord; want hunne haat en woede maakten hen onbekwaam om datgene, wat hun gezegd en verklaard werd, te zien en te geloven, en staafden in hun persoon de waarheid van het gezegde van de Heilige Geest bij de psalmdichter: “Hunne woede is gelijk die van ene slang, gelijk ene dove adder die hare oren stopt.”
Wijl zij nu gelegenheid vonden om zich, onder voorwendsel van de godsdienst te beschermen, te wreken, schreeuwden zij met luide stem en wierpen zich als bloeddorstige tijgers op de heilige leviet. Stephanus stelde aan hunne woede het geduld, aan hunne bedreigingen grootmoedigheid, aan de vrees des doods de versmading van het tijdelijke leven, aan hunnen haat zijne liefde tot hunne zaligheid tegen, en werd met de grootste verwoedheid uit de stad gedreven, om als een godslasteraar gestenigd te worden. De getuigen, die volgens het voorschrift der wet, allereerst de stenen op de ter dood veroordeelde moesten werpen, legden hunne klederen af aan de voeten van een jongeling, Saules geheten, die weldra zo berucht werd door de vervolging, welke hij aan zijne moeder de Kerk berokkende, en zo beroemd door zijn apostelambt, arbeid en marteldood, welke hij later voor de naam van Jezus onderging. Deze Saulus hield zich dus niet tevreden met enkel tegenwoordig te zijn bij dit bloedvergieten, maar hij stenigde Stephanus, om zo te spreken, door de handen van al diegenen, welker klederen hij bewaarde.
Middelerwijl de grote heilige zo wreed behandeld wordt, volgt hij in bezadigde geest het grote voorbeeld van Jezus Christus en roept Hem, die Zoon der mensen, die hem zijnen luister reeds vooraf had doen zien, met betrouwen aan; staande bidt hij en zegt met krachtvolle stem: “Heer Jezus ontvang mijnen geest!” en smeekt met een heilig betrouwen en verlangen, wijl hij voor Jezus geleefd had en voor de eer van zijnen naam sterft. Stephanus bidt voor zich zelven staande, want hij weet, dat hij ene zaak vraagt, die de martelaren is toegezegd en door hen, wanneer zij getrouw blijven, ook gemakkelijk verkregen wordt; doch nu zal hij ene moeilijke zaak afbidden, de vergiffenis van hen, die hem op ene wrede wijze het leven benemen; hij buigt zijne knieën, omdat hij wist, zegt de heilige Augustinus, hoe bezwaarlijk hij voor dusdanige ondeugende mensen kon verhoord worden. “De tong roept; het hart bemint.” Want daar de Joden door hunnen haat en blinde ijver woedender tegen hem worden, zo wordt insgelijks het vuur der liefde, dat in hem brandt, heviger. “De liefde,” zegt dezelfde heilige, “woedde in hem.” Neen, Stephanus wilde niet, dat een dood, die hij voor zich voordelig en als een waarachtig leven beschouwde, de veroordeling en dood van hen zou bewerken, die hem het leven benamen; hij verheft dus knielende zijne stem en roept: “Heer reken hun deze zonde niet.” De heilige diaken vraagt niet, dat hunne zonde ongestraft blijve, want dan zou hij de Goddelijke rechtvaardigheid bestrijden, maar dat zij deze door boetvaardige werken in hen zelven zouden straffen, als of hij volgens de verklaring, welke de heilige Gregorius van Nyssa aan die woorden geeft bad: “Geef hun, o Heer, ene zaligende vrees, welke uit droefheid voortkomt. Doe hen de zonde, die zij begaan, bewenen, laat niet toe, dat zij in die zondestaat sterven; breng hen door de boetvaardigheid tot de kennis van uwen naam; ontsteek in hunne harten het vuur van de Heilige Geest; door dit middel zal de zonde in hen niet blijven.” Wij zien derhalve welke geest de heilige Stephanus bezielde, waardoor hij steeds poogde om de hardnekkigheid der Joden te overwinnen, en op deze wijze ontneemt hij ons het voorwendsel, hetwelk onze eigenliefde zo zeer eigen is, om ons in het niet vergeven aan onze vijanden te verontschuldigen. Niemand twijfelt, of het krachtige gebed van de heilige martelaar is ten opzichte van enigen verhoord geworden. Saulus hoorde evenals de anderen deze bede en hij spotte er mee; doch de heilige Augustinus verzekert, dat aan gebeden van de heilige de bekering van Saulus is toe te schrijven. “Indien de heilige Stephanus niet aldus gebeden had, zou de Kerk Paulus niet hebben.” “Opdat gij niet zoudt zeggen,” zegt dezelfde Augustinus tot ons allen, “dat het boven uwe macht is de Heer te volgen, die voor u geleden heeft en ons een voorbeeld naliet, opdat gij zijne voetstappen zoudt volgen, zo let op Stephanus uwen mededienaar. Hij was mens gelijk gij. Hij was van zondig deeg gevormd gelijk gij. Hij was door dezelfde prijs verlost gelijk gij.” In dezelfde leerrede toont ons de heilige Augustinus met hoeveel rechtzinnigheid de gelovigen zich aan de voorspraak der heiligen aanbevolen en zich altijd verzekerd gehouden hebben, dat de heiligen, die door en met Jezus Christus in de hemel heersen, onze gebeden, die wij hun opzenden, kennen. “Wij hebben degenen tot prediker van het Evangelie verkregen, die de heilige Stephanus tot steniger had. De heilige Stephanus is dan in diervoege verhoord geworden, dat door zijne gebeden de zonde werd uitgewist, die Saulus had bedreven. Dat wij ons derhalve in zijne gebeden aanbevelen, want hij zal nu nog meer verhoord worden voor degenen, die hem eren, die aldus verhoord is voor degenen die hem stenigden.”
Toen Stephanus zo gebeden had, is hij in de Heer ontslapen. Na de grote getuigenis, welke de martelaar va zijne liefde jegens zijne moordenaars gegeven had, zwijgt hij; hij ontslaapt in de Heer in de rust van zijne liefde en vindt in God de onbegrijpelijke vreugde van ene “hoogste vrede,” wijl hij zijnen vijanden de vrede gewenst en hun zijnen dood vergeven had, terwijl zij zelven niet in de gemoedsgesteltenis verkeerden om vergiffenis wegens hun misdrijf te vragen. Zie dusdanig is de dood, of zeggen wij liever de overwinning, van de grote Stephanus, die het eerste de bloedige voetstappen van Jezus Christus drukte en de eerste de dood geleden heeft, om de naam van Hem, die hem door zijnen dood van de dood verloste. Ontelbare martelaren zullen hem weldra op die weg volgen, maar Stephanus is de eerste; hij staat na Jezus, de Koning der martelaren, aan hun hoofd en is onder deze Koning de hoofdaanvoerder van het onoverwinnelijke heldenleger der bloedgetuigen.
Volgens het algemeen gevoelen stortte de heilige Stephanus zijn bloed bij het eindigen van hetzelfde jaar, waarin Gods Zoon zijn bloed voor de zaligheid der ganse wereld vergoten heeft, het 33e volgens de gewone tijdrekening, en de Heilige Kerk viert tenminste van de vierde eeuw af, zijnen feestdag daags na de geboorteviering des Zaligmakers en de vereniging van deze beide feesten doet ons opmerken, dat de mensen nooit de moed zouden gehad hebben om voor God te sterven, wanneer God geen mens geworden ware om voor hen te sterven.
De overpriesters hielden zich niet tevreden met de Stephanus te doen sterven, maar zij lieten zijn ontzield lichaam onbegraven en ten prooi van de wilde dieren liggen, en inderdaad het bleef een dag en een nacht ter plaatse liggen waar het gestenigd was, zonder dat de wilde dieren of vogels het durfden aan te raken. Omtrent de morgenstond van de tweede dag, voordat de zon doorbrak, zond Gamaliel, dezelfde die de heilige Paulus in de wet onderrichte, enige gelovigen om het lijk op te nemen; dezen brachten het heimelijk in het lusthuis van die Godvruchtige grijsaard, Caphargamala geheten en omtrent zes uren gaans van Jeruzalem gelegen. Daar werd het in het graf van dezelfde Gamaliel eerbiedig neergelegd en men hield zijne uitvaart gedurende veertig dagen. De heilige Hieronymus wil, dat zelfs de Apostelen aan deze treurige plechtigheid deel namen, ten einde ons de eerbied in te prenten, welke wij aan de overblijfselen der heilige martelaren verschuldigd zijn. Het lichaam van de heilige Stephanus bleef geruime tijd verborgen, ofschoon zijn roem en heiligheid op aarde zo onsterfelijk waren, als zijne heerlijkheid in de hemel schittert, en het werd in het jaar 415 op ene wonderdadige wijze teruggevonden, zoals wij op 3 Augustus vermeld hebben.
Op deze wijze begon nu de getuigenis des bloeds, hetwelk gedurende drie volle eeuwen ter grootmaking en uitbreiding der Godsdienst van Jezus stroomde. Welke dierbare en waardige gezanten zijn dan die geloofshelden, die om hunne zending te bewijzen, in de naam van degenen, die hen gezonden had, de dood trotseerden! Welke ontegensprekelijke, onoverwinnelijke getuigen van Jezus naam zijn zij, die zich om hunnen Goddelijke Leermeester laten om hals brengen! Het is waar, er zijn mannen gevonden, onzinnige waanwijzen, die hebben durven beweren, dat de martelaren niets ten gunste van de Katholieke Godsdienst bewijzen, wijl de dwaling zowel als de waarheid hare martelaren heeft; doch even zo goed zou men kunnen aanvoeren, dat de wettige munt gene waarde heeft, wijl men zoveel valse munten ontdekt. Ja, alle sekten hebben hunne martelaars gehad of kunnen die hebben, zowel als de Katholieke Kerk, maar welk een onderscheid is er tussen dezen en genen! Bij het sterven der valse martelaren vindt men de gehele mens in zijnen bedorven natuur en hartstocht; deze worden aangevoerd door blinde geestdrijverij, hoogmoed, ijdele roem, door de haat, welke tegen de waarheid in hunne harten woedt, door machteloze razernij, welke op zijn minst in de geneigdheid en begeerte naar wraak voedsel vindt en tot de laatste snik blijft vervloeken, terwijl de ware bloedgetuigen van Jezus Kerk de invloed des hemels doen blijken, zonder iemand te beledigen, zonder smaadwoord, zonder hoogmoed en zelfliefde, in ene onwrikbare zachtmoedigheid, in woorden van liefde en van vergeving op de lippen, verheffen zij te midden der folteringen hunne bede ten hemel voor hunne beulen, en geven de duidelijkste blijken van standvastigheid zonder haat, van zachtmoedigheid zonder zwakheid, van moed zonder hovaardij. Deze deugden vinden wij alleen bij de ware martelaren en daar waar men die vindt, kan men zeggen; hier is de waarheid; dat men, als men kan, buiten de Katholieke Kerk iets soortgelijks aantoont. Zeggen wij, terwijl wij deze korte maar roemrijke levensgeschiedenis eindigen, dat, wanneer de martelaren genoegzame getuigen zijn om het ongeloof beschaamd te maken, zij insgelijks onze weekheid en lafhartigheid voor Jezus doen blozen.
De heilige Stephanus wordt als Patroon vereerd in de kerken te Hasselt, Borne, Bornebroek, Kolk en Hertme.
27 December
De heilige Johannes (100).
Apostel en Evangelist.
Hoezeer wij naar het ogenblik verlangden, om de geschiedenis van de boven alle anderen beminde leerling van Jezus op te tekenen, gevoelen wij echter diep onze zwakheid, nu wij ons zullen bezig houden met de daden en woorden van de heilige Apostel en Evangelist Johannes te vermelden, die bij uitnemendheid de Apostel der liefde is; want voorwaar, hoe zal men op ene waardige wijze ene zo langdurige levensloop uiteenzetten, zo werkzaam, zo vervuld met wonderen, vol apostolische arbeid en onder vervolgingen doorgebracht! Hoe zal men het geloof, dat nooit wankelde, de hoop, welke door gene treurige gebeurtenis geschokt kon worden en die vlam van liefde, welke de vriend van God, mens geworden, op de borst van Jezus rustende, inademde, kunnen afschetsen? Men is verbaasd wegens de menigte van onvergelijkelijke deugden, die de heilige Johannes waardig maakten, om van de stervende Godmens zijne moeder als een kostbaar onderpand der liefde te ontvangen, deugden, die hem kracht gaven, de oude synagoog te doen wankelen, het geloof voor het heidens Rome te belijden, en hem als de laatste van de twaalf zedelijke veroveraars der ganse wereld en onmeetbare verbreiding van de Godsdienst te doen aanschouwen, en men zou haast durven zeggen, dat de Voorzienigheid de heilige Johannes, boven alle andere Apostelen, een zo langdurig leven geschonken heeft, om met zoveel te meerdere kracht de grote zedelijke omwenteling, welke zij over het gans heelal bewerkte, te bekrachtigen en in de wereld de grondbeginselen van liefde en ootmoed te vestigen.
Wij volgen zoveel mogelijk de berichten door de Heilige Geest in het Evangelie en in de Handelingen der Apostelen opgetekend, want Hij alleen is in staat de bovennatuurlijke gaven, handelingen en vruchten van genade, van welke Hij de oorsprong is, in de pen te geven; vestigen wij vervolgens ons oog op hetgene de kerkelijke geschiedschrijver Eusebius, de heilige Ireneus, de heilige Clemens van Alexandrië, Tertullianus, de heilige Epiphanes, de heilige Chrysostomus, de heilige Hieronymus, de heilige Augustinus en latere kerkelijke schrijvers, van de door Jezus zo beminde leerling opgetekend hebben en wij durven te vertrouwen, dat dit ofschoon uiterst onvolmaakt opstel enig zedelijk voordeel zal aanbrengen.
De heilige Johannes de Evangelist, een Galileeër van geboorte, was de zoon van Zebedeus en Salome, die, zoals sommige schrijvers, doch zonder genoegzame grond menen, ook Maria Salome zou geheten zijn en de zuster, of tenminste de volle nicht van de Moedermaagd was. Boven de lofspraak, welke Origenes in het algemeen aan de Godvruchtige vrouwen, die Jezus Christus volgden, toekent, zegt hij, dat het geloof van Salome, haar heilige levenswandel en de getrouwheid, waarmee zij de Heer volgde, voor haar de gunst verwierven om bij het lijden van Gods Zoon tegenwoordig te zijn met enige andere vrouwen, die Hem uit Galilea gevolgd waren. Zij was ook onder de vrouwen, die het lichaam van Jezus des morgens voor zonsopgang in het graf meenden te zalven en van de engel het bericht ontvingen, dat de Heer verrezen was. De heilige Johannes was insgelijks broeder van de heilige Jakobus, de Meerdere bijgenaamd, om hem de zoon van Alpheus, te onderscheiden. Men gelooft, dat de heilige Johannes en zijn broeder met hunne ouders te Bethsaida aan het meer van Genezareth woonden, en dus stadsgenoten van de heilige Petrus en de heilige Andreas waren. Zij oefenden met dezen hetzelfde beroep uit, waren vissers en meermalen met elkander. De heilige Hieronymus meent, doch zonder genoegzaam bewijs, dat zij van een aanzienlijk geslacht waren, omdat een leerling, die hij geloofde de heilige Johannes te zijn, bij de hogepriester Caïphas bekend was. Het is waar, zij hadden huurlingen in hunnen dienst, en daarom schijnt Origenes hen een weinig boven de heilige Petrus en de heilige Andreas te verheffen, desalniettemin waren zij slechts vissers, die zelve hunne netten verstelden en zoals de heilige Basilius zegt, hun bestaan alleen in hun beroep vonden. Zij waren daarbij ongeleerde en geringe mensen, die zelfs, gelijk Origenes houdt, niet eens konden lezen. De heilige Petrus Chrysologus erkent in hen noch adeldom, noch wetenschap, noch enig tijdelijk vermogen, evenmin als in de heilige Petrus en de heilige Andreas, en de heilige Hilarius zegt van de heilige Johannes, dat hij arm, onbekend en in de wetenschappen onervaren was. Het komt ons volgens de gedachte der Schriftuurverklaarders waarschijnlijk voor, dat de heilige Johannes, reeds voor hij geroepen werd om Jezus te volgen, een leerling van de heilige Johannes de Doper geweest is. De zoon van de Godsdienstige Salome toefde niet, zegt professor Kistemaker, toen Johannes de Doper verscheen, de gezalfde des Heren, de vertrooster van Israëli aan te kondigen, tot de doper te komen en zijn leerling te worden. In zijn Evangelie schrijft hij: “Daags daarna stond Johannes (te weten de doper) weer met twee van zijne leerlingen, en daar hij Jezus zag wandelen, zei hij: zie daar het Lam Gods, en zij volgden Jezus…. Andreas, de broeder van Simon Petrus, was één van die twee.” De heilige Chrysostomus en andere oude en nieuwe uitleggers, twijfelen geenszins of deze tweede was werkelijk de heilige Johannes, de zoon van Salome. Hij was de medeburger van Andreas en Petrus en insgelijks hun metgezel bij de wonderdadige vistocht, waarvan Lucas spreekt. Wij vinden bovendien niet, dat hij in zijn Evangelie ergens zijnen naam noemt en maakt zich daar slechts door omschrijvingen kenbaar. Vernemen wij nu verder, vervolgt die hoogleraar, aan welke genade zij beide deelgenoten werden. “Zij volgden Jezus, en daar Jezus zich omkeerde en zag, dat zij Hem volgden, vroeg Hij hun: Wat zoekt gij? Zij antwoordden Hem: Rabbi (dat is te zeggen Meester), waar woont Gij? Hij zei hun: Komt en ziet het. Zij kwamen en zagen waar Hij zijn verblijf had, en zij bleven die dag bij Hem, het was toch omtrent de tiende uur.” Voordat de heilige Johannes dus van de mens geworden Zoon van God tot het apostelambt geroepen werd, had hij reeds het licht gedeeltelijk onder de heilige sluier gezien, welke de geheiligde ark bedekte en dat de ganse wereld zou verlichten. De woorden, door de heilige voorloper in de woestijn gesproken, hadden hem voor dezen gewonnen, maar nauwelijks had de ware Messias, wiens weg zijn oude meester voorbereidde, zich geopenbaard, of hij stelde zich zonder te aarzelen onder het getal van zijne leerlingen.
Jezus leerde het volk en begon het Evangelie van Gods koninkrijk te verkondigen, tot boetvaardigheid te vermanen en wandelde bij de zee van Generazeth, waar hij beide broeders, te weten Simon, die Petrus genoemd wordt en Andreas zag vissen; Hij riep hen om Hem te volgen en zij gehoorzaamden aan deze stem, lieten hunne netten achter en volgden; en een weinig voortgaande, ziet Hij twee andere broeders, Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus; deze waren met hunnen vader in het schip en verstelden hunne netten; ook dit broederpaar werd door de Goddelijke Leermeester geroepen, en even gehoorzaam aan die stem, verlaten zij hunnen vader, de huurlingen en hunne netten, en volgden Jezus. Gods Zoon dreef te Capharnaum ene onzuivere duivel uit en ging uit de synagoog met Petrus, Andreas, Johannes en diens broeder Jakobus, in het huis waar de schoonmoeder van Simon Petrus door koortsen aangetast ziek lag; de leerlingen, reeds getuigen van de kracht die in Hem was, riepen zijne hulp in voor haar; Jezus, die zich niet tevergeefs liet aanroepen, vatte haar bij de hand, richtte haar op en terstond verliet haar de koorts en zij diende hen.
Ofschoon Johannes bij de eerste roepstem vader, netten en schip verlaten had, om Jezus e volgen, zien wij hem evenwel nog tot zijn vorig beroep terugkeren; de noodzakelijkheid om in hunne behoeften te voorzien, dwong de leerlingen nu en dan in zee te steken en de visvangst te beproeven; doch nu werd hij getuige van de wonderbare visvangst, op bevel van Jezus gedaan, en hij verliet zowel als de anderen schip en netten, en hechtte zich uitsluitend aan de Goddelijke Leermeester.
Jezus had reeds onderscheidene leerlingen, doch koos onder dezen er twaalf uit, die Hij Apostelen noemde, aan wie Hij de macht gaf om zieken te genezen, duivelen uit te drijven, en die de grondslag van zijne Kerk zijn zouden; evenals Hij aan Petrus de naam van “Simon,” welke “steenrots” betekent, gegeven had, zo verkreeg Johannes met zijnen broeders Jakobus die van “Boanerges, zonen des donders.” Waarlijk een veel-betekende naam, waardoor de standvastigheid en grootheid van hun geloof wordt aangeduid en dat zij bestemd waren, om over de ganse aarde Gods majesteit te doen schitteren, om deze niet te zoeken, maar te doen sidderen, ten einde haar aan Jezus Christus te onderwerpen; bestemd om gene menselijke macht te vrezen, maar zich boven deze te verheffen. Deze naam is bijzonder de heilige Johannes toegekend, die inderdaad zich getoond heeft een “zoon des donders” te zijn, toen hij ons door zijne bovenmenselijke woorden, de Godheid van Jezus Christus heeft doen kennen en de bliksemstralen van deze Goddelijke geheimen, welk evenals de wolken voor ons de glans verbergen, doen uitschieten.
Men meent, dat de heilige Johannes de jongste der Apostelen en mogelijk vijf- of zesentwintig jaren oud was, toen hij tot het apostelambt geroepen is; de lange tijd, welke hij nog na de dood van Jezus Christus op aarde doorbracht, doet ons zien, dat hij nog zeer jong moet geweest zijn, toen Hij besloot om Hem te volgen; doch, zoals de heilige Ambrosius aanmerkt, evenaarde hij in verdienste en wijsheid al de anderen, die hem in jaren overtroffen. Zijne zeden maakten hem bij alle mensen eerbiedwaardig en verstrekten hem tot rijpe jaren, en zijne wijsheid als had hij grijze haren. In zijne jeugdige jaren bezat Johannes reeds die reinheid en onbesprokenheid, welke gewoonlijk toegelegd is aan de ouderdom en na ene langdurige beoefening van alle deugden. Jezus droeg hem bijzondere genegenheid toe; Hij beminde hem en bewees hem meer gunsten dan aan de andere Apostelen, zo zelfs, dat de heilige Johannes, van zich zelven sprekende, zich noemde, de leerling die Jezus beminde. De heilige Augustinus meent, dat Jezus Christus hem ene bijzondere liefde toedroeg, om aan de waarheden, die boven alle verstand verheven waren en die Johannes in zijn Evangelie zou voordragen, zoveel te groter gezag bij te zetten. En de heilige Johannes verdiende, om volgens de mens te spreken, deze liefde, of omdat hij Jezus Christus meer beminde, welke grotere liefde evenwel volgens de heilige Augustinus, het voorrecht van de heilige Petrus geweest is, of omdat hij het eeuwige geluk der zaligheid afbeeldde, welke aan de liefde, die Jezus jegens ons heeft, gelijkvormig is, of doordien hij vredelievend, zachtzinnig en ingetogen was, of omdat in hem ene uitstekende liefde tot de reinheid van hart en lichaam woonde, daarbij volgens alle oude en nieuwe schrijvers, welker deugd geen ketter ooit durfde tegen te spreken, van kindsbeen af in de grootste zuiverheid leefde en niemand enig bewijs heeft kunnen aanvoeren, dat hij ooit gehuwd geweest is. Het is waar, de Heilige Schrift zegt wel niet uitdrukkelijk, dat de heilige Johannes in maagdelijke zuiverheid geleefd heeft, maar zij begunstigt die mening, welke door de voornaamste kerkelijke schrijvers verdedigd is, zodat men met grond mag zeggen, dat alle oude en nieuwere schrijvers aan dit gevoelen hechten. De heilige Augustinus houdt de maagdelijke reinheid van de heilige Johannes als een erkend feit, en men maakte daarvan vroeger melding in de prefatie, welke men op zijnen feestdag in de Heilige Mis zong. De heilige Hieronymus bepaalt zich niet bij de doorslaande getuigenis, welke de kerkelijke geschiedenis betrekkelijk de maagdelijke reinheid van de heilige Johannes geeft, maar die heilige zegt, dat juist aan die deugd alle verhevene voorrechten, welke de heilige Apostel van Jezus heeft verkregen, zijn toe te schrijven en hij houdt staande, dat men gene andere rede voor die bijzondere gunst des Heren jegens zijnen boven allen beminde Apostel vinden kan; die deugd, zegt dezelfde schrijver, verwierf hem het grote voorrecht, dat Jezus toen Hij aan het kruis hing, voor Hij zijnen geest gaf, hem zijne moeder vertrouwde; ene moeder, die maagd was, betrouwde hij aan de zorg van ene maagdelijke jongeling. De heilige Ambrosius, de heilige Chrysostomus, de heilige Epiphanius en andere vaders hebben dezelfde opmerking geboekt. Jezus wilde gene andere moeder of zij zou maagd zijn en blijven, Hij wilde, dat zijn voorloper en de door Hem boven alle andere Apostelen begunstigde Johannes de maagdelijke reinheid zouden bewaren en behartigen. Kuisheid is dus de bij Jezus meest bevoorrechte deugd. Gods Geest, die Geest van Jezus zei van hem, dat “Hij weiden gaat onder de leliën. Die de zuiverheid des harten bemint, zal om de bevalligheid zijner lippen de Koning tot vriend hebben;” terwijl in de hemel slechts aan de maagden vergund is het Lam te volgen overal waar het gaat. Vandaar vordert terecht de bruid van Jezus, zijne Kerk, dat de priesters hare dienaren in volmaakte zuiverheid leven, wijl zij dagelijks aan het altaar het maagdelijke lichaam van de Goddelijke Jezus aanraken, offeren en nuttigen.
Daar de heilige Johannes, door Jezus zo zeer bemind, boven de meeste Apostelen aanspraak op de gunsten van zijnen Meester verwierf, verheugde hij zich weldra in de gevolgen van die voorrang. Een zekere overste der Synagoog, Jairus genaamd, begaf zich tot Jezus, viel Hem te voet, aanbad Hem en verzocht dat Hij toch in zijn huis wilde komen, om zijne enige dochter, die omtrent twaalf jaren oud was, ziek en op haar uiterste lag, te genezen. Jezus stond die vader zijn verzoek toe en ging met hem; op de weg kwam iemand de overste der synagoog zeggen: “Uwe dochter is gestorven, doe de Meester gene moeite aan.” Jezus intussen troostte de vader en zei hem van slechts te geloven, goeds moeds te zijn en dat hij zijne dochter behouden zou zien. Aan het huis van Jarius gekomen, wilde Gods Zoon, dat niemand van zijne leerlingen behalve Johannes, deszelfs broeder en Petrus Hem zouden volgen; Johannes nu werd met beide andere Apostelen getuige van ’s Heilands macht over de dood en leven.
Enige tijd daarna riep Jezus zijn twaalf Apostelen bijeen, gaf hun macht en gezag over alle duivelen en om zielen te genezen; en zond Hij hen rond om Gods koninkrijk te prediken en de zieken te genezen; gehoorzaam aan het bevel huns Meesters, gingen zij overal door de dorpen het Evangelie verkondigen en de zieken genezen, zij predikten de boetvaardigheid, dreven vele duivelen uit, zalfden de zieken met olie en genazen die. Toen nu de Apostelen teruggekomen waren, verhaalden zij aan Jezus al wat zij gedaan hadden; Johannes had op zijnen tocht weer een bewijs van zijne gehechtheid aan zijnen Meester willen geven, met iemand, die in de naam van Jezus Christus de duivelen uitgedreven had, zulks te verbieden, wijl hij onder het getal der leerlingen niet behoorde; hij verhaalde die gebeurtenis aan Jezus, die hem daarover, als had hij ene misslag bedreven, geenszins berispte, omdat hij uit ijver en liefde voor zijnen Heer gehandeld had, doch om hem te onderrichten zei Hij hem: “Verbiedt het hem niet, want die niet tegen u is, is voor u,” en daardoor gaf Jezus te kennen, dat men de zwakken nooit moet beletten om het weinige goeds, dat zij kunnen verrichten, te bewerken, onder voorwendsel, dat zij nog niet aan alles, wat men van hen zou willen verlangen, beantwoorden. Hoe vurig dan ook de liefde was, welke de heilige Johannes zijnen Goddelijke Meester toedroeg, wij mogen vrij houden, dat hem voor het lijden van de Zaligmaker, het licht ontbrak, hetwelk deze Goddelijke Meester hem later zo overvloedig toedeelde, hetgeen op meer dan ene plaats bleek, waar wij zien dat Jezus zijnen bovenmatige ijver moest intomen.
Het was slechts een jaar voor zijn lijden, toen Jezus zich met zijne leerlingen in Galilea bevond en hun voorzegde al wat hij te Jeruzalem van de oudsten des volks, de opperpriesters en Schriftgeleerden zou te lijden hebben, dat Hij van dezen zou verworpen en gedood worden, maar dat Hij ten derde dage zou verrijzen; vervolgens zei Hij hun, dat er enigen onder hen waren, die de dood niet zouden smaken, tot dat zij, zoals de heilige Lucas getuigt, het rijk Gods zouden zien, en omtrent acht dagen daarna, de dag dat Jezus dit zei meegerekend, vervulde Hij, volgens het gevoelen van meest alle vaders, deze belofte, en wij zien Johannes met zijnen broeder en de heilige Petrus, afgezonderd van de andere Apostelen bij Jezus op Thabors kruin, getuige zijn van de gedaanteverandering des Heren; hij ziet Hem met glans en heerlijkheid omstraald, zijn aangezicht blinkt als de zon en zijne kleding is wit als sneeuw; de bevoorrechte Apostel ziet Mozes en Elias, die met Jezus van zijnen uitgang spraken, die Hij te Jeruzalem zou voltrekken; hij kon zijne zalige vreugd niet verbergen en Petrus spreekt en zegt in de naam van Johannes en diens broeder Jakobus: “Het is ons goed hier te zijn; indien Gij wilt, laat ons drie tenten maken, ene voor U, ene voor Mozes en ene voor Elias.” O hoe gaarne zou Johannes hier bij Jezus hebben willen blijven; nu hoort hij zowel als de anderen ene stem uit de heldere wolk, die deze bevoorrechte Apostelen overschaduwde, hun toeroepen: “Dit is mijn welbeminde Zoon, in wie ik mijn welbehagen heb, hoort em.” Hij vreest en is ontsteld, valt gelijk de anderen op zijn aangezicht neer, totdat de liefdevolle Jezus, die zijne gewone houding weer aangenomen had, gebiedt dat zij zouden opstaan. Hoezeer moest nu zijne liefde ontvlammen, zijn eerbied aangroeien voor zijnen Heer, voor die Zoon des eeuwige Vaders! Zijn ijver vervoerde hem dan ook weldra, want ofschoon getuige der heerlijkheid van Gods Zoon, bezat hij evenwel nog de geest niet, welke zijn Goddelijke Meester hem wilde inprenten; want toen de dagen, zoals Lukas zegt, “nu voltrokken werden,” dat is ten einde liepen, dat Jezus van hier door zijnen dood, zijne verrijzenis en hemelvaart zou opgenomen worden, stelde Hij zijn gelaat met een vast en onherroepelijk besluit om naar Jeruzalem op te trekken; zijn intrek in een stadje der Samaritanen willende nemen, zond Hij enige van zijne leerlingen om Hem ene plaats te bereiden; de inwoners wilden Hem evenwel niet ontvangen; Johannes werd zowel als zijn broeder Jakobus met ijver, die wraak aanduidde, vervuld en riep over deze onheuse behandeling verontwaardigd uit: “Heer, wilt Gij, dat wij zeggen, dat het vuur van de hemel daalt en hen verslind?” Jezus berispte het broederpaar en zei: “Gij weet niet van wat geest gij zijt; de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen te doden, maar te behouden.” En hierdoor gaf Jezus te kennen, dat de geest der Nieuwe Wet, verre van kwaad te doen aan hen, die weigeren ons goed te doen, allen gebiedt het kwaad met goed te vergelden.
Ofschoon de heilige Johannes reeds zo menigmaal getuige geweest was van de geest van nederigheid en zachtmoedigheid, van zelfverloochening en verachting van al hetgene de aarde aanbiedt, zo was zijn geest evenwel nog niet van alle zucht tot aardse grootheid gezuiverd en hoewel Gods Zoon hen zowel als de andere leerlingen voorzegde, dat de Zoon des mensen aan de opperpriesters, Schriftgeleerden en oudsten zou geleverd worden, dat dezen Hem ter dood verwijzen en de heidenen overleveren zouden, om bespot, gegeseld en gekruist te worden, verstond hij evenwel niets van deze dingen; Johannes, die zich een overwinnend rijk voorstelde, had zijnen Leermeester horen beloven, dat zij, die na alles verlaten te hebben Hem gevolgd waren, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de zetel zijner heerlijkheid zou gezeten zijn, ook op twaalf zetels zittende de twaalf stammen van Israël zouden oordelen, het is alzo waarschijnlijk, dat zijne moeder, op aanzoek van Johannes en zijnen broeder, zich tot Jezus begaf met hare zonen en Hem verzocht: “Zeg, dat deze mijne twee zonen in uw rijk zitten, de ene aan uw rechter- en de andere aan uw linkerhand;” terwijl de beide broeders en bijvoegden: “Vergun, dat wij mogen zitten, de ene aan uwe rechter- en de andere aan uwe linkerhand in uwe heerlijkheid.” Hier zien wij, dat, ofschoon Johannes de door Jezus meest beminde en zijne bevoorrechte leerling was, zijne deugd op verre na niet volmaakt was; daarom voegde Jezus hem en zijnen broeder het antwoord toe: “Gij weet niet wat gij vraagt. Kunt gij de kelk drinken, die ik drinken zal, of gedoopt worden met de doop, met welke ik zal gedoopt worden?” Met de snelheid van de bliksem, die uit de wolken schiet, doen deze kinderen des donders het krachtvolle woord horen: “Wij kunnen.” De gehechtheid en liefde van Johannes tot zijnen Meester verdienen voor hem nieuwe gunsten. De ogenblikken waren genaderd, Jezus zou het laatste Paasfeest der Oude Wet vieren en het nieuwe Pascha instellen, en nu worden Johannes en Petrus naar Jeruzalem gezonden tot degenen, welke de Heer hun aanduidde en bereidden al wat tot de viering van het grote en gedenkwaardige feest nodig was.
Bij het laatste avondmaal, waarbij Jezus Christus aan ons allen het kostbaarste onderpand van zijne liefde heeft nagelaten, schonk Hij de heilige Johannes boven alle Apostelen een blijk van zijne liefde en toonde, dat Hij deze leerling boven de anderen beminde. Jezus liet toe, dat hij met het hoofd op zijne borst rustte. De heilige vaders vinden in dit gunstbetoon, die beminde leerling toegestaan, een bewijs of afbeelding van die geestelijke en onbegrijpelijke mededeling, welke het Goddelijke Woord des Vaders hem van zijn licht doet toekomen, zodat hij, in de schoot van de Godmens vervuld geworden met de schatten der hemelse wijsheid, met de verhevenste waarheden en onderwezen in die geheimen, die in de eeuwige wijsheid des Vaders verborgen waren, in staat gesteld werd deze duidelijker dan de andere Apostelen in zijn Evangelie, in zijn brieven en geheimzinnig openbaringsboek van de wereld voor te dragen. De heilige Johannes vermeldt zelf deze bijzondere gunst van op de borst van Jezus gerust te hebben, want hij vreesde misschien, dat hij zou schijnen de bijzondere kennis der Goddelijke Geheimen zich tot te rekenen en hij wilde geenszins, dat men de wetenschap der Goddelijke kennis aan zijne overwegingen, maar aan de bron, uit welke hij die geput had, zou terug brengen. De heilige Johannes, van de gunst, welke hij boven de anderen genoot sprekende, noemt zijnen naam niet, maar zegt: “Eén van de leerlingen, die Jezus beminde, rustte in zijnen schoot,” en daardoor wilde hij ons zijn geluk en de bron van zijn geluk doen kennen. En voorwaar kan er wel verhevener gunst of geluk bestaan, als een leerling te zijn, die van Jezus zo zeer bemind wordt, dat het hem vergund is op de borst, aan het hart van de Godmens te rusten? Kon er wel groter roem voor die beminde leerling bestaan, dan de vrijheid te mogen hebben om aan alle kerken, tot welke zijn Evangelie gericht is, dat geluk te berichten en voor het aanschijn der aarde zich in de Heer te mogen verheffen? Het is de eerste maal in de Evangelische geschiedenis, dat de heilige Johannes deze verklaring durft af te leggen; trouwens voor hij de gunst genoten had om op de borst van Jezus te rusten, noemt hij zich slechts de zoon van Zebedeus en spreekt van zich zelven als van een gewoon leerling des Heren, maar sedert hij aan deze uitstekende gunst deelachtig geweest is, geeft hij zich vervolgens altijd de hoedanigheid van leerling die Jezus beminde. Hij neemt die titel bij het kruis, hij eigent zich deze toe toen hij na de verrijzenis, bij de wonderdadige visvangst, het eerst Gods Zoon herkende, hij neemt die titel toen Jezus Christus de voorbarige nieuwsgierigheid omtrent het lot van de heilige Johannes in Petrus berispte, maar bij deze laatste gelegenheid houdt hij zich niet slechts tevreden, terwijl hij van zich zelven spreekt, te zeggen dat hij de leerling is die Jezus beminde, maar voegt er aanstonds bij, dat hij die is, die in het laatste avondmaal in zijnen schoot gerust en Hem gezegd had: “Heer wie is het die U verraden zal?” En hierdoor doet hij ons verstaan hoezeer deze onderscheiding hem gestadig in het geheugen kwam, hoe dankbaar hij die steeds bleef herdenken en van welke zegeningen een zodanig gunstbetoon ten zijnen opzichte de bron was. De ootmoedige Johannes zegt geenszins, dat hij meer als de andere Apostelen door Jezus bemind werd, maar hij bepaalt zich met te zeggen: dat hij de leerling is die Jezus beminde. Hij zegt evenmin, dat hij aan de anderen werd voorgetrokken, of dat hij zulks verdiende te zijn; hij loochent niet, dat de anderen evenzeer bemind werden en maakt tussen hen en zich zelven geen vergelijking. Hij verklaart en boekt alleen wat gebeurd is en schrijft alles aan de liefde van Jezus toe; hij klimt op tot de bron van al zijne zaligheid en gaat niet verder; al wat hij weet en waarop hij zich zo zeer beroemt, is, dat hij van zijnen Leermeester en Heer bemind is. De heilige Johannes zelf licht ons in waarom hij van Jezus bemind werd; de liefde van God is de vrijheid zelve. “Laat ons God beminnen,” zegt hij, “naardien God ons het eerst bemind heeft. Hierin bestaat die liefde, niet, dat wij God bemind hadden, maar dat Hij ons eerst bemind heeft.”
Middelerwijl de heilige Johannes op de borst van Jezus rustte, zien wij Gods Zoon in de geest ontroerd en horen deze vreselijke woorden uit zijnen Goddelijke mond: “Voorwaar, voorwaar ik zeg u, dat één van u lieden mij verraden zal.” De Apostelen ontstellen en niet zonder rede, zij zien elkander aan en twijfelen van wie Hij spreekt; bekommerd en bedroefd vragen zij: “Ben ik het Heer?” Johannes evenwel bewaart de kalmte van zijn gemoed; hij deelt geenszins in de vrees der anderen en de heilige Chrysostomus bewondert met rede de gelukkige gerustheid van ziel in de lieveling van Jezus, die, terwijl allen vol vrees waren, in de schoot van Gods Zoon rustte. Zelfs de heilige Petrus, de Vorst der Apostelen, is van dusdanige vrees doordrongen, dat hij zijne ontsteltenis niet kan verduren. Petrus dus, die wellicht tegenover Johannes geplaatst was, zodat de één gemakkelijk de wenken des anderen kon begrijpen, gaf de beminde leerling door tekenen te kennen, dat hij van hunnen Meester zou afvragen, wie toch die ondankbare leerling was. Hij kon de wrede angst, welke zijn hart bestormde, niet verduren en zijnen mede-Apostel in heilige rust op de borst van hunnen Heer ziende en dus in de gelegenheid om dezen zijn hart te openen, verlangde hij dat Johannes naar de persoon des verraders zou onderzoeken. De Apostel die door de Heer boven de anderen begunstigd was, begreep dadelijk de wens van Petrus en zijn liefdevol hart opende zich, om aan het verzoek van het hoofd der apostelschare te beantwoorden; want hij zag zich in de gelegenheid om uit het hart van Jezus de vertroostingen te putten, welke hij aan de anderen wenste mede te delen. Hij nu, die in de schoot des Heren rust, vraagt: “Heer, wie is het? Hoe eenvoudig en vertrouwelijk is deze vraag! zij geeft de gerustheid des gemoeds van de heilige Johannes duidelijk te kennen, hij bereidt zich niet vooraf om op ingeklede wijze die vraag te doen; deze is geenszins op de ontsteltenis van Petrus, noch op de verdienste van degenen, die denzelven voordraagt, maar alleen op de goedheid en liefde van Hem gegrond, die er aan beantwoorden kan. Jezus kende het hart van de leerling die Hij beminde en daarom openbaarde Hij hem de rampzalige, die alle genade verworpen had. “Jezus antwoordde: hij die ik het ingedoopte brood zal toereiken, is het. En het brood ingedoopt hebbende, gaf Hij het aan Judas Simons zoon de Iscarioter.” De gevolgen duidden aan, dat de verrader aan elke ander leerling behalve aan Johannes onbekend bleef, zelfs aan de driftige Petrus, en men moet met de heilige vaders veronderstellen, dat Jezus tot Johannes op zo’n zachte toon gesproken heeft, dat de andere leerlingen niets van het onderhoud begrepen. De rust, welke op het gelaat van de heilige Johannes bleef heersen en die door de heilige Petrus moest opgemerkt worden, diende om die Apostel van ene gemoedskwelling, die hem onverdraaglijk was, te bevrijden, want hij kon uit de houding van de heilige Johannes gemakkelijk vermoeden, dat hij voor zich niets te vrezen had.
Nadat Jezus het gewone paasmaal gehouden en het Heilig Sacrament der liefde ingesteld had, gaf Hij zijnen Apostelen de treffendste onderrichtingen, verliet met hen de stad Jeruzalem, begaf zich naar de Olijfberg en ging met hen in de hof Gethsemane. Daar gekomen, gebood Hij zijnen leerlingen, dat zij Hem aan de ingang zouden afwachten en nam slechts met zich de heilige Johannes, deszelfs broeder Jakobus en de heilige Petrus, die getuigen van zijnen doodstrijd zouden zijn. Deze zelfde Apostelen waren reeds bij twee verschillende gelegenheden boven de anderen begunstigd; zij waren getuigen geweest van de opwekking der dochter van Jairus, getuige van zijne heerlijkheid bij de gedaanteverandering op Thabor en nu is Johannes met de beide anderen verkozen, om getuigen te zijn van zijn lijden en doodsangst, en zo werd dus de heilige Johannes in staat gesteld om door eigen ondervinding te bewijzen, dat degenen, die hij onder de hand van de hemelse Vader vernederd zag, dezelfde is, welke de Vader verheerlijkt en als zijnen enige Zoon erkend had. Toen Jezus door de bende, welke de verrader Judas aanvoerde, gevangen genomen werd, namen alle leerlingen de vlucht, doch de heilige Chrysostomus wil de heilige Johannes er van uitzonderen, omdat hij meent, dat hij de leerling was, die Jezus tot het huis van Caiphas, waar hij bekend was, volgde en Petrus insgelijks binnen leidde; de heilige Cyrillus van Alexandrië is ook van deze mening, maar de heilige Augustinus, ofschoon geneigd om het te geloven, meent dat men zonder vermetel te zijn, zulks niet mag verzekeren, wijl de Heilige Schrift niets zekers daarvan vermeldt. Wij vooronderstellen, dat de heilige Johannes zich na de gevangenneming van Jezus bij de Heilige Moedermaagd begeven heeft, ten einde haar te troosten in de smart, welke zij verduurde over de mishandelingen, waarvan zij haren Goddelijke Zoon, thans in de handen van zijne woedende vijanden overgeleverd, zag blootgesteld; ofschoon de Evangelisten daarvan niets opgetekend hebben, kunnen wij evenwel aannemen, dat de Heilige Maagd toen te Jeruzalem was en zich bij de vrouwen bevond, welke Jezus op zijnen kruisweg volgden, dat zij bij de kruisiging tegenwoordig was en het grote offer zag opdragen. Op enige afstand van het kruis stonden vele vrouwen, die Jezus van Galilea gevolgd waren en Hem dienden, onder deze Maria, de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeus; maar nevens het kruis stonden Maria, de Moeder van Jezus en de zuster van de Heilige Maagd, insgelijks Maria geheten en de vrouw van Cleophas, Maria Magdalena en de heilige Johannes. In de daad het was roemvol voor deze vrouwen, dat zij meerdere getrouwheid, groter dankbaarheid, eerbied en liefde aan Jezus betoonden, dan al de andere Apostelen, waarvan wij evenwel de heilige Johannes uitzonderen. De Heilige Moedermaagd stond daar en werd ondersteund door het geloof, door het voorbeeld van het geduld van haren Zoon, door ene volkomene onderwerping aan de raadsbesluiten van de hemelse Vader, en met haar stond nevens het kruis de heilige Johannes; in de daad de liefde van deze door Jezus beminde leerling moet hem, nadat hij met de andere leerlingen eerst de vlucht genomen had, wel met kloekmoedigheid vervuld hebben; de liefde nu is sterker dan de dood, en hij durfde zich te begeven te midden der vijanden van Gods Zoon, die hunnen haat tegen Hem bot vierden en over hunne schijnbare overwinning op Jezus zich verheugden. Ene krachtige genade moest hem versterken om zich aan de voet van het kruis te vestigen, juist toen het aan allen ene ergernis en voorwerp van bespotting was; de genade, welke deze Apostel door zijne gehechtheid aan Jezus verscheen verdiend te hebben, bande zodanig alle vrees uit zijn hart, dat hij in staat was om alle omstandigheden van het verschrikkelijke lijden van zijnen dierbare Meester te zien, zelfs die omstandigheden, die allermoeilijkst te bepalen waren, zoals bijvoorbeeld de uitvloeiing van bloed en water, welke uit de opening der zijde stroomde, zonder dat deze zelfstandigheden zich vermengden.
Mijn God, wat werkt getrouwe gehechtheid aan Jezus, zuiverheid van lichaam en ziel en onbegrensde liefde uit! Johannes is boven alle andere Apostelen getuige van het lijden en de dood des Verlossers, zelfs van zijne begrafenis, maar hij zal boven al de Apostelen in staat zijn die omstandigheden en de waarheid van de verrijzenis, welke van die van de dood van Jezus afhangt, te kunnen verzekeren, want het was nodig, dat een Apostel, getuige van al deze gebeurtenissen, aan de afgelegenste volken zou kunnen zeggen, dat hetgene hij predikte met zijne ogen gezien en met zijne handen aangeraakt had. “Hetgene wij met onze ogen gezien hebben, hetgene wij beschouwd, en onze handen betast hebben van het woord des levens. Hetgene wij dan gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u.”
De heilige Johannes, door Jezus boven de andere Apostelen bevoorrecht om nevens het kruis getuige te zijn van al de omstandigheden, die de dood van Gods Zoon vergezellen, werd dan geroepen om aan alle ketters van zijnen tijd, die de waarheid de vleeswording zouden bestrijden, en bijgevolg de dood van de Zoon van God loochenen, de mond te stuiten, met te verzekeren, dat hij Hem had zien sterven, dat hij getuige geweest was, dat men Hem met ene lans de zijde geopend en dat Jezus voor de zaligheid der wereld tot de laatste druppel van zijn bloed vergoten had. Johannes was bevoorrecht om te kunnen verzekeren, dat hij, sedert het laatste avondmaal en sedert de doodsangst in de Olijvenhof, alle gebeurtenissen op Calvarie door zich zelven gekend en opgemerkt had, en dat hij niet slechts gelijk Petrus, die de hoedanigheid van “getuige van Christus lijden” aanneemt, het begin van de smarten gezien had, maar zelfs de dood en begrafenis des Heren tegenwoordig geweest was, opdat hij zou kunnen zeggen zoals hij doet: “Die het gezien heeft, geeft er getuigenis van, en zijne getuigenis is waarachtig, en hij weet dat hij waarheid zegt, opdat gij het ook geloven zoudt.” Het is misschien om die rede, omdat Jezus Christus hem tot die verhevene getuigenisgeving geroepen en voorbeschikt had, dat deze leerling, die daarvan het voorrecht en al de waarde kende, zo menigmaal en bijzonder hier zegt, dat hij de leerling is die Jezus beminde. Dit was inderdaad een voorrang, die ene liefde van onderscheiding kenmerkt en welke weldra door ene andere uitstekende gunst gevolgd werd, welke hij nooit had durven verwachten; deze door Jezus zo beminde leerling werd volgens de uiterste wilsbeschikking van de stervende Zoon van God aangesteld, om zijne plaats bij zijne Moeder te vervullen.
“Als Jezus nu zijne Moeder en de leerling die Hij beminde zag staan, zei Hij tot zijne Moeder: Vrouw, ziedaar uwen zoon. Daarna zei Hij tot de leerling: Ziedaar uwe moeder. En van dat uur nam de leerling haar aan voor de zijne.” In zijnen laatste doodsstrijd werpt Jezus nog ene tedere blik op de ondankbare wereld, welke Hij onder het doorstaan van de onbegrijpelijkste smarten vrijkoopt. Hij ziet aan de voet van zijn kruis zijne Moeder en de leerling die Hij bemint; zij stonden zo nabij het kruis, dat zij gemakkelijk de stem van Jezus horen en zijne oogweken onderscheiden konden; stem en ogen waren nog vrij, en deze wil hij nog voor zijne Moeder en voor zijnen door Hem bevoorrechte leerling bezigen; en maakt Hij van de heilige Johannes de eerste van zijne aangenomene broeders, en beveelt aan zijne kinderlijke zorg de nieuwe Eva, die de kop van de helse slang onder haren voet vertrapte. Hoe gelukkig is de heilige Johannes! Kon hem ooit groter gunst ten deel vallen, dan dit laatste geschenk, hetwelk Jezus nog uit te delen had, het laatste waarover Hij nog kon beschikken; aan Jezus, die de aardse goederen veracht, zijn vlees en bloed aan de gelovigen bij testament nagelaten had, wiens klederen de krijgsknechten onder elkander verdeeld hadden, bleef niets meer over dan zijne tedere Moeder en deze schenkt Hij aan de heilige Johannes. De zuivere bruidegom van Maria, de heilige Jozef was overleden, want de Evangelisten melden volstrekt niets meer van hem en daarom scheen nu niemand meer aanspraak op dat geluk van Maria als zoon te mogen verzorgen, te kunnen maken dan de heilige Johannes, want het lijdt geen twijfel of deze beminde leerling van Jezus was maagd, en het voorrecht, de bijzondere gunst, welke Jezus in zijne laatste ogenblikken hem toekent, is daarvan het bewijs en de beloning. Datzelfde voorrecht, waarin de heilige Johannes zich verheugen mocht, is een duidelijk bewijs, dat hij door gene andere band in de wereld gebonden was, als door de band van heilige zuiverheid, zodat hij in staat was om al de plichten van ene maagdelijke zoon omtrent ene moeder die maagd is, te vervullen. En in de daad met wie kon ene maagd zo zuiver, zo rein als Maria, gevoeglijker wonen, dan met een leerling, navolger van hare zuiverheid en die door haren Zoon zelf tot zijnen erfgenaam verkozen was.
Bij deze gelegenheid beelde de heilige Johannes als de jongste onder de Apostelen, diegenen onder de heidenen af, die door het bloed van Jezus Christus kinderen van zijne Kerk zouden worden. Deze grote gebeurtenis mocht dus van de heilige Apostel en Evangelieschrijver, die zich boven de andere Evangelisten toelegt om de geheimzinnige openbaringen op te tekenen, niet vergeten worden, en zij diende en moest opgetekend worden, omdat zij strekte om de eer en de maagdelijke reinheid van haar, die hem door Jezus Christus gegeven werd tot ene moeder, tegen diegenen te beschermen, welke hebben durven verbreiden, dat Maria aan Jozef kinderen geschonken had.
Stelde de heilige Johannes hier onder het kruis de heidenen voor, welke het bloed van Jezus Christus tot kinderen van zijne Kerk zou vormen en schonk Gods Zoon niet slechts aan enkele, maar aan alle mensen zijne genade, zo heeft Hij in dat grote en verheven uur aan allen gezegd en aan allen gedaan, wat Hij zei en deed; tot ons door zijn bloed vrijgekocht zei Hij dus in de heilige Johannes: “Zie uwe moeder,” en van ons zei Hij aan Maria: “Zie uwen zoon.” Johannes was in dat plechtige uur onze plaatsbekleder en Maria werd ons allen tot moeder gegeven. Verdiende Abraham om zijne gehoorzaamheid en lijden, door zijnen zoon Isaak op de berg aan God als slachtoffer op te dragen, de vader der gelovigen te worden, zo werd de Heilige Moedermaagd, terwijl zij op Calvarie lijdt en haren enige Zoon zo heldhaftig de hemelse Vader aanbiedt, de moeder van alle gelovigen, de moeder van alle door het bloed van Gods Zoon vrijgekochte kinderen van Jezus Christus.
Van dat uur nam de leerling haar aan als de zijne en belastte zich om voor de Heilige Maagd als voor ene tedere, aan zijne bescherming aanbevolen moeder te zorgen; hij, die om Jezus Christus alles verlaten had en arm de arme Jezus volgde, ontving nu reeds van Hem, zoals Hij beloofd had, meer dan honderdvoudig terug. Johannes nam de Heilige Maagd overal waar hij ging met zich mee, zoals Jezus hem aanbevolen had, opdat hij, die een Godmens uit ene maagd geboren moest verkondigen, het bewijs van hetgene hij zei bij zich zou hebben. En bij wie kon de Heilige Maagd veiliger wonen dan bij hem, die zij wist de erfgenaam van haren Zoon, een getrouwe bewaarder der zuiverheid, de bezitter der genade te zijn, bij wie Jezus zelf zijne woning had. Wij verwonderen ons derhalve niet, dat de heilige Johannes ons zovele onbegrijpelijke geheimen heeft kunnen veropenbaren; hij, die altijd die schatkamer bij zich had, in welke God, gedurende negen maanden, wat al het hemelse overtrof, had opgesloten gehouden.
De heilige Apostel ziet Jezus aan het kruis voor het leven der wereld de geest geven; hij ziet dat hoofd buigen en de ogen sluiten, in welker glans de engelen zelve zich verheugen, ene lans opent de zijde van het Goddelijke lichaam; de beminde leerling ziet bloed en water vloeien; water dat de zonde der wereld afwast, bloed hetwelk de mens uit de slavernij des duivels vrijkoopt. Johannes helpt dat zo verscheurd lichaam van de Godmens van het kruis afnemen en in het graf neerleggen, en door ene onwrikbare hoop bezield, wacht hij de derde dag, die grote dag der overwinning af, welke de Koning der koningen voorzegd had. Die dag breekt aan; Maria Magdalena en enige andere heilige vrouwen berichtten de leerlingen, dat het lichaam des Heren niet meer in het graf ligt; Petrus en Johannes spoeden zich naar het graf, de beminde Apostel, jeugdiger en vlugger, komt voor Petrus, hij buigt zich om in de duistere grot te zien en verzekert zich van het mirakel van Jonas, van dat mirakel, hetwelk tot een ontegensprekelijk bewijs verstrekt van de door Jezus in zijn bloed gevestigde Godsdienst. Enige dagen na de glorievolle verrijzenis van Gods Zoon, vist Johannes met de andere leerlingen in het meer van Tiberiades, toen één aan hun nog onbekende zich vertoont en hun de vrede wenst; niemand herkent de overwinnaar van de dood en de hel, maar de liefde opent de ogen van de heilige Johannes; hij herkent zijnen Goddelijke Meester; “dat is de Heer!” zegt hij aan Petrus en na aan land gekomen te zijn, spijsden zij met de overwinnaar der wereld, die door zijne eigene kracht de banden des doods verbroken had. Nu horen wij tussen Jezus en zijnen plaatsbekleder op aarde, ene door eenvoudigheid verhevene samenspraak, waarbij Gods Zoon driemaal de vraag herhaalt: “Simon Jonas zoon bemint gij mij?” De bedroefde en ontstelde Apostel beroept zich eindelijk op de wetenschap van zijnen Heer, die harten en nieren doorgrondt en antwoordt Hem: “Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U bemin.” En Petrus ontvangt tot beloning van zijne liefde het opperste gezag en alle macht van Christus over al degenen, die de zaligheid van de wet der liefde verwachten. Vervolgens bericht Jezus hem, dat hij door de marteldood Hem zou verheerlijken; Petrus ziet de leerling die Jezus beminde en die in het avondmaal op zijne borst gerust had volgen; hij hij verlangt insgelijks het lot van die Apostel te kennen en vraagt: “Heer, hoe zal het toch met deze gaan?” De Goddelijke Meester wilde de nieuwsgierigheid van de Vorst der Apostelen breidelen en antwoordt hem: “Zo ik wil, dat hij blijft tot ik kom, wat gaat u dat aan?” Petrus zweeg, maar sommige leerlingen meenden uit die woorden te kunnen afleiden, dat Johannes niet zou sterven; Johannes evenwel verzekert, dat dit de mening van Jezus niet was, daar hij schrijft: “Jezus had hem niet gezegd; hij zal niet sterven, maar, zo ik wil, dat hij blijft tot dat ik kom, wat gaat u dat aan?” alsof Jezus gezegd had, zo ik wil dat hij door gene mensenhanden omkomt, maar op aarde blijft tot dat ik kom, om hem op te roepen, wat gaat u dat aan, “volg gij mij.” En in de daad zulks geschiedde, Petrus, die de kruisdood stierf, volgde zijnen Meester; Johannes dronk wel is waar, zoals de Heer hem voorzegd had, de kelk des lijdens, werd vervolgens op een woest eiland gebannen, maar na ontslagen te zijn, keerde hij naar zijne schapen terug en ontsliep in hoge ouderdom, toen het de Heer, die hem beminde, behaagde om zijnen geliefde leerling tot zich te roepen. Johannes bleef lang op aarde verwijderd van degenen, die hij beminde en die hem lief had, tegenwoordig bij diegenen, die zijn mondeling en schriftelijk onderricht behoefden. Ook hij werd evenzeer, zoals Petrus van zich zelven schrijft: “van weerskanten geperst, verlangen hebbende om ontbonden te worden en met Christus te zijn, hetwelk verre weg het beste is, maar om uwentwil is het nodiger dat ik nog in het lichaam blijf.”
De Heilige Geest was volgens de belofte van Gods Zoon op de Apostelen en vergaderde gelovigen afgedaald, en had hen allen met zijn genadevuur vervuld; op de stem van de heilige Petrus bekeerden zich aanstonds drieduizend Israëlieten; het hoofd der Apostelen en zijn vriend de heilige Johannes waren vol ijver en brandden van ongeduld, om overal de gekruiste, maar van de dood verrezen Jezus te prediken; zij begeven zich, omtrent het negende uur, hetwelk overeenkomt met ons derde uur na de middag, tempelwaarts om te bidden; het was het uur des gebeds, want de leerlingen bleven de vastgestelde regel der synagoog eerbiedigen, tot dat de Nieuwe Wet genoegzaam zou verkondigd zijn. Een arm man nu, die van het lichaam zijner moeder af kreupel was, werd dagelijks aan de poort des tempels, de “schone” genaamd, gebracht en lag daar om van degenen, die kwamen aanbidden, ene aalmoes te verzoeken; zodra hij Petrus en Johannes zag, stak hij zijne hand uit en verzocht van hen enige onderstand, de beide Apostelen vestigden de ogen op deze ongelukkige en door de Heilige Geest bezield, zeiden zij: “Zie ons aan'” de bedelaar, die meende dat hij iets zou ontvangen, zag hen scherp aan; toen zei het hoofd der Apostelen: “Zilver of goud heb ik niet; maar wat ik heb, geef ik u; in de naam van Jezus Christus van Nazareth, sta op en wandel; en hem bij de rechterhand vattende, richtte hij hem op en zijne benen en voeten werden terstond gestijfd; hij sprong op en wandelde en ging met hen in de tempel, wandelende, springende en God lovende.” Allen, die het zagen, werden met verwondering en verbaasdheid vervuld over hetgene die mens gebeurd was, en wijl die man de heilige Petrus en de heilige Johannes vasthield, “liep al het volk met verbaasdheid tot hen in het voorhof van Salomo.” Petrus opende zijnen mond, verkondigde de kracht van Jezus van Nazareth, die zij gekruist hadden, maar door God van de dood was opgewekt; de Apostel vermaande hen vervolgens tot boetvaardigheid, moedigde hen tot bekering aan, opdat hunne zonden mochten uitgewist worden. De hel beefde, stookte de goddeloze priesters en Sadduceeën aan, die zeer misnoegd waren, omdat de Apostelen het volk leerden en in Jezus Christus de verrijzenis der doden verkondigden. Zij sloegen derhalve met de hoofdman des tempels de handen aan Petrus en Johannes en brachten hen in de gevangenis; maar het mirakel en de leerrede van Petrus werkten op de harten van vijfduizend mannen, die gehoor gaven aan de genadestem van de Heilige Geest en zich bekeerden. De hernieuwde herinnering aan de Godsmoord, de stoute verkondiging van de door hen gekruiste, doch van de dood verrezen Jezus, deed de goddelozen beven. Beide Apostelen werden des andere daags in de vergadering gebracht, door de hogepriesters Annas en Caiphas en allen die daar waren uit het priesterlijk geslacht, ondervraagd; Petrus, vervuld met de Heilige Geest, verweet hun hunne boosheid, verkondigde openlijk de kracht van de naam van Jezus van Nazareth, die zij verworpen hadden en verklaarde, dat in niemand anders als in dezelfde Jezus zaligheid te verkrijgen was. Verstomd over de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes en de genezing van de man, die zij voor zich zagen staan, konden zij niets tegenspreken, maar verboden hun scherp voor het volk in de naam van Jezus te spreken of te leren. Daarop zeiden Petrus en Johannes: “Oordeel zelf of het recht is voor Gods aanschijn u meer dan God te gehoorzamen?” want wij kunnen hetgene wij gezien en gehoord hebben “niet zwijgen.” De raad zond beide Apostelen weg, want de Joden vreesden terecht het volk; maar zij waren vast besloten om de Apostelen andermaal gevangen te nemen en hen dan streng te straffen. Aangezien de Apostelen, niettegenstaande de bedreigingen door de raad gedaan, voortgingen de naam van Jezus Christus te verkondigen, werden Petrus, Johannes en de andere Apostelen weer gevangen genomen en gekerkerd; de vijanden van Jezus konden de vrijmoedigheid der Apostelen niet verduren; zij knarsten van woede en beraadslaagden om hen ter dood te brengen. Maar God bezigde het gezag van een Farizeeër, Gamaliel geheten, die bij het volk groot geacht en zoals men met grond denken mag, reeds een geheim leerling was. De raad, ofschoon met de rede van deze Gamaliel instemmende, kon evenwel van zich niet verkrijgen om de Apostelen ongestraft weg te zenden; men liet hen geselen en na hun streng verboden te hebben van in de naam van Jezus te leren, liet men hen weer vrij.
Toen de Joden, na de heilige Stephanus omgebracht te hebben,