Legenda aurea
Proloog
Zie verhef u en begin aan het boek over de legenden der heiligen, die broeder Jacobus van Genua uit de orde der Dominicanen, verzameld heeft.
De ganse tijd der vergankelijke levens wordt in vier delen met onderscheidt gedeeld. De eerste is de tijd van een verdwaald leven, die duurde vanaf het moment dat Adam de eerste zonde beging tot aan de tijd van Mozes. Die periode beschouwt de Christenheid van Septuagesima tot Pasen. Zo leest men dan het eerste boek van Mozes waarin beschreven wordt de val van de mens. De tweede periode was een tijd van vernieuwing of terugroeping, die duurde van Mozes tot de geboorte van onze Heer; want in die dagen werd de mens vernieuwd en tot geloof geroepen door de mond van de profeten. Die periode beschouwt de Christenheid van Advent tot Kerstmis. Zo riep men dan de profeet Jesaja, omdat hij openlijk geschreven had over de Goddelijke terugroeping. De derde periode is een tijd van verzoening, waarin Christus, door zijn verdienstelijke leven en dood, met God zijnen Vader verzoend heeft. Deze periode beschouwt de Christenheid van Pasen tot Pinksteren. Zo leest men dan van de heilige Johannes het boek van de geheime openbaringen, waarin het mysterie van deze verzoening uitvoerig wordt beschreven. De vierde periode is een tijd van pelgrimstocht, de tijd van het huidige leven, waarin wij een pelgrimstocht ondernemen die vol strijd en tegenspoed is. De periode die de Christenheid van het octaaf van Pinksteren tot aan de Advent beschouwt. Zo leest men dan de boeken van de Koningen en Makkabeeën, die documenteren: zo in hun tijd veel lichamelijke strijd is geschied, alzo is er tegenwoordig veel geestelijke aanvechting. We kunnen de periode van Kerstmis tot Septuagesima beschouwen als een tijd die in twee delen is verdeeld; het eerste deel is de tijd van verzoening, een tijd van vreugde, die duurt van Kerstmis tot de achtste dag na Driekoningen; het tweede deel is de tijd van de pelgrimstocht, en is een tijd van droefenis, die duurt van de achtste dag na Driekoningen tot Septuagesima.
Deze vier onderscheiden de geestelijke tijden en worden vergeleken met de vier seizoenen van het natuurlijke jaar, waarbij de eerste de winter vertegenwoordigt, de tweede de lente, de derde de zomer en de vierde de herfst; en de betekenis van deze vergelijking is duidelijk. Een andere gelijkenis heeft betrekking op de delen van de dag, namelijk dat de eerste geestelijke tijd wordt vergeleken met de nacht, de tweede met de ochtend, de derde met de middag en de vierde met de avond.
Hoewel de tijd van dwaling voorafgaat aan de tijd van vernieuwing, begint de Kerk alle vieringen met Advent en niet met Septuagesima. Want ze wil niet aanvangen met de verwarring, en kijkt niet naar de tijdsvolgorde, maar naar de zaak zelf; zo doen de Evangelisten dat ook in hun boeken. Ook wordt met de komst van de Heer alles vernieuwd; daarom heet deze tijd de tijd van vernieuwing. Dit is wat de Heer bedoelt in het boek Openbaring, waar Hij zegt: “Zie, ik vernieuw alle dingen” (Openbaring 21:5). Daarom vernieuwt de Kerk al hare feesten in deze tijd van vernieuwing.
Volgens deze door de Kerk vastgestelde volgorde beginnen we dit boek met de feesten die vallen binnen de tijd van vernieuwing; de Kerk beschouwt deze periode van Advent tot Kerstmis. Vervolgens bespreken we de feesten, die vallen in de periode die deels een tijd van verzoening en deels een tijd van pelgrimage is; de Kerk beschouwt deze periode van Kerstmis tot Septuagesima. Ten derde bespreken we de feesten die vallen in de tijd van verwarring; deze periode beschouwt de Kerk van Septuagesima tot Pasen. Ten vierde bespreken we de feesten die vallen in de tijd van de vervolging; de Kerk beschouwt deze periode van Pasen tot acht dagen na Pinksteren. Ten vijfde bespreken we de feesten die vallen in de tijd van het pelgrimage; de Kerk beschouwt deze periode van het octaaf van Pinksteren tot aan de Advent.
Over de geestelijke Advent en de wederkomst van de Heer.
Dit zijn de vier weken van Advent, die de vier komsten van de Heer symboliseren: de eerste, dat Hij in menselijke gedaante tot ons kwam; de tweede, dat Hij met genade in de harten van de mensen kwam, de derde, dat Hij tot ons is gekomen in de dood, de vierde, dat Hij zal wederkomen bij het Laatste Oordeel. De laatste week van de Advent wordt afgesloten als teken dat de glorie geen einde heeft, waartoe de heiligen op de Laatste Dag zullen komen. Zo heeft ook dat eerste Responsorium de eerste adventsdag, zo men dat Gloria Patri daartoe rekent, vier verzen, waarmee de viervoudige Advent wordt aangeduid; welk vers bij elk Advent hoort, dat kan de oplettende lezer opmerken. Hoewel de betekenis van Advent viervoudig is, denk het Christendom voornamelijk aan deze beiden: de menswording van God en Zijn wederkomst voor het Laatste Oordeel, en zijn ook de kerkelijke ambten van die tijd daarop afgestemd. Daarom is ook het vasten tijdens de adventstijd een vasten van vreugde en verdriet: van de menswording van Christus heet het vasten van vreugde, een vasten van verdriet heet het in afwachting van het Laatste Oordeel. Daarom zongen we vervolgens verschillende vreugdegezangen, vanwege het getoonde erbarmen en de vreugde, sommige lieten we achterwege, vanwege de angst en het verdriet voor het strenge Oordeel.
Van de komst van Christus in het vlees kunnen we drie dingen afleiden: ten eerste gebeurde het op het juiste moment, ten tweede was het noodzakelijk, en ten derde was het van groot nut. Vanuit menselijk perspectief was het het juiste moment; want de mens werd onder de wetten van de natuur snel gewaar, dat hij de kennis van God miste. Hij verviel tot de dwalingen van afgoderij en moest uitroepen: “Heer, verlicht mijn ogen” (Psalm 12:4). Daarna kwam de Wet en legde hem geboden op. Toen besefte hij zijne zwakte. Eerst had hij geroepen: “Is er één die gehoorzaamt, waar is hij die zo beveelt?” Zo riep hij nu: “Het ontbreekt niet aan een gebieder, maar er is niemand die gehoorzaamt.” De Wet had hem weliswaar getuchtigd, maar niet van de zonde bevrijd, en hem niet tot het goede geholpen door genade. Gods Zoon kwam alzo op het juiste moment, daar de mens zijne zwakheid en onwetendheid gewaar werd, want was Hij eerder gekomen, zo had de mens door zijnen verdienste dat heil toegeschreven, en de dankbaarheid voor de Goddelijke genezing vergeten. Ook was het het juiste ogenblik in de geest van de tijd, want er staat geschreven: “Toen de tijd vervuld was” (Galaten 4:4). Daarover schrijft Augustinus: “Velen zeggen: Waarom is Christus niet eerder gekomen? De tijd was nog niet vervuld, naar de wil van Hem, die alle eeuwen doorgrond heeft. Toen de tijd vervuld was, kwam Hij, die ons van de tijd verlost heeft: bevrijd van deze tijd zullen wij de eeuwigheid ingaan, waar geen tijd is. Christus kwam ook op het juiste moment voor de grote wonde en ziekte van het menselijke geslacht. Want de ziekte van de mensen was zo groot, dat hem een grote arts noodzakelijk was. Daarvan spreekt Augustinus: “De grote arts kwam, omdat de de gehele wereld één grote zieke was.” In de hartstochtelijke antifonen, die voor Kerstmis worden gezongen, belijdt de Kerk de overvloed aan haar gebreken, en vraagt zij voor elk daarvan de arts om een heilmiddel. Voor de menswording van Christus waren wij onwetend en blind; daarom hadden wij zijn onderwijzing nodig. Wij waren tot de eeuwige straffen vervallen; daarom hadden we een verlosser nodig. Wij waren slaven van de duivel; en hadden een bevrijder nodig. Wij waren in zondige gewoonten gebonden; zo was het noodzakelijk, dat iemand ons daaruit voerde. Wij tasten in duisternis; en hadden een licht nodig. Wij werden verbannen en verdreven uit ons vaderland; daarom hadden we een redder nodig. Daar wij onverstandig waren en van hem onderwijs moesten ontvangen, zo vingen we in de eerste Antifoon aan: “O wijsheid, die uit de mond van de Allerhoogste is voortgekomen, kom en leer ons de weg der wijsheid.” Maar wat helpt het, wanneer wij onderwijs ontvangen, maar niet losgekocht worden? Daar smeken wij in de tweede antifoon: “O Adonai, gij hertog van Israël, strek uw hand uit en koop ons vrij.” Maar wat helpt het, wanneer wij onderwijs ontvangen en waren losgekocht, zo wij na die verlossing nog steeds in de gevangenis zaten? Daarom smeken wij om vrijheid en roepen in de derde antifoon: “O wortel, sla toe, kom en verlos ons, en wacht niet langer.” Maar wat helpt het, wanneer wij losgekocht en bevrijd waren en nog boeien aan handen en voeten hadden, en nog niet de macht en de vrijheid hadden, om te gaan waarheen wij wilden? Daarom zo smeken wij in het vierde en spreken: O gij sleutel David, kom en leid ons uit het huis des kerkers, daar waar we gevangen zitten in duisternis en de schaduw des doods.” Echter, zij, die zo lang in de kerker verbleven, hebben doffe ogen en kunnen niet helder zien; alzo moeten wij, wanneer wij van de gevangenschap bevrijd zijn, nog verlicht worden, zodat wij de weg kunnen zien. Zo daarom roepen wij in de vijfde antifoon: “Opkomend schijnsel van het eeuwige licht, kom en verlicht hen, die in duisternis en schaduw des doods verkeren.” Echter zo wij nu wijs waren en verlost, van al onze vijanden bevrijd, en verlicht: wat zou ons dat alles tot nut zijn, zonder het heil onzer zielen? Daarom zo smeken wij in het zesde en zevende ons eeuwige heil, zonder welke al dat andere ons niet van nut kan zijn, en spreken: “O Gij Koning der volkeren, kom en red de mensen, die Gij uit aarde hebt geschapen.” “O Emmanuel, kom en bewaar ons, Heer onzer God.” In het eerste smeken wij om de redding der heidenen: O rex gentium; in het tweede om de redding der Joden, aan wie God de wet heeft gegeven: O Emmanuel, rex et legifer nofter.
Over het nut dezer toekomst onzer Heer, schrijven onze heilige leraren met onderscheid vele betekenissen. Onze Heer zelf spreekt in het Evangelie van de heilige Lucas dat Hij gekomen is om zeven soorten weldaden te verrichten, daar Hij aanheft: “De Geest des Heren is op Mij” (Lucas 4:18), en zegt, Hij is gezonden, de armen te troosten, de bedroefden te helen, de gevangenen te bevrijden, de ongeleerden te verlichten, de zondaars te reinigen, alle menselijke geslacht te verlossen, en allen te belonen die het toekomt. Augustinus spreekt van een drievoudig voordeel der toekomst Christus en zegt: “In deze boze wereld is niets anders, dan geboren worden, arbeiden en te sterven: dat zijn de koopwaren van ons land, en omwille van deze waren is God als een koopman tot ons neergedaald. En zoals de koopman geeft wat hij heeft en neemt wat hij niet heeft, zo nam Christus tot zich van de mensen geboren worden, arbeiden en sterven, zoals hier in overvloed aanwezig is, en gaf opnieuw geboren worden, van de dood opstaan en eeuwig heersen.” “Hij is gekomen, de hemelse koopman, om smaad te ontvangen en glorie te schenken, om de dood te ontvangen en eeuwig leven te geven.” Gregorius spreekt over een viervoudig nut en basis voor de toekomst van de Heer, en spreekt: “Allen die van Adam zijn, verlangen naar de genoegens van dit aardse leven, om het onaangename te vermijden, beledigingen te ontvluchten, om eer te zoeken: onze Heer is gekomen, die tegenspoed leed, geluk verwierp, hardheid vreesde, en eer ontvluchtte. Hij is gekomen, de langverwachte, en heeft nieuwe dingen geleerd, wonderen verricht, en pijn geleden.” De heilige Bernardus meent een ander uitdrukking te moeten gebruiken en spreekt: “Wij lijden jammerlijk onder drie grote gebreken: we zijn gemakkelijk te verleiden, zwak in daden en broos in weerstand. Willen wij goed en kwaad onderscheiden zo worden wij gemakkelijk misleid; als we het goede verzoeken te doen, zo worden we zwak; we worden overwonnen als we proberen het kwaad te weerstaan. Alzo kwam onze Heer, dat zijn geloof ons verlicht, zijn genade ons versterkt, zijn kracht ons beschermt.”
Aan de andere toekomst van onze Heer, dat is tot het Laatste Oordeel, zien we duidelijk: wat eraan voorafgaat; en ten tweede: waarvan zij begeleidt wordt.
Drie dingen gaan eraan vooraf: schrikbarende tekenen, de wonderen van de antichrist en de vurige onstuimigheid. Het zijn vijf voortekenen van het Laatste Oordeel. De heilige Lucas schrijft hierover: “Er zullen tekenen zijn aan de zon, aan de maan en aan de sterren, en op aarde zullen de mensen angstig worden vanwege de onrust op zee en het gebulder van de golven (Lucas 21:25). De eerste drie tekenen staan geschreven in het der Openbaringen van Johannes: “De zon zal zwart worden als een haren zak, en de maan wordt geheel als bloed, en de sterren zullen uit de hemel op aarde vallen.” (Openbaring 6:12). Er wordt gezegd dat ‘de zon zwart wordt’ omdat ze het licht laat doven uit rouw om de val des mensen, harer huisvaders; of omdat zij door de andere zon, die daar opkomt, door Jezus Christus, verduisterd wordt; of de verduistering van de zon is beeldend bedoeld, want, zoals Augustinus spreekt, wordt dat Goddelijke oordeel zo streng, dat de zon het gelaat van onze Heer niet durft te aanschouwen. Of, in mystieke zin, dat de zon der gerechtigheid Christus verduisterd zal worden, omdat niemand zich tot een bekentenis durft te wagen. Met ‘hemel’ wordt hier het luchtruim bedoeld, en met ‘sterren’ de vallende sterren, omdat die een gelijkenis met sterren hebben. Zoals men in de volkstaal spreekt ‘er vallen sterren uit de hemel’ wanneer de vallende sterren neerdalen, zo gebruikt de Schrift hier ook de volkstaal. Deze sterrenregen zal op een bepaald moment bijzonder groot zijn, omdat er een overvloed aan vurige materie zal zijn; en de Heer doet dit om zondaars angst aan te jagen. Het mag ook zijn, dat men derhalve spreekt ‘De sterren vallen’ omdat zij hun vurige staarten laten uitdoven. Of, beeldend gesproken, omdat velen, welke sterren in de kerk te fel schitteren, op de Dag des Oordeels zullen vallen. Of ten slotte, omdat de sterren hun licht terugtrekken, zodat men ze niet meer zien kan. Over het vierde teken, de vrees op aarde, staat geschreven in het Evangelie van de heilige Mattheüs: “Er zal een grote verdrukking zijn, zoals er sinds het begin van de wereld niet geweest is.” (Matheus 24:21). Het vijfde teken, de verstoring der wateren, is volgens sommigen de ondergang van de zee, die met groot geraas zal verdwijnen. Daarvan staat in het geheime boek Openbaringen geschreven: “en de zee is er niet meer.” (Openbaring 21:1). Anderen menen, dat het vijfde teken het enorme geluid is, zodat de zee met veel gedonder en lawaai, veertig ellen boven alle bergen uitstijgt en vervolgens weer terugvalt. Volgens Gregorius zou de betekenis van het woord zijn: “Er zal een nieuwe en ongekende verwarring op zee en harer stromen ontstaan.
De heilige Hieronymus vond vijftien tekenen van het Laatste Oordeel in de Annales Hebraeorum; hij vermeldt echter niet of deze tekenen elkaar snel zullen opvolgen of dat er tijd tussen zal zitten.
Op de eerste dag zal de zee tot veertig ellen hoog boven alle bergen uitstijgen, en in het dal zal op die plek een muur verrijzen.
Op de tweede dag trekt de zee zich zo ver terug dat ze nauwelijks nog te zien is.
Op de derde dag komen de wonderen van de zee tevoorschijn en laten zich zien, en brullen richting de hemel. Hun stem verstaat niemand behalve God.
Op de vierde dag verbrandt de zee en alle water.
Op de vijfde dag geven alle bomen en kruiden bloedrode dauw af. Men zegt ook, dat dan alle vogels die vliegen zich op dat aardrijk zullen verzamelen, ieder volgens zijn eigen orde, en zij eten noch drinken uit vrees voor het oordeel van de strenge rechter.
Op de zesde dag storten alle steden en alles wat gebouwd is in, en felle bliksemflitsen schieten van zonsondergang tot zonsopgang over de hemel.
Op de zevende dag alzo sloegen de stenen tegen elkander aan, zodat ze braken, en splitsten zich elk in vier delen en schuurden tegen elkander aan. Dat geluid kent niemand dan alleen God.
Op de achtste dag zal er een zware aardbeving plaatsvinden, zo hevig dat alle mensen en dieren op de grond zullen vallen waarbij niemand meer zal kunnen staan.
Op de negende dag wordt de hele aarde vlak, en veranderen alle bergen en heuvels in stof.
Op de tiende verlieten de mensen de grotten waar ze naartoe waren gevlucht, alsof ze buiten zinnen waren, en konden elkander niet aanspreken.
Op de elfde dag verrijzen de beenderen van de doden en staan boven de graven. En alle graven staan open van zonsopgang tot zonsondergang, zodat de doden naar buiten kunnen gaan.
Op de twaalfde dag vallen de sterren uit de hemel, en alle planeten en vaste sterren werpen vurige staarten uit; en wederom valt er een regen van vuur. Ook zegt men, dat op deze dag alle dieren in de velden zich onder luid gebulder verzamelen en niet eten of drinken.
Op de dertiende dag sterven de levenden, opdat zij met de doden zullen opstaan.
Op de veertiende dag zullen hemel en aarde verbranden.
Op de vijftiende dag zal er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, en zullen alle mensen opstaan.
Het andere, wat aan het Laatste Oordeel voorafgaat, is de misleiding van de antichrist. Hier merken we vier manieren op waarop de antichrist de mensen bedriegt.
Dat eerste is de valse raad en leer die hij de mensen zal geven, en de valse uitleg der Schrift, wanneer hij spreekt en uit de Schrift wil bewijzen dat hij de ware Messias is, die ons beloofd is in de wet; en hij zal de leer van Christus omkeren en zijn eigen leer vestigen. Daarvan spreekt David in de Psalm “Heer gij werpt ene schemering over hen, die hun een andere wet geeft” (Psalm 9:21) en de kanttekening getuigt getuigt: “Dat is de antichrist, de gever van de verachtelijke wet.” En Daniël zegt hierover: “Zij zullen het heiligdom ontheiligen en een gruwel der verwoesting oprichten.” (Daniël 11:31). Daarover in de aantekening: “De antichrist zal in de tempel Gods zitten als een God, om het volk des Heren te vernietigen.”
Het tweede zijn de valse tekenen en wonderen, die hij zal verrichten. Daarover staat geschreven in de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen: “De toekomst zal plaatsvinden onder invloed van Satan, met allerlei leugenachtige krachten, tekenen en wonderen.” (II Thessalonicenzen 2:9) en in de geheime Openbaringen: “En hij doet grote tekenen, zodat hij zelfs vuur uit de hemel laat neervallen voor de mensen” (Openbaringen 13:13). Daarover in de aantekening: “Zoals de Heilige Geest aan de Apostelen werd gegeven in de vorm van vuur, zo zal Hij de boze geest geven in vuur.”
Het derde zijn de grote geschenken die hij zijnen nooddruftigen schenkt. Daarvan spreekt Daniël: “Hij zal de zijnen grote macht geven en het land onder hen verdelen” (Daniël 11:39) en de aantekening hierover: “De antichrist zal aan de bedrogenen geschenken geven en de aarde onder zijn heir verdelen. Want welke hij niet met geweld kan bedwingen, die zal hij door hun hebzucht voor zich winnen.
De vierde is de grote pijn die hij de mensen zal aandoen. “Hij zal alle dingen vernietigen, meer dan voor te stellen is,” zegt Daniël (Daniël 8:24). En Gregorius zegt: “Hij doodt de sterken, want hij neemt het lichaam weg van hen die onoverwinnelijk zijn in de geest.”
Het laatste dat aan het Oordeel voorafgaat, is de onstuimigheid van het vuur, dat voor het aangezicht van de Rechter gaat. God zendt dit in de eerste plaats om de wereld te vernieuwen, want het zal alle elementen zuiveren en nieuw maken; en net als bij de grote zondvloed stijgt het water hoog op, vijftien el boven alle bergen, “zo hoog als het mensenwerk ooit is gekomen.” Dat lezen wij in de Historia scholastica. Anderzijds vindt de Heer het nodig om de mensen te louteren: want er zal een vagevuur komen voor degenen die nog leven. Ten derde stuurt hij het, zodat het een grotere kwelling is voor de verdoemden. Ten vierde, dat het dient tot glorie van de heiligen: want wanneer de wereld gezuiverd is, zal God de glans van het vuur en de hitte scheiden: de gloed zal hij naar de plaats van de verdoemenis sturen, tot kwelling van de bozen, de glans naar de woning van de zaligen, opdat hun vreugde zich vermeerdert. Dat schrijft Basilius.
Hierna volgt het Laatste Oordeel. Dat gaat gepaard met allerlei zaken. Het eerste is het oordeel van de Rechter. Het zal geschieden in het dal van Josafat, daar zal de Rechter verschijnen om te oordelen over de goddelozen en de rechtvaardigen; en Hij zal op een hoogte zitten, zodat iedereen Hem kan zien. Ze zullen niet allen in dit kleine dal komen; om dat te denken zou kinderachtig zijn, zegt Hieronymus; maar overal in de omliggende oorden. Toch kunnen op een klein stukje grond talloze mensen staan, vooral als ze dicht op elkaar staan; en als het nodig is, zullen de uitverkorenen in de lucht zweven, door de lichtheid van hun lichamen, echter ook de verdoemden zullen dat kunnen, wanneer God het wil. Dan zal de Heer tot de onrechtvaardigen spreken en hen vragen naar de werken van barmhartigheid, die zij niet gedaan hebben. Zo zullen ze allemaal over zichzelf wenen. Daarover spreekt Chrysostomus tot het evangelie van Mattheüs: ‘De Joden wenen, wanneer ze Hem levend aanschouwen en leven gevende, terwijl ze Hem dood achtten aan het kruis, en ze kunnen hun zonden niet verbergen wanneer ze de open wonden van onze Heer zien. De heidenen wenen, want zij zien de waarheid die zij niet wilden geloven, bedrogen door de woorden van hun wereldse wijzen: want zij beschouwden het als een dwaasheid om in een gekruisigde God te geloven. De zondaars onder de Christenen wenen over zichzelf, omdat zij de wereld meer liefhadden dan God en Christus. De ketters wenen, omdat ze dachten dat hij alleen een menselijk wezen was, die nu de Goddelijke kroon draagt. Alle mensen wenen, omdat ze geen kracht voelen om hem te weerstaan, en er geen manier is om voor zijn aangezicht te vluchten, noch een plaats om boete te doen, noch een kans om zich te verbeteren. Niets blijft hen in deze benarde situatie over dan te treuren.
Het tweede is het onderscheid onder de veroordeelden. Want wanneer Gregorius zegt: Bij het Laatste Oordeel zullen er vier te onderscheiden zijn, twee onder de slechten en twee onder de goeden. Een deel van de slechten wordt met het Oordeel verdoemd; tot hen zegt onze Heer: “Jullie hebben mij honger laten lijden en mij niet te eten gegeven.” De anderen worden zonder oordeel veroordeeld, dat zijn de ongelovigen; van hen staat geschreven: “Wie niet gelooft, is veroordeelt in zijn ongeloof.” Want zij zijn niet waardig om de woorden van het oordeel te horen, die de woorden van het geloof veracht hebben. Anderen worden geoordeeld en zullen het koninkrijk der hemelen beërven: tot hen zal hij zeggen: “Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven.” Weer anderen zullen zelf oordelen en zullen het koninkrijk bezitten, als volmaakte mensen die over anderen mogen oordelen. Niet dat zij dat oordeel uitspreken: dat doet alleen de Rechter. Maar zij staan hem ter zijde, wanneer hij oordeelt. Dat geschiedt tot hunner ere; want het is een grote eer om met de Rechter in het Gerecht te zitten, zoals de Heer hun heeft beloofd (Mattheüs 19:28). “Zo zullen ook jullie op stoelen zitten om te oordelen.” Het geschiedt ter bevestiging van het oordeel; zij zullen dat oordeel van de Rechter bevestigen, zoals assessoren dat doen, en het ondertekenen. Daarvan spreekt de psalm: “Dat zij hun doen het geschrevene Recht.” (Psalm 149:9). Het geschiedt ook tot verdoemenis der bozen, die door hun heilige leven veroordeeld worden.
Het derde is, dat de tekenen van het lijden van onze Heer verschijnen, het kruis, de nagels en de wondtekens op zijn lichaam. Zij zijn de zichtbare tekenen van zijn overwinning en zullen in grote glorie verschijnen. Daarvan spreekt Chrysostomus over Mattheüs “Het kruis en de wondtekens schijnen helderder dan de zon.” “Zie hoe groot de kracht van het kruis is, de zon wordt donker en de maan verliest haar schijnsel, want het schijnt heerlijker dan de zon en de maan.” De rechtvaardigen zullen aan deze tekenen van lijden herkennen, dat zij door de barmhartigheid van onze Heer worden verlost. Ook zal dat oordeel tegen de bozen worden bekrachtigd, want zij zullen erkennen dat zij terecht veroordeeld zijn, omdat zij het grote lijden van de Heer aan zich hebben laten verloren gaan. Hij zal tot hen spreken, zoals Chrysostomus schrijft tot het evangelie van Mattheüs: “Ik ben om uwentwille mens geworden, gebonden, geslagen, bespot, gekruisigd: waar is de vrucht van dit lijden? Waar is de beloning voor dat bloed dat ik heb vergoten voor de verlossing van uwer zielen? Waar is de dienst die jullie mij daarvoor hebben bewezen? Ik heb jullie geëerd boven mijzelf, omdat ik als God een mens ben geworden; jullie hebben mij onteerd door de boze dingen in de wereld meer lief te hebben dan mij; want jullie hebben het slechtste van deze wereld meer liefgehad dan mijn geloof en mijn gerechtigheid.
Het vierde is de strengheid van de Rechter. Geen enkele vrees dwingt hem, want hij is almachtig. Chrysostomus zegt: “er is geen kracht die hem kan weerstaan, noch kan men voor zijn aangezicht vluchten.” Geen geld of goed kan hem winnen, want zijn rijkdom is onmetelijk. Daarvan spreekt de heilige Bernard: ‘Wanneer hij komt, zullen op die dag oprechte harten nuttiger zijn dan kundige woorden, en een goed geweten aangenamer dan een zak vol penningen; want de Rechter laat zich niet misleiden door woorden, noch overwinnen door geschenken”. En Augustinus zegt: “Op het Laatste Oordeel zal er een Rechter zijn, zonder aanzien des persoons, waar men geen gunst met goud noch zilver, noch bisschop, noch abt, noch graaf kan winnen.” Niemand kan wat tegen hem inbrengen, want hij is goed. Daarover staat in het Boek der Wijsheid geschreven: “Gij haat niet wat Gij geschapen hebt (Boek der Wijsheid. 11:25). Geen liefde dwingt hem, want hij is rechtvaardig en daarom zal hij de valse christenen, zijnen broeders, niets vergeven. Daarover staat in de psalm “De broeder helpt niet (Psalm 48:8). Hij dwaalt niet, want hij is de hoogste wijsheid. Paus Leo zegt: “Dit is de kunst van de opperste Rechter, dit is zijn verschrikkelijke aangezicht; het gaat door alle sloten heen, alle geheimen zijn voor hem openbaar; daar wordt de duisternis licht, wat stom is antwoordt, en de gedachten van de mens spreken zonder stem. En daarom, dat deze wijsheid zo groot is, dat zij niet kan worden weerlegd door de tegenstanders, noch door het bedrog der wereldwijzen, noch door de slimme woorden van de sprekers, noch door de sluwheid der listigen.” De heilige Hieronymus zegt: “Zaliger zijn de stommen op die dag dan de praatgrage, zaliger zijn de herders dan de wereldwijzen, de boeren dan de kunstenaars, en eenvoud zal beter zijn dan de spitsvondigheid van Cicero”.
De vijfde is de vreselijke aanklacht. Want er zullen drie aanklagers opstaan tegen de zondaar. Dat is de boze geest. Daarover spreekt de heilige Augustinus: “Op dit moment is de duivel aanwezig en herhaalt de woorden van onze biecht, en herinnert de mens aan alles wat hij heeft gedaan, op welke plaats en op welk uur, en aan al het goede dat we in die tijd hadden moeten volbrengen. Want hij zal zeggen: “Heer, rechtvaardige Rechter, oordeel dat deze de mijne wordt vanwege zijne zonde, die niet de Uwe wilde zijn om genade; hij is van U van nature, van mij vanwege zijn zonden; van U vanwege Uw lijden, van mij om mijnen raad; U was hij ongehoorzaam, mij heeft hij gevolgd; van U heeft hij het kleed van onsterfelijkheid ontvangen, van mij de wollen rok van het tijdelijke leven; Uw kleed heeft hij verloren in het mijne staat hij hier openlijk: daarom zo vorder ik deze mens, dat hij de mijne zij en met mij lijdt de eeuwige pijn. Zal hij zijn mond kunnen openen, die alzo geoordeeld wordt aan de duivel gelijk?” De tweede aanklager is de eigen zonde van de mens; want eigene zonden zullen elk één aanklagen. Daarvan staat geschreven in het boek der wijsheid: “Ze komen vol angst tot inkeer over hun zonden, en al hun zonden staan als aanklagers tegen hen op.” (Boek der Wijsheid 4:20). De heilige Bernard zegt: “Dan zullen de werken alle tegelijk tegen de zondaar spreken: wij zijn uw werken, u hebt ons gemaakt, wij zullen u niet verlaten, wij willen altijd bij u zijn en bij u staan voor het gerecht. En zij zullen hem beschuldigen van talloze misdaden.”.
De derde aanklager is de wereld zelf. Daarover spreekt Gregorius: “Vraag je af wie je zal aanklagen? Ik zal het je vertellen: de gehele wereld. Want met de Schepper werd al het geschapene door jou beledigd.” En Chrysostomus spreekt over Mattheus: “Op die dag zullen we niets kunnen antwoorden, want hemel en aarde, zon en maan, dag en nacht, en de hele wereld zullen getuigen tegen de zondaar; en zelfs als al dezen zouden zwijgen, zouden onze gedachten en onze werken nog tegen ons getuigen en ons aanklagen.”
Het zesde is dat onmiskenbare bewijs. Want er zijn drie getuigen tegen de mens: de ene is boven hem, de andere is in hem, de derde is naast hem. De eerste getuige is God. Jeremia zegt hierover: “Ik ben rechter en getuige, zegt de Heer.” (Jeremia 29:23). De tweede getuige is ons geweten. De heilige Augustinus zegt hierover: “vreest gij de toekomstige Rechter, zo straf uw huidige geweten; want het getuigenis van uw geweten is een oordeel over uw daden.” De derde getuige is de engel, die ons ter bescherming gegeven is; hij weet alles wat we gedaan hebben, en treedt op als getuige tegen ons. Job spreekt daarover: “De hemelen, dat zijn de engelen, openbaren de zonden der mensen.” (Job 20:27).
Het zevende is de angst van de zondaar voor dit alles. Daarover spreekt de heilige Gregorius: “O, hoe smal worden de wegen van de zondaar! Zo staat hij voor de toornige Rechter, onder hem de gapende hellekloof, rechts de aanklagende zonde, links de duivels die hem tot de pijn willen slepen, inwendig het knagende geweten, en uitwendig om hem heen de brandende wereld. Waar vlucht de arme zondaar heen, nu hij zo omsingeld is? Het is onmogelijk dat hij zich kan verbergen en het is ondraaglijk voor hem dat hij zich moet laten zien.”
Het achtste is het oordeel; en dat is onherroepelijk. Want de uitspraak van de Rechter kan nooit meer worden herroepen, noch is er beroep tegen mogelijk. Want ook het aardse recht duldt geen beroep in drie gevallen: Ten eerste, wanneer de rechter te machtig is; zo kan men geen beroep aantekenen tegen het oordeel van een koning in zijn rijk, aangezien niemand boven hem staat; zo is er geen beroep mogelijk tegen de keizer en tegen de paus. Ten tweede, wanneer de misdaad openbaar is. En ten derde, wanneer de zaak niet kan worden uitgesteld; omdat uitstel nadelig zou kunnen zijn voor de zaak. Omwille van deze drie oorzaken zal er ook bij het Laatste Oordeel niet in beroep worden gegaan. Ten eerste vanwege de grootsheid van de Rechter; want deze Rechter heeft niemand boven zich, maar overtreft alle anderen in eeuwigheid, waardigheid en macht. Van de keizer of de paus zou men nog naar God kunnen gaan met zijn klacht, maar van God naar niemand, want hij heft niemand boven zich. Ten tweede vanwege de openbaarheid van de misdaad. Want alle boosaardigheid en misdaden zullen dan openbaar worden. Daarover zegt de heilige Hieronymus: “Er zal een dag komen waarop alle onrechtvaardige daden openbaar zullen worden gemaakt en getoond, als ware ze op ene plaat geschilderd.” Ten derde vanwege de onuitstelbaarheid van de zaak; want wat daar geschiedt, kan nooit worden uitgesteld. Alles geschiedt in een ogenblik.
Over de heilige Andreas de Apostel.
Andreas is vertaald mooi; of antwoordend; of mannelijk, van andros, dat is: man. Of Andreas is zoveel als antropos, mens, en komt van ana, omhoog, en tropos, ommekeer: iemand die zich naar de hemel en het Goddelijke keerde en zich naar zijn Schepper richtte. Mooi was hij in zijn leven; antwoordend in wijze leer; mannelijk in lijden; een mens in zijn glorie.
Zijn martelaarschap is ons beschreven door de presbyters en diakenen van Achaia of van Azië, zoals zij met eigen ogen hadden gezien.
Andreas en een aantal andere discipelen zijn driemaal door onze Heer geroepen. De eerste keer dat Hij hen geroepen had tot Zijner erkentenis, was de dag dat Andreas en een andere leerling van Johannes (de Doper) de woorden van zijn meester hoorden: “Zie, dit is het Lam Gods, die de zonden van de wereld draagt.” Toen kwamen Andreas en de andere discipel en zagen waar Jezus woonde, en bleven die dag bij hem; en toen Andreas zijn broeder Simon stuurde, bracht hij hem ook daarheen. De volgende dag keerden ze terug van onze Heer en voeren weer uit om op zee te gaan vissen. De tweede keer riep hij hen tot Zijn vriendschap, toen het volk zich om Hem heen verdrong aan het Meer van Genezareth, dat ook wel het Meer van Galilea wordt genoemd; daar trad Hij in dat schip van Andreas en Simon en liet hen de wonderbaarlijke visvangst doen; en daarna riep hij ook Jakobus en Johannes, die in het andere schip zaten; alzo volgden zij Hem; maar niet lang daarna keerden zij weer van Hem terug. Daarna riep hij hen voor de laatste keer op om Hem te volgen, toen hij langs de oever va dezelfde zee (of meer) liep waar zij aan het vissen waren, en sprak: “Volg Mij, Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.” Toen lieten ze alles achter, en volgden hem en bleven voortaan bij Hem. De Heer riep ook Andreas, omdat Hij hem samen met enkele andere discipelen tot Apostel riep. Daarover zegt Marcus: “Hij riep tot zich, welke hij wilde, en zij kwamen tot Hem, en Hij stelde de twaalf aan, dat zij bij Hem zouden zijn en dat Hij hen uitzond om te prediken” (Marcus 3:13).
Toen onze Heer naar de hemel was opgestegen, verspreidden de discipelen zich over de gehele wereld, en de heilige Andreas kwam in het land Scythia en de heilige Mattheüs predikte in het land Murgundia of Mirmidona. Maar het volk verachtte de preek van de heilige Mattheüs en staken hem de ogen uit, wierpen hem gebonden in een kerker en waren van plan hem na enkele dagen te doden. In die tijd verscheen de engel des Heren aan Andreas en gaf hem de opdracht om naar Murgundia te gaan, naar de heilige Mattheüs. De heilige Andreas zei dat hij de weg niet wist. Toen gaf de engel hem de opdracht naar de kust te gaan en aan boord te gaan van het eerste schip dat hij daar tegenkwam. Andreas deed wat de engel hem had opgedragen, en onder leiding van de engel arriveerde hij al snel in de stad met een gelukkige wind. En hij ging naar de kerker, die hij open aantrof; en zag de heilige Mattheüs, en hij weende en bad. Toen kreeg Mattheüs zijn gezichtsvermogen terug, dat hem door de boosaardigheid van de ongelovigen was ontnomen; en hij vertrok daarvandaan en ging naar Antiochië; maar Andreas bleef in Murgundia. Toen werd het volk toornig omdat hen Mattheüs was ontkomen, en ze grepen Andreas, bonden zijn handen vast en sleepten hem door de stad, zodat zijn bloed over de grond stroomde. Vervolgens bad hij tot onze Heer voor hen in zijn lijden, en door dit gebed bekeerde hij hen tot Christus. Daarna reisde hij ook naar Antiochië.
Ik meen echter, wat hier van de genezing van Mattheus blindheid verteld wordt, lijkt mij echter niet geloofwaardig; we zoude de grote Evangelist en Apostel Mattheüs wel heel erg te kort doen: alsof hij God zelf niet had kunnen vragen om wat Andreas zo gemakkelijk voor hem verkreeg.
Het geschiedde, dat een edele jongeling tegen de wil van zijn ouders, de heilige Andreas volgde. Toen staken de ouders het huis in brand waar de twaalf Apostelen en de jongeling zich bevonden. Daar nu de vlammen begonnen te groeien en op te laaien, pakte de jongeling een klein glas met water en goot het over het vuur, waarop het onmiddellijk doofde. Zij spraken echter: “Onze zoon is een tovenaar geworden.” en zetten ladders tegen het huis om de jongeling te zien. Toen werden ze blind, zodat zij de treden niet meer konden zien. Eén die daarbij stond sprak: “Waarom bekommeren jullie je om vruchteloze arbeid? God strijdt voor hen, en jullie zien het niet. Houdt op, opdat de toorn van God niet over u komt.” Door deze tekenen werden velen gelovig. De ouderen echter stierven na vijftig dagen beiden op hetzelfde ogenblik.
De vrouw van een moordenaar was zwanger van een kind, en toen het moment daar was, kon ze het kind niet baren. Toen zei ze tegen haar zuster: “Ga naar Diana, onze godin, en vraag haar mij te verlossen van de pijn, die ik lijd.” Dat deed de zuster. Toen antwoordde de duivel uit het beeld en sprak tot haar: “Waarom roep je mij aan? Ik kan je zuster niet helpen. Maar ga naar Andreas de Apostel, hij wil u wel helpen.” Alzo ging zij naar de twaalf Apostelen en bracht hem naar haar zieke zuster. Toen zei de heilige Andreas: “Het is billijk dat gij deze pijn lijdt, want uw huwelijk is boos, gij zijt op slinkse wijze zwanger geraakt en hebt de duivel aangeroepen. Maar doe boete en geloof in Christus dan zult u uw kind baren.” Zij geloofde, en baarde een dood kind, en alle pijn verdween uit haar.
In die tijd was er een oude man, Nicolaus geheten, die tot de heilige Andreas kwam en zei: “Heer, zie, mijn leven is zeventig jaar, en ik heb ze allemaal verspild aan een onkuis leven; toch heb ik ondertussen het Evangelie van Christus gelezen, en heb God gebeden, dat Hij mij eindelijk kuisheid zou verlenen. Dat werd ik niet gewaar, want mijn boze gewoonten en wellust trokken mij altijd weer naar de zonden. Het gebeurde eens dat ik het Evangelie per toeval bij me droeg, daar ik onkuis werk wilde volbrengen. Toen zei de vrouw met wie ik wilde zondigen: “Ga weg van mij, je bent een engel Gods, raak mij niet aan en kom niet bij mij binnen, want ik zie grote wonderen in jou.” Toen schrok ik, en merkte dat ik het Evangelie bij me droeg. Nu smeek ik u, heilige Andreas, dat gij met uw gebed mijn zonden verdrijft. Toen Andreas dit hoorde, weende hij uit groot medelijden, en bleef in gebed van het derde tot het negende uur, en toen hij opstond wilde hij niet eten, maar zei: “Ik wil geen spijze proeven, tenzij onze Heer mij laat weten of hij zich erbarmen wil over deze oude zondaar. Toen hij nu vijf dagen gevast had, kwam er een stem tot hem, die zei: “Andreas uw verzoek is ingewilligd. En zoals jij jezelf met vasten hebt gekastijd, zo moet ook hij vasten; zo is hij gered.” Alzo geschiedde het, en de grijsaard leefde zes maanden op water en brood; en na vele goede werken stierf hij in vrede. En opnieuw kwam de stem tot Andreas en zei: “Door jouw gebed heb ik Nicolaum weer gevonden, die ik verloren had.”
Een jonge Christen kwam tot de heilige Andreas en sprak tot hem in het geheim: “Toen mijn moeder zag dat ik knap was, ontbrandde zij in onkuise liefde voor mij; en omdat ik haar niet wilde gehoorzamen, klaagde zij mij aan bij de rechter en beschuldigde mij van de misdaad die zij zelf wilde begaan. Daarom smeek ik u, heilige Andreas, bid voor mij, opdat ik niet alzo onschuldig moet sterven. Want ik sterf nog liever dan dat ik mijn moeder onteer en doe wat ze van mij verlangd had. Toen nu de jongeling voor het gerecht werd gebracht, volgde de heilige Andreas hem na. De moeder klaagde over haar zoon, omdat hij haar geweld wilde aandoen; de jongeling werd gevraagd of dit waar was, maar hoe vaak men hem ook vroeg, hij gaf geen antwoord. Toen sprak de heilige Andreas: “Gij boze vrouw, om uw onkuisheid wilt gij uw enige kind doden?” Maar de vrouw sprak tot de rechter: “Heer, weet dat mijn zoon met deze man heeft gewoond nadat hij mij kwaad heeft willen doen, maar daar niet in is geslaagd.” Toen werd de rechter toornig en gaf bevel de jongeling in een met pek en teer bestreken zak te stoppen en in de rivier te werpen. De heilige Andreas echter liet hij in een kerker opsluiten totdat hij had besloten met welke marteling hij hem zou doden. Toen sprak Andreas zijn gebed tot God, en er klonk een luide donderslag, die het volk deed schrikken, en een stofwolk sloeg hen allen ter aarde; maar de boze vrouw werd ter plekke tot as verbrand. De anderen smeekten de heilige Andreas om hun leven, en hij bad voor hen: toen verdween de onstuimigheid. De rechter echter werd gelovig en zijn gehele huis met hem.
In die tijd kwam Andreas naar de stad Nicaea. De burgers klaagden bij hem dat er buiten de stad bij de strafplaats zeven boze geesten woonden, en alle mensen doodden, die daar langs kwamen. De Apostel bezwoer hen; vervolgens verschenen ze aan het volk in de vorm van honden. Daarna beval hij hen daarheen te varen waar ze geen mensen konden schaden; onmiddellijk waren ze verdwenen. Toen het volk dit teken zag, omarmden ze het Christelijke geloof. Hij reisde verder naar een andere stad, en toen hij bij de stadspoort aankwam, werd juist een pas gestorven jongeling weggedragen. Andreas vroeg wat er met hem gebeurd was. Zij antwoordden: “Er zijn zeven honden tot hem ingegaan en hebben hem in zijn kamer gedood.” Toen weende de heilige Andreas en zei: “Heer, ik weet dat dit de zeven geesten hebben gedaan, die ik uit de stad Nicaea heb verdreven.” En hij sprak tot de vader van de jongeling: “Wat geeft u mij, wanneer ik uw zoon weer gezond maak?” Toen antwoordde de Vader hem: “Ik heb niets dat mij dierbaarder is dan mijn zoon, die ik geef ik u.” Toen bad Andreas voor de jongeling, en hij stond op, en volgde de Apostel na.
Er wilden veertig goede mensen over de zee varen om naar de heilige Andreas te gaan om daar zijn heilige leer te horen. Toen veroorzaakte de boze geest een storm op zee, waardoor alle mensen verdronken. Hun lichamen werden echter op het strand geworpen en voor de heilige gebracht; deze gebood hen onmiddellijk op te staan. Toen werden ze levend en vertelden ze hem alles wat hen was overkomen. Daarom luidt een hymne aan de heiligen als volgt: ‘Quaterdenos juvenes fubmerfos maris fluctibus vitae reddidit ufibus’: ‘Veertig jongelingen die in de golven van de zee waren verdronken, bracht hij weer tot leven.’
Daarna woonde de heilige Andreas in Achaïa, bouwde daar vele kerken en bekeerde vele mensen tot het Christelijk geloof. Ook de vrouw van de landvoogd Egeas onderwees hij en bracht haar tot het geloof en doopte haar. Toen Egeas die vernam, kwam hij naar de stad Patras en dwong hij de Christenen om offers te brengen aan de afgoden. Toen kwam de heilige Andreas hem tegemoet en zei tegen hem: “Aangezien u bevoegd bent om over mensen te oordelen, is het gepast dat u leert uw Rechter in de hemel te herkennen en Hem te dienen, en uw hart afwendt van de valse afgoden.” Egeas antwoordde: “Jij bent Andreas, die daar die verdorven dwaling verkondigt die de Romeinen onlangs hebben bevolen uit te roeien.” Toen antwoordde Andreas en sprak: “De leiders van de Romeinen weten nog niet dat Gods Zoon op aarde is gekomen en heeft onderwezen hoe jullie afgoden vol zijn van boze geesten, die jullie niets anders aanraden dan hoe jullie de almachtige God kunnen mishagen; zij willen jullie van Hem afkeren, zodat Hij jullie niet verhoort, en jullie daardoor in de strikken van de duivel vallen en daarin gevangen blijven tot jullie naakt en bloot deze aarde verlaten en niets anders met jullie meedragen dan jullie zonden.” Egaes antwoordde: “Omdat jullie Jezus deze ijdele dingen predikte, werd hij daarom aan het kruis genageld.” Andreas zei: “Dat God de marteling heeft ondergaan, deed Hij uit eigen wil, niet vanwege Zijn eigen zonde, maar voor ons heil en onze zaligheid.” Egeas sprak: “Hoe kun je zeggen dat hij uit eigen wil de dood heeft geleden, daar Hij toch door zijn eigen leerling werd verraden, door de Joden gevangengenomen en door de soldaten aan het kruis genageld?” Toen antwoordde Andreas en begon met vijf punten aan te tonen dat God uit eigen wil de dood had ondergaan, en hij zei: “Hij voorzag zijn lijden, toen Hij in het Evangelie tot zijn discipelen sprak: “Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden overgeleverd aan de dood.” En toen Petrus Hem daarvan wilde afhouden, sprak Hij hem streng toe en zei: “Ga weg van mij, Satan.” Ook getuigde Hij, dat Hij beide kon, lijden en opstaan, daar Hij zei: “Ik heb de macht om Mijn ziel te geven en weer terug te nemen.” Hij wist dan wie Hem zou verraden, daar Hij hem dat gedoopte brood gaf, toch nam Hij zichzelf niet in bescherming tegen hem. Ook ging Hij vrijwillig naar de plaats waar Hij wist dat Hij verraden zou worden. En ik was getuige van al deze dingen.” Zo sprak Andreas en riep: “Groots is het mysterie van het kruis.” Maar Egeas sprak: Dat kruis is geen mysterie, maar ene pijn, en weet voorwaar: tenzij je mijne geboden gehoorzaamt, anders zul je het mysterie van het kruis ervaren.” Toen zei Andreas: “Zou ik vrezen de pijn van het kruis, zo predik ik niet dat lof van het kruis. Daarom wil ik dat u verneemt het mysterie van het kruis, opdat u het zult geloven en zo gered zult worden.” En hij begon hem het mysterie van het lijden uit te leggen, en waarom dit om vijf redenen noodzakelijk was. “Ten eerste: zoals de eerste mens door dat hout van de boom had gezondigd en de dood in de wereld had gebracht, zo zou de tweede mens de dood verdrijven aan de stam van het heilige kruis. Ten tweede: zoals de eerste zondaar uit maagdelijke aarde geschapen was, zo zou de Verlosser uit een zuivere maagd geboren worden. Ten derde: zoals de eerste Adam zijn gierige hand uitstrekte naar de verboden appel, zo strekt de tweede Adam zijn onschuldige handen uit aan het kruis. Ten vierde: zoals de eerste mens de zoetheid van de appel proefde, zo onderging Christus de bitterheid van de gal aan het heilige kruis, opdat Hij door het tegenovergestelde goed zou maken. Ten vijfde: zoals Christus ons zijne onsterfelijkheid bracht, zo moest Hij onze sterfelijkheid op zich nemen. Want wanneer God niet sterfelijk was geworden, zo had de mens niet de onsterfelijkheid verkregen.” Daarna zei Egeas: “Deze onzinnige woorden zeg dat tegen de uwen. Maar gehoorzaam mij en offer aan de almachtige goden.” Andreas antwoordde: “De almachtige God offer ik elke dag een rein lammetje, en hoewel het gelijk door al het volk gegeten wordt, zo blijft het toch levend, één en geheel.” Egeas vroeg, hoe dat geschiedde. Andreas antwoordde: “Wordt mijn leerling, zo zal ik het u openbaren.” Toen zei Egeas: “Ik zal u met pijn dwingen zodat u het mij zult zeggen.” En liet hem vol toorn in de kerker opsluiten. De volgende dag werd de heilige Andreas voor de rechtbank gebracht. Egeas raadde hem nogmaals aan, dat hij de afgoden zijn offer zou aanbieden, en zei: ‘Gehoorzaamt gij mij niet, zo zult gij aan het kruis komen te hangen wat gij zo zeer geprezen hebt. En dreigde hem met grote pijn. Andreas antwoordde: ‘De grootste pijn die u zich maar kunt voorstellen, daar ben ik toe bereid; want hoe groter de pijn die ik om de naam van mijnen Heer geduldig leid, des te meer ben ik Hem genegen.” Toen gebood Egeas dat eenentwintig mannen de heilige moesten slaan en hem daarna met handen en voeten aan een kruis moesten vastbinden, opdat zijn marteling zo lang mogelijk zou duren. Alzo brachten ze hem naar het kruis. Daarop volgde hem een grote schare, die met luide stem riep: “Het onschuldige bloed van deze rechtvaardige wordt zonder reden veroordeeld.” Toen vroeg Andreas het volk om zijn marteling niet te verhinderen. Toen hij dat kruis van verre zag, groette hij het en zei: “Gegroet zijt u, kruis, daar u door het lichaam van onze Heer gewijd zijt en met zijn ledematen als door parelen versierd. Voordat God aan u opsteeg, was u vol aardse verschrikkingen, nu bent u vol Goddelijke liefde en van harte welkom. Daarom, zo kom ik vol vertrouwen en in vreugde tot u; ach, dat ook u mij met vreugde zou ontvangen. Want ik ben een volgeling van Hem die aan het kruis hing, en ik heb u altijd liefgehad en heb ernaar verlangd u te omhelzen. O goed kruis, gij hebt van de ledematen van onze Heer schoonheid en sier ontvangen, ik heb u lang begeerd, ik heb u vurig bemind, zonder ophouden heb ik u gezocht, nu bent u gereed mijn verlangend hart. Neem mij uit deze wereld en geef mij mijnen Meester terug, opdat Hij mij van u ontvangt, die mij door u heeft verlost.” Toen hij dit gesproken had, trok hij zijn kleren uit en gaf ze aan degenen die hem zouden kruisigen. Alzo hingen ze hem aan dat kruis. Daarna leefde hij nog twee dagen en predikte voor twintigduizend mensen, die daar voortdurend bij hem stonden. Toen dreigde het volk Egeas met de dood, omdat hij deze rechtvaardige, zachtmoedige en milde mens tot zo’n pijn had verdoemd. Toen naderde Egeas het kruis om de heilige Andreas van het kruis te bevrijden. Toen Andreas dit zag, zei hij: “Egea(s), waarom bent u hier tot ons gekomen? Hebt gij berouw en begeert u genade, die zult gij vinden. Bent u echter gekomen om mij van het kruis te halen, weet dan dat ik niet levend van dit kruis zal komen, want ik aanschouw reeds de Koning die op mij wacht.” En toen ze hem van het kruis wilden halen, konden ze hem niet aanraken, want hun armen werden onmiddellijk verlamd. Maar toen de heilige Andreas het verlangen van het volk zag, sprak hij dit gebed uit aan het kruis, zoals de heilige Augustinus ons schrijft in het boek De poenitentia “Heer, ik smeek U, laat mij niet levend van dit kruis afkomen.” Het is tijd dat U mijn lichaam weer aan de aarde teruggeeft: ik heb het zo lang gedragen en heb het zo lang gehoed met grote zorg en arbeid, dat ik nu verlang verlost te worden van deze dienstbaarheid, en vraag, dat dit zware kleed van mij wordt afgenomen; want ik zie hoe zwaar dit lichaam voor mij is geweest om te dragen, hoe weerbarstig om te temmen; hoe zeer te verzorgen in zijner zwakheid, hoe vaak te beteugelen in zijner overvloed. Heer, U weet hoe vaak mijn lichaam mij heeft willen wegtrekken van de zuiverheid van de Goddelijke aanschouwing, hoe vaak hij mij wegtrok van de zoetigheid van de Goddelijke rust, en hoe vaak het mij grote pijn heeft aangedaan. Zie toch, geliefde Vader, hoe ik deze aanvechting zo lang heb weerstaan en haar met Uw hulp heb overwonnen. En daarom smeek ik U, goede rechtvaardige Rechter, vergeef mij dit lichaam niet verder, maar laat mij het aan u teruggeven. Vertrouw hem toe aan iemand die hem geen last bezorgd, die hem bewaart tot zijner opstanding en hem dan weer teruggeeft, dat hij dan loon naar zijner arbeid ontvangt: vertrouw hem toe aan de aarde, opdat ik voortaan niet meer hoef te waken, opdat ik licht en vrij zonder enige belemmering, tot U moge komen, de bron der eeuwige vreugde.” Toen de heilige Andreas dit gebed volbracht had, kwam er een lichtglans uit de hemel, de schijn omgaf de heilige een half uur lang, zodat geen mens hem kon zien; en toen licht verdween, voer zijn geest met Hem naar de hemel. Toen kwam Maximilla, de vrouw van Egeas; zij nam het lichaam van de heilige Apostel en begroef hem met grote eer. Egeas echter werd nog voordat hij zijn huis bereikte, door de boze geest bezeten en stierf op de strafplaats voor al het volk.
Men zegt, dat uit het graf van de heilige Andreas manna komt, vergelijkbaar met meel, en een welriekende olie. Het voorspelt de inwoners van het land de vruchtbaarheid van het komende jaar: regent het weinig, zo brengt de aarde slechte vrucht voort, regent het rijkelijk, zo geeft het een goed jaar. Alzo mag het in vroeger tijden wel geweest zijn; maar nu zegt men dat het heilige lichaam naar Constantinopel werd overgebracht.
Er was een bisschop die een geestelijk leven leidde, en had de heilige Andreas lief boven alle andere heiligen. Wat hij aanving, zo sprak hij “In naam van God en de heilige Andreas.” De boze geest was daar jaloers op en zette met alle sluwheid alles op alles om de bisschop te misleiden. Hij verscheen in de gedaante van een mooie vrouw in het paleis van de bisschop; zij verzocht de bisschop om haar biecht te horen. De bisschop beval haar dat zij haar biecht moest afleggen bij haren biechtvader, aan wie hij volledige bevoegdheid had gegeven. Ze antwoordde dat ze haar geheim aan niemand anders dan de bisschop zou vertellen. Alzo overwon zij de bisschop dat hij haar tot zich liet komen. Toen zij voor hem verscheen, zei zij: “Heer, ik smeek u, heb medelijden met mij; want ik ben nog jong en ben van kinds af aan zeer teder opgevoed, zoals u zelf kunt zien, en ik ben van koninklijk geslacht geboren. Ik ben als pelgrim hier tot u gekomen, want mijn vader is een machtige koning en wilde mij aan een grootvorst uithuwelijken; maar ik antwoordde hem: ik heb mijn kuisheid voor eeuwig aan Christus beloofd en zal mij nooit in een lichamelijk huwelijk begeven. Mijn vader wilde me dwingen: ik moest zijn wil doen, anders zou ik grote pijn en straf lijden. Daarom ben ik in het geheim gevlucht en begeer liever in ellende te leven dan mijnen hemelse Bruidegom de trouw te verbreken. Daar ik nu de lof van uw heiligheid hoorde, zo heb ik mijn toevlucht gezocht onder uw bescherming en hoop ik bij u een vredige plek te vinden, waar ik in de stilte van mijn Goddelijke overwegingen leven kan en waar ik veilig ben voor de verleidingen en beproevingen van de wereld.” Daar verwonderde zich de bisschop, dat zulke grootse, vrome woorden uit het hart van zo’n teder mens en mooie vrouw kwamen, en antwoordde haar met zachte stem: “Zij rustig, dochter, en vrees niet, want Hij, omwille van wie u zo krachtig vriendschap, eer en rijkdom hebt verworpen, die zal u grote genade geven in deze tijd en overvloedige glorie in het eeuwige leven. Maar ik, als zijn knecht, bied u mijzelf en al wat ik bezit aan, opdat u een plek naar uw keuze zou kunnen vinden om te verblijven; en ik verzoek u vriendelijk om vandaag met mij te komen eten.” Zij antwoordde: “Lieve vader, vraag mij dit niet, opdat er geen boze verdenking daaruit ontspringt en de roem van uwer heiligheid zou bevlekken. De bisschop sprak: “Wij zullen niet alleen eten, er zullen velen van mij daarbij zijn, zodat niemand iets kwaads kan bedenken.” Toen het tijd was om aan tafel te gaan, plaatste de bisschop haar tegenover zich, terwijl de anderen aan weerszijden gingen zitten. De bisschop keek vaak naar haar en kon zijn blik niet van haar afwenden, zo verbaasd was hij over haar grote schoonheid. Alzo werd zijn hart verleid door de blik van zijne ogen: want daar zijn ogen ononderbroken dat mooie gezicht aanstaarden, drong de angel van de slang zich in zijn hart. De duivel merkte dat op, en vermeerderde haar schoonheid meer en meer. De bisschop stond op het punt haar te vragen zijn wil te doen zodra de eerste gelegenheid zich zou voordoen; op dat moment werd er plotseling heftig op de deur geklopt en een pelgrim vroeg met luide stem om toegang. En omdat niemand de deur voor hem opende, riep en klopte hij zo heftig dat de bisschop de vrouw vroeg, of zij het goed zou vinden als men de man binnenliet. Zij antwoordde: “Leg hem een moeilijke vraag voor: kan hij die oplossen, zo is hij waardig dat men hem binnenlaat, kan hij het niet, zo is hij als een ongelovige niet waardig om voor de bisschop te komen.” Dat beviel hen allen wel, en zij vroegen, wie onder hen zo wijs was, om die vraag te stellen. Omdat er niemand te vinden was, zei de bisschop: “Vrouw, van allen die hier aanwezig zijn, zie ik niemand die geschikter is om deze vraag te stellen dan u, want u overtreft ons allen met de wijsheid uwer woorden. Daarom zo zult u die vraag voorleggen.” Ze antwoordde en zei: “Vraag hem wat het grootste wonder is dat God in iets klein heeft verricht.” De vraag werd aan de pelgrim gesteld; hij liet via de beheerder antwoorden: “Dat wonder is het onderscheid der aangezichten van alle mensen, dat men vanaf het begin van de wereld tot aan het einde ervan geen twee kan vinden wier gelaat zonder enig verschil gelijk is, en dat God in deze kleine ruimte alle zintuigen van het lichaam heeft gebonden.” Ze waren allen vol lof over het antwoord en zeiden: “Dit is een goed en waar antwoord op deze vraag.” Toen sprak de vrouw: “Wij zullen hem ene vraag voorleggen, die moeilijker is, zo erkennen wij zijn wijsheid des te meer; en laat dit de vraag zijn: waar is de aarde hoger dan in de hemelen?” Toen antwoordde de pelgrim de beheerder en zei: “Ga heen tot degene, die u met deze vraag naar mij heeft gezonden en laat hem antwoorden: hij weet het beter dan ik; want hij heeft de hoogte zelf gemeten, daar hij van de hemel in de afgrond viel; ik ben echter nooit uit de hemel gevallen, zo daarom heb ik de hoogte niet gemeten, zoals de boze geest. Want het is geen vrouw, maar de duivel, die zich in de gedaante van een vrouw heeft gehuld.” Van deze woorden schrok de knecht, en rende weg en sprak deze woorden voor hen allen. Toen werden ze overmand door grote schrik en verbazing; de duivel echter verdween voor hun ogen. Toen de bisschop weer bij zinnen kwam, verweet hij zichzelf dit bitter en smeekte om genade voor zijn zonde. Hij zond haastig zijn knecht om de pelgrim tot hem te brengen. Maar men heeft hem nooit meer gevonden. Toen riep de bisschop het volk bijeen en legde hen de zaak voor, zoals die zich had voorgedaan, en gebood hen om met vasten en gebed onze Heer aan te roepen, opdat Hij misschien iemand zou openbaren wie de pelgrim was geweest die hem voor zo’n groot gevaar had behoed. In diezelfde nacht werd aan de bisschop geopenbaard dat de heilige Andreas zich in de gedaante van een pelgrim aan hem had getoond om hem te helpen. Toen hield de bisschop de heilige Andreas in een nog grotere ere, dan als hij ooit te voren had gedaan.
Er was een heer over ene stad die ten onrechte een stuk land van de heilige Andreas in bezit had. Toen viel hij door het gebed van de bisschop in een zware koorts om die zonde. Hij vroeg de bisschop om voor hem bij de heilige Andreas te bidden, zo wilde hij hem de akker weer teruggeven. Dat deed de bisschop. Toen echter de heer weer gezond was geworden, nam hij de akker andermaal. Toen wijdde de bisschop zich weer aan zijn gebed, doofde alle lampen in de kerk en zei: “Er zal geen licht in deze kerk branden, tenzij God wraak neemt op zijn vijand en de kerk het hare teruggeeft.” En zie, de heer kreeg opnieuw een zware koorts; toen droeg hij de bisschop op voor hem te bidden, want hij wilde hem de akker teruggeven en nog een andere eraan toevoegen. De bisschop antwoordde hem telkens: “Ik heb God reeds gebeden en ben verhoord.” Toen liet de heer zich naar de bisschop dragen, en dwong de bisschop de kerk binnen te gaan om voor hem te bidden. Toen echter de bisschop de kerk binnenkwam, stierf de heer plotseling en werd de akker weer eigendom van de kerk.
Over de heilige Nicolaus.
Nicolaus is afgeleid van nicos, wat ‘overwinning’ betekent, en laos, wat ‘volk’ betekent, en staat dus voor: een overwinnaar des volk, namelijk alle ondeugden die gewoon en gemeen zijn. Of hij wordt overwinnaar des volks genoemd, omdat hij vele volkeren door vermaning en voorbeeld heeft geleerd hoe zij hun ondeugden en zonden moeten overwinnen. Of Nicolaus komt van nicos, overwinning, en laus, lof: overweldigende lof. Of het komt van nitor, glans, en laos, volk: de glans van het volk; want in hem lag datgene wat rein en stralend maakt. Want zoals Ambrosius schrijft: Rein maakt Goddelijke woorden, rein maakt oprechte biecht, heilige betrachting, goede daden.
De meesters van Argos hebben zijn leven opgeschreven. Argos is echter, zoals Isidorus schrijft, een stad in Griekenland; vandaar dat men de Grieken ook wel Argiven noemt. Men neemt ook aan dat patriarch Methodius het in het Grieks heeft opgeschreven en dat diaken Johannes het in het Latijn heeft vertaald en er het één en ander aan heeft toegevoegd.
Nicolaus werd geboren in de stad Patera, als zoon van vrome en rijke ouders: zijn vader heette Epiphanius, zijn moeder Johanna. In de bloei van hun hu jeugd schonk God hun dit kind; daarna leefden zij kuis, in Goddelijke liefde.
Op de eerste dag dat men het kindje, de heilige Nicolaus, moest baden, stond het rechtop in het badje, en ook op woensdag en vrijdag wilde het niet vaker dan één keer aan de borst van zijn moeder drinken. Toen het kind ouder werd, verliet hij de genoegens van de andere jongelingen en bezocht hij met toewijding de kerken; en wat hij daar van de Heilige Schrift begreep, bewaarde hij nauwgezet in zijn geheugen. Toen zijn vader en moeder gestorven waren, begon hij na te denken over hoe hij zijn grote rijkdom zou aanwenden ter ere van God en niet ter ere van mensen.
Er was een buurman, van adellijke afkomst maar arm in bezittingen, die drie dochters had die hij in zijn ellende het liefst in de openlijke zonde van de wereld wilde storten, zodat hij van de prijs van hun schande zou kunnen leven. Toen de heilige Nicolaus dit hoorde, was hij verontwaardigd over deze zonde; hij wikkelde een klomp goud in een doek en gooide die ’s nachts stiekem door een venster in het huis van de arme man, waarna hij in het geheim weer vertrok. Toen het ochtend werd, vond de man het goud, dankte God en gebruikte het om zijn oudste dochter een bruiloft te geven. Niet lang daarna deed de heilige Nicolaus hetzelfde nog een keer. Toen de arme man wederom dat vele goud vond, loofde hij God van harte en nam zich voor waakzaam te zijn, zodat hij de dienaar van God zou vinden, die hem in zijn armoede zo te hulp was gekomen. Kort daarna wierp Nicolaus tweemaal zoveel goud in dat huis als voorheen; toen ontwaakte de man door de val van het goud en snelde achter de heilige aan en riep: “Sta stil en laat mij uw aangezicht aanschouwen” en haalde hem in en zag dat het de heilige Nicolaus was; viel voor hem neer en wilde zijn voeten kussen. Nicolaus weerhield hem daarvan en gebood hem deze daad niet openbaar te maken zolang hij leefde.
Toen de bisschop van Myra in die tijd stierf, kwamen vele bisschoppen bijeen om een nieuwe opvolger te kiezen. Onder hen bevond zich iemand met grote macht en aanzien, wiens oordeel bepalend was voor de uitverkiezing van de anderen. Hij maande hen allen aan om in vasten en gebed te volharden; maar ’s nachts kwam er een stem tot hem die sprak: Gij moet tijdens de metten de deur van de kerk bewaken, en de eerste mens die tot de kerk komt, wiens naam ook Nicolaus is, moet gij tot bisschop wijden.” Hij deelde dit aan de anderen mee en spoorde hen aan om in gebed te volharden; zelf bleef hij bij de kerkdeur staan wachten. Nu was het Gods wil dat tijdens de metten de heilige Nicolaus als eerste naar de kerk ging voor alle anderen. Toen hield de bisschop hem tegen en zei: “Hoe heet gij?” Nicolaus boog zijn hoofd in heilige eenvoud en antwoordde: “Ik ben genoemd Nicolaus, een dienaar uwer heiligheid.” Vervolgens brachten ze hem de kerk binnen en zetten hem, hoewel hij zich verzette, op de bisschopsstoel. Nicolaus bleef echter trouw aan zijn eenvoud en zuiverheid en aan zijn dagelijkse gebeden; hij pijnigde zijn lichaam en meed het gezelschap van vrouwen, hij was nederig en volkomen gelijk aan iedereen, welsprekend in zijn spraak, ijverig in Goddelijke vermaningen, streng in rechtvaardige bestraffing. Men leest ook in ene kroniek, dat Nicolaus aanwezig was op het concilie van Nicea.
Er waren eens mensen die op zee voeren en in grote nood raakten. Toen riepen zij de heilige Nicolaus aan en zeiden: “Nicolaus, dienaar van God, als het waar is wat wij over u hebben gehoord, laat ons dan uw hulp ervaren.” Terstond verscheen aan hen iemand die op hem leek, en die sprak: “Jullie roepen mij, hier ben ik.” En hij begon hen te helpen met de zeilen, de touwen en andere scheepsuitrusting; meteen werd de zee kalm. Toen ze aan land kwamen, gingen ze tot zijner kerk; en hoewel ze hem nog nooit eerder hadden gezien, hoefde niemand hem aan hen voor te stellen, want ze herkenden hem meteen. Ze dankten God en hem voor hun redding. Hij echter sprak: “Niet ik, maar uw geloof en Gods genade hebben u geholpen.”
Daarna brak er een grote hongersnood uit in het land waar de heilige Nicolaus bisschop was, en er was geen voedsel in de wijde omtrek meer te vinden. Rond dezelfde tijd werd er aan Nicolaus gevraagd of er schepen met een flinke lading tarwe de haven zouden binnenvaren. Toen ging hij heen en vroeg de schippers of ze uit elk schip slechts honderd maten tarwe wilde geven om de hongerigen te redden. De schippers antwoordden: “Vader, dat durven we niet te doen, want het graan is in Alexandrië gewogen, en alzo moeten wij het verantwoorden in de schuren des Keizers.” Toen zei de heilige Nicolaus: “Doe zoals ik u zeg, en ik zweer u bij de kracht Gods, dat u geen vermindering zult hebben aan uw graan ten opzichte van des keizers graanmaat.” De scheepslieden vervulden zijn gebod; en toen zij voor de dienaar des keizers kwamen, hadden zij evenveel graan bij zich als zij in Alexandrië hadden ingeslagen. Toen verkondigden zij dit wonder in het openbaar en prezen de Heer in zijnen knecht. Ondertussen verdeelde de heilige Nicolaus het graan onder de mensen naar ieders behoefte, en van dat weinige graan werd het hele land twee jaar lang gevoed, en er bleef nog genoeg over om uit te delen.
In datzelfde land werden de afgoden volgens oude gewoonte vereerd, en met name het beeld van de duivelin Diana. Alzo waren er ten tijde van de heilige Nicolaus nog enkele boeren die dit geloof aanhingen en onder een boom, die ter ere van de afgod was gewijd, hun heidense offers brachten. Deze kwade gewoonte ergerde de heilige Nicolaus en liet de boom omhakken. Dat beviel de boze geest niet, en bedacht hoe hij wraak kon nemen op de heilige Nocolaus; hij bereidde een olie, genaamd Mydiacon, die zo krachtig is dat het tegen de natuur in stenen en water doet branden; nam de gedaante van een vrome vrouw aan, en ontmoette op zee mensen die in een bootje naar de kerk van de heilige Nicolaus wilden varen, en sprak tot hen: “Ik zou graag met u naar de heilige God zijn gevaren, echter ik kan niet; daarom vraag ik u, dat u voor mij deze olie naar zijn kerk brengt, en ter nagedachtenis aan mij de muren van de voorhof ermee insmeert.” Daarmee was ze verdwenen; maar op hetzelfde moment zagen ze een ander bootje aankomen met eerbare mensen; onder hen was er iemand die qua uiterlijk aan de heilige Nicolaus gelijk was, en die sprak: “Vertel, wat heeft die vrouw met jullie besproken of jullie gegeven?” Toen vertelden ze hem alles. Toen sprak dezelfde man: “Weet, dat deze vrouw de schandelijke Diana was; en opdat jullie zien dat het waar is wat ik zeg, zo giet de olie in zee.” Ze goten de olie uit: toen vatte het water tegen de natuur in vlam, laaide hoog op en bleef lange tijd branden. Ze voerden verder tot ze bij de kerk van de heilige Nicolaus aankwamen; toen ze hem zagen, zeiden ze: “Waarlijk u bent het, die ons op zee verscheen en ons van de duivelse listen verlost heeft.”
In die tijd was een volk in opstand gekomen tegen de Romeinse overheersing. Daarop stuurde de Romeinse keizer drie legeraanvoerders, om het volk te onderwerpen, namelijk Nepotianus, Ürfus en Apilio. De drie voeren uit op zee tegen dat ongehoorzame volk, maar een harde wind wierp hen op de kusten nabij de stad Myra. Toen nodigde de heilige Nicolaus hen uit voor een maaltijd, want hij wilde verhinderen dat hun krijgsvolk de markten zouden plunderen, zoals bij zulk volk gebruikelijk is. Tijdens het verblijf van de heilige Nicolaus bij deze gasten, gebeurde het dat de landvoogd werd omgekocht en opdracht gaf drie onschuldige ridders te executeren. Toen de heilige dat vernam, vroeg hij zijn gasten, dat ze hem snel wilden vergezellen naar de plek waar de ridders onthoofd zouden worden. Toen ze daar aankwamen, troffen ze hen al knielend aan, met een blinddoek voor hun ogen en het zwaard in de hand van de beul opgeheven. De heilige Nicolaus rukte woedend het zwaard uit de hand van de beul en slingerde het ver weg, bevrijdde de ridders van hun boeien en nam hen mee. Daarna begaf hij zich naar het paleis van de landvoogd en trapte de gesloten deuren met geweld open. De landvoogd haastte zich naar hem toe en groette hem; de heilige sloeg dit af en zei: “Gij vijand van God, gij overtreder van de wet, zijt gij zo schaamteloos, dat gij mijn aangezicht na zo’n kwaadaardigheid waagt te aanschouwen?” Nadat hij hem alzo lang en zwaar gestraft had, smeekten de legeraanvoerders van de keizer voor hem om genade; en de heilige aanvaardde zijn berouw en vergaf hem. Daarna ontvingen de legeraanvoerders de zegen van de heilige Nicolaus en trokken ten strijde tegen hun vijanden, die zij al snel zonder bloedvergieten overwonnen; en toen zij terugkeerden werden ze door de keizer met grote eer ontvangen. Dit misgunden een aantal van de keizerlijk gezinden hen, en zij kochten de belangrijkste raadgever van de keizer om; deze klaagde hen bij de keizer aan omdat zij kwaad en schande over het keizerlijk gezag zouden hebben gesproken. Toen de keizer dit hoorde, werd hij woedend en liet hen in een kerker opsluiten, en gaf opdracht hen nog diezelfde nacht zonder verhoor te doden. Toen de drie dit van de wachter der kerkers vernamen, scheurden ze hun kleding en weenden en jammerden. Toen herinnerde één van hen, Nepotianus, zich, hoe de heilige Nicolaus de drie onschuldige ridders had gered, en spoorde hij de anderen aan om de bescherming van de heilige in te roepen. In diezelfde nacht verscheen de heilige Nicolaus in een droom aan keizer Constantinus en sprak: “Waarom hebt gij de drie legeraanvoerders gevangengenomen en hen zonder reden ter dood veroordeeld? Sta snel op en beveel, dat men hen vrij laat. Doet gij dat niet, weet dan dat ik God zal vragen om een oorlog tegen u te ontketenen, in welke u omkomt en als voedsel voor de dieren dient.” De keizer zei: “Wie bent u, dat u ’s nachts in mijn paleis bent gekomen en zulke hoogdravende woorden tegen mij spreekt?” De heilige Nicolaus antwoordde: “Ik ben Nicolaus, een bisschop van de stad Myra.” Op dezelfde wijze verscheen Nicolaus ook aan de hoogste raadgever van de keizer, die de legeraanvoerders had verraden, en zei: “Gij verloren mens aan zinnen en aan verstand, waarom hebt gij u gunst verleend, zodat onschuldigen ter dood worden veroordeeld? Ga snel heen en zorg, dat ze vrij komen, of uw lichaam zal vol wormen zitten en uw huis wordt verwoest.” De keizer vroeg: “Wie bent u, die mij zo ernstig bedreigt?” Nicolaus antwoordde: “Gij zult weten, dat ik Nicolaus ben, een bisschop uit de stad Myra.” Het geschiedde des morgens, dat de keizer en zijn hoogste raadgever bijeenkwamen en vertelden elkaar hun dromen; daarop lieten zij onmiddellijk de gevangenen halen, en de keizer zei tegen hen: “Met welke tovenarij hebben jullie het voor elkaar gekregen, dat jullie ons zo met dromen hebben misleid?” Ze antwoordden en zeiden: “Wij zijn geen tovenaars en hebben ook de dood niet verdient.” De keizer vroeg: “Kent gij een mens die Nicolaus is geheten?” Toen ze die naam hoorden, hieven ze hun handen ten hemel en baden dat God hen omwille van de heilige Nicolaus van de dreigende dood zou verlossen. En zij vertelden de keizer over het leven en de wonderwerken van de heilige. Toen sprak de keizer: “Gaat heen en looft God, die u op wonderbaarlijke wijze heeft verlost door de verdiensten van zijn heilige. En breng hem namens mij geschenken en vraag hem of hij mij voortaan niet meer wil bedreigen, maar God voor mij en mijn rijk wil smeken.” Kort daarna kwamen de drie bij de heilige Nicolaus, vielen voor hem op hun knieën en zeiden: “Waarlijk, gij zijt Gods knecht en een bijzondere minnaar van Jezus Christus.”; en vertelden hem hun verhaal. Toen hief hij zijn handen op en loofde God; hij leerde hen een deugdzaam leven te leiden en stuurde hen terug naar hun land.
Toen echter onze Heer zijn heilige uit deze wereld tot zich in de eeuwige vreugde wilde nemen, bad Nicolaus Hem, of Hij zijne engelen wilde sturen. En met gebogen hoofd zag hij de engelen Gods naar zich toe zweven, en bad hij de psalm: ‘In te domine speravi’ tot aan de woorden ‘in manus tuas’ dat wil zeggen, ‘Heer, in Uw handen beveel ik mijn geest.’ Zo verliet de heilige Nicolaus deze wereld in het jaar des Heren 343; en een vijfstemmig hemels gezang werd vernomen. Hij werd begraven in een graf van marmersteen; bij zijn hoofd ontsprong een bron met olie en bij zijn voeten een waterbron; en nog steeds stroomt er heilige olie uit zijn beenderen, die genezing brengt tegen alle kwalen.
Na de heilige Nicolaus werd een vrome man bisschop in zijn stad, hij werd door nijd verdreven: toen stond de olie stil en vloeide niet meer; maar toen hij weer in de stad geroepen werd, vloeide de olie weer zoals voorheen. Daarna werd Myra een lange tijd door de Turken verwoest. Er kwamen echter zevenenveertig ridders uit de stad Bari, zij toonden vier monniken het graf van de heilige; en toen zij het openden , zagen zij zijn beenderen in olie drijven. Ze namen het mee en brachten het met grote eer naar de stad Bari, 1087 jaar na de geboorte van Christus.
Een Christen leende een som geld van een Jood, en aangezien hij geen andere borg kon vinden, zwoer hij op het altaar van de heilige Nicolaus dat hij het hem zou teruggeven zodra hij daartoe in staat was. De schuld stond lang open; teneinde eiste de Jood zijn geld op. Toen zei de Christen dat hij het hem had gegeven. De Jood bracht de zaak voor de rechter, en de schuldenaar werd bevolen een eed af te leggen. De Christen nam een holle staf en vulde die met goudstukken; en hij droeg die met zich mee naar het hof, alsof hij die steun nodig had. Toen hij op het punt stond een eed af te leggen, gaf hij de staf aan de Jood om vast te houden en zwoer dat hij hem meer had teruggegeven dan hij hem verschuldigd was. En toen de eed was afgelegd, eiste hij de staf terug van de Jood; de Jood, die het bedrog niet vermoedde, gaf hem de staf terug. Op weg naar huis werd de oplichter overmand door vermoeidheid en viel in slaap op een kruispunt. Toen kwam er een wagen in snelle vaart aangereden die hem overreed, hem doodde en zijn staf, waarin zich de goudstukken bevonden, verbrijzelde, en de goudstukken rolden eruit. Toen de Jood dit hoorde, haastte hij zich ernaartoe en doorzag de list. De mensen raden hem het goud aan te nemen, maar hij zei: “Dat doe ik niet, tenzij de Christen door de genade van de heilige Nicolaus weer opstaat: geschiedt dat, zo wil ik mij laten dopen en gelovig worden.” Toen stond de dode op en leefde; en de Jood liet zich dopen en werd een Christen.
Er was een Jood die de grote wonderen zag die de heilige Nicolaus verrichtte; daarom liet hij voor zichzelf een beeld van de heilige Nicolaus vervaardigen en plaatste het in zijn huis, en beval het beeld zijn goed toe, wanneer hij op reis ging, en zei: “Heilige Nicolaus, al mijn goed beveel ik onder uw bescherming, bewaart gij mij dat niet goed, ik zal op u wreken met harde slagen.” Op een dag ging de Jood op reis en liet de heilige Nicolaus over het huis waken; toen kwamen er dieven die alles uit het huis stalen, alleen het beeld lieten ze staan. Toen dan de Jood terugkwam en zag dat hij was beroofd, zei hij tegen het beeld: “Heer Nicolaus, heb ik u niet in mijn huis geplaatst, om het tegen rovers te beschermen? Waarom hebt gij dat niet gedaan en de dieven tegengehouden? Ik zeg u, gij zult pijn lijden voor die dieven; alzo wil ik mijn schaden wreken op u en wil mijn toorn in slagen aan u verkoelen.” Daarop greep de Jood het beeld en sloeg en geselde het hard. Toen gebeurde er een groot wonder: toen de dieven de buit onder elkaar verdeelden, verscheen de heilige Nicolaus aan hen in een gedaante alsof hij alle slagen van de Jood levend had ondergaan, en sprak tot hen: “Ziet hoe zwaar ik omwille van u ben geslagen en gegeseld, en welke martelingen ik heb doorstaan. Zie hoe mijn lichaam vol striemen is en rood van het bloed! Ga daarom snel heen en geef alles terug wat jullie hebben meegenomen, anders zal God zich wreken aan jullie, dat jullie misdaad openbaar wordt en allen worden opgehangen.” Zij zeiden: “Wie bent gij, die zo tot ons spreekt?” Hij antwoordde: “Ik ben Nicolaus, een dienaar van God, die door die Jood zo wreed is geslagen omwille van zijn bezit.” In grote schrik gingen de dieven tot de Jood en vertelden hem over het wonder, en gaven hem zijn goed terug; waarop de Jood hen vertelde wat hij met het beeld had gedaan. Alzo werden de dieven rechtschapen en de Jood een Christen.
Een man vierde elk jaar het feest van de heilige Nicolaus heel uitbundig ter ere van zijn zoon, die de wetenschappen studeerde. Eens gaf hij een maaltijd voor zijn zoon en had daarvoor vele priesters uitgenodigd. Maar dan verschijnt de duivel voor de deur, vermomd als pelgrim, en vraagt om een aalmoes. De vader roept zijn zoon, het hem te brengen, de knaap loop heen, maar vindt hem niet meer voor de deur en rent hem achterna tot aan een kruispunt: daar greep de duivel hem vast en wurgde hem. Toen de vader dit vernam, was hij zeer verdrietig; hij nam het lichaam op en droeg het naar de slaapkamer, waar hij in diepe droefheid uitriep: “Lieve zoon, wat is er met je gebeurd? Heilige Nicolaus, is dit de beloning voor de grote eer die ik u altijd bewezen heb?” Hij sprak veel van zulke woorden; terwijl hij dat deed, opende de knaap zijne ogen alsof hij uit een slaap ontwaakte, stond op en was gezond.
Er was een edele man, die de heilige Nicolaus vurig smeekte, dat hij hem een zoon bij God verwierf, die hij in zijn kerk wilde voeren, en wilde hem een gouden beker offeren. De heilige Nicolaus schonk hem een knaapje. Het kind groeide op: toen liet de vader de beker maken, die hij beloofd had. Toen het klaar was, beviel het hem echter zo goed, dat hij deze voor zichzelf hield en liet een andere maken, aan de eerste gelijk. Daarmee voer hij de zee op en wilde zijn kind naar de heilige Nicolaus kerk brengen. Terwijl ze zo voeren, gebood de vader de zoon, dat hij hem water wilde inschenken uit de beker die hij als eerste had laten maken. Toen viel het kind met de beker in zee en verdween snel onder water. De vader weende bitter, doch hield zich aan zijn gelofte en offerde de tweede kelk op het altaar. Toen hij hem echter erop had gezet, viel hij weer van het altaar af, alsof hij eraf was geduwd; hij raapte hem op en zette hem er nogmaals op, maar toen werd hij opnieuw nog verder weggeslingerd. Terwijl iedereen zich daar nog over verwondert, zie, daar komt het kind dat men dood waande gezond en wel aan en draagt de eerste beker in zijn handen; en vertelt hoe de heilige Nicolaus meteen bij hem was toen het in het water viel, en het gered heeft. Dit verheugde de vader zeer, en offerde beide bekers aan de heilige Nicolaus.
Er was eens een rijk man, die op voorspraak van de heilige Nicolaus een zoon had die hij Adeodatus noemde. Hij had in zijn huis een kapel gebouwd ter ere van de heilige Nicolaus en vierde elk jaar zijn feest op zeer plechtige wijze. Het huis lag echter niet ver van het land der Agarenen. Alzo geschiedde het dat Adeodatus op een dag door de inwoners van dat land gevangen werd genomen; zij brachten hem naar hun koning om hem tot dienaar te maken. In het jaar daarna, op de feestdag van de heilige Nicolaus, vierde de vader van de jongen het feest met eerbied. Op datzelfde moment stond de jongeling voor de koning en reikte hem een prachtige beker aan, terwijl hij terugdacht aan zijn gevangenschap, aan het verdriet van zijn ouders en aan de vreugde die er die dag gewoonlijk heerste in het huis van zijn vader tijdens het feest. En hij huilde uit de grond van zijn hart. Toen dwong de koning hem met dreigementen om te vertellen wat er aan de hand was. En sprak daarna: “Jouw Nicolaus doet maar wat hij wil, jij blijft hier bij ons.” Terstond kwam er een grote wervelwind opzetten die het paleis trof en de knaap samen met de beker mee naar huis voerde, tot voor de deur van de kapel, waar zijn ouders net het feest van de heilige Nicolaus vierden. Toen geschiedde het dat allen in grote vreugde geraakten.
Men zegt ook dat deze jongeling uit Normandië kwam; en toen hij over zee voer, werd hij door de sultan gevangengenomen. Hij werd vaak voor de ogen van de sultan geslagen, en ook op de feestdag van de heilige Nicolaus, en in de kerker geworpen. Toen weende de knaap bitter, dat hij mocht sterven, en omdat hij terugdacht aan de vreugde die zijn ouders gewoonlijk op deze dag beleefden. Plotseling viel hij in slaap, en toen hij weer wakker werd, bevond hij zich in de kapel van zijn vader.
Over de heilige Lucia.
Lucia staat voor een licht. Nu heeft dat licht schoonheid in zijn aanschouwen; want het is zijn aard dat in zijn aanschouwen alle genade is, zoals Ambrosius schrijft. Het heeft ook uitstorting zonder vertroebeling; want het geeft zijn schijn door onreine plaatsen en blijft rein. Het heeft een rechte gang zonder kromming en gaat een lange weg zonder oponthoud. Hieruit moeten we opmaken dat de heilige Lucia de sier van een maagdelijk leven zonder smet droeg; dat in haar een uitstorting van hemelse liefde was, zonder enige onzuiverheid; dat zij een recht pad van toewijding aan God bewandelde en een lange weg van dagelijkse goede werken zonder onderbreking of ergernis. Of Lucia wordt uitgesproken als, ‘lucis via,’ een weg van licht.
Lucia was een edele maagd in de stad Syracuse, die van de heilige Agatha hoorde hoe haar heilige naam in heel Sicilië werd geëerd. Daarna ging ze op weg en kwam tot haar graf met Euthicia, haar moeder; die al vier jaren aan bloedvloeiingen leed, en niemand kon haar helpen. Daar ze zich op de heilige plaats bevonden, werd tijdens de Mis het evangelie voorgelezen, waarin verteld wordt hoe onze Heer een vrouw van deze zucht gezond maakte. Toen sprak Lucia tot haar moeder: “Gelooft u, wat men daar leest, zo geloof ook dat de heilige Agatha altijd bij Hem is, omwille zij als martelares heeft geleden: en wanneer u haar hoofd aanraakt met al uw geloof, zo weet, dat u gezond wordt.” Toen iedereen de kerk verliet, bleef Lucia bij haar moeder achter en knielde eerbiedig neer bij het graf van de heilige Agatha. Toen viel Lucia in slaap en zag de heilige Agathe te midden van de engelen staan, gekroond met edelstenen, en hoorde, hoe ze tot haar sprak: “Mijn zuster Lucia, maagd gewijd aan God, waarom vraag je mij naar je moeder, die je zelf gezond kunt maken? Zie, je moeder is door jouw geloof gezond geworden.” Lucia ontwaakte en sprak tot haar moeder: “Kijk moeder, u bent gezond geworden. Nu echter smeek ik u bij Hem, die u genezen heeft, dat u niet meer spreekt over een gemaal; en het goed die u mij als bruidsschat wilde geven, geef dat aan arme mensen omwille van God.” De moeder antwoordde: “Lieve dochter, wacht tot mijn dood, en doe dan met het goed wat je wilt.” Toen zei Lucia: “Moeder, wat u na uw dood geeft, dat geeft u omdat u het niet mee kunt nemen: geef het, terwijl u leeft, zo wordt uw loon ernaar.” Daar zij nu weer thuis waren, gaven ze dagelijks de armen van hun goed en zoveel, dat hun erfenis minderde. De bruidegom hoorde hiervan en ging naar de voedster van de heilige Lucia en vroeg haar over deze zaak. Die antwoordde hem listig en zei: “Uw bruid heeft een nuttiger goed gevonden, dat wil ze voor u verwerven; daarom verkoopt zij dat andere goed, en schijnt het alzo, dat dat goed zich mindert. Toen dacht hij dat het het tijdelijk goed was, dat zij wilde verwerven, en hielp haar zelfs dat andere goed te verkopen. Maar toen alles verkocht was, besefte hij dat zij het aan de armen had gegeven; en vol woede sleepte hij haar voor de rechter Paschasius en klaagde haar aan omdat zij een Christin zou zijn en tegen het gebod van de keizer had gehandeld. De rechter hief aan dat zij aan de afgoden moest offeren. Daarop antwoorde zij: “Een offer dat God welgevallig is, is dit: de armen zoeken en hen te hulp komen in hun nooddruft. Daar ik nu niets meer heb om aan Hem te offeren, zo offer in mijzelf aan Hem.” Toen zei Paschasius: “Zeg die woorden maar tegen een dwaze Christen aan u gelijk, maar niet tegen mij, want ik waak over het vorsten-gebod.” Lucia antwoordde: “Houd gij uw vorsten-gebod; ik houd mij aan de wet van mijn Heer Jezus Christus; vrees gij uw vorst: ik vrees mijn God en Heer. Schuwt u zich, hun toorn op te wekken: ik zie toe, dat niet Gods toorn over mij komt. Zoekt u, uw vorsten te bevallen, ik begeer Christus genegen te zijn. Daarom, zo zult u doen wat u nuttig en goed lijkt: ik zal doen, waarvan mijn heil komen mag.” Paschasius zei: “U hebt uw erfenis verslonden met de slechte jongens, daarom spreekt u als een openlijke zondares.” Lucia antwoordde: “Ik heb mijn goed op een veilige plek opgeborgen en heb nooit enig letsel aan mijn gemoed of lichaam ondervonden.” Toen vroeg Paschasius wie de schadeveroorzakers waren. Lucia antwoordde: De schadeveroorzakers van het gemoed zijn jullie, daar jullie de mensen aanraden dat zij zich van hun Schepper moeten afkeren; maar de schadeveroorzakers van het lichaam zijn degenen, die meer de lichamelijke wellusten navolgen dan de eeuwige vreugde.” Paschasius sprak: “Gij zult over deze woorden zwijgen, anders laat ik u slagen geven.” Lucia antwoordde: “Gods woord zal nooit ophouden.” “Zo gij zijt God?” sprak Paschasius. Lucia antwoordde: “Ik ben een dienstmaagd van God, die gesproken heeft tot zijn discipelen: ‘Wanneer u voor koningen en rechters staat, denk dan niet na over wat of hoe u zult spreken, want u spreekt niet alleen, de Geest van uw Vader in de hemel spreekt door u.'” Paschasius vroeg: “Alzo is de Heilige Geest in u?” Lucia antwoordde: “Wie kuis en zuiver leeft, die is een tempel van de Heilige Geest.” Toen zei Paschasius: “Ik zal u naar de tempel van de ontuchtige vrouwen leiden, daar zult u uw kuisheid verliezen en de Heilige Geest zal van u wijken.” Lucia antwoordde: “Het lichaam wordt niet verontreinigd, tenzij de Geest zijn wil daartoe geeft. Want al ontneemt u mij met geweld mijn kuisheid, toch kunt u mijn wil daartoe niet dwingen: daarvoor zal mijn loon voor de maagdelijke kuisheid dubbel worden gegeven. Waar wacht u nog op? Mijn lichaam is bereid alle pijn te verdragen, vang aan, gij zoon des duivels, en volbreng al uw wreedheid op mij naar uw wil.” Toen riep Paschasius de hoerenknechten tot zich en zei tegen hen: “Ga heen en nodig al het volk uit tot haar lijf, zij zullen van haar genieten totdat men haar dood aantreft.” Daar echter de boze jongelingen de heilige Lucia wilden verleiden tot zonde, was de dienstmaagd door de genade van de Heilige Geest zo zwaar, dat men haar niet van haar plek kon krijgen. Toen gaf Paschasius het bevel dat duizend mannen eropuit moesten trekken om haar handen en voeten vast te binden; maar ze konden haar op geen enkele manier bewegen. Hij liet door de duizend mannen verschillende span ossen voor haar spannen, echter de maagd bleef onbeweeglijk. Hij liet tovenaars opdraven, dat zij met hun bezweringen haar zouden bewegen haar plaats te verlaten; het mocht niet baten. Toen riep Paschasius: “Wat voor tovenarij is dit, dat duizend mannen een maagd niet kunnen bewegen? Lucia zei: “Het is geen tovenarij, het is Gods Macht. Weet, al zou u nog duizend bij de anderen voegen, ze zouden mij niet kunnen bewegen.” Verschillenden zeiden, dat door urine alle tovenarij verbroken kon worden; alzo lieten zij zich met urine overgieten. Maar toen men haar ook daarmee niet kon verplaatsen, werd de rechter angstig, en hij gebood een groot vuur om haar heen te ontsteken, en liet pek en hars en kokende olie over haar heen gieten. Toen zei Lucia: “Ik heb om uitstel van mijn martelaarschap gevraagd, opdat ik de gelovigen de angst voor het lijden kan wegnemen en de ongelovigen de stem van de godslastering.” Daar de vrienden van Paschasius zagen hoe moedeloos hij was, staken zij een zwaard in de keel van de maagd. Maar ze verloor haar stem niet en riep uit: “Ik verkondig u, dat de Christenheid de vrede is teruggegeven: want Maximianus is vandaag gestorven en Diocletianus is uit het rijk verdreven. En net zoals mijn zus Agatha aan de stad Catania is toevertrouwd als beschermster, zo ben ik aan de stad Syracuse toevertrouwd als voorspreekster.” Nog voordat de maagd haar rede volbracht had, arriveerden de Romeinse boden, namen Paschasius gevangen en voerden hem gebonden voor de keizer; de keizer had namelijk vernomen dat hij het land van alles beroofd had. Hij werd in Rome voor de Senaat gebracht, veroordeeld en op last van het vonnis onthoofd. Lucia echter bleef op de plek waar ze verwond werd, en wilde daarvan niet weggevoerd worden. Zij gaf niet eerder haar geest op, totdat de priesters kwamen en haar het lichaam van de Heer gaven: en al het volk zei Amen. Op dezelfde plek is ze begraven en een kerk ter hare ere is er gebouwd. Ze leed onder Constantinus en Maxentius rond het jaar des Heren 310.
Over de heilige Thomas de Apostel.
Thomas wordt ook wel afgrond genoemd; of een tweeledige, wat ik het Grieks ook ‘didimus’ betekent; of het komt van ’thomos’, wat ‘scheiding’ of ‘splitsing’ betekent. Hij wordt ‘Afgrond’ genoemd omdat hij de diepte van de Godheid heeft doorgrond, daar Christus op zijn vraag antwoordde: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.’ Hij is in twee opzichten gezegend, omdat hij de opstanding van onze Heer op twee manieren heeft bevestigd: niet alleen met zijn gezicht, zoals anderen, maar door te zien en aan te raken. Hij wordt ‘Deling’ of ‘Scheiding’ genoemd, omdat hij zijn hart heeft afgescheiden van de liefde van deze wereld; of omdat hij zich in het geloof aan de opstanding van de andere discipelen had afgescheiden. Of Thomas is zoveel als ’totus’, wat betekent: iemand die volledig wandelt, namelijk in Gods liefde en in Zijn aanschouwing. Want er waren met name drie dingen in hem die van deze liefde voor God getuigden; daarover zegt Prosperus in zijn boek ‘De vita contemplativa’: ‘Wat is God liefhebben anders, dan in de ziel innig naar Zijn aanschouwing te verlangen, de zonde te haten en de wereld te verachten?’ Of Thomas komt van theos, dat is God, en meus, mijn, en betekent dus: ‘mijn God’; daarom dat hij zei ‘mijn Heer en mijn God’, toen hij zich ervan overtuigd had dat Christus was opgestaan.
De apostel Thomas bevond zich in de stad Caesarea, toen onze Heer aan hem verscheen en zei: “Gundoforus, de koning van India, heeft zijn rentmeester Abbanes opgedragen om voor hem de beste bouwmeesters te zoeken. Sta daarom op, ik wil u tot hem zenden.” De heilige Thomas zei: “Heer, zend mij waarheen U wilt, maar zend mij alleen niet naar India.” Toen antwoordde onze Heer en zei: “Thomas, ga heen en vrees niet, Ik zal uw beschermer zijn; en wanneer u de mensen in India bekeerd hebt, zult u tot Mij komen met de martelaarspalm.” De heilige Thomas sprak: “Gij zijt mijn Heer, ik ben uw dienaar, Uw wil geschiede.” Toen nu de schatbewaarder van de koning over de markt liep, sprak onze Heer tot hem: “Jongeling, wat zoek gij?” Hij antwoordde: “Mijn heer heeft mij gezonden om voor hem de beste bouwmeesters te zoeken, opdat zij voor hem een paleis bouwen op Romeins wijze.” Daarop stelde de Heer de heilige Thomas voor als een grote meester in deze kunst. Alzo gingen ze met elkaar aan boord en voeren over zee. En ze kwamen bij toeval in een stad terecht waar een koning de bruiloft van zijn dochter vierde, en hij had laten verkondigen dat wie niet naar dit huwelijk zou komen, in ongenade bij de koning zou vallen; daarom gingen Abbanes en de heilige Thomas ook naar het huwelijk. In het paleis was een Joodse maagd, die een fluit in haar hand hield en tegen iedereen iets lovends zei. Toen zij de Apostel aanzag, merkte ze, dat hij een Jood was, omdat hij niet naar beneden keek, maar zijn ogen naar de hemel gericht had. Toen begon ze in het Hebreeuws tegen hem te zeggen: “Er is één God in de hemel, de Hebreeër God, die heeft alle dingen geschapen en de zee.” Toen vroeg de heilige Thomas of ze het de volgende keer wilde zingen. Onder hen zag de schenker dat de heilige Thomas noch at noch dronk, maar alleen zijn ogen naar de hemel gericht hield; waarop hij zijn hand ophief en hem op de wang sloeg. De Apostel zei tegen hem: “Het is beter dat u vergeving ontvangt in het toekomende leven en de slag u vergolden wordt in deze wereld. Daarom zal ik niet opstaan van deze plek, tenzij de honden degene hierheen brengen die mij geslagen heeft.” En zie, toen de schenker naar buiten ging om water te scheppen, werd hij overvallen door een leeuw die zijn bloed dronk. De honden echter verscheurden het lijk en een zwarte hond bracht de rechterhand naar de tafel waar de gasten aan zaten; allen raakten hierdoor zeer verschrikt. Maar de maagd herhaalde de woorden die de heilige Thomas eerder had gesproken, gooide haar fluit weg en viel aan de voeten van de Apostel neer.
De wraak die hier plaatsvond, wordt door de heilige Augustinus in het boek dat hij tegen de overlevering in heeft geschreven, veroordeeld, en hij zegt dat dit ten onrechte is toegevoegd, waardoor het verhaal grotendeels als onwaar wordt beschouwd. Men zou echter kunnen zeggen dat de Apostel dit niet als een oproep tot wraak bedoelde, maar als een profetie. Als we echter de woorden van de heilige Augustinus nader beschouwen, zo schijnt het dat hij de daad toch niet volledig verwerpt. Want hij spreekt in het eerder genoemde boek als volgt: ‘De manicheeërs lezen een aantal apocriefe boeken, die door onbekende fabeldichters onder de namen van de Apostelen zijn geplaatst; deze zouden in de tijd van hun schrijvers wel door de kerk zijn aangenomen en bevestigd, zo de heilige en wijze mannen ze voor waar hadden gehouden, die toen leefden en ze goed konden onderzoeken. Daar staat dan geschreven dat de Apostel Thomas, toen hij als pelgrim onherkend op een bruiloft aanwezig was, door een bediende met de hand werd geslagen, en vanaf dat moment om strenge wraak op deze man smeekte. Want toen de mens naar de bron liep om water te scheppen voor de gasten, stortte een leeuw zich op hem en verscheurde hem; maar de hand die de Apostel met een lichte slag had geraakt, werd door honden van het lichaam gerukt en een (zwarte) hond droeg haar de zaal binnen waar de Apostel aan tafel zat, naar het woord van de Apostel en op zijn wens en gebed. Wat is er wreder dan dit? Maar, als ik mij niet vergis, staat daar ook geschreven dat de Apostel tegelijkertijd om vergeving voor de mens vroeg in het aardse leven; zo werd de straf afgewogen door een hogere weldaad: God wilde die vreemdelingen afschrikken en hen tonen, hoe dierbaar zijn twaalf Apostelen voor Hem waren, en ieder mens, die toch eenmaal moet sterven, kreeg raad voor het eeuwige leven. Of dit verhaal nu wel of niet waar is, is mij om het even. Eén ding is zeker: de manicheeërs, die deze verhalen voor waar en echt hielden en die door de kerkelijke canon waren veroordeeld, moesten toegeven dat het geduld dat de Heer onderwijst, wanneer Hij zegt: “Als iemand u op uw rechterwang slaat, bied hem dan ook de linker aan”, ook alleen in het hart kan bestaan, zonder zich in woorden en gebaren te uiten: want de Apostel, toen hij geslagen werd, vroeg de Heer liever om de boze mens in het toekomende leven te vergeven en zijn boosaardigheid in het huidige leven niet ongestraft te laten, dan dat hij de slaande de andere wang aanbood of hem aanspoorde om een tweede keer te slaan: innerlijk was hij vol liefde en mildheid, uiterlijk wilde hij een voorbeeld geven ter verbetering. Of dit nu waar is of dat hij het verzint: was het ook niet zo dat Mozes, de knecht Gods, niet ook geneigd was om met zijn zwaard degenen neer te slaan die beelden maakten en aanbaden? Als je de straf eraan koppelt, maakt het geen verschil of iemand met het zwaard wordt berecht of door wilde dieren wordt verscheurd; want zelfs onze rechters veroordelen de grootste misdadigers na een gemeenschappelijk proces ter dood door wilde dieren of met het zwaard.” Augustinus schrijft zulke dingen.
Vervolgens vroeg de koning aan de heilige Thomas om het bruidspaar zijn zegen te geven. Dat deed hij en sprak: “Heer, ik smeek U om deze twee jonge echtgenoten de zegen van Uw rechterhand te geven en in hun harten het zaad van het eeuwige leven te planten.” En toen de heilige Thomas van hen wegging, zag men in de hand van de jongeling een dadelpalmtak, die vol hing met vruchten. De bruid en bruidegom proefden van deze vruchten; daarna vielen ze beiden in slaap en hadden dezelfde droom: een goed geklede koning omhelsde hen en zei: “Mijn Apostel heeft jullie gezegend, opdat jullie deel mogen hebben aan het eeuwige leven.” Toen ze wakker werden en elkaar over de droom vertelden, kwam de heilige Thomas bij hen binnen en zei: “Mijn Koning is aan jullie verschenen en heeft mij door gesloten deuren naar jullie geleid, opdat mijn zegen over jullie vruchtbaar wordt. Bewaar de zuiverheid van uw geliefde: maagdelijkheid is de koningin van alle deugden en een vrucht van het eeuwige heil; zij is een zuster van de engelen, een bezit van al het goede, een overwinning op begeerten, een overwinning van het geloof, een weerstaan tegen duivelen en een zekerheid van eeuwige vreugde. Maar uit lichamelijke begeerte ontstaat wanorde in het lichaam, wat leidt tot onreinheid; hieruit komt de zonde voort, waaruit de straf van God geboren wordt.” Tijdens deze toespraken verschenen twee engelen, die zeiden: “Wij zijn twee engelen, gezonden om u te beschermen; als u de vermaning van de twaalf Apostelen ter harte neemt, zullen wij al uw verzoeken voor Gods aangezicht brengen.” Toen werden ze gedoopt door de heilige Thomas, die hen ijverig onderwees in het heilige geloof. De bruid, genaamd Pelagia, wijdde zich met de heilige sluier aan de dienst van de Heer en werd lange tijd daarna gemarteld. Dionysius echter, haar echtgenoot, werd bisschop in de stad.
Hierna kwamen Abbanes en de heilige Thomas naar de koning van India; en de heilige Thomas ontwierp voor hem een prachtig paleis, dat hij voor hem wilde bouwen; hiervoor gaf de koning hem een grote schat aan goud en vertrok naar een ander land. In die tijd verdeelde de heilige Thomas de schat onder de armen, en gedurende twee volle jaren, terwijl de koning afwezig was, predikte hij tot het volk en bekeerde hij talloze mensen tot het Christelijk geloof. Toen de koning terugkeerde en hoorde hoe Thomas geleefd had met zijn goed, wierp hij hem en Abbanes in de diepste kerker en overwoog hoe hij zich aan hen zou wreken, en wilde hen beiden levend villen en daarna met vuur verbranden. In die tijd stierf Gad, de broeder van de koning, en er werd voor hem een graf met grote pracht voorbereid. Echter op de vierde dag stond de dode op; en allen die aanwezig waren raakten verschrikt en namen de vlucht. De opgestane Gad sprak tot zijn broeder: “weet dat de mens die u wilde villen en verbranden, een vriend van God is, en dat alle engelen hem dienen: zij voerden mij ook in het Paradijs en toonden mij een paleis, die wonderbaarlijk gemaakt was van goud, zilver en edelstenen; en toen ik mij over de pracht verwonderde, zeiden ze tot mij: “Dit is het paleis dat Thomas voor uw broeder heeft gemaakt.” Toen zei ik: “Wilde God maar, dat ik poortwachter daar mocht zijn.” Zij antwoordden: “Uw broeder heeft zich deze woning onwaardig gemaakt, daarom begeert gij hierin te wonen, zo willen wij God voor u bidden dat Hij uw leven teruggeeft, zodat u het paleis van uw broeder kunt kopen en hem het geld teruggeeft, dat hij denkt verloren te hebben.” Zo liep Gad de kerker binnen en vroeg de heilige Thomas of hij zijn broeder wilde vergeven; hij verloste hem van zijn boeien en smeekte hem, dat hij een kostbaar kleed van hem wilde aannemen. Maar de heilige Thomas zei: “Weet gij dan niet dat zij die geen lichamelijke noch wereldse begeerten koesteren, alzo macht in de hemel willen hebben?” Toen de heilige Thomas de kerker verliet, kwam de koning hem tegemoet, wierp zich aan zijn voeten en smeekte om genade. Toen zei de Apostel: “God heeft u buitengewone genade bewezen, doordat Hij u zijn geheimenis heeft getoond. Geloof daarom in Hem en laat u dopen, opdat u deelachtig wordt aan het eeuwige rijk.” Toen sprak tot hem Gad, konings broeder: “Ik zag het paleis dat u voor mijn broeder hebt gebouwd, en heb verworven, dat ik het kopen mag.” De heilige Thomas antwoordde: “Dat staat in uw broeders wil.” Toen zei de koning: “Het paleis is van mij, en de heilige Thomas zal een ander paleis voor u bouwen, en doet hij dat niet, zo zal dit paleis ons beiden toebehoren.” De Apostel antwoordde: “Er zijn ontelbare paleizen in de hemel van aanvang der wereld bereid, die men koopt door geloof en met aalmoezen. Alzo mogen u uwe schatten van nut zijn, zo ze voor u vooruitgaan naar de hemelse woningen; want navolgen mogen ze u nimmermeer.”
Ongeveer een maand later liet de heilige Thomas de armen van het land allen tezamen komen; hij nam de zwakken en zieken apart, bad voor hen, en allen die het begrepen, zeiden “Amen”. Toen kwam er een licht uit de hemel en sloeg de Apostel en de mensen die daar waren een half uur lang neer, zodat ze dachten dat ze door de bliksem waren getroffen. Toen stond de heilige Thomas op en sprak: “Sta op, mijn Heer is gekomen gelijk een bliksemflits en heeft u allen gezond gemaakt.” En ze stonden allen gezond op en loofden God en de heilige Thomas. Toen begon de Apostel het volk te onderrichten en vertelde hij hun over de twaalf trappen der deugden: “De eerste is, geloof in God, die één in Wezen en Drie-eenheid in Persoon is,” en hij toonde hun aan de hand van drie sprekende voorbeelden hoe drie één konden zijn, en zei: “De wijsheid van de mens is één, daaruit vloeit rede voort, daarmee vindt u wat u niet hebt geleerd; het geheugen, waarmee u bewaart wat u hebt geleerd; het verstand, waarmee u de dingen begrijpt die men u toont of leert. Ook zijn er aan de wijnstok hout, bladeren, en vrucht, en toch is het maar één wijnstok. En in het hoofd van de mens zijn vier zintuigen: gezicht, gehoor, reuk en smaak; en het is toch maar één hoofd. De tweede is, dat gij u laat dopen. De derde, hoed u voor onkuisheid. De vierde, vermijdt de hebzucht. De vijfde, laat het vreten en zuipen. De zesde, doe boetedoening. De zevende, volhard in deze deugden. De achtste, heb lief de barmhartigheid. De negende, zoek in al uw werken naar Gods wil en leef daar alleen naar. De tiende, vermijd de dingen die tegen God ingaan. De elfde, heb uw vijanden en vrienden lief. De twaalfde, waak, dat u dit alles vervult.” Na deze prediking lieten zich negenduizend mannen dopen, en talloze vrouwen en kinderen.
Daarna reisde de heilige Thomas naar het noorden van India, waar hij talloze grote wonderen verrichtte. Hij bekeerde ook Sentice, die een speelkameraad van Migdonia was, die met Carisius getrouwd was, één van de naaste vrienden van de koning. Daar sprak Migdonia tegen Sentice: “Hoe kan het geschieden, dat ik de heilige Thomas zie?” Sentice raadde haar aan, dat zij haar kleed verving en met de arme vrouwen naar de prediking zou gaan. Dit deed Migdonia. Toen hoorde ze hoe de Apostel predikte over de onzaligheid van dit leven en zei: “Dit leven is zeer ellendig, en aan alle toevallen prijsgegeven, en is alzo bedrieglijk, aangezien het voorbijgaat en verdwijnt, terwijl men denkt het te houden. Daarna vermaande hij hen, Gods woord gewillig aan te horen: uit vier oorzaken, en hij vergeleek het Woord van God met vier soorten dingen: een oogzalf, want het verlicht de ogen van onze geest; een drank, want het zuivert onze wil van alle vleselijke begeerten; met een pleister, want het geneest de wonden van onze zonden; met een spijs, want het voedt ons met Goddelijke liefde; en net zoals deze vier dingen de zieke niet helpen, tenzij hij ze ijverig tot zich neemt, zo kan ook het Woord van God de zieke niet helpen, als zij het niet met toewijding hoort. Door deze preek werd Migdonia gelovig en keerde zich vanaf dat moment af van het bed van haar man. Toen kreeg Carisius van de koning toestemming om de heilige Thomas in de gevangenis op te sluiten. Migdonia ging naar hem toe in de kerker en smeekte hem haar te vergeven dat hij omwille van haar in de kerker was opgesloten. Maar hij troostte haar met nederige woorden, en zei: “Ik onderga dit alles vrijwillig.” Carisius bad de koning, of hij de koningin naar haar wilde zenden, die de zus was van zijn vrouw Migdonia, om te zien of zij van gedachten zou willen veranderen. De koningin ging naar haar zus, maar hoewel ze dacht haar te bekeren, werd zij zelf door haar bekeerd; en toen ze de grote wonderen zag die de heilige Thomas verrichtte, zei ze: “Vervloekt zijn zij door God die zulke werken van wonderen niet geloven.” Toen leerde de heilige Thomas allen die aanwezig waren, drie dingen: dat zij de kerk moesten liefhebben, dat zij de priesters moesten eren en dat zij graag kwamen om Gods Woord te horen. Toen nu de koningin weer thuiskwam, vroeg de koning haar: ‘Waarom bent u zo lang weggebleven?” Zij antwoordde: “Ik dacht dat Migdonia een zottin was, en heb ontdekt dat zij buitengewoon wijs is, want zij heeft mij geleid naar de Apostel Gods, en heeft mij de weg van de waarheid getoond; dwaas zijn zij, die niet in Christus geloven.” En wilde voortaan de koning niet meer ter wille zijn. De koning schrok en sprak tot Carisius ‘Daar ik uw vrouw wilde terugbrengen, heb ik de mijne verloren, want de mijne is mij bozer en weerspanniger geworden dan de uwe voor u.” Daarna liet de koning de heilige Thomas met gebonden handen voor zich brengen en sprak, hij zou de vrouwen moeten aanraden, dat ze weer tot hun mannen gingen. Daarop toonde de heilige Thomas aan de hand van drie voorbeelden, namelijk die van een koning, van een toren en van een bron, dat zij het niet zouden doen zolang de mannen in het verkeerde geloof waren, en hij sprak: “Gij zijt een koning, en wilt geen onreine diensten hebben van knechten noch van maagden; zo bedenk, hoeveel te meer God zuivere en reine diensten verlangt!” Waarom straft u mij nu, terwijl ik predik dat God van zijn dienaren houdt en hen liefheeft, net zoals u van uw dienaren houdt? Ook heb ik een hoge toren gebouwd, en nu zegt u, dat ik hem weer moet afbreken? Ik heb diep in de aarde gegraven en een bron uit de grond laten opwellen: en nu beveelt u mij die te dempen?” Toen werd de koning toornig, en liet gloeiende ijzeren platen aanbrengen, en dwong de Apostel met blote voeten daarop te gaan staan. Maar door Gods kracht ontsprong op dezelfde plek een bron, die de gloeiende platen doofde. Daarna liet de koning hem op advies van Carisius in een brandende oven werpen; maar de oven werd zo koud dat de heilige Thomas er de volgende dag ongedeerd uitkwam. Toen zei Carisius tegen de koning: “Laat hem de zonnegod offeren, zo zal God, die hem tot nu toe van deze pijn verlost heeft, toornig op hem worden.” Alzo wilde men de heilige Thomas dwingen te offeren, waarop hij tot de koning sprak: “Gij zijt beter dan de werken die u hebt gemaakt, waarom veracht u de ware God en aanbid u dit beeld? Gij waant u, dat God over mij toornig zal zijn, wanneer ik uw god aanbid, zoals Carisius zegt, maar u zult zien, dat hij meer over uw god zal toornen en hem zal verderven. Welnu, ik wil uw god offeren, en vernietigt hij mijn God niet, daar ik hem aanbid, dan zal ik Hem geloven; maar als mijn God de uwe vernietigt, dan moet u mijn God aanbidden.” De koning zei: “Wilt u echter op gelijke voet met mij spreken?” Toen beval de heilige Thomas de duivel, die in het beeld zat, in het Hebreeuws dat zodra hij voor het beeld op zijn knieën zou vallen, hij het moest vernietigen. En hij knielde neer voor het afgodsbeeld en sprak: “Zie, ik aanbid, maar niet dit afgodsbeeld, dit stuk metaal, dit beeld, maar mijn God de Heer Jezus Christus: In Zijn naam beveel ik je, boze geest, die in dit beeld woont, dat je dit afgodsbeeld vernietigt.” Terstond smolt de afgod weg alsof hij van was was. Toen schreeuwden de heidense priesters om de heilige Thomas, en de hogepriester van de tempel haalde zijn zwaard tevoorschijn, doorboorde de Apostel en riep: “Alzo wreek ik mijn god.” De Koning echter en Carisius sloegen op de vlucht, want ze zagen dat het volk de dood van de Apostel wilde wreken en de hogepriester levend wilde verbranden. Daarna namen de Christenen het lichaam van de heilige Thomas mee en begroeven hem met grote eer.
Vervolgens, lang na de geboorte van Christus, zo’n tweehonderddertig jaar later, verzocht het volk van Syrië keizer Alexander om het heilige stoffelijk overschot naar de stad Edessa te brengen, die bij de Meden ooit Rages (Tob. 1:16) heette. Alzo geschiedde het ook. Er kwam echter in deze stad geen heiden, geen Jood noch een ketter, en geen tiran heeft haar ooit schade berokkend. Want aan de koning van dezelfde stad, genaamd Abgarus, werd een brief gestuurd, door Christus zelf geschreven; en wanneer vijanden voor de stad oprukken, stelt men een gedoopt kind bij de stadspoort en laat men het de brief lezen, die onze Heer geschreven heeft: zo vluchten de vijanden dezelfde dag of maken vrede, door de kracht van de brief en de genade van de heilige Thomas.
Isidorus spreekt over de heilige Thomas in het boek ‘De vita et obitu Sanctorum’ als volgt: “Hij was de leerling van de Heer, die hem gelijk zag, in horen ongelovig, in het zien gelovig. Hij predikte het evangelie aan de Parthen, Meden, Perzen, Hyrcaniërs en Bactriërs, trok naar het Oosten en drong door tot in het diepste hart van de heidense gebieden, waar hij tot aan zijn marteldood het evangelie bleef verkondigen; hij stierf doorboord door speren. Chrysostomus vertelt ook, dat toen de heilige Thomas in het land kwam, waar de heilige drie koningen woonden, die gekomen waren om Christus te aanbidden, hij hen doopte; en ze waren voortaan goede helpers van het Christelijk geloof.
Over het onderscheid der tijd.
Nadat we hebben gesproken over de feesten die vallen in de tijd van de vernieuwing, die loopt van Mozes en de Profeten tot aan de komst van Christus in het vlees, en die worden gevierd vanaf de advent tot en met Kerstmis; zo zullen wij hierna spreken over de feesten die vallen in de tijd die voor een deel onder de tijd van verzoening valt, en voor een ander deel onder de tijd van pelgrimage. De kerk viert deze periode van Kerstmis tot Septuagesima, zoals ook in het begin is vermeld.
Over de geboorte des Heren.
Onze Heer Jezus Christus werd lichamelijk in deze wereld geboren in de dagen van keizer Octavianus, meer dan 5228 jaar na de tijd van Adam, zoals ettelijke leraren ons schrijven; andere meesters zijn van mening dat er 6000 jaar lussen liggen; Eusebius van Caesarea rekent in zijn kroniek slechts 5199 jaar. De berekening van 6000 jaar heeft Methodius gevonden, maar is wellicht meer in geestelijke zin, dan een berekening in aardse jaren.
Toen Jezus Christus in deze wereld werd geboren, heerste er zo’n grote vrede op aarde, dat één enkele Romeinse keizer de hele wereld met vrede bedekte; zijn naam was Octavianus; maar hij werd ook Caesar genoemd, naar Julius Caesar, zijn oom; Augustus vanwege de uitbreiding van het rijk; Imperator vanwege de keizerlijke waardigheid, die in tegenstelling tot andere koningen voor het eerst met deze naam werd aangeduid. Want net zoals Christus werd geboren om de mensen tijdelijke en eeuwige vrede te schenken, zo wilde hij dat de wereld bij Zijn geboorte ook tijdelijke vrede zou vieren. Daar nu Augustinus de ganse wereld bezat, begeerde hij te weten, hoeveel landen en steden, hoeveel burchten en dorpen en mensen in de hele wereld waren. Daarom gebood hij, zo vertelt de historia scholastica, dat ieder mens naar de stad moest gaan waar hij geboren was, en gaf de landvoogd een zilveren denarius, en zich erkennen als Romeins onderdaan. Eén denarius is echter gelijk aan tien gewone munten, waarvan één denarius wordt genoemd, en draagt het beeld van de keizer en zijn naam als opschrift. Deze telling werd genoemd een verklaring en een aantekening, om tweeërlei oorzaken. Verklaring heette het, omdat een ieder die zijn hoofdgeld aan de landvoogd bracht, dat is de denarius, die alzo genoemd werd, die denarius op zijn hoofd legde en met eigen stem verklaarde dat hij onderdaan van het Romeinse rijk was; daarom heette het verklaring, dat wil zeggen: het met eigen mond bekendmaken; en dit gebeurde in het openbaar voor het hele volk. Aantekening echter heette de telling, omdat een ieder die hoofdgeld aanbracht, met een getal werd aangeduid en opgeschreven. De eerste betaling werd gedaan door Cyrinus, de landvoogd van Syrië. Ze wordt de eerste van Cyrinus genoemd, zoals wij in de historia scholastica lezen; want omdat Judea, zoals men zegt, in de navel van de bewoonde aarde ligt, werd bevolen daar te beginnen, en moesten de landvoogden in de omliggende landen volgen. Ze heet ook de eerste, omdat het de eerste algemene telling was, hoewel er al eerder specifieke volkstellingen hadden plaatsgevonden. Of men noemt haar derhalve de eerste, omdat eerst de hoofden van de landvoogd werden geteld, daarna de steden van het land door de legaten des keizers, en tenslotte alle landen voor de keizer in Rome.
Daar maakte zich ook op Jozef van Nazareth om naar de stad Bethlehem te gaan, omdat hij uit het geslacht van David was. Toen nu de tijd naderde dat Maria zou bevallen en Jozef niet wist wanneer hij weer naar huis zou kunnen terugkeren, nam hij haar mee naar Bethlehem, opdat hij de schat die God hem had toevertrouwd zelf met grote zorg zou bewaren en niet in vreemde handen zou laten vallen. Zo vertelt broeder Bartholomeus in zijn compilatie: Toen ze de stad Bethlehem naderden, zag Maria dat een deel van het volk vrolijk was en een ander deel bedroefd. De engel maakte dit haar duidelijk en zei: “De vrolijken vertegenwoordigen dat heidense volk, dat in Abrahams zaad de eeuwige zegen zal ontvangen; de bedroefden vertegenwoordigen dat Joodse volk, dat naar zijn verdiensten door God verworpen is.” Daar Maria en Jozef nu in Bethlehem waren konden ze geen onderdak vinden; want ze waren arm aan aardse bezittingen, en bovendien waren alle herbergen vol met mensen, die om dezelfde reden waren gekomen. Daarom trokken ze zich terug in een open doorgang tussen twee gebouwen die overdekt was met een dak, zoals we lezen in historia scholastica; men noemt dat een inkeer, en de burgers kwamen daar samen om te praten en te eten tijdens feestdagen of bij slecht weer. Jozef maakte daar waarschijnlijk voor de os en de ezel een kribbe; anderen zeggen dat de kribbe er al stond, omdat de boeren hun vee daar vastbonden wanneer ze tot de markt kwamen.
In de armoede beviel Maria rond middernacht op zondag van haar kind en legde dat lieve kindje in de kribbe op een beetje hooi; datzelfde hooi werd later door de heilige Helena naar Rome gebracht, zoals we lezen in de historia scholastica; os en ezel echter, zo zegt men, durfden er niet van te eten.
We moeten hier drie dingen opmerken over de geboorte van onze Heer: ten eerste de tekenen en wonderen die zich in die tijd voordeden, ten tweede de vele manieren waarop de geboorte werd verkondigd, en ten derde het grote nut dat daaruit voortkomt.
Om te beginnen was de geboorte op zich al wonderbaarlijk; vanwege de moeder die baarde, vanwege Christus die geboren werd, en vanwege de manier waarop hij geboren werd. Van moederswege, want Maria was maagd voor de geboorte, tijdens de geboorte en na de geboorte. Daarvan hebben wij vijf getuigenissen, dat zij als reine maagd baarde. Het eerste is de profeet Jesaja in hoofdstuk 7, waar hij zegt: “Zie, een maagd zal zwanger worden en een zoon baren.” Het tweede voorbeeld is de staf van Aäron, die bloeide zonder menselijk toedoen, en bij de poort van Ezechiël, die nooit gesloten werd. Het derde is de deugdzaamheid van Jozef: omdat hij over haar waakte, wordt getuigd dat zij maagd bleef. Ten vierde werd het ook beproefd. Want Bartholomeus vertelt in zijn compilatie, en het lijkt te zijn overgenomen uit het boek over de kindertijd van de Verlosser: Toen het uur aanbrak dat Maria moest bevallen, riep Jozef twee vroedvrouwen, de ene Zebel geheten, de andere Salome; hij twijfelde er niet aan dat de Maagd de Zoon van God zou baren, maar hij handelde slechts volgens de gewoonte van het land. Daar nu Zebel voelde dat Maria maagd was, riep ze: “Waarlijk, deze is maagd en heeft gebaard.” Dat wilde Salome niet geloven, maar ze wilde het wel onderzoeken; toen verstijfde haar hand en droogde op. Onder hen verscheen een engel en beval haar het kind aan te raken; daardoor werd ze onmiddellijk weer gezond. Het vijfde was een duidelijk teken, dat in Rome gebeurde op de tijd van de geboorte van onze Heer. Paus Innocentius III schrijft, dat er twaalf jaar vrede was in het Romeinse Rijk; toen bouwden de Romeinen een zeer mooie tempel van vrede en plaatsten daarin de zuil van Romulus, en vroegen aan Apollo, hoe lang de vrede zou duren. Daar werd hun geantwoord: “Zolang, totdat een maagd een kind baart.” Toen zij dit hoorden, zeiden zij: “Zo zal de vrede eeuwig duren,” hetgeen hun onmogelijk scheen, dat een maagd zou baren; daarom schreven zij boven de deur van de tempel ‘Eeuwige tempel van de vrede.’ Echter in de nacht dat Christus geboren werd, stortte de tempel in; en nu staat op die plek de kerk Sancte Maria Nova.
Het andere wonder was aan het kind, zoals de heilige Bernardus schrijft: “In één Persoon waren het eeuwige, het oude en het nieuwe op wonderbaarlijke wijze verenigd: De Godheid eeuwig, het lichaam oud sinds Adam, de ziel nieuw geschapen.” En verder spreekt de heilige Bernhard: “God heeft op deze dag drie werken verricht, zo wonderlijk, dat hun gelijke nooit is geschied en ook nooit zal geschieden: dat verenigd zouden worden God en mens, moeder en maagd, geloof en menselijk hart. De eerste vereniging is wonderlijk, dat verbonden werd stof en God, zwakheid en almacht, schandelijkheid en hoogheid. Want er is niets hoger dan God, en niets lager dan aardse stof. De tweede is heel wonderlijk, omdat nooit werd gehoord dat een maagd zou baren en moeder en maagd zou blijven. Het derde is onder de twee eerstgenoemden, en is toch genoeg wonderlijk: hoe het hart van een mens deze twee geloven kan, dat iemand God en mens is, en dat iemand moeder en maagd is.”
Het derde wonder is hoe de geboorte plaatsvond. Het was bovennatuurlijk, dat een maagd ontvangen werd; het ging boven het verstand dat zij God baarde, het waren bovenmenselijke krachten, dat zij zonder pijn baarde, het ging boven de gewone loop, dat zij ontvangen had van de Heilige Geest; want zij baarde niet uit menselijke zaden, maar uit een mystieke adem: de Heilige Geest nam tot zich van het reinste en zuiverste bloed van de maagd en schiep daarvan het lichaam van Christus. En zo toonde God de vierde manier waarop Hij de mens wonderbaarlijk schiep. Daarvan spreekt Anselmus: “Op vier manieren heeft God de mens geschapen: ene zonder vader en moeder, dat was Adam; de andere zonder moeder uit een vader, dat was Eva; de derde uit een vader en een moeder, zoals wij allen; de vierde uit een moeder zonder vader, zoals hier op wonderbaarlijke wijze is geschied.”
De geboorte van onze Heer werd op vele manieren bekendgemaakt: alle creaturen gaven daarvan getuigenis. Nu zijn er creaturen, die hebben alleen een lichamelijk bestaan, zoals de stenen. Anderen hebben een bestaan en leven, zoals de planten; Weer anderen hebben een bestaan, leven en gevoelen, zoals de dieren. Ook zijn er die een bestaan, leven, gevoelen en begrip hebben, zoals de mens. Nog weer anderen hebben een bestaan, leven, gevoelen, begrip en erkennen, zoals de engelen. Al deze schepselen hebben de geboorte van Christus verkondigd. Van de laagste wezens, die enkel een lichaam hebben, zijn er opnieuw drie soorten: ondoorzichtig, doorzichtig of onvast, en lichtgevende. Ten eerste gaven de ondoorzichtige lichamen getuigenis, zoals de stenen, die aan de tempel van Rome uiteenvielen, zoals hier gezegd werd; en aan de zuil van Romulus, de afgod van de Romeinen, die tot stukken werd verbrijzeld; en aan andere afgodszuilen, die op hetzelfde moment op vele andere plaatsen werden vernietigd. Daarover lezen wij ook in de historia scholastica, dat de profeet Jeremia naar het land Egypte ging en na de dood van Gedaliah aan de koningen van Egypte het teken gaf dat hun afgoden zouden vallen op het moment dat een maagd een kind zou baren. Daarom plaatsten de priesters van de afgoden op de meest geheime plaats van de tempel het beeld van een maagd die een kind in haar schoot hield, en aanbaden het. Toen daarna koning Ptolemaeus hen eens vroeg, waarom ze dat deden; antwoordden ze: “Het is een geheim, die wij uit gewoonheid van onze Vader houden, die zij van een grote heilige en profeet hebben ontvangen.” En geloofden dat het zo zou gebeuren.
Aan de andere kant getuigde de doorzichtige of onvaste materie van de geboorte; want in de heilige nacht veranderde de duisternis van de lucht in de helderheid van de dag. Ook getuigden Orosius en paus Innocentius III dat in diezelfde nacht in Rome een bron met water veranderde in olie en barste uiten stroomde tot in de Tiber, en stroomde de hele dag onafgebroken: zoals Sibylle voorspeld had: dat wanneer een bron met olie zou ontspringen, zo zou de Verlosser van de Wereld geboren zijn.
Ten derde werd de geboorte getuigd door de stralende lichamen, als door de hemellichamen. Want vele vertellen, zoals Chrysostomus schrijft, dat op die dag de wijzen, terwijl zij op een berg baden, een ster verscheen in de gestalte van een mooi kindje, en boven het hoofd schitterde een kruis; en het kind sprak tot hen: “Ga naar Judaea, daar zult gij het kindje geboren vinden.” Op dezelfde dag verschenen ook drie zonnen in het Oosten, die spoedig samen één zon werden; als teken dat de wereld naderde de kennis van de Drie-eenheid in één Wezen; of dat de ene was geboren, in wie deze drie: ziel, lichaam, en Goddelijkheid tot één Persoon waren samengekomen. Echter heet het in de historia scholastica, dat de drie zonnen die dag niet verschenen zijn, maar enige tijd daarvoor, na de dood van Julius Caesar; dat bevestigt ook Eusebius in zijn kronieken. Paus Innocentius III schrijft: Aangezien de Romeinse senatoren het gezag van keizer Octavianus zagen, hoe hij deze hele wereld onder de heerschappij van de Romeinen had gebracht, beviel hen dat zo goed dat zij hem wilden eren als een god. Nu erkende de wijze keizer, dat hij een sterfelijk mens was, en wilde de naam van een onsterfelijke god niet op zich nemen; maar omdat ze niet ophielden hem driftig te dringen, riep hij Sibylle de waarzegster erbij, en verlangde door haar kunst te weten of ooit een mens op aarde geboren zou worden die groter was dan hij. Nu geschiedde het, dat de keizer op de dag van de geboorte van onze Heer zijn raad bijeen had geroepen over deze zaak, en was Sibylle alleen in de kamer van de keizer bij haar orakel; toen verscheen rond het middaguur een gouden cirkel om de zon, en midden in de cirkel de aller mooiste maagd, die stond boven een altaar en een kind in haar schoot hield. Dat toonde Sibylle aan de keizer. En toen de keizer zich erg verwonderde over het gezicht, hoorde hij een stem die sprak: “Dit is een altaar des hemels.” En Sibylle sprak tot hem: “Dit kind, keizer, is groter dan u, daarom zult u het aanbidden.” De kamer werd daarna gewijd ter ere van onze Lieve Vrouw, en heet nog steeds Sancta Maria in Ara Coeli. De keizer echter erkende dat het kind groter was dan hij en offerde hem wierook; en wilde voortaan niet meer God genoemd worden. Orosius schrijft daarvan alzo: ‘In de tijd van Octaviani als keizer, omstreeks het derde uur, verscheen bij helder, zonnig weer een cirkel om de zon als een regenboog, alsof degene zou komen, die de zon en de wereld en alles geschapen had en regeerde.’ Datzelfde schrijft ook Eutropius. Timotheüs echter, de geschiedschrijver, zegt dat hij in de oude historiën der Romeinen heeft gevonden, dat Octavianus in het 35e jaar van zijn heerschap plechtig opsteeg naar het Capitool en de goden met grote zorg vroeg, wie na hem over het rijk zou heersen. Toen hoorde hij een stem die sprak: “Een hemels kind, is zonder tijd geboren uit de levende God, en zal over korte tijd uit een reine maagd geboren worden, God en mens zonder gebrek.” Toen de keizer dit vernam, bouwde hij daar een altaar en schreef erop: ‘Dit is het altaar van de Zoon van de levende God.’
Ook de creaturen die bestaan en leven, zoals planten en bomen, gaven ervan getuigenis. Want Bartholomeus zegt in zijn compilatie, dat in diezelfde nacht de wijnstokken van Engadi, die balsem geven, bloeiden en vruchten voort brachten, waaruit balsem vloeide.
Als derde gaven getuigenis de creaturen die bestaan en leven en gevoelen hebben, zoals de dieren. Want toen Jozef naar Bethlehem ging met de zwangere Maria, nam hij een klein ossenveulen mee, waarschijnlijk om te verkopen en daar het betastinggeld voor hem en Maria van te betalen, en zodat zij konden leven van wat er nog overbleef; en hij nam ook een ezeltje mee, waarschijnlijk om Maria te dragen: de twee dieren herkenden onze Heer en knielden neer en aanbaden hem. En weinige dagen voor de geboorte van Christus, terwijl enkelen op het veld ploegden, zeiden de ossen tegen de ploegers: “De mensen zullen afnemen, maar het koren zal toenemen.” Dat schrijft Eusebius in zijn kroniek.
Als vierde gaven getuigenis de creaturen die bestaan en leven en gevoelen en begrip hebben, zoals de mensen; dat waren de herders, die op datzelfde uur bij hun kudden waakten. Dat deden ze twee keer per jaar, in de langste en in de kortste nacht van het jaar. Want het was een gewoonte bij de heidenen van oudsher, dat zij bij de beide zonnewendes bij de kudden waakten; dat was in de zomer rond het feest van Johannes de Doper, in de winter, rond de tijd van de geboorte van de Heer, dat deden zij ter ere van de zon, die zij aanbaden; de Joden hadden deze gewoonte echter hoofdwaarschijnlijk van de omringende volken overgenomen. Aan deze herders verscheen de engel des Heren en verkondigde hen de geboorte van de Verlosser aan en gaf hen te kennen, hoe zij Hem zouden vinden. Al snel verscheen er bij de engel een menigte van hemelse heirscharen, die spraken: “Ere zij God in de hoogste hemel en vrede bij de mensen op aarde, die van goede wil zijn.” De herders echter gingen erheen en vonden alles, zoals de engel hun verkondigd had.
Alzo werd Gods geboorte ook bevestigd door keizer Augustus, aangezien hij destijds het bevel uitvaardigde dat niemand Hem God mocht noemen, zoals we bij Orosius lezen. Want toen hij dat teken rond de zon zag en dacht aan de instorting van de tempel en aan het feit dat de oliebron was ontsprongen, besefte hij wel dat er iemand ter wereld was gekomen die machtiger was dan hij, en wilde hij voortaan niet langer heer noch God genoemd worden. Ook lezen we in ettelijke kronieken dat bij de geboorte van de Heer Octavianus overal ter wereld straffen werden opgeheven en dat de Romeinen al hun schulden kwijtgescholden. Ook werd de geboorte getuigd door de sodomieten, die werden in de kerstnacht over de hele wereld gedood. Hiervan spreekt Hieronymus over het Schriftwoord: “Er is een licht opgegaan”: “Dit licht was zo groot, dat door zijn schijn allen zijn uitgedoofd, die in deze zonde waren. Dat deed God, omdat zij allen uitgeroeid moesten worden, opdat in de menselijke natuur, die Hij aan zich nam, zulk kwaad en onreinheid niet meer zou worden gevonden.” Daarover spreekt ook Augustinus: “Toen God onder de mensen de ondeugd tegenover de natuur aanschouwde, zou Hij bijna niet in een menselijk lichaam zijn gekomen.”
Tot slot werd de geboorte van Christus ook getuigd door de hoogste schepselen, die bestaan, leven, gevoelen, begrip en erkennen hebben, zoals de engelen, die de geboorte aan de herders verkondigden, zoals eerder gezegd.
De geboorte van onze Heer was ook in velerlei opzichten van groot nut. Het eerste nut is een bescherming tegen de duivel. Want de boze vijand kan ons niet zoveel meer schaden, zoals hij voorheen had gedaan. Daarvan lezen we, dat op kerstavond onze Vrouw aan de heilige Hugo de abt van Cluny verscheen, die haar lief kind in haar arm droeg, en zei: “Dit is de dag waarop de uitspraken van de profeten worden vernieuwd. Waar is nu de vijand, die voor deze dag machtig was over de mensen?” Toen stond de duivel op uit het aardrijk en wilde spotten met de woorden van Onze Lieve Vrouw. Maar daar speelde zijn boosheid hem parten; want terwijl hij door de verblijven van de broeders ging, zo verdreef hem uit de kerken de devotie van de broeders, uit het refectorium het vrome lezen, uit de slaapzaal het harde stro, en uit het kapittelhuis de geduldigheid.
In het boek van Petrus van Cluny leest men ook op kerstavond dat heil. Aan abt Hugo van Cluny verscheen de Maagd, die speelde met het Kind dat zij op haar schoot hield. Toen sprak tot haar dat Kindje: “Moeder, u weet dat de kerk mijn geboortedag met grote lof en jubel viert; waar is nu de macht van de duivel, wat wil hij zeggen of doen?” Toen zag men de duivel uit de aarde opvaren, die sprak: “Als ik ook niet naar de kerk mag komen, waar men U looft, dan wil ik toch komen in het kapittel en in het dormitorium en refectorium.” Maar omdat hij het wilde verzoeken, was de deur van het kapittel te krap voor hem, want hij was opgeblazen, de deur van het dormitoriums was te laag voor zijn hovaardigheid, en de deur van het refectoriums was verzegeld met de liefde van de dienenden, met het vrome verlangen van de horenden, met matigheid in spijs en drank. Alzo voer hij weg in schande.
Het tweede nut is de vergeving van onze zonden. Zo leest men in een boek der voorbeelden, dat een zondig vrouw, toen berouw over haar kwam, daaraan wanhoopte, of zij vergiffenis kon verkrijgen, want dacht zij aan het laatste oordeel, zo voelde zij haar schuld, dacht zij aan de hel, zo erkende zij, dat zij daarin zou moeten gepijnigd worden, dacht zij aan het paradijs, zo vond zij daartegen haar onreinheid; dacht zij aan het lijden van onze Heer, zo voelde zij haar ondankbaarheid. Maar toen bedacht ze, dat kinderen gemakkelijker vergeven kunnen, en riep Christus aan in zijn kindheid; toen sprak een stem, haar zonden waren haar vergeven.
Het derde nut is de heling van onze gebreken. Daarvan spreekt de heilige Bernhard: “Het menselijke geslacht leed drievoudige ziekte in aanvang, midden en einde, dat is bij de geboorte, in het leven en bij de dood: onze geboorte was onrein, ons leven was verkeerd, onze dood was zorgelijk. Christus kwam en bracht tegen deze drievoudige ziekte een drievoudig geneesmiddel: want hij werd geboren, hij leefde en stierf: in zijn geboorte heeft hij onze geboorte gereinigd, in zijn leven heeft hij ons leven geordend, met zijn dood heeft hij onze dood uitgewist.”
Het vierde nut is de vernedering van onze trots. Daarover zegt de heilige Augustinus: “De nederigheid die God ons heeft getoond is zijn menselijke geboorte, die is voor ons een voorbeeld geweest, een heil en een geneesmiddel: een passend voorbeeld dat wij moeten navolgen, een hoog sacrament, waardoor de ketenen van onze zonden worden verbroken, een krachtig geneesmiddel, waardoor de zwelling van onze hoogmoed gezond is geworden.” Want de hoogmoed van de eerste mens werd genezen door de nederigheid van Christus. En hier is te merken, hoe de nederigheid van Christus de hoogmoed van Adam moest evenaren. De opheffing van de eerste mens was tegen God, ze was tot aan God, en ze was boven God. Ze was tegen God, want zij was tegen zijn gebod, om niet van de boom der kennis van goed en kwaad te eten. Ze ging tot aan God, tot het verlangen naar gelijkheid met God; want de mens geloofde de boze geest toen hij zei: “Jullie zullen zijn als God.” Ze was ook boven God, zoals de heilige Anselmus ons schrijft, want doordat de mens begeerde, wat God niet wilde dat hij begeerde, stelde hij zijn wil boven Gods wil. Echter Gods Zoon, zo schrijft Johannes Damascenus, vernederde zich voor de mensen, niet tegen haar, maar tot de mensen en boven de mensen. Voor de mensen, want hij werd geboren tot hun nut en heil. Tot de mensen, met de gelijkheid der geboorte. Boven de mensen, met de ongelijkheid zijner geboorte. Want zijn geboorte is aan de onze gelijk, omdat hij uit een Vrouw is geboren en door dezelfde poort ging als wij; ongelijk, daar hij van de Heilige Geest uit de maagd Maria is geboren.
Over de heilige Anastasia.
Anastasia komt van ana, dat is omhoog, en stasis, dat is staand, of stand; want zij is hoog verheven van de ondeugden naar de deugden. Anastasia was een dochter van de adel van Rome. Haar vader Praetaxatus genaamd, was een heiden; echter haar moeder de heilige Fausta was een Christin. Zo werd de dochter in haar jonge jaren door haar moeder en door de heilige Chrysogonus onderwezen, hoe zij het Christelijke geloof moest behouden. Daarna werd zij tegen haar wil aan een jongeling uitgehuwelijkt, Publius genaamd. Toch wilde ze haar reinheid bewaren, daarom hield ze zich afzijdig, zodat ze de gemeenschap met haar echtgenoot vermeed. Nu werd echter aan Publius doorgegeven hoe zij alleen met één enkele dienstmaagd in slechte kleren de gevangenissen van de Christenen bezocht en aalmoezen onder hen verdeelde. Toen liet hij haar streng bewaken, en liet haar nauwelijks na haar noodzakelijk voedsel te geven: zo meende hij haar te doden, zodat hij daarna van haar rijke bezittingen in wellust zou kunnen leven. In de angsten meende de heilige Anastasia te sterven en schreef de heilige Chrysogonus klagende brieven; zo schreef hij haar troostende brieven terug. Ondertussen stierf haar gemaal en zij werd uit de gevangenis bevrijd.
Anastasia had drie mooie dienstmaagden, die zussen van elkaar waren; de eerste heette Agape, de tweede Chionia, de derde Irene. Zij waren Christinnen en wilden het gebod van de rechter niet gehoorzamen. Toen liet hij hen in een kamer opsluiten, waarin men keukengerei bewaarde. Daarna ging hij zelf tot hen in de kamer, zodat hij zijn wil aan hen kon volbrengen, want hij was in liefde tot hen ontvlamd. Toen raakte hij echter buiten zinnen, en terwijl hij dacht de maagden te omhelzen, omarmde hij potten, pannen en ketels en kuste ze. Toen hij zich daaraan verzadigd had, ging hij naar buiten, zwart en wanstaltig en met gescheurde kleren. Daar zijne knechten hem alzo verontreinigd zagen, en die voor de deur op hem wachten, dachten ze, dat het de duivel was, en sloegen naar hem en namen daarna de vlucht. Nu wilde hij voor de keizer verschijnen en zich daarover beklagen, ook het keizerlijke gevolg meende dat hij razend was geworden, en sloegen hem met stokken, en spuugden hem in het aangezicht, en besmeurden hem met mest en alle onreinheid. Maar zijn ogen waren met blindheid geslagen, zodat hij niet zag hoe wanstaltig hij was; hij dacht juist dat hij witte kleren droeg, net als de anderen, en hij verbaasde zich enorm dat zij hem allemaal bespotten, terwijl ze hem anders in grote ere hielden. Eindelijk werd hem verteld hoe onrein hij was; toen dacht hij bij zichzelf: ‘Dat hebben de maagden gedaan die hebben mij betoverd.’ Hij liet hen voor zich brengen en beval, hen te ontkleden, opdat zijn ogen zich aan hen kon verlustigen. De kleren zaten zo strak om hun lichamen, dat men ze niet van hen af kon krijgen. Van al die grote wonderen viel de rechter in slaap, begon te snurken en was met geen mogelijkheid wakker te krijgen. Tenslotte werden de maagden gemarteld; Anastasia echter raadde de keizer voor de rechter een andere aan, die hij tot vrouw zou moeten hebben, mits hij haar tot het offeren kon bewegen. Hij leidde haar naar zijn kamer, maar toen hij haar wilde bekijken werd hij blind. Hij liep naar de tempel van de afgoden en vroeg hen of hij weer ziend mocht worden. De afgoden antwoordden: “Omdat gij de heilige Anastasia hebt bedroefd, bent u aan onze macht gegeven, zodat u voortaan eeuwig in de hel met ons moet worden gepijnigd.” En toen zijn dienstknechten hem weer naar huis brachten, stierf hij onder hun handen. Daarna werd Anastasia aan een andere rechter overgegeven, zodat hij haar onder zijn hoede zou houden. Toen hij hoorde hoe overvloedig veel geld en goed zij had, sprak hij heimelijk tot haar: “Anastasia, wilt gij een Christin zijn, zo vervul het gebod van uw God, die zegt: wie niet van alles afstand heeft gedaan wat hij bezit, kan mijn discipel niet zijn. Daarom, geef mij alles wat u hebt en ga daarna vrij waarheen u wilt; dan bent u waarlijk ene Christin.” De heilige Anastasia antwoordde hem en sprak: “Mijn Heer heeft geboden: verkoop alles wat u hebt en geef het aan de armen; maar niet aan de rijken. U bent rijk, dus ik zou tegen Gods gebod ingaan als ik u iets gaf.” Daar werd Anastasia in een zware gevangenis opgesloten en zou daar van honger sterven. Echter de heilige Theodora, die kort daarvoor was gemarteld, voedde haar twee gehele maanden met hemelse spijze.
Daarna werd zij met tweehonderd andere maagden naar het eiland Palmaria gezonden, waar velen om de naam van Christus verbannen waren. Na enkele dagen riep de rechter de Christenen allemaal bijeen, en liet de heilige Anastasia aan palen vastbinden en verbranden; en doodde de anderen op verschillende manieren. Daar was ook één, die om Christus wil zeer vaak van groot vermogen beroofd was geweest, die sprak onverwijld: “Eén ding mogen jullie niet van mij roven, Christus.” Apollonia echter nam het lichaam van de heilige Anastasia en begroef het in haar tuin met grote eer, en bouwde daar een kerk. Ze leed onder Diocletianus, die rond het jaar 287 aan de macht kwam.
Over de heilige Stephanus.
Stephanus is Grieks; in het Latijn heet het kroon, in het Hebreeuws norm, regel. Hij was een kroon van de martelaren in het Nieuwe Verbond, want hij was begin, zoals Abel de eerste was in het Oude Verbond. Hij was een voorbeeld of een regel voor allen, hoe men voor Christus zou moeten lijden, of hoe men goed moet handelen en leven, of hoe men voor zijn vijanden moet bidden. Of Stephanus heet trouwe fan; dat toonde hij in zijn redevoering en in zijn prediking van het woord van God. Of Stephanus heet trouw zonder angst: die ijverig tot de Oudsten spreekt; want hij leerde en bestuurde de weduwen, over wie hij door de Apostelen was aangesteld, dat is letterlijk zoveel als ‘de Ouden’. Alzo heet Stephanus een kroon om het begin van het martelaarschap; een regel, door zijn voorbeeld in lijden en goede wandel; de ijverig sprekende door zijn prediking; de ijverig tot de oudsten sprekende door de lovenswaardige onderwijzing der weduwen.
Stephanus was één van de zeven diakenen die door de Apostelen waren aangesteld. Want toen het aantal discipelen groeide, ontstond er onder de heidense Christenen gemor tegen de joodse Christenen, omdat hun weduwen bij de dagelijkse uitdeling over het hoofd zouden worden gezien. De reden voor dit gemor kan op twee manieren worden opgevat: ofwel was het omdat hun weduwen niet werden toegelaten tot de dagelijkse ambt, ofwel werden zij in de dagelijkse dienst met werk belast voor anderen. Want de Apostelen hadden de weduwen opgedragen de dagelijkse taken op zich te nemen, zodat zij zelf onbelemmerd konden prediken. Daar zij nu zagen dat hierover gemor ontstond, wilden zij dit tot het zwijgen brengen; en zij riepen de schare van discipelen bijeen en zeiden: “Het is niet goed dat wij het woord van God veronachtzamen en ons bezighouden met het bedienen van de maaltijd; want de spijze van de Geest is beter dan de spijze van het lichaam, zegt de Schrift. Daarom, geliefde broeders, zoekt onder u zeven mannen die een goede reputatie hebben en vervuld zijn van de Heilige Geest en wijsheid, die wij kunnen aanstellen om deze taak te vervullen, zodat zij kunnen dienen of toezicht houden op de dienaren,” zegt de Schrift; ‘Zo kunnen wij ons blijven wijden aan ons gebed en onze prediking.” Deze toespraak beviel het volk zeer wel, en zij kozen zeven mannen; onder hen was Stephanus de eerste en belangrijkste; en zij brachten hen naar de Apostelen, die hun de handen oplegden.
Stephanus echter, vol genade en kracht, verrichtte wonderen en grote tekenen onder het volk. Dat was de Joden een ergernis, en zij benijden hem, en zochten een manier om hem te overwinnen. En zij voerden een drievoudige aanval tegen hem: door met hem te redetwisten; met valse getuigen; en met marteling. Echter hij overwon hen in redetwisten, hij weerlegde de valse getuigen en triomfeerde over alle martelingen. En in elke strijd werd hem hulp gegeven vanuit de hemel. Ten eerste werd hem gegeven de Heilige Geest, die hem met wijsheid bijstond; ten tweede had hij een engelachtig gelaat, die de valse getuigen deed schrikken; en ten derde zag men Christus, gereed om zijn martelaar te helpen en hem kracht te geven. In elk dergelijk geschil stelt de geschiedenis op haar beurt drie dingen vast: het begin van de strijd, het verschijnen van hulp, en tenslotte de overwinning. Zo willen we de geschiedenis onlangs doorlopen, zodat we al deze dingen kunnen zien.
Toen alzo de heilige Stephanus vele tekenen deed en voortdurend het volk predikte, benijdden de Joden hem en deden de eerste aanval tegen hem, en zochten door redetwisten hem te overwinnen. Er stonden tegen hem op verscheidene van de synagoge der Libertijnen, (die zo genoemd worden naar het land waar ze vandaan kwamen, of omdat ze zonen waren van vrijgelatenen, dat is van slaven aan wie de vrijheid was geschonken; zo waren de eersten die het Christendom tegenstonden, van het geslacht der slaven) en van de synagoge van Cyrene, van Alexandrië, en van degenen die daar waren in Cilicië en Azië; en zij wilden met Stephanus redetwisten. Zie hier de eerste strijd. Daarop volgt de overwinning, zoals geschreven staat ‘Want zij konden de wijsheid niet weerstaan.’ Aan het laatste voegt de geschiedenis de Goddelijke bijstand toe, daar zij zegt “En de Geest, die uit hem sprak.” Omdat de Joden zagen dat ze hem daarmee niet zouden kunnen overwinnen, keerden ze zich tot de tweede manier, namelijk dat ze hem door valse getuigenissen zouden willen overwinnen. Dus zetten ze twee valse getuigen in, die hem beschuldigden van viervoudige lastering. Ze leidden hem naar de raad, en de valse getuigen klaagden hem aan: hij had gelasterd tegen God, tegen Mozes, tegen de Wet en tegen de tabernakel of de tempel: zie hier de tweede strijd. Echter toen keken allen die in de raad zaten naar hem, en zagen zijn aangezicht gelijk het aangezicht van een engel: zie hier de hulp van God. En daarna volgde de overwinning, en werden de valse getuigen in alles overwonnen. Want de hogepriester sprak: “Is dat zo?” Toen verdedigde Stephanus zich over de vier dingen, waarvan de valse getuigen hem schuldig hadden bevonden, en ten eerste over de lastering tegen God, en sprak: “De God, die met onze vaders en de profeten heeft gesproken, is een God van eer.” En loofde God alzo drievoudig, naar hoe deze zijn naam mag worden uitgelegd. Want de Heer is een God van eer, dat betekent als eerste: ‘Die eer geeft’; zoals geschreven staat bij 1 Koningen 2: ‘Wie mij eert, die zal ik eren.’ Of er staat geschreven: ‘aan mij is eer’; Spreuken 8: ‘Bij mij is rijkdom en eer.’ Of het luidt: ‘aan wie alle schepselen eer verschuldigd zijn’; 1 Timotheüs 1: ‘Maar aan God, de eeuwige Koning, de onvergankelijke en onzichtbare en enige, zij lof en eer.’ Alzo prees hij God driemaal, dat Hij eer heeft en geeft en dat eer Hem toekomt. Daarna verantwoordde hij zich voor de tweede lastering tegen Mozes met veel lof, en prees vooral drie dingen bij hem: het vuur van zijn toorn, toen hij de Egyptenaar doodde die een Hebreeër had geslagen; de wonderen die hij verrichtte in het land Egypte en in de woestijn; en zijn vriendschap met God, daar hij vaak van aangezicht tot aangezicht met God sprak. Daarna verantwoordde hij zich wegens de derde lastering tegen de wet, en prees de wet om drie oorzaken: om degene die het heeft gegeven, dat is God, om degene die het de mensen heeft gebracht, dat is Mozes, de grote heilige, en omdat het het eeuwige leven geeft. Over de laatste rechtvaardigde hij zich vanwege de vierde lastering, tegen de tabernakel en de tempel, en hij prees de tabernakel om vier dingen: dat zij door God bevolen was, dat zij in een visioen door Hem was geopenbaard, dat zij door Mozes was gemaakt, en dat daarin de ark van het getuigenis was. Maar na de tabernakel kwam de tempel. Alzo reinigde Stephanus zich van de valse beschuldigingen met goed vernuft. Daar echter de Joden zagen dat zij hem niet op deze wijze konden overwinnen, keerden zij zich tot de derde manier, en begonnen aan de derde strijd, dat zij hem wilden overwinnen met marteling en pijn. Dit nam Stephanus waar, en wilde hen met broederlijke vermaning bekeren, volgens het gebod des Heren, en van zulke boosheid afhouden; en wilde dat doen met beschaming, met ontzetting en met liefde. Ten eersten wilde hij hen beschamen, en wierp hen de hardheid van hun hart en de dood van de profeten voor, en sprak: “Gij halsstarrigen en onbesnedenen van oren en van hart, gij verzet u ten alle tijden tegen de Heilige Geest, zoals uw vaderen zo ook gij: want welke profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? en hebben gedood, degenen die hen de toekomst van de Rechtvaardige verkondigden?” Daarmee laat hij zien drie graden van hun boosheid, zegt de glosse, ’ten eerste, dat zij weerstand boden tegen de Heilige Geest, ten tweede, dat zij de profeten vervolgden, en als derde, dat zij diezelfden doodden, omdat hun boosheid groter werd.’ Echter daar hun voorhoofd zo brutaal was als dat van een courtisane, schaamden ze zich niet en wilden ook niet van hun boosheid gebracht worden, die zij hadden aangevangen. Maar toen zij dit hoorden, ging het hen door het hart, en hielden hun kaken stijf op elkaar tegen hem. Daarna verzocht hij hen te bekeren door vrees, daar hij sprak, dat hij Jezus aan de rechterhand van God zag staan, als het ware bereid, om hem te helpen en zijn tegenstrevers te veroordelen. Want daar hij vervuld was van de Heilige Geest, keek hij op naar de hemel, en zag de heerlijkheid Gods en sprak: “Zie, ik zie de hemel open en de Zoon des mensen staande ter rechterzijde der Kracht.” Hoewel hij echter onmiddellijk met schaamte en vrees had verzocht om hen te verbeteren, zo geschiedde het evenwel niet, maar waren erger dan tevoren, en schreeuwden opnieuw tegen hem met luide stem, hielden hun oren dicht, ‘opdat ze de stem van de vermaning niet zouden vernemen’, zegt de glosse; en stormden eensgezind op hem af. Ze schopten hem de stad uit en stenigden hem. En meenden dat zij naar de wet handelden, die zegt: ‘De godslasteraar moet voor de poorten van de stad gestenigd worden.’ De beide valse getuigen moesten de eerste steen op hem werpen; want de wet zegt: ‘Laat de hand van de getuige als eerste stenigen.’ Alzo legden zij hun kleren af, zodat ze niet door zijn aanraking verontreinigd zouden worden, of zodat ze vrijer waren bij het stenigen; en legden ze neer bij de voeten van een jongeling, die Saulus heette; en later Paulus. Hij bewaakte hun kleren, zodat ze beter konden stenigen, en stenigde dus als het ware met de handen van allen. Daar Stephanus hen echter noch met schaamte noch met angst van hun boosheid kon afbrengen, zo had hij hen graag met liefde tot het derde willen overwinnen. Dat was voorwaar een grote liefde, die hij hen toonde, daar hij voor zichzelf en voor hen bad. Hij bad voor zichzelf dat zijn marteling niet langer zou duren, en dat zij daarom geen grotere zonde zouden begaan; hij bad voor hen dat hen dit niet als zonde zou worden aangerekend. Want het staat geschreven: ‘Ze stenigden hem, terwijl hij bad en zei: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.”‘ Daarna knielde hij neer en riep met luide stem: “Heer, reken hun hun zonde niet aan, want ze weten niet wat ze doen.” En zie, wat een liefde: terwijl hij voor zichzelf bad, stond hij rechtop, en terwijl hij voor zijn stenigers bad, boog hij de knieën, alsof hij liever wilde dat het gebed voor hen werd verhoord dan dat voor hemzelf. En hij deed er goed aan dat hij voor hen op zijn knieën ging zitten en niet voor zichzelf; want, zoals de glosse zegt, hoe groter de zonde, des te groter gebed nodig. Ook is de martelaar hierin Christus nagevolgd, die in zijn lijden voor zichzelf bad: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest;” en voor degenen die hem kruisigden, bad hij: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” En zodra hij dit gezegd had, ontsliep hij in de Heer. Daarover spreekt de glosse ‘Dat is heel mooi gezegd: hij ontsliep, en niet: hij stierf; want hij bracht het offer der liefde, en ontsliep in de hoop der opstanding.’
Hij werd echter gestenigd in hetzelfde jaar dat Christus naar de hemel voer, in de volgende augustusmaand daarna, op de derde dag.
De heilige Gamaliël echter en Nicodemus, die in de raad van de Joden altijd voor de Christenen waren opgekomen, namen zijn lichaam mee en begroeven hem in Gamaliëls akker, en hieven een groot geween over hem. Daarna was er een grote vervolging van Christenen te Jeruzalem. Want daar Stephanus dood was, één van hun oversten, werden ze zo verstoord, dat zij zich, behalve alleen de Apostelen, welke moediger waren dan de anderen, allen verspreidden over het gehele Joodse land; zoals hun Heer hun geboden had, toen hij sprak: “Zo ze u vervolgen in de ene stad, zo vlucht in de andere.”
Zo schrijft de heilige Augustinus, de grote leraar, dat Stephanus vele grote tekenen deed na zijn dood, zo werden door zijn hulp zeven doden weer levend en vele mensen van allerlei ziekten genezen. Bovendien schrijft hij ook over andere wonderen, die zelfs een vrome herinnering waard zijn. Zo vertelt hij, dat bloemen die op het altaar van de heilige Stephanus werden neergelegd en er weer werden weggehaald, genezing bracht aan de zieken, aan wie men ze gaf. Ook de doeken die men van zijn altaar nam en over de zieken legde, waren goed tegen allerlei ziekte. Zo schrijft hij in het 22e boek van de Civitate Dei, dat men bloemen van het altaar van de heilige Stephanus op de ogen van een blinde vrouw legde; waarna zij onmiddellijk kon zien.
Ook schrijft hij in datzelfde boek dat er een machtige man was in een stad, Martialis genaamd, die ongelovig was en niemand kon hem bekeren. Het gebeurde dat hij heel erg ziek werd, toen ging de man van zijn dochter naar de kerk, hij was zeer vroom, en nam van de bloemen die op het altaar van de heilige Stephanus stonden, en legde ze heimelijk bij het hoofdeinde van de zieke. De zieke sliep op deze bloemen. En nog voordat het dag werd, riep hij, dat men de bisschop moest zenden. De bisschop zonden ze niet, maar brachten een priester bij hem; die vernam, dat hij wilde geloven, en doopte hem. En zolang de man leefde, had hij altijd de woorden in zijn mond “Heer Christus, ontvang mijn geest”; en wist evenwel niet dat dit de laatste woorden van de heilige Stephanus waren geweest.
In datzelfde boek leest men ook een ander wonder. Er was een vrouw, Petronia genaamd, die lange tijd aan een ernstige ziekte leed. Ze nam allerlei geneesmiddelen in, maar het hielp niet. Als laatste ging ze naar een Jood, die gaf haar een ring met een steen, die moest ze aan een snoer om het blote lichaam dragen, zo zou ze gezond worden door de kracht van de steen. Maar aangezien zij zag dat ook dat niet hielp, ging zij naar de kerk van de heilige Stephanus, en bad de heilige van ganse harte om gezondheid. Toen sprong het ringetje van het snoer op de grond; echter de ring bleef heel en het snoer was niet losgemaakt. En ze voelde al snel dat ze volledig gezond was geworden.
Nog een ander wonder vinden we in dat boek, die niet minder groot was. In de stad Caesarea in het land Cappadocië woonde een zeer edele vrouw; haar man was overleden, maar ze had nog een trotse schare kinderen. Er zouden er in totaal tien zijn geweest, zeven zonen en drie dochters. Het gebeurde eens, dat de kinderen hun moeder bedroefd hadden; toen vervloekte zij hen, en God liet de vloek van de moeder uitkomen, en trof alle kinderen met dezelfde verschrikkelijke pijn; hen overviel een trillen aan alle ledematen. Daarover werden ze zeer bedroefd, en uit schaamte voor de mensen wilden ze niet op de plaats blijven, en trokken de wijde wereld in; en waar ze ook kwamen, iedereen keek hen aan. Het geschiedde, dat twee van hen, Paulus en Palladia, naar Hippo kwamen en aan de heilige Augustinus hun leed klaagden, die bisschop van de stad was. En gingen veertien dagen voor Pasen elke dag naar de kerk van de heilige Stephanus en baden tot hem met devotie om gezondheid. En zie, op de dag van het offer, toen veel volk in de kerk bijeen was, stond de zieke Paulus plotseling op uit het volk, liep door de koorhekken en knielde met volledige devotie en vast vertrouwen voor het altaar van de heilige Stephanus neer in gebed. Het volk stond en wachtte op het einde van het gebeuren; toen zagen ze Paulus opstaan, gezond en zonder enig gebrek. Men bracht hem naar de heilige Augustinus, die hem aan het volk liet zien en hun beloofde voor de volgende dag het verhaal van de wonderbaarlijke genezing van de man op te schrijven en aan hen voor te lezen. Terwijl hij zo tot het volk sprak, stond Palladia, de zus van Paulus, die met trillende ledematen daar had gestaan, op uit het volk, en ging ook door de koorhekken, en boog zich in devotieneer, alsof zij insliep. Maar plotseling werd ze wakker en was ze gezond. En zij werd ook aan het volk getoond; toen zegde men om beide reddingen God en de heilige Stephanus ongelooflijke lof en dank toe.
Dit wonder en nog andere gebeurden aldaar; want toen Orosius van de heilige Hieronymus terugkeerde naar de heilige Augustinus, had hij enkele relikwieën van de heilige Stephanus met zich gebracht.
Hier moeten we opmerken dat de heilige Stephanus niet op deze dag werd gemarteld, maar op de dag waarop zijn vinding gevierd wordt, en zijn vinding is op de huidige dag gebeurt. Waarom echter de feesten zijn verwisseld, dat zal men horen op de dag dat de vinding wordt gevierd. Hier zullen we alleen zeggen, waarom de kerk de drie feesten, die op Kerstmis volgen zo geordend heeft. Dat geschiedde uit twee oorzaken. Ten eerste is het zo dat alle gelovigen zich moeten verenigen met Christus, de Bruidegom en het Hoofd van de kerk. Daar nu Christus in deze wereld geboren werd, de Bruidegom der bruid kerk, zo heeft Hij met zich drie metgezellen uitgekozen, over wie in het Hooglied wordt gezegd: “Mijn geliefde is wit, en rood, en uitverkoren uit de gedoopten. (Hooglied 5). Wit: dat staat voor de heilige Johannes, de geliefde belijder; rood: dat is de heilige Stephanus, de eerste martelaar; uitverkoren uit de gedoopten: dat is de schare van onschuldige kinderen. De andere oorzaak is, dat de kerk in deze drie de drie soorten van martelaarschap die er bestaan, verenigt op basis van de mate van hun waardigheid. Want de oorzaak van al deze martelingen was de geboorte van de Heer. Er zijn echter drie soorten van martelaarschap: Eén met de wil en met de daad, zoals de heilige Stephanus leed; één met de wil, maar zonder de daad, die wordt aangeduid door de heilige Johannes; één met de daad, maar zonder de wil, dat zijn de onschuldige kinderen.
Over de heilige Johannes de Evangelist.
Johannes is gesproken des Heren genade; of degene in wie de genade is; of degene aan wie gegeven is; of degene aan wie door God een geschenk is gegeven. In deze vier uitleggingen van de naam Johannes erkennen wij vier bijzondere Goddelijke gaven die hij bezat.
Het eerste is de bijzondere genegenheid die God voor de heilige Johannes koesterde; Christus had hem boven de andere discipelen lief en toonde hem meer tekenen van geheime genegenheid dan aan de anderen: daarom wordt hij des Heren genade genoemd, dat wil zeggen: degene aan wie de Heer genadig is. Ja, Christus had hem meer lief dan Petrus. Want het is een liefde vanuit het hart en een liefde die tot uiting komt; en hoewel de Heer Johannes en Petrus vanuit zijn hart evenveel liefhad, zo toonde hij zijn liefde aan hen toch op verschillende manieren: met Johannes onderhield hij een meer vertrouwelijke band, aan Petrus toonde hij meer uiterlijke weldaden.
Het tweede is de zuiverheid van zijn lichaam, omdat hij als maagd was uitverkoren door de Heer. Daarom wordt hij degene genoemd in wie genade is: want de genade van de maagdelijkheid was in hem; daarom riep de Heer hem ook toen Hij een bruiloft wilde vieren.
Het derde is de openbaring van de verborgen dingen; daarom wordt hij genoemd, hem die gegeven is: want hem was gegeven de kennis van de diepste geheimenissen van God, zoals de Goddelijkheid van het Woord en het einde van de wereld.
Het vierde is, dat God hem zijn Moeder toevertrouwde; daarom wordt hij degene genoemd die een geschenk van God ontvangen had. Want het was het grootste geschenk dat de Heer hem geven kon, toen Hij zijn Moeder aan zijn zorg toevertrouwde.
Zijn leven heeft Miletus, een bisschop van Laodicea beschreven, en Isidorus heeft dit samengevat in zijn boek over de oorsprong, het leven en de dood van de heilige vader.
Johannes, de Apostel en Evangelist, was de leerling die de Heer liefhad, en hij was van uitverkoren lichamelijke maagdelijkheid. Toen de twaalf Apostelen na Pinksteren over de hele wereld waren verspreid, trok Johannes naar het land Azië en bouwde in datzelfde land vele kerken. Dit werd aan keizer Domitianus bekend gemaakt, die liet hem grijpen en zette hem in een ton vol ziedende olie voor de poort van Rome, die Porta Latina heet. De heilige Johannes kwam ongedeerd uit de ton, net zoals hij zonder enige lichamelijke smet op aarde was gekomen. Maar toen de keizer zag dat Johannes ook nu nog niet wilde ophouden met prediken, verbande hij hem naar een eiland in de zee, dat Patmos heette. Daar woonde hij geheel alleen en schreef daar het boek over de geheime openbaring. In datzelfde jaar werd de keizer vanwege zijn grote wreedheid gedood, en werden al zijn verordeningen door de Senaat ingetrokken. En zo gebeurde het dat Johannes, die ten onrechte naar het eiland was verbannen, met grote eer weer naar de stad Efeze werd teruggebracht; en de menigte kwam hem tegemoet en riep: “Gezegend zij hij die komt in de naam des Heren.” Maar toen hij de stad binnenkwam, werd zijn vriendin Drusiana, die zo vurig naar zijn terugkeer had verlangd, dood naar hem toe gedragen. En haar ouders en de weduwen en wezen riepen: “O heilige Johannes, zie, wij dragen hier Drusiana, die ons armen, naar uw vermaning en leer, altijd te eten gaf en ons hielp in onze nood; en die altijd op uw terugkeer wachtte en zei: Ach, zou God willen dat ik de heilige Johannes nog mocht zien voordat ik sterf! Nu bent u gekomen, en zal ze u nimmermeer zien.” Toen liet de heilige Johannes de baar neerzetten, en liet het lijk afbinden en sprak: “Mijn heer Jezus Christus, wek haar op, Drusiana: sta op en ga naar uw huis en maak eten voor mij klaar.” Toen stond ze op en ging met ernst, het gebod van de Apostel vervullen; en ze dacht niets anders, dan dat ze uit een slaap was opgestaan.
Op een andere dag riep Craton, een filosoof, op de markt de mensen bijeen en wilde laten zien hoe men deze wereld verachten moest. En hij had twee rijke jongelingen, die broers waren, opgedragen al hun bezittingen te verkopen om enkele edelstenen; die liet hij nu voor het oog van het hele volk verbrijzelen. Toen de heilige Johannes daar toevallig langsliep, riep hij de wijze bij zich en hekelde hij die houding van minachting voor de wereld om drie redenen. Ten eerste, omdat mensen dit soort dingen prijzen; maar God, de Heer, veroordeelt het. Ten tweede, omdat de zonde door zulke werken niet wordt verholpen, is het daarom nutteloos; net zoals een medicijn nutteloos wordt genoemd als het de ziekte niet geneest. Ten derde, omdat de wereldverachting verdienstelijker is, die haar bezit aan de armen geeft, zoals Christus de jongeman gebood: ‘Wilt gij volmaakt zijn, ga dan heen, verkoop alles wat u hebt en geef het aan de armen.’ Toen antwoordde Craton en zei: “Als God werkelijk uw meester is, en Hij wil dat dit goed de arme mensen ten goede komt, zorg er dan voor dat de stenen weer heel worden ter ere van God, die ik heb verbrijzeld ter ere van de wereld.” Toen nam de heilige Johannes de stukken in zijn handen en bad, en meteen werden ze weer helemaal zoals voorheen. Vanaf dat moment werden Craton en de beide jongelingen gelovig; zij verkochten de stenen en verdeelden het geld onder de armen.
Toen twee andere edele jongelingen dit zagen, verkochten zij al hun bezittingen, gaven het geld aan arme mensen en volgden de Apostel. Op een dag zagen zij hun vroegere knechten, gekleed in prachtige gewaden, en toen zij zichzelf in hun armoedige mantels zagen, werden zij zeer bedroefd. Toen Johannes dat merkte en hun bedroefde gezichten zag, liet hij hen takken en schelpen van het strand halen en veranderde die in goud en edelstenen. Daarop stuurde hij de jongelingen naar de goudsmeden en steenbewerkers van de stad. Na zeven dagen kwamen ze terug en vertelden, dat de meesters hadden gezegd dat ze nog nooit zulk zuiver goud en mooi gesteente hadden gezien. Toen zei de Apostel: “Ga heen en koop jullie bezittingen terug die jullie hebben verkocht, maar de hemelse beloning hebben jullie verloren. Bloeit in deze wereld, opdat jullie in de volgende verwelken; leef in overvloed in het aardse leven, opdat jullie in het eeuwige leven mogen bedelen.” Alzo begon Johannes ernstig tegen de rijkdom te prediken en noemde hij zes zaken die ons van de mateloze begeerten naar rijkdom moeten afhouden. Het eerste is de Heilige Schrift; daaruit vertelde hij hun de gelijkenis van de rijke vreetlustige, die God veroordeelde, en de arme Lazarus, die Hij uitkoos. De tweede is de natuur; want de mens wordt zonder rijkdom geboren en verlaat deze wereld weer naakt en bloot. Het derde punt betreft de schepselen; want zoals we hebben gezien dat de zon, de maan en de sterren, de regen en de wind ons allen gemeenschappelijk zijn, zo zouden alle dingen de mensen gemeenschappelijk moeten zijn. Het vierde is de vloek die aan het geld kleeft; want de rijke is een slaaf van zijn geld, het bezit hem, niet hij bezit het; en hij is een slaaf van de duivel, want in het Evangelie staat dat de rijke een slaaf van de mammon is. Het vijfde punt is de zorg; want ze hebben dag en nacht werk om het te verwerven en vrezen hoe ze het kunnen behouden. Het zesde punt betreft de schade die hieruit voortvloeit; want op aarde leidt goud tot hoogmoed en trots, en in het eeuwige leven tot verdoemenis; het berooft ons hier op aarde van menselijke gunst en in het hiernamaals van Goddelijke genade.
Toen de heilige Johannes alzo tegen de rijkdom predikte, werd er een jongeling dood voor hem gebracht, die dertig dagen geleden een vrouw had genomen. Dit viel de Apostel voor de voeten samen met de moeder van de jongeling en andere vrienden, die om hem rouwden, en vroegen hem, dat hij in de naam van God de dode opwekte, zoals hij bij Drusiana had gedaan. Johannes weende en bad lang bij de dode; toen stond de dode op. En Johannes gebood hem dat hij de beide andere jongelingen, zijn leerlingen, zou vertellen welke straf hen te wachten stond en welke zaligheid zij verloren hadden. Toen vertelde hij over de kwellingen van de hel en van de vreugden van het paradijs, grote wonderen, en sprak: “O, jullie ongelukkigen, ik zag hoe jullie engelen om jullie huilden en de duivels zich verheugden,” en hij vertelde hen hoe zij de hemelse paleizen hadden verloren, die gebouwd zijn van schitterend gesteente en verlicht worden door een wonderbaarlijke gloed, overladen met heerlijke spijzen, vol van alle lust en vreugde die eeuwig duurt. En daarna vertelde hij hun hoe er in de hel acht onbeschrijfelijke kwellingen op hen wachtten, die als volgt worden beschreven: ‘Vermes et tenebrae flagellum frigus et ignis, daemonis adspectus scelerum confusio luctus’ wat vertaald kan worden als: ‘wormen, duisternis, kwelling, kou, vuur, de aanblik van de duivel, wanhoop over de zonden, treuren.’ Tenslotte knielden de jongeling, die uit de dood was opgewekt, en de andere twee voor de Apostel neer en smeekten hem om genade te betonen. Toen sprak de heilige Johannes: “Doe boete dertig dagen, en bid ik die tijd, dat de takken en stenen terugkeren naar hun vroegere natuur.” Ze deden zoals hij gebood, en na dertig dagen sprak hij tot hen: “Gaat nu naar de zee, en draag het goud en de stenen weer daarheen, vanwaar jullie het hebben genomen.” Alzo deden zij, en zie, de takken en kiezelstenen waren weer wat zij geweest waren. De jongelingen echter ontvingen weer de genade der deugden, die zij eerder hadden gehad.
Daar echter Johannes door het gehele land Azië predikte, maakten de afgodenaanbidders een opstand onder het volk, en trokken de heilige Johannes naar de tempel van Diana, opdat hij aan de afgod zijn offer zou geven. Hij echter deed hun een voorstel en sprak: “Laten wij beiden onze goden aanroepen; jullie zullen Diana vragen, dat zij de kerk van Christus vernietigt, en als zij het doet, zal ik haar offeren, maar ik zal Christus vragen dat hij de tempel van Diana vernietigt, en als hij het doet, zullen jullie in hem geloven.” Dit oordeel beviel het volk het meest, en allen gingen uit de tempel; en Johannes bad tot God dat Hij zijn kracht zou tonen: daar stortte de tempel in, en het beeld van hun afgod werd helemaal verbrijzeld. Echter Aristodemus, de hogepriester der afgoden, veroorzaakte een grote oorlog onder het volk, zodat een deel van het volk bereid was tot strijd tegen het andere deel. Toen sprak de heilige Johannes tot Aristodemus: “Ik wil alles doen, wat u wilt, zodat gij uw woede vergeet.” Aristodemus antwoordde: “Ik wil u gif te drinken geven; als dat u geen schade berokkent, zal ik geloven dat uw God de ware God is.” Johannes sprak: “Doe zoals u gezegd hebt.” Aristodemus antwoordde: “Maar ik wil ook, dat u andere mensen eerst van de drank laat sterven, zodat u des te meer wanhopig wordt.” Hij ging naar de landvoogd en vroeg om twee mensen die ter dood waren veroordeeld, en gaf hun voor het hele volk het gif te drinken. Ze waren meteen dood. Daarna nam de heilige Johannes de kelk en maakte het kruisteken daarover, en dronk het gif in de kelk helemaal leeg; en het deed hem geen kwaad. Toen loofde het volk God. Maar Aristodemus zei: “Ik twijfel nog steeds; maar als u deze twee, die door het gif gestorven zijn, weer tot leven wekt, dan zal ik zonder enige twijfel geloven.” Toen gaf de heilige Johannes hem zijn mantel. Aristodemus zei: “Waarom geeft u mij uw rok?” “Daarmee u nu uw ongeloof laat varen.” “Moet uw rok mij tot geloof brengen?” Toen zei Johannes: “Ga heen en leg de mantel op de lichamen van de doden en spreek: de Apostel heeft mij naar u toe gezonden, opdat u in de naam van Christus mogen opstaan.” Dat deed Aristodemus: toen stonden de doden op. Alzo werd Aristodemus gelovig, evenals de landvoogd en zijn hele huis. Johannes doopte hen in de naam van Christus, en zij bouwden een kerk ter ere van de Apostel.
Zo schrijft de heilige Clemens, zoals te lezen is in de Historia Ecclesiastica (boek VII, hoofdstuk 23), dat de Apostel eens een zeer knappe en wilde jongeling bekeerde, en hem als een kostbare schat aan de zorg van een bisschop toevertrouwde. Enige tijd daarna verliet de jongeling de bisschop en ging naar de rovers en werd hun hoofdman. Johannes echter kwam weer bij de bisschop en vorderde van hem de schat die hij hem had toevertrouwd. De bisschop dacht dat hij zijn aardse bezit bedoelde en verwonderde zich. Maar Johannes zei: “Ik vorder de jongeling van u, die ik u aanbeval.” Toen antwoordde de bisschop: “Heilige Vader, hij is in de ziel dood, en woont op die berg bij de rovers en moordenaars, en is hun hoofdman.” Toen Johannes dit hoorde, scheurde hij zijn gewaad en sloeg zich op zijn hoofd en riep: “Gij zijt een goede hoeder van de ziel uws broeders geweest.” Hij liet onmiddellijk een paard voor hem gereed maken, en reed zonder vrees de berg op. Toen de jongeling hem zag, wierp hij zich uit schaamte op een ros en vluchtte. Maar Johannes vergat zijn hoge leeftijd, spoorde zijn paard aan en riep hem na: “O lieve zoon, waarom vlucht je voor je vader, die een oude grijsaard is en ongewapend? wees niet bang, mijn zoon, want ik zal voor jou verantwoording afleggen aan God en ben bereid voor jou te sterven, zoals Christus voor ons gestorven is. Keer terug, lieve zoon, keer terug, want God heeft mij naar jou gezonden.” Dit trof de jongeling in het hart, en hij ging naar hem toe en weende bitter. Toen viel Johannes voor hem op zijn knieën en kuste zijn handen, alsof ze reeds door boetedoening waren gereinigd. En ging daarna heen en bad en vaste voor hem, totdat hij vergeving voor hem had verkregen, en wijdde hem daarna tot bisschop.
In diezelfde Historia Ecclestiatica (boek IV, hoofdstuk 14) staat, en zo is het ook te vinden in de glosse bij de tweede brief van Johannes (over de woorden: Si quis venit ad vos):Toen Johannes in Ephese eens naar eens naar een badhuis ging, zag hij Cerinthus, een ketter, in het bad; toen sprong hij heel snel uit het bad en riep: “We moeten vluchten, opdat het bad niet op ons valt, waarin Cerinthus baadt, de vijand van de waarheid.”
Eens werd aan de heilige Johannes van een vriend een levende patrijs geschonken; hij nam de vogel in zijn handen en aaide hem. Dit zag een jongeling en zei lachend tegen zijn metgezellen: “Kijk eens hoe deze grijsaard met de vogel speelt gelijk een kind.” Dit zag de heilige Johannes in de geest, riep de jongeling bij zich en zei: “Wat heb je daar in de hand?” Hij antwoordde: “Dat is een boog.” “En wat doe je ermee?” “Ik schiet daarmee vogels en ander wild.” “Hoe doe je dat?” Toen spande de jongeling de boog en hield hem een tijdje gespannen. Maar omdat Johannes niets zei, liet hij hem weer los. “Waarom heb je de boog losgelaten?” De jongeling antwoordde: “Als ik hem langer zou spannen, zou hij te zwak worden om te schieten.” Toen zei de Apostel: “Zo zou het gaan met de menselijke zwakheid, wanneer zij altijd in Gods aanschouwen zou willen blijven, en niet het kwetsbare lichaam af en toe rust zou gunnen. Zoals ook de adelaar hoger vliegt dan alle vogels en ziet in de zon met heldere ogen, zo moet hij zich toch af en toe, door de zwakheid der natuur, op aarde neerlaten; zo keert ook de menselijke geest, wanneer hij af en toe rust van het aanschouwen, met nieuw vuur naar de hemel terug.”
Hieronymus schrijft: Daar de heilige Johannes tot op hoge leeftijd in Ephese woonde, moesten zijn discipelen hem op hun armen naar de kerk dragen, toen kon hij niet meer spreken. behalve dat hij bij elke stap zei “Kindertjes, hebt elkander lief.” Zij verwonderden zich, waarom hij deze woorden zo vaak zei, daarop antwoordde hij hen: “Het is het gebod des Heren, wie dat vervult, die doet genoeg.”
Helinandus vertelt, dat toen Johannes het Evangelie wilde schrijven, hij een vasten afkondigde, opdat men voor hem zou bidden dat hij niets onwaardigs zou schrijven. Ook bad hij God, om op de afgelegen plek waar hij wilde schrijven, geen regen en wind toe te laten. En nog steeds eren de elementen die plek, en valt er geen regen en waait er geen wind.
Daar echter de heilige Johannes negenen negentig jaar oud was, en, zoals Isidorus schrijft, in het zevenenzestigste jaar na de marteldood van onze Heer, verscheen de Heer aan hem met zijn discipelen en zei: “Kom nu, mijn uitverkorene, tot mij; het is tijd dat u aan mijn tafel met uw broeders zult eten.” Toen stond Johannes op en wilde komen. Maar de Heer sprak: “Op zondag zult u tot mij komen.” Toen het zondag werd, verzamelde zich al het volk in de kerk, die ter ere van hem was gebouwd. En vanaf het eerste kraaien van de haan predikte hij tot hen en spoorde hij hen aan om standvastig in het geloof te blijven en Gods geboden lief te hebben. Daarna liet hij naast het altaar een vierkante kuil graven en liet hij de aarde uit de kerk wegvoeren; hij stapte in de kuil, spreidde zijn armen uit naar God en sprak: “Heer Jezus Christus, zie, ik kom en dank U dat U mij waardig hebt geacht aan Uw tafel; want U weet dat ik U van ganser harte heb begeerd.” Toen hij dit gebed had uitgesproken, verscheen er een groot licht om hem heen, zodat niemand hem meer kon zien. En toen het licht verdween, zag men het graf vol hemels brood; dat groeit daar nog steeds en welft op uit de bodem van het graf, als zand in een waterbron.
De heilige Edmund, koning van Engeland, had de heilige Johannes zo lief, dat hij niemand iets weigerde die omwille van hem om iets vroeg. Het geschiedde dat een pelgrim ter ere van de heilige Johannes heel dringend om een aalmoes vroeg; de koning had echter niets om hem te geven, want de kamerheer was niet aanwezig; en zo gaf hij hem zijn kostbare ring. Hierna na enige tijd bevond zich een ridder uit Engeland aan de overkant van de zee; een pelgrim gaf hem diezelfde ring en zei: “Dit moet u aan de koning van Engeland geven en hem zeggen dat degene aan wie hij deze ring gaf, dezelfde was als degene voor wie hij hem; die stuurt hem nu ook weer terug.” Daaruit bleek dat de heilige Johannes zelf de pelgrim was geweest. Isidorus schrijft in het boek over de oorsprong, leven en sterven der heiligen: ‘Johannes veranderde takken in goud en de stenen op het strand in edelstenen; hij maakte gebroken edelstenen weer heel; op zijn bevel ontwaakte de weduwe, stond de jongeling op, keerde de ziel terug naar het lichaam; ongeschonden dronk hij het gif en bracht hij degenen tot leven die door het gif waren gedood.’
Over de Onnozele Kinderen.
De kinderen hebben hun naam te danken aan drie zaken: hun leven, hun lijden en hun loon. Het eerste is hun onschuldig leven, dat ze niemand kwaad hebben aangedaan, noch God door ongehoorzaamheid, noch hun medemensen door onrechtvaardigheid, noch zichzelf door de boosaardigheid van de zonde. In de Psalmen staat hierover: “De onschuldigen en de rechtvaardigen hangen mij aan.” (Psalm. 24:21). Hiermee worden de onschuldigen in het leven en de rechtvaardigen in het geloof bedoeld. Het tweede is hun onrechtvaardige en onschuldige lijden. Daarover zegt de psalmist: “Zij hebben onschuldig bloed vergoten.” (Psalm. 105:38). Het derde is de onschuld die zij door hun marteling hebben verkregen, want zij zijn met hun bloed gedoopt en van alle erfzonde bevrijd. Daarover staat in de Psalm: “Bescherm de onschuld en neem waar de gerechtigheid.” (Psalm 36:37). Dat is “Bescherm de onschuld van de doop en houd u aan de rechtvaardigheid der goede werken.”
De onschuldige kinderen werden gedood door Herodes Ascalonita. Met de naam Ascalonita onderscheiden we hem, aangezien we in de Heilige Schrift lezen over drie Herodessen, die allen bekend staan om hun grote slechtheid. De eerste was deze Herodes van Ascalonita, onder wiens heerschappij Christus werd geboren en de kinderen werden gedood. De tweede was Herodes Antipas, die Johannes de Doper liet onthoofden. De derde was Herodes Agrippa, die de Apostel Jakobus doodde en de heilige Petrus in de kerker liet opsluiten. Daarvan heeft men de verzen: ‘Ascalonita necat pueros Antipa Johannem Agrippa Jacobum, claudens in carcere Petrum.’
Nu hoor naar de geschiedenis van de eerste Herodes. In de Historia Scholastica staat te lezen dat Antipater van Idumea met de nicht van de koning van Arabië trouwde; met haar kreeg hij een zoon, die hij Herodes noemde en die later Ascalonita werd genoemd. Keizer Augustus benoemde hem tot koning over het Joodse volk: zo werd voor het eerst de scepter van Juda weggenomen. Deze Herodes had zes zonen, die Antipater, Alexander, Aristobulos, Archelaus, Herodes Antipas en Philippus heetten. Twee van hen, Alexander en Aristobulos, die van een Joodse moeder geboren waren, stuurde hij naar Rome om de vrije kunsten te leren. En toen zij daarna van de hoge school kwamen, was Alexander een ijverige redenaar geworden; en beiden begonnen al snel onbevreesd met hun vader om de opvolging in het koninkrijk te redetwisten. Daarover werd Herodes verontwaardigd, en hij stelde hen met ijver Antipater voor. Toen trachten zij hun vader van het leven te beroven, waarop hij hen uit het land verdreef, Alexander en Aristobulos gingen vervolgens naar Rome om de onrechtvaardigheid van hun vader bij de keizer aan te klagen. Onder deze omstandigheden kwamen de heilige Drie koningen naar Jeruzalem en vroegen ijverig naar de geboorte van de nieuwe Koning. Toen Herodes dit hoorde, schrok hij, want hij dacht niets anders dan dat er iemand geboren was van het ware koninklijke geslacht der Joden, die hem als een vreemde indringer wilde verdrijven. Daarom vroeg hij de wijzen, wanneer zij deze pasgeboren koning hadden gevonden, dat zij het hem zouden laten weten; en hij deed alsof hij hem wilde aanbidden, die hij wilde doden. Maar de koningen keerden via een andere weg terug naar hun land. Toen Herodes nu zag dat zij niet meer tot hem kwamen, meende hij dat zij door de ster bedrogen waren en zich schaamden weer tot hem te komen, zo ging zijn gedachte af van de vervolging van het kind. Daarna echter vernam hij wat de herders van dit kind hadden gehoord en gezien, en wat Simeon en Anna over hem hadden geprofeteerd: toen werd hij weer vol angst, en merkte dat de wijzen hem boosaardig hadden bedrogen. En dacht nu, hoe hij alle kinderen wilde laten doden die in Bethlehem waren, zodat ook het onbekende kind niet aan de dood zou ontkomen. Toen waarschuwde de engel Jozef dat hij naar Egypte moest gaan met het kind en Maria, zijn moeder, en hij vertrok naar de stad Hermopolis en verbleef daar zeven jaar totdat Herodes gestorven was. Maar toen onze Heer naar het land Egypte kwam, vielen alle afgoden die in het land waren, zoals de profeet Jesaja had voorspeld. Men zegt ook dat, net zoals bij de uittocht van het volk Israël uit Egypte geen enkel huis was waar niet de eerstgeborene dood lag als gevolg van Gods wraak, er nu geen enkele tempel was waarin geen gebroken afgodsbeeld stond. Cassiodorus schrijft in de Historia Tripartita dat er in Hermopolis in de Thebais een boom groeide, Persidis genaamd, die zeer geneeskrachtig zou zijn en allerlei ziekten zou verdrijven, als men een vrucht, een blad of een stuk schors ervan om de nek van de zieke bindt. Toen nu Maria met het kind op de vlucht naar Egypte kwam, boog de boom zich naar de aarde en aanbad de Heer nederig.
Toen Herodes zich opmaakte om de kinderen te vermoorden, riep keizer Augustus hem via brieven bij zich om zich te verantwoorden tegen de beschuldigingen van zijn zonen. Dus begaf hij zich naar Rome en toen hij in Tarsus aankwam, vernam hij dat de schepen uit Tarsus de Drie koningen over zee hadden vervoerd; daarom liet hij alle schepen uit Tarsus verbranden, opdat het woord in vervulling zou gaan. “In een hevige storm zult gij de schepen van Tarsis vernietigen” (Psalm. 47:8). Daar nu Herodes met zijn zonen om dat koninkrijk streed, werd er een oordeel uitgesproken, de zonen moesten de vader in alles gehoorzaam zijn, en de vader mocht het koninkrijk geven aan welke zoon hij wilde. Alzo nam Herodes vol hoogmoed afscheid van de keizer, en toen hij thuiskwam, stuurde hij onmiddellijk mensen uit om alle kinderen in Bethlehem te doden, die twee jaar oud waren en daaronder; naar de tijd die hij van de wijzen had vernomen. Dit kan men op twee manieren verstaan: ofwel verwijst ‘daaronder’ naar de leeftijd en omvat het iedereen vanaf twee jaar tot en met de pasgeborenen die nog maar één nacht oud zijn. Want Herodes geloofde dat de Heer geboren was op de dag dat de ster aan de wijzen verscheen, en aangezien er door zijn reis naar Rome inmiddels een jaar was verstreken, moest het kind een jaar en enkele dagen oud zijn; maar hij vreesde dat het kind, dat door de sterren werd gediend, de macht had om zijn leeftijd te veranderen, en daarom liet hij alle kinderen jonger dan zijn eigen leeftijd, tot één nacht, en ouder dan zijn eigen leeftijd, tot twee jaar, doden. Dit is althans wat men algemeen gelooft, en deze mening lijkt de juiste te zijn. Volgens Chrysostomus wordt het echter anders uitgelegd: het woord ‘daaronder’ zou verwijzen naar de volgorde van de getallen, en de betekenis zou ‘vanaf twee jaar en verder’ zijn, dat wil zeggen: de kinderen van twee tot en met vijf jaar. Want hij zegt dat de ster al een jaar voor de geboorte van de Heer aan de wijzen was verschenen, Herodes echter vertrok naar Rome nadat hij het nieuws over de wijzen had gehoord, en bleef daar een jaar; daarom dacht hij dat de Heer twee jaar oud moest geweest zijn, want hij meende dat Hij geboren was toen de ster aan de magiërs verscheen. Daarom liet hij alle kinderen van twee jaar en ouder doden, tot en met vijf jaar, maar geen enkel kind jonger dan twee jaar. Het lijkt erop dat dit wordt bevestigd door het feit dat de botten van de kinderen die men heeft gevonden zo groot zijn dat ze niet van tweejarige kinderen kunnen zijn. Daartegenover kan echter worden gesteld dat mensen vroeger langer waren dan nu. Herodes werd hiervoor al snel gestraft; want, zoals bij Macrobius te lezen is en in een kroniek staat geschreven, was een (klein)zoon van Herodes in Bethlehem ter verzorging ondergebracht, en dat werd samen met de anderen door de moordenaars omgebracht. Toen werd het woord van de profeet vervuld, dat zegt: “De stem van het wenen en schreien,” dat is: van de vrome moeders, “werd in de hemel verhoord” (Mattheüs 2:18).
God echter oordeelt rechtvaardig, en wilde deze boosaardigheid bij Herodes niet ongestraft laten, zoals we in dezelfde Historia Scholastica lezen. Want hij bepaalde Herodes, die menig bedroefde moeder van haar kind had beroofd, zijn eigen kinderen op de meest ellendige wijze zou moeten kwijtraken.
Het geschiedde dat Alexander en Aristobulus wederom door hun vader verdacht werden; want één van hun knechten getuigde dat Alexander hem een groot bezit had beloofd als hij hun vader zou vergiftigen. Ook de baardknipper van Herodes bekende dat zij hem geschenken hadden beloofd als hij Herodes de keel zou doorsnijden, wanneer hij zijn baard aan het scheren was; en hij vertelde ook dat Alexander had gezegd dat men geen vertrouwen kon hebben in een oude man die zijn haar verfde om er jong uit te zien. Vanwege deze dingen werd Herodes woedend op zijn beide zonen en liet hen doden. Nu stelde hij Antipater aan als plaatsvervangend koning; maar al snel benoemde hij Herodes Antipas in zijn plaats; bovendien verzorgde hij met vaderlijke liefde Herodes Agrippa en Herodias, de vrouw van Philippus, die kinderen van Aristobolus waren. Door deze twee zaken kreeg Antipater grote wrok tegen zijn vader Herodes en beraamde hij hoe hem met gif zou kunnen doden. Herodes echter was hem voor en liet hem in de gevangenis werpen. Toen keizer Augustus hoorde hoe Herodes zijn zonen had gedood, riep hij uit: “Ik zou liever Herodes zwijn zijn dan zijn zoon: volgens de Joodse wetten mag hij de zwijnen niet eten en spaart hij ze, maar zijn zonen doodt hij.”
Toen Herodes zeventig jaar oud was, werd hij plotseling door een ernstige ziekte getroffen: hij had hoge koorts, met veel blaren op zijn lichaam en had voortdurend pijn in zijn hals. Zijn voeten waren opgezwollen, de wormen aten zijne schaamte; en er ging een stank van hem uit, zodat niemand bij hem wilde blijven; en hij lag daar zuchtende en kreunende. De artsen deden hem in een bad met olie, daaruit werd hij halfdood gedragen. Toen vernam hij dat de Joden zich over zijn dood zouden verheugen: daarom liet hij de edelste zonen va de Joden uit het hele land in de gevangenis gooien en sprak tot zij zuster Salome: “Ik weet dat de Joden zich over mijn dood zullen verheugen, maar als gij doet wat ik u zeg, zullen velen van hen mijn dood beklagen, en zal mijn begrafenis zeer edel zijn: Gij zult, wanneer ik dood ben, alle edele Joden die in de kerker liggen, laten doden, dan zal het hele Joodse volk tegen hun wil mij bewenen.” Nu had Herodes de gewoonte om na de maaltijd altijd zelf een appel te schillen en die op te eten. En daar hij het mes nog in zijn hand hield, bekroop hem plotseling zo’n drang dat hij zijn hand ophief om zichzelf te doden; en hij keek om zich heen of niemand hem zou tegenhouden. Toen sprong één van zijn neven naar hem toe en hield zijn hand stevig vast, zodat hem niets zou overkomen. Er ging een kreet door de zaal dat de koning dood zou zijn. Dit verheugde zijn zoon Antipater die in de gevangenis zat en beloofde zijn bewakers grote rijkdom als ze hem vrij zouden laten. Toen werd aan de zieke Herodes verteld dat zijn zoon zich verheugde over zijn dood; dat was voor hem erger dan de dood zelf; en hij zond zijn beulen en liet hem ombrengen. Hij droeg het koninkrijk over aan zijn zoon Archelaus en stierf vijf dagen later. In alle andere opzichten was hij gelukkig geweest, maar in zijn eigen huis ongelukkig. Salome echter, zijne zuster, liet iedereen vrij die hij bevolen had te doden. Maar Remigius schrijft in het origineel over Mattheüs dat Herodes zich daadwerkelijk met het mes heeft gestoken waarmee hij zijn appels schilde, en dat zijn zuster Salome werkelijk alle gevangenen heeft laten doden, zoals zij eerder met haar broeder had afgesproken.
Over de heilige Thomas van Canterbury.
Van Thomas wordt gezegd dat hij diepzinnig, tweeledig, of verscheurd was. Want hij was diepzinnig in zijn grote nederigheid, zoals we lezen dat hij een haren hemd droeg en de voeten van de armen waste; hij was tweeledig in zijn ambt, aangezien hij het volk onderwees met woorden en met goede werken; hij was verscheurd in zijn marteling. Thomas van Canterbury verbleef aan het hof van de koning van Engeland, maar toen hij zag dat daar allerlei dingen gebeurden die in strijd waren met het geloof, verliet hij het hof en begaf zich naar de aartsbisschop van Canterbury, die hem tot zijn aartsdiaken benoemde. Daarna verzocht de bisschop hem zelf of hij bereid was om kanselier van de koning te worden, opdat hij met zijn wijsheid de aanslagen van de goddelozen tegen de kerk zou verijdelen; dat deed hij, en de koning raakte zo op hem gesteld dat hij hem na de dood van de aartsbisschop in diens plaats op de bisschoppelijke zetel wilde plaatsen. Thomas verzette zich er lang tegen, maar uiteindelijk legde hij zich neer bij het gebod van gehoorzaamheid en nam hij deze last nederig op zich. Alsof hij een ander mens was geworden, bracht hij zijn leven tot volmaaktheid: hij kastijdde zijn lichaam door te vasten en droeg een haren hemd op zijn blote huid en een haren onderkleed die tot aan de knieën reikte. Maar hij hield zijn heiligheid verborgen en