Legenda aurea
Proloog
Zie verhef u en begin aan het boek over de legenden der heiligen, die broeder Jacobus van Genua uit de orde der Dominicanen, verzameld heeft.
De ganse tijd der vergankelijke levens wordt in vier delen met onderscheidt gedeeld. De eerste is de tijd van een verdwaald leven, die duurde vanaf het moment dat Adam de eerste zonde beging tot aan de tijd van Mozes. Die periode beschouwt de Christenheid van Septuagesima tot Pasen. Zo leest men dan het eerste boek van Mozes waarin beschreven wordt de val van de mens. De tweede periode was een tijd van vernieuwing of terugroeping, die duurde van Mozes tot de geboorte van onze Heer; want in die dagen werd de mens vernieuwd en tot geloof geroepen door de mond van de profeten. Die periode beschouwt de Christenheid van Advent tot Kerstmis. Zo riep men dan de profeet Jesaja, omdat hij openlijk geschreven had over de Goddelijke terugroeping. De derde periode is een tijd van verzoening, waarin Christus, door zijn verdienstelijke leven en dood, met God zijnen Vader verzoend heeft. Deze periode beschouwt de Christenheid van Pasen tot Pinksteren. Zo leest men dan van de heilige Johannes het boek van de geheime openbaringen, waarin het mysterie van deze verzoening uitvoerig wordt beschreven. De vierde periode is een tijd van pelgrimstocht, de tijd van het huidige leven, waarin wij een pelgrimstocht ondernemen die vol strijd en tegenspoed is. De periode die de Christenheid van het octaaf van Pinksteren tot aan de Advent beschouwt. Zo leest men dan de boeken van de Koningen en Makkabeeën, die documenteren: zo in hun tijd veel lichamelijke strijd is geschied, alzo is er tegenwoordig veel geestelijke aanvechting. We kunnen de periode van Kerstmis tot Septuagesima beschouwen als een tijd die in twee delen is verdeeld; het eerste deel is de tijd van verzoening, een tijd van vreugde, die duurt van Kerstmis tot de achtste dag na Driekoningen; het tweede deel is de tijd van de pelgrimstocht, en is een tijd van droefenis, die duurt van de achtste dag na Driekoningen tot Septuagesima.
Deze vier onderscheiden de geestelijke tijden en worden vergeleken met de vier seizoenen van het natuurlijke jaar, waarbij de eerste de winter vertegenwoordigt, de tweede de lente, de derde de zomer en de vierde de herfst; en de betekenis van deze vergelijking is duidelijk. Een andere gelijkenis heeft betrekking op de delen van de dag, namelijk dat de eerste geestelijke tijd wordt vergeleken met de nacht, de tweede met de ochtend, de derde met de middag en de vierde met de avond.
Hoewel de tijd van dwaling voorafgaat aan de tijd van vernieuwing, begint de Kerk alle vieringen met Advent en niet met Septuagesima. Want ze wil niet aanvangen met de verwarring, en kijkt niet naar de tijdsvolgorde, maar naar de zaak zelf; zo doen de Evangelisten dat ook in hun boeken. Ook wordt met de komst van de Heer alles vernieuwd; daarom heet deze tijd de tijd van vernieuwing. Dit is wat de Heer bedoelt in het boek Openbaring, waar Hij zegt: “Zie, ik vernieuw alle dingen” (Openbaring 21:5). Daarom vernieuwt de Kerk al hare feesten in deze rijd van vernieuwing.
Volgens deze door de Kerk vastgestelde volgorde beginnen we dit boek met de feesten die vallen binnen de tijd van vernieuwing; de Kerk beschouwt deze periode van Advent tot Kerstmis. Vervolgens bespreken we de feesten, die vallen in de periode die deels een tijd van verzoening en deels een tijd bedevaart is; de Kerk beschouwt deze periode van Kerstmis tot Septuagesima. Ten derde bespreken we de feesten die vallen in de tijd van verwarring; deze periode beschouwt de Kerk van Septuagesima tot Pasen. Ten vierde bespreken we de feesten die vallen in de tijd van de vervolging; de Kerk beschouwt deze periode van Pasen tot acht dagen na Pinksteren. Ten vijfde bespreken we de feesten die vallen in de tijd van het pelgrimage; de Kerk beschouwt deze periode van het octaaf van Pinksteren tot aan de Advent.
Over de geestelijke Advent en de wederkomst van de Heer.
Dit zijn de vier weken van Advent, die de vier komsten van de Heer symboliseren: de eerste, dat Hij in menselijke gedaante tot ons kwam; de tweede, dat Hij met genade in de harten van de mensen kwam, de derde, dat Hij tot ons is gekomen in de dood, de vierde, dat Hij zal wederkomen bij het Laatste Oordeel. De laatste week van de Advent wordt afgesloten als teken dat de glorie geen einde heeft, waartoe de heiligen op de Laatste Dag zullen komen. Zo heeft ook dat eerste Responsorium de eerste adventsdag, zo men dat Gloria Patri daartoe rekent, vier verzen, waarmee de viervoudige Advent wordt aangeduid; welk vers bij elk Advent hoort, dat kan de oplettende lezer opmerken. Hoewel de betekenis van Advent viervoudig is, denk het Christendom voornamelijk aan deze beiden: de menswording van God en Zijn wederkomst voor het Laatste Oordeel, en zijn ook de kerkelijke ambten van die tijd daarop afgestemd. Daarom is ook het vasten tijdens de adventstijd een vasten van vreugde en verdriet: van de menswording van Christus heet het vasten van vreugde, een vasten van verdriet heet het in afwachting van het Laatste Oordeel. Daarom zongen we vervolgens verschillende vreugdegezangen, vanwege het getoonde erbarmen en de vreugde, sommige lieten we achterwege, vanwege de angst en het verdriet voor het strenge Oordeel.
Van de komst van Christus in het vlees kunnen we drie dingen afleiden: ten eerste gebeurde het op het juiste moment, ten tweede was het noodzakelijk, en ten derde was het van groot nut. Vanuit menselijk perspectief was het het juiste moment; want de mens werd onder de wetten van de natuur snel gewaar, dat hij de kennis van God miste. Hij verviel tot de dwalingen van afgoderij en moest uitroepen: “Heer, verlicht mijn ogen” (Psalm 12:4). Daarna kwam de Wet en legde hem geboden op. Toen besefte hij zijne zwakte. Eerst had hij geroepen: “Is er één die gehoorzaamt, waar is hij die zo beveelt?” Zo riep hij nu: “Het ontbreekt niet aan een gebieder, maar er is niemand die gehoorzaamt.” De Wet had hem weliswaar getuchtigd, maar niet van de zonde bevrijd, en hem niet tot het goede geholpen door genade. Gods Zoon kwam alzo op het juiste moment, daar de mens zijne zwakheid en onwetendheid gewaar werd, want was Hij eerder gekomen, zo had de mens door zijnen verdienste dat heil toegeschreven, en de dankbaarheid voor de Goddelijke genezing vergeten. Ook was het het juiste ogenblik in de geest van de tijd, want er staat geschreven: “Toen de tijd vervuld was” (Galaten 4:4). Daarover schrijft Augustinus: “Velen zeggen: Waarom is Christus niet eerder gekomen? De tijd was nog niet vervuld, naar de wil van Hem, die alle eeuwen doorgrond heeft. Toen de tijd vervuld was, kwam Hij, die ons van de tijd verlost heeft: bevrijd van deze tijd zullen wij de eeuwigheid ingaan, waar geen tijd is. Christus kwam ook op het juiste moment voor de grote wonde en ziekte van het menselijke geslacht. Want de ziekte van de mensen was zo groot, dat hem een grote arts noodzakelijk was. Daarvan spreekt Augustinus: “De grote arts kwam, omdat de de gehele wereld één grote zieke was.” In de hartstochtelijke antifonen, die voor Kerstmis worden gezongen, belijdt de Kerk de overvloed aan haar gebreken, en vraagt zij voor elk daarvan de arts om een heilmiddel. Voor de menswording van Christus waren wij onwetend en blind; daarom hadden wij zijn onderwijzing nodig. Wij waren tot de eeuwige straffen vervallen; daarom hadden we een verlosser nodig. Wij waren slaven van de duivel; en hadden een bevrijder nodig. Wij waren in zondige gewoonten gebonden; zo was het noodzakelijk, dat iemand ons daaruit voerde. Wij tasten in duisternis; en hadden een licht nodig. Wij werden verbannen en verdreven uit ons vaderland; daarom hadden we een redder nodig. Daar wij onverstandig waren en van hem onderwijs moesten ontvangen, zo vingen we in de eerste Antifoon aan: “O wijsheid, die uit de mond van de Allerhoogste is voortgekomen, kom en leer ons de weg der wijsheid.” Maar wat helpt het, wanneer wij onderwijs ontvangen, maar niet losgekocht worden? Daar smeken wij in de tweede antifoon: “O Adonai, gij hertog van Israël, strek uw hand uit en koop ons vrij.” Maar wat helpt het, wanneer wij onderwijs ontvangen en waren losgekocht, zo wij na die verlossing nog steeds in de gevangenis zaten? Daarom smeken wij om vrijheid en roepen in de derde antifoon: “O wortel, sla toe, kom en verlos ons, en wacht niet langer.” Maar wat helpt het, wanneer wij losgekocht en bevrijd waren en nog boeien aan handen en voeten hadden, en nog niet de macht en de vrijheid hadden, om te gaan waarheen wij wilden? Daarom zo smeken wij in het vierde en spreken: O gij sleutel David, kom en leid ons uit het huis des kerkers, daar waar we gevangen zitten in duisternis en de schaduw des doods.” Echter, zij, die zo lang in de kerker verbleven, hebben doffe ogen en kunnen niet helder zien; alzo moeten wij, wanneer wij van de gevangenschap bevrijd zijn, nog verlicht worden, zodat wij de weg kunnen zien. Zo daarom roepen wij in de vijfde antifoon: “Opkomend schijnsel van het eeuwige licht, kom en verlicht hen, die in duisternis en schaduw des doods verkeren.” Echter zo wij nu wijs waren en verlost, van al onze vijanden bevrijd, en verlicht: wat zou ons dat alles tot nut zijn, zonder het heil onzer zielen? Daarom zo smeken wij in het zesde en zevende ons eeuwige heil, zonder welke al dat andere ons niet van nut kan zijn, en spreken: “O Gij Koning der volkeren, kom en red de mensen, die Gij uit aarde hebt geschapen.” “O Emmanuel, kom en bewaar ons, Heer onzer God.” In het eerste smeken wij om de redding der heidenen: O rex gentium; in het tweede om de redding der Joden, aan wie God de wet heeft gegeven: O Emmanuel, rex et legifer nofter.
Over het nut dezer toekomst onzer Heer, schrijven onze heilige leraren met onderscheid vele betekenissen. Onze Heer zelf spreekt in het Evangelie van de heilige Lucas dat Hij gekomen is om zeven soorten weldaden te verrichten, daar Hij aanheft: “De Geest des Heren is op Mij” (Lucas 4:18), en zegt, Hij is gezonden, de armen te troosten, de bedroefden te helen, de gevangenen te bevrijden, de ongeleerden te verlichten, de zondaars te reinigen, alle menselijke geslacht te verlossen, en allen te belonen die het toekomt. Augustinus spreekt van een drievoudig voordeel der toekomst Christus en zegt: “In deze boze wereld is niets anders, dan geboren worden, arbeiden en te sterven: dat zijn de koopwaren van ons land, en omwille van deze waren is God als een koopman tot ons neergedaald. En zoals de koopman geeft wat hij heeft en neemt wat hij niet heeft, zo nam Christus tot zich van de mensen geboren worden, arbeiden en sterven, zoals hier in overvloed aanwezig is, en gaf opnieuw geboren worden, van de dood opstaan en eeuwig heersen.” “Hij is gekomen, de hemelse koopman, om smaad te ontvangen en glorie te schenken, om de dood te ontvangen en eeuwig leven te geven.” Gregorius spreekt over een viervoudig nut en basis voor de toekomst van de Heer, en spreekt: “Allen die van Adam zijn, verlangen naar de genoegens van dit aardse leven, om het onaangename te vermijden, beledigingen te ontvluchten, om eer te zoeken: onze Heer is gekomen, die tegenspoed leed, geluk verwierp, hardheid vreesde, en eer ontvluchtte. Hij is gekomen, de langverwachte, en heeft nieuwe dingen geleerd, wonderen verricht, en pijn geleden.” De heilige Bernardus meent een ander uitdrukking te moeten gebruiken en spreekt: “Wij lijden jammerlijk onder drie grote gebreken: we zijn gemakkelijk te verleiden, zwak in daden en broos in weerstand. Willen wij goed en kwaad onderscheiden zo worden wij gemakkelijk misleid; als we het goede verzoeken te doen, zo worden we zwak; we worden overwonnen als we proberen het kwaad te weerstaan. Alzo kwam onze Heer, dat zijn geloof ons verlicht, zijn genade ons versterkt, zijn kracht ons beschermt.”
Aan de andere toekomst van onze Heer, dat is tot het Laatste Oordeel, zien we duidelijk: wat eraan voorafgaat; en ten tweede: waarvan zij begeleidt wordt.
Drie dingen gaan eraan vooraf: schrikbarende tekenen, de wonderen van de antichrist en de vurige onstuimigheid. Het zijn vijf voortekenen van het Laatste Oordeel. De heilige Lucas schrijft hierover: “Er zullen tekenen zijn aan de zon, aan de maan en aan de sterren, en op aarde zullen de mensen angstig worden vanwege de onrust op zee en het gebulder van de golven (Lucas 21:25). De eerste drie tekenen staan geschreven in het der Openbaringen van Johannes: “De zon zal zwart worden als een haren zak, en de maan wordt geheel als bloed, en de sterren zullen uit de hemel op aarde vallen.” (Openbaring 6:12). Er wordt gezegd dat ‘de zon zwart wordt’ omdat ze het licht laat doven uit rouw om de val des mensen, harer huisvaders; of omdat zij door de andere zon, die daar opkomt, door Jezus Christus, verduisterd wordt; of de verduistering van de zon is beeldend bedoeld, want, zoals Augustinus spreekt, wordt dat Goddelijke oordeel zo streng, dat de zon het gelaat van onze Heer niet durft te aanschouwen. Of, in mystieke zin, dat de zon der gerechtigheid Christus verduisterd zal worden, omdat niemand zich tot een bekentenis durft te wagen. Met ‘hemel’ wordt hier het luchtruim bedoeld, en met ‘sterren’ de vallende sterren, omdat die een gelijkenis met sterren hebben. Zoals men in de volkstaal spreekt ‘er vallen sterren uit de hemel’ wanneer de vallende sterren neerdalen, zo gebruikt de Schrift hier ook de volkstaal. Deze sterrenregen zal op een bepaald moment bijzonder groot zijn, omdat er een overvloed aan vurige materie zal zijn; en de Heer doet dit om zondaars angst aan te jagen. Het mag ook zijn, dat men derhalve spreekt ‘De sterren vallen’ omdat zij hun vurige staarten laten uitdoven. Of, beeldend gesproken, omdat velen, welke sterren in de kerk te fel schitteren, op de Dag des Oordeels zullen vallen. Of ten slotte, omdat de sterren hun licht terugtrekken, zodat men ze niet meer zien kan. Over het vierde teken, de vrees op aarde, staat geschreven in het Evangelie van de heilige Mattheüs: “Er zal een grote verdrukking zijn, zoals er sinds het begin van de wereld niet geweest is.” (Matheus 24:21). Het vijfde teken, de verstoring der wateren, is volgens sommigen de ondergang van de zee, die met groot geraas zal verdwijnen. Daarvan staat in het geheime boek Openbaringen geschreven: “en de zee is er niet meer.” (Openbaring 21:1). Anderen menen, dat het vijfde teken het enorme geluid is, zodat de zee met veel gedonder en lawaai, veertig ellen boven alle bergen uitstijgt en vervolgens weer terugvalt. Volgens Gregorius zou de betekenis van het woord zijn: “Er zal een nieuwe en ongekende verwarring op zee en harer stromen ontstaan.
De heilige Hieronymus vond vijftien tekenen van het Laatste Oordeel in de Annales Hebraeorum; hij vermeldt echter niet of deze tekenen elkaar snel zullen opvolgen of dat er tijd tussen zal zitten.
Op de eerste dag zal de zee tot veertig ellen hoog boven alle bergen uitstijgen, en in het dal zal op die plek een muur verrijzen.
Op de tweede dag trekt de zee zich zo ver terug dat ze nauwelijks nog te zien is.
Op de derde dag komen de wonderen van de zee tevoorschijn en laten zich zien, en brullen richting de hemel. Hun stem verstaat niemand behalve God.
Op de vierde dag verbrandt de zee en alle water.
Op de vijfde dag geven alle bomen en kruiden bloedrode dauw af. Men zegt ook, dat dan alle vogels die vliegen zich op dat aardrijk zullen verzamelen, ieder volgens zijn eigen orde, en zij eten noch drinken uit vrees voor het oordeel van de strenge rechter.
Op de zesde dag storten alle steden en alles wat gebouwd is in, en felle bliksemflitsen schieten van zonsondergang tot zonsopgang over de hemel.
Op de zevende dag alzo sloegen de stenen tegen elkander aan, zodat ze braken, en splitsten zich elk in vier delen en schuurden tegen elkander aan. Dat geluid kent niemand dan alleen God.
Op de achtste dag zal er een zware aardbeving plaatsvinden, zo hevig dat alle mensen en dieren op de grond zullen vallen waarbij niemand meer zal kunnen staan.
Op de negende dag wordt de hele aarde vlak, en veranderen alle bergen en heuvels in stof.
Op de tiende verlieten de mensen de grotten waar ze naartoe waren gevlucht, alsof ze buiten zinnen waren, en konden elkander niet aanspreken.
Op de elfde dag verrijzen de beenderen van de doden en staan boven de graven. En alle graven staan open van zonsopgang tot zonsondergang, zodat de doden naar buiten kunnen gaan.
Op de twaalfde dag vallen de sterren uit de hemel, en alle planeten en vaste sterren werpen vurige staarten uit; en wederom valt er een regen van vuur. Ook zegt men, dat op deze dag alle dieren in de velden zich onder luid gebulder verzamelen en niet eten of drinken.
Op de dertiende dag sterven de levenden, opdat zij met de doden zullen opstaan.
Op de veertiende dag zullen hemel en aarde verbranden.
Op de vijftiende dag zal er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, en zullen alle mensen opstaan.
Het andere, wat aan het Laatste Oordeel voorafgaat, is de misleiding van de antichrist. Hier merken we vier manieren op waarop de antichrist de mensen bedriegt.
Dat eerste is de valse raad en leer die hij de mensen zal geven, en de valse uitleg der Schrift, wanneer hij spreekt en uit de Schrift wil bewijzen dat hij de ware Messias is, die ons beloofd is in de wet; en hij zal de leer van Christus omkeren en zijn eigen leer vestigen. Daarvan spreekt David in de Psalm “Heer gij werpt ene schemering over hen, die hun een andere wet geeft” (Psalm 9:21) en de kanttekening getuigt getuigt: “Dat is de antichrist, de gever van de verachtelijke wet.” En Daniël zegt hierover: “Zij zullen het heiligdom ontheiligen en een gruwel der verwoesting oprichten.” (Daniël 11:31). Daarover in de aantekening: “De antichrist zal in de tempel Gods zitten als een God, om het volk des Heren te vernietigen.”
Het tweede zijn de valse tekenen en wonderen, die hij zal verrichten. Daarover staat geschreven in de tweede brief van Paulus aan de Thessalonicenzen: “De toekomst zal plaatsvinden onder invloed van Satan, met allerlei leugenachtige krachten, tekenen en wonderen.” (II Thessalonicenzen 2:9) en in de geheime Openbaringen: “En hij doet grote tekenen, zodat hij zelfs vuur uit de hemel laat neervallen voor de mensen” (Openbaringen 13:13). Daarover in de aantekening: “Zoals de Heilige Geest aan de Apostelen werd gegeven in de vorm van vuur, zo zal Hij de boze geest geven in vuur.”
Het derde zijn de grote geschenken die hij zijnen nooddruftigen schenkt. Daarvan spreekt Daniël: “Hij zal de zijnen grote macht geven en het land onder hen verdelen” (Daniël 11:39) en de aantekening hierover: “De antichrist zal aan de bedrogenen geschenken geven en de aarde onder zijn heir verdelen. Want welke hij niet met geweld kan bedwingen, die zal hij door hun hebzucht voor zich winnen.
De vierde is de grote pijn die hij de mensen zal aandoen. “Hij zal alle dingen vernietigen, meer dan voor te stellen is,” zegt Daniël (Daniël 8:24). En Gregorius zegt: “Hij doodt de sterken, want hij neemt het lichaam weg van hen die onoverwinnelijk zijn in de geest.”
Het laatste dat aan het Oordeel voorafgaat, is de onstuimigheid van het vuur, dat voor het aangezicht van de Rechter gaat. God zendt dit in de eerste plaats om de wereld te vernieuwen, want het zal alle elementen zuiveren en nieuw maken; en net als bij de grote zondvloed stijgt het water hoog op, vijftien el boven alle bergen, “zo hoog als het mensenwerk ooit is gekomen.” Dat lezen wij in de Historia scholastica. Anderzijds vindt de Heer het nodig om de mensen te louteren: want er zal een vagevuur komen voor degenen die nog leven. Ten derde stuurt hij het, zodat het een grotere kwelling is voor de verdoemden. Ten vierde, dat het dient tot glorie van de heiligen: want wanneer de wereld gezuiverd is, zal God de glans van het vuur en de hitte scheiden: de gloed zal hij naar de plaats van de verdoemenis sturen, tot kwelling van de bozen, de glans naar de woning van de zaligen, opdat hun vreugde zich vermeerdert. Dat schrijft Basilius.
Hierna volgt het Laatste Oordeel. Dat gaat gepaard met allerlei zaken. Het eerste is het oordeel van de Rechter. Het zal geschieden in het dal van Josafat, daar zal de Rechter verschijnen om te oordelen over de goddelozen en de rechtvaardigen; en Hij zal op een hoogte zitten, zodat iedereen Hem kan zien. Ze zullen niet allen in dit kleine dal komen; om dat te denken zou kinderachtig zijn, zegt Hieronymus; maar overal in de omliggende oorden. Toch kunnen op een klein stukje grond talloze mensen staan, vooral als ze dicht op elkaar staan; en als het nodig is, zullen de uitverkorenen in de lucht zweven, door de lichtheid van hun lichamen, echter ook de verdoemden zullen dat kunnen, wanneer God het wil. Dan zal de Heer tot de onrechtvaardigen spreken en hen vragen naar de werken van barmhartigheid, die zij niet gedaan hebben. Zo zullen ze allemaal over zichzelf wenen. Daarover spreekt Chrysostomus tot het evangelie van Mattheüs: ‘De Joden wenen, wanneer ze Hem levend aanschouwen en leven gevende, terwijl ze Hem dood achtten aan het kruis, en ze kunnen hun zonden niet verbergen wanneer ze de open wonden van onze Heer zien. De heidenen wenen, want zij zien de waarheid die zij niet wilden geloven, bedrogen door de woorden van hun wereldse wijzen: want zij beschouwden het als een dwaasheid om in een gekruisigde God te geloven. De zondaars onder de Christenen wenen over zichzelf, omdat zij de wereld meer liefhadden dan God en Christus. De ketters wenen, omdat ze dachten dat hij alleen een menselijk wezen was, die nu de Goddelijke kroon draagt. Alle mensen wenen, omdat ze geen kracht voelen om hem te weerstaan, en er geen manier is om voor zijn aangezicht te vluchten, noch een plaats om boete te doen, noch een kans om zich te verbeteren. Niets blijft hen in deze benarde situatie over dan te treuren.
Het tweede is het onderscheid onder de veroordeelden. Want wanneer Gregorius zegt: Bij het Laatste Oordeel zullen er vier te onderscheiden zijn, twee onder de slechten en twee onder de goeden. Een deel van de slechten wordt met het Oordeel verdoemd; tot hen zegt onze Heer: “Jullie hebben mij honger laten lijden en mij niet te eten gegeven.” De anderen worden zonder oordeel veroordeeld, dat zijn de ongelovigen; van hen staat geschreven: “Wie niet gelooft, is veroordeelt in zijn ongeloof.” Want zij zijn niet waardig om de woorden van het oordeel te horen, die de woorden van het geloof veracht hebben. Anderen worden geoordeeld en zullen het koninkrijk der hemelen beërven: tot hen zal hij zeggen: “Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven.” Weer anderen zullen zelf oordelen en zullen het koninkrijk bezitten, als volmaakte mensen die over anderen mogen oordelen. Niet dat zij dat oordeel uitspreken: dat doet alleen de Rechter. Maar zij staan hem ter zijde, wanneer hij oordeelt. Dat geschiedt tot hunner ere; want het is een grote eer om met de Rechter in het Gerecht te zitten, zoals de Heer hun heeft beloofd (Mattheüs 19:28). “Zo zullen ook jullie op stoelen zitten om te oordelen.” Het geschiedt ter bevestiging van het oordeel; zij zullen dat oordeel van de Rechter bevestigen, zoals assessoren dat doen, en het ondertekenen. Daarvan spreekt de psalm: “Dat zij hun doen het geschrevene Recht.” (Psalm 149:9). Het geschiedt ook tot verdoemenis der bozen, die door hun heilige leven veroordeeld worden.
Het derde is, dat de tekenen van het lijden van onze Heer verschijnen, het kruis, de nagels en de wondtekens op zijn lichaam. Zij zijn de zichtbare tekenen van zijn overwinning en zullen in grote glorie verschijnen. Daarvan spreekt Chrysostomus over Mattheüs “Het kruis en de wondtekens schijnen helderder dan de zon.” “Zie hoe groot de kracht van het kruis is, de zon wordt donker en de maan verliest haar schijnsel, want het schijnt heerlijker dan de zon en de maan.” De rechtvaardigen zullen aan deze tekenen van lijden herkennen, dat zij door de barmhartigheid van onze Heer worden verlost. Ook zal dat oordeel tegen de bozen worden bekrachtigd, want zij zullen erkennen dat zij terecht veroordeeld zijn, omdat zij het grote lijden van de Heer aan zich hebben laten verloren gaan. Hij zal tot hen spreken, zoals Chrysostomus schrijft tot het evangelie van Mattheüs: “Ik ben om uwentwille mens geworden, gebonden, geslagen, bespot, gekruisigd: waar is de vrucht van dit lijden? Waar is de beloning voor dat bloed dat ik heb vergoten voor de verlossing van uwer zielen? Waar is de dienst die jullie mij daarvoor hebben bewezen? Ik heb jullie geëerd boven mijzelf, omdat ik als God een mens ben geworden; jullie hebben mij onteerd door de boze dingen in de wereld meer lief te hebben dan mij; want jullie hebben het slechtste van deze wereld meer liefgehad dan mijn geloof en mijn gerechtigheid.
Het vierde is de strengheid van de Rechter. Geen enkele vrees dwingt hem, want hij is almachtig. Chrysostomus zegt: “er is geen kracht die hem kan weerstaan, noch kan men voor zijn aangezicht vluchten.” Geen geld of goed kan hem winnen, want zijn rijkdom is onmetelijk. Daarvan spreekt de heilige Bernard: ‘Wanneer hij komt, zullen op die dag oprechte harten nuttiger zijn dan kundige woorden, en een goed geweten aangenamer dan een zak vol penningen; want de Rechter laat zich niet misleiden door woorden, noch overwinnen door geschenken”. En Augustinus zegt: “Op het Laatste Oordeel zal er een Rechter zijn, zonder aanzien des persoons, waar men geen gunst met goud noch zilver, noch bisschop, noch abt, noch graaf kan winnen.” Niemand kan wat tegen hem inbrengen, want hij is goed. Daarover staat in het Boek der Wijsheid geschreven: “Gij haat niet wat Gij geschapen hebt (Boek der Wijsheid. 11:25). Geen liefde dwingt hem, want hij is rechtvaardig en daarom zal hij de valse christenen, zijnen broeders, niets vergeven. Daarover staat in de psalm “De broeder helpt niet (Psalm 48:8). Hij dwaalt niet, want hij is de hoogste wijsheid. Paus Leo zegt: “Dit is de kunst van de opperste Rechter, dit is zijn verschrikkelijke aangezicht; het gaat door alle sloten heen, alle geheimen zijn voor hem openbaar; daar wordt de duisternis licht, wat stom is antwoordt, en de gedachten van de mens spreken zonder stem. En daarom, dat deze wijsheid zo groot is, dat zij niet kan worden weerlegd door de tegenstanders, noch door het bedrog der wereldwijzen, noch door de slimme woorden van de sprekers, noch door de sluwheid der listigen.” De heilige Hieronymus zegt: “Zaliger zijn de stommen op die dag dan de praatgrage, zaliger zijn de herders dan de wereldwijzen, de boeren dan de kunstenaars, en eenvoud zal beter zijn dan de spitsvondigheid van Cicero”.
De vijfde is de vreselijke aanklacht. Want er zullen drie aanklagers opstaan tegen de zondaar. Dat is de boze geest. Daarover spreekt de heilige Augustinus: “Op dit moment is de duivel aanwezig en herhaalt de woorden van onze biecht, en herinnert de mens aan alles wat hij heeft gedaan, op welke plaats en op welk uur, en aan al het goede dat we in die tijd hadden moeten volbrengen. Want hij zal zeggen: “Heer, rechtvaardige Rechter, oordeel dat deze de mijne wordt vanwege zijne zonde, die niet de Uwe wilde zijn om genade; hij is van U van nature, van mij vanwege zijn zonden; van U vanwege Uw lijden, van mij om mijnen raad; U was hij ongehoorzaam, mij heeft hij gevolgd; van U heeft hij het kleed van onsterfelijkheid ontvangen, van mij de wollen rok van het tijdelijke leven; Uw kleed heeft hij verloren in het mijne staat hij hier openlijk: daarom zo vorder ik deze mens, dat hij de mijne zij en met mij lijdt de eeuwige pijn. Zal hij zijn mond kunnen openen, die alzo geoordeeld wordt aan de duivel gelijk?” De tweede aanklager is de eigen zonde van de mens; want eigene zonden zullen elk één aanklagen. Daarvan staat geschreven in het boek der wijsheid: “Ze komen vol angst tot inkeer over hun zonden, en al hun zonden staan als aanklagers tegen hen op.” (Boek der Wijsheid 4:20). De heilige Bernard zegt: “Dan zullen de werken alle tegelijk tegen de zondaar spreken: wij zijn uw werken, u hebt ons gemaakt, wij zullen u niet verlaten, wij willen altijd bij u zijn en bij u staan voor het gerecht. En zij zullen hem beschuldigen van talloze misdaden.”.
De derde aanklager is de wereld zelf. Daarover spreekt Gregorius: “Vraag je af wie je zal aanklagen? Ik zal het je vertellen: de gehele wereld. Want met de Schepper werd al het geschapene door jou beledigd.” En Chrysostomus spreekt over Mattheus: “Op die dag zullen we niets kunnen antwoorden, want hemel en aarde, zon en maan, dag en nacht, en de hele wereld zullen getuigen tegen de zondaar; en zelfs als al dezen zouden zwijgen, zouden onze gedachten en onze werken nog tegen ons getuigen en ons aanklagen.”
Het zesde is dat onmiskenbare bewijs. Want er zijn drie getuigen tegen de mens: de ene is boven hem, de andere is in hem, de derde is naast hem. De eerste getuige is God. Jeremia zegt hierover: “Ik ben rechter en getuige, zegt de Heer.” (Jeremia 29:23). De tweede getuige is ons geweten. De heilige Augustinus zegt hierover: “vreest gij de toekomstige Rechter, zo straf uw huidige geweten; want het getuigenis van uw geweten is een oordeel over uw daden.” De derde getuige is de engel, die ons ter bescherming gegeven is; hij weet alles wat we gedaan hebben, en treedt op als getuige tegen ons. Job spreekt daarover: “De hemelen, dat zijn de engelen, openbaren de zonden der mensen.” (Job 20:27).
Het zevende is de angst van de zondaar voor dit alles. Daarover spreekt de heilige Gregorius: “O, hoe smal worden de wegen van de zondaar! Zo staat hij voor de toornige Rechter, onder hem de gapende hellekloof, rechts de aanklagende zonde, links de duivels die hem tot de pijn willen slepen, inwendig het knagende geweten, en uitwendig om hem heen de brandende wereld. Waar vlucht de arme zondaar heen, nu hij zo omsingeld is? Het is onmogelijk dat hij zich kan verbergen en het is ondraaglijk voor hem dat hij zich moet laten zien.”
Het achtste is het oordeel; en dat is onherroepelijk. Want de uitspraak van de Rechter kan nooit meer worden herroepen, noch is er beroep tegen mogelijk. Want ook het aardse recht duldt geen beroep in drie gevallen: Ten eerste, wanneer de rechter te machtig is; zo kan men geen beroep aantekenen tegen het oordeel van een koning in zijn rijk, aangezien niemand boven hem staat; zo is er geen beroep mogelijk tegen de keizer en tegen de paus. Ten tweede, wanneer de misdaad openbaar is. En ten derde, wanneer de zaak niet kan worden uitgesteld; omdat uitstel nadelig zou kunnen zijn voor de zaak. Omwille van deze drie oorzaken zal er ook bij het Laatste Oordeel niet in beroep worden gegaan. Ten eerste vanwege de grootsheid van de Rechter; want deze Rechter heeft niemand boven zich, maar overtreft alle anderen in eeuwigheid, waardigheid en macht. Van de keizer of de paus zou men nog naar God kunnen gaan met zijn klacht, maar van God naar niemand, want hij heft niemand boven zich. Ten tweede vanwege de openbaarheid van de misdaad. Want alle boosaardigheid en misdaden zullen dan openbaar worden. Daarover zegt de heilige Hieronymus: “Er zal een dag komen waarop alle onrechtvaardige daden openbaar zullen worden gemaakt en getoond, als ware ze op ene plaat geschilderd.” Ten derde vanwege de onuitstelbaarheid van de zaak; want wat daar geschiedt, kan nooit worden uitgesteld. Alles geschiedt in een ogenblik.
Over de heilige Andreas de Apostel.
Andreas is vertaald mooi; of antwoordend; of mannelijk, van andros, dat is: man. Of Andreas is zoveel als antropos, mens, en komt van ana, omhoog, en tropos, ommekeer: iemand die zich naar de hemel en het Goddelijke keerde en zich naar zijn Schepper richtte. Mooi was hij in zijn leven; antwoordend in wijze leer; mannelijk in lijden; een mens in zijn glorie.
Zijn martelaarschap is ons beschreven door de presbyters en diakenen van Achaia of van Azië, zoals zij met eigen ogen hadden gezien.
Andreas en een aantal andere discipelen zijn driemaal door onze Heer geroepen. De eerste keer dat Hij hen geroepen had tot Zijner erkentenis, was de dag dat Andreas en een andere leerling van Johannes (de Doper) de woorden van zijn meester hoorden: “Zie, dit is het Lam Gods, die de zonden van de wereld draagt.” Toen kwamen Andreas en de andere discipel en zagen waar Jezus woonde, en bleven die dag bij hem; en toen Andreas zijn broeder Simon stuurde, bracht hij hem ook daarheen. De volgende dag keerden ze terug van onze Heer en voeren weer uit om op zee te gaan vissen. De tweede keer riep hij hen tot Zijn vriendschap, toen het volk zich om Hem heen verdrong aan het Meer van Genezareth, dat ook wel het Meer van Galilea wordt genoemd; daar trad Hij in dat schip van Andreas en Simon en liet hen de wonderbaarlijke visvangst doen; en daarna riep hij ook Jakobus en Johannes, die in het andere schip zaten; alzo volgden zij Hem; maar niet lang daarna keerden zij weer van Hem terug. Daarna riep hij hen voor de laatste keer op om Hem te volgen, toen hij langs de oever va dezelfde zee (of meer) liep waar zij aan het vissen waren, en sprak: “Volg Mij, Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.” Toen lieten ze alles achter, en volgden hem en bleven voortaan bij Hem. De Heer riep ook Andreas, omdat Hij hem samen met enkele andere discipelen tot Apostel riep. Daarover zegt Marcus: “Hij riep tot zich, welke hij wilde, en zij kwamen tot Hem, en Hij stelde de twaalf aan, dat zij bij Hem zouden zijn en dat Hij hen uitzond om te prediken” (Marcus 3:13).
Toen onze Heer naar de hemel was opgestegen, verspreidden de discipelen zich over de gehele wereld, en de heilige Andreas kwam in het land Scythia en de heilige Mattheüs predikte in het land Murgundia of Mirmidona. Maar het volk verachtte de preek van de heilige Mattheüs en staken hem de ogen uit, wierpen hem gebonden in een kerker en waren van plan hem na enkele dagen te doden. In die tijd verscheen de engel des Heren aan Andreas en gaf hem de opdracht om naar Murgundia te gaan, naar de heilige Mattheüs. De heilige Andreas zei dat hij de weg niet wist. Toen gaf de engel hem de opdracht naar de kust te gaan en aan boord te gaan van het eerste schip dat hij daar tegenkwam. Andreas deed wat de engel hem had opgedragen, en onder leiding van de engel arriveerde hij al snel in de stad met een gelukkige wind. En hij ging naar de kerker, die hij open aantrof; en zag de heilige Mattheüs, en hij weende en bad. Toen kreeg Mattheüs zijn gezichtsvermogen terug, dat hem door de boosaardigheid van de ongelovigen was ontnomen; en hij vertrok daarvandaan en ging naar Antiochië; maar Andreas bleef in Murgundia. Toen werd het volk toornig omdat hen Mattheüs was ontkomen, en ze grepen Andreas, bonden zijn handen vast en sleepten hem door de stad, zodat zijn bloed over de grond stroomde. Vervolgens bad hij tot onze Heer voor hen in zijn lijden, en door dit gebed bekeerde hij hen tot Christus. Daarna reisde hij ook naar Antiochië.
Ik meen echter, wat hier van de genezing van Mattheus blindheid verteld wordt, lijkt mij echter niet geloofwaardig; we zoude de grote Evangelist en Apostel Mattheüs wel heel erg te kort doen: alsof hij God zelf niet had kunnen vragen om wat Andreas zo gemakkelijk voor hem verkreeg.
Het geschiedde, dat een edele jongeling tegen de wil van zijn ouders, de heilige Andreas volgde. Toen staken de ouders het huis in brand waar de twaalf Apostelen en de jongeling zich bevonden. Daar nu de vlammen begonnen te groeien en op te laaien, pakte de jongeling een klein glas met water en goot het over het vuur, waarop het onmiddellijk doofde. Zij spraken echter: “Onze zoon is een tovenaar geworden.” en zetten ladders tegen het huis om de jongeling te zien. Toen werden ze blind, zodat zij de treden niet meer konden zien. Eén die daarbij stond sprak: “Waarom bekommeren jullie je om vruchteloze arbeid? God strijdt voor hen, en jullie zien het niet. Houdt op, opdat de toorn van God niet over u komt.” Door deze tekenen werden velen gelovig. De ouderen echter stierven na vijftig dagen beiden op hetzelfde ogenblik.
De vrouw van een moordenaar was zwanger van een kind, en toen het moment daar was, kon ze het kind niet baren. Toen zei ze tegen haar zuster: “Ga naar Diana, onze godin, en vraag haar mij te verlossen van de pijn, die ik lijd.” Dat deed de zuster. Toen antwoordde de duivel uit het beeld en sprak tot haar: “Waarom roep je mij aan? Ik kan je zuster niet helpen. Maar ga naar Andreas de Apostel, hij wil u wel helpen.” Alzo ging zij naar de twaalf Apostelen en bracht hem naar haar zieke zuster. Toen zei de heilige Andreas: “Het is billijk dat gij deze pijn lijdt, want uw huwelijk is boos, gij zijt op slinkse wijze zwanger geraakt en hebt de duivel aangeroepen. Maar doe boete en geloof in Christus dan zult u uw kind baren.” Zij geloofde, en baarde een dood kind, en alle pijn verdween uit haar.
In die tijd was er een oude man, Nicolaus geheten, die tot de heilige Andreas kwam en zei: “Heer, zie, mijn leven is zeventig jaar, en ik heb ze allemaal verspild aan een onkuis leven; toch heb ik ondertussen het Evangelie van Christus gelezen, en heb God gebeden, dat Hij mij eindelijk kuisheid zou verlenen. Dat werd ik niet gewaar, want mijn boze gewoonten en wellust trokken mij altijd weer naar de zonden. Het gebeurde eens dat ik het Evangelie per toeval bij me droeg, daar ik onkuis werk wilde volbrengen. Toen zei de vrouw met wie ik wilde zondigen: “Ga weg van mij, je bent een engel Gods, raak mij niet aan en kom niet bij mij binnen, want ik zie grote wonderen in jou.” Toen schrok ik, en merkte dat ik het Evangelie bij me droeg. Nu smeek ik u, heilige Andreas, dat gij met uw gebed mijn zonden verdrijft. Toen Andreas dit hoorde, weende hij uit groot medelijden, en bleef in gebed van het derde tot het negende uur, en toen hij opstond wilde hij niet eten, maar zei: “Ik wil geen spijze proeven, tenzij onze Heer mij laat weten of hij zich erbarmen wil over deze oude zondaar. Toen hij nu vijf dagen gevast had, kwam er een stem tot hem, die zei: “Andreas uw verzoek is ingewilligd. En zoals jij jezelf met vasten hebt gekastijd, zo moet ook hij vasten; zo is hij gered.” Alzo geschiedde het, en de grijsaard leefde zes maanden op water en brood; en na vele goede werken stierf hij in vrede. En opnieuw kwam de stem tot Andreas en zei: “Door jouw gebed heb ik Nicolaum weer gevonden, die ik verloren had.”
Een jonge Christen kwam tot de heilige Andreas en sprak tot hem in het geheim: “Toen mijn moeder zag dat ik knap was, ontbrandde zij in onkuise liefde voor mij; en omdat ik haar niet wilde gehoorzamen, klaagde zij mij aan bij de rechter en beschuldigde mij van de misdaad die zij zelf wilde begaan. Daarom smeek ik u, heilige Andreas, bid voor mij, opdat ik niet alzo onschuldig moet sterven. Want ik sterf nog liever dan dat ik mijn moeder onteer en doe wat ze van mij verlangd had. Toen nu de jongeling voor het gerecht werd gebracht, volgde de heilige Andreas hem na. De moeder klaagde over haar zoon, omdat hij haar geweld wilde aandoen; de jongeling werd gevraagd of dit waar was, maar hoe vaak men hem ook vroeg, hij gaf geen antwoord. Toen sprak de heilige Andreas: “Gij boze vrouw, om uw onkuisheid wilt gij uw enige kind doden?” Maar de vrouw sprak tot de rechter: “Heer, weet dat mijn zoon met deze man heeft gewoond nadat hij mij kwaad heeft willen doen, maar daar niet in is geslaagd.” Toen werd de rechter toornig en gaf bevel de jongeling in een met pek en teer bestreken zak te stoppen en in de rivier te werpen. De heilige Andreas echter liet hij in een kerker opsluiten totdat hij had besloten met welke marteling hij hem zou doden. Toen sprak Andreas zijn gebed tot God, en er klonk een luide donderslag, die het volk deed schrikken, en een stofwolk sloeg hen allen ter aarde; maar de boze vrouw werd ter plekke tot as verbrand. De anderen smeekten de heilige Andreas om hun leven, en hij bad voor hen: toen verdween de onstuimigheid. De rechter echter werd gelovig en zijn gehele huis met hem.
In die tijd kwam Andreas naar de stad Nicaea. De burgers klaagden bij hem dat er buiten de stad bij de strafplaats zeven boze geesten woonden, en alle mensen doodden, die daar langs kwamen. De Apostel bezwoer hen; vervolgens verschenen ze aan het volk in de vorm van honden. Daarna beval hij hen daarheen te varen waar ze geen mensen konden schaden; onmiddellijk waren ze verdwenen. Toen het volk dit teken zag, omarmden ze het Christelijke geloof. Hij reisde verder naar een andere stad, en toen hij bij de stadspoort aankwam, werd juist een pas gestorven jongeling weggedragen. Andreas vroeg wat er met hem gebeurd was. Zij antwoordden: “Er zijn zeven honden tot hem ingegaan en hebben hem in zijn kamer gedood.” Toen weende de heilige Andreas en zei: “Heer, ik weet dat dit de zeven geesten hebben gedaan, die ik uit de stad Nicaea heb verdreven.” En hij sprak tot de vader van de jongeling: “Wat geeft u mij, wanneer ik uw zoon weer gezond maak?” Toen antwoordde de Vader hem: “Ik heb niets dat mij dierbaarder is dan mijn zoon, die ik geef ik u.” Toen bad Andreas voor de jongeling, en hij stond op, en volgde de Apostel na.
Er wilden veertig goede mensen over de zee varen om naar de heilige Andreas te gaan om daar zijn heilige leer te horen. Toen veroorzaakte de boze geest een storm op zee, waardoor alle mensen verdronken. Hun lichamen werden echter op het strand geworpen en voor de heilige gebracht; deze gebood hen onmiddellijk op te staan. Toen werden ze levend en vertelden ze hem alles wat hen was overkomen. Daarom luidt een hymne aan de heiligen als volgt: ‘Quaterdenos juvenes fubmerfos maris fluctibus vitae reddidit ufibus’: ‘Veertig jongelingen die in de golven van de zee waren verdronken, bracht hij weer tot leven.’
Daarna woonde de heilige Andreas in Achaïa, bouwde daar vele kerken en bekeerde vele mensen tot het Christelijk geloof. Ook de vrouw van de landvoogd Egeas onderwees hij en bracht haar tot het geloof en doopte haar. Toen Egeas die vernam, kwam hij naar de stad Patras en dwong hij de Christenen om offers te brengen aan de afgoden. Toen kwam de heilige Andreas hem tegemoet en zei tegen hem: “Aangezien u bevoegd bent om over mensen te oordelen, is het gepast dat u leert uw Rechter in de hemel te herkennen en Hem te dienen, en uw hart afwendt van de valse afgoden.” Egeas antwoordde: “Jij bent Andreas, die daar die verdorven dwaling verkondigt die de Romeinen onlangs hebben bevolen uit te roeien.” Toen antwoordde Andreas en sprak: “De leiders van de Romeinen weten nog niet dat Gods Zoon op aarde is gekomen en heeft onderwezen hoe jullie afgoden vol zijn van boze geesten, die jullie niets anders aanraden dan hoe jullie de almachtige God kunnen mishagen; zij willen jullie van Hem afkeren, zodat Hij jullie niet verhoort, en jullie daardoor in de strikken van de duivel vallen en daarin gevangen blijven tot jullie naakt en bloot deze aarde verlaten en niets anders met jullie meedragen dan jullie zonden.” Egaes antwoordde: “Omdat jullie Jezus deze ijdele dingen predikte, werd hij daarom aan het kruis genageld.” Andreas zei: “Dat God de marteling heeft ondergaan, deed Hij uit eigen wil, niet vanwege Zijn eigen zonde, maar voor ons heil en onze zaligheid.” Egeas sprak: “Hoe kun je zeggen dat hij uit eigen wil de dood heeft geleden, daar Hij toch door zijn eigen leerling werd verraden, door de Joden gevangengenomen en door de soldaten aan het kruis genageld?” Toen antwoordde Andreas en begon met vijf punten aan te tonen dat God uit eigen wil de dood had ondergaan, en hij zei: “Hij voorzag zijn lijden, toen Hij in het Evangelie tot zijn discipelen sprak: “Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden overgeleverd aan de dood.” En toen Petrus Hem daarvan wilde afhouden, sprak Hij hem streng toe en zei: “Ga weg van mij, Satan.” Ook getuigde Hij, dat Hij beide kon, lijden en opstaan, daar Hij zei: “Ik heb de macht om Mijn ziel te geven en weer terug te nemen.” Hij wist dan wie Hem zou verraden, daar Hij hem dat gedoopte brood gaf, toch nam Hij zichzelf niet in bescherming tegen hem. Ook ging Hij vrijwillig naar de plaats waar Hij wist dat Hij verraden zou worden. En ik was getuige van al deze dingen.” Zo sprak Andreas en riep: “Groots is het mysterie van het kruis.” Maar Egeas sprak: Dat kruis is geen mysterie, maar ene pijn, en weet voorwaar: tenzij je mijne geboden gehoorzaamt, anders zul je het mysterie van het kruis ervaren.” Toen zei Andreas: “Zou ik vrezen de pijn van het kruis, zo predik ik niet dat lof van het kruis. Daarom wil ik dat u verneemt het mysterie van het kruis, opdat u het zult geloven en zo gered zult worden.” En hij begon hem het mysterie van het lijden uit te leggen, en waarom dit om vijf redenen noodzakelijk was. “Ten eerste: zoals de eerste mens door dat hout van de boom had gezondigd en de dood in de wereld had gebracht, zo zou de tweede mens de dood verdrijven aan de stam van het heilige kruis. Ten tweede: zoals de eerste zondaar uit maagdelijke aarde geschapen was, zo zou de Verlosser uit een zuivere maagd geboren worden. Ten derde: zoals de eerste Adam zijn gierige hand uitstrekte naar de verboden appel, zo strekt de tweede Adam zijn onschuldige handen uit aan het kruis. Ten vierde: zoals de eerste mens de zoetheid van de appel proefde, zo onderging Christus de bitterheid van de gal aan het heilige kruis, opdat Hij door het tegenovergestelde goed zou maken. Ten vijfde: zoals Christus ons zijne onsterfelijkheid bracht, zo moest Hij onze sterfelijkheid op zich nemen. Want wanneer God niet sterfelijk was geworden, zo had de mens niet de onsterfelijkheid verkregen.” Daarna zei Egeas: “Deze onzinnige woorden zeg dat tegen de uwen. Maar gehoorzaam mij en offer aan de almachtige goden.” Andreas antwoordde: “De almachtige God offer ik elke dag een rein lammetje, en hoewel het gelijk door al het volk gegeten wordt, zo blijft het toch levend, één en geheel.” Egeas vroeg, hoe dat geschiedde. Andreas antwoordde: “Wordt mijn leerling, zo zal ik het u openbaren.” Toen zei Egeas: “Ik zal u met pijn dwingen zodat u het mij zult zeggen.” En liet hem vol toorn in de kerker opsluiten. De volgende dag werd de heilige Andreas voor de rechtbank gebracht. Egeas raadde hem nogmaals aan, dat hij de afgoden zijn offer zou aanbieden, en zei: ‘Gehoorzaamt gij mij niet, zo zult gij aan het kruis komen te hangen wat gij zo zeer geprezen hebt. En dreigde hem met grote pijn. Andreas antwoordde: ‘De grootste pijn die u zich maar kunt voorstellen, daar ben ik toe bereid; want hoe groter de pijn die ik om de naam van mijnen Heer geduldig leid, des te meer ben ik Hem genegen.” Toen gebood Egeas dat eenentwintig mannen de heilige moesten slaan en hem daarna met handen en voeten aan een kruis moesten vastbinden, opdat zijn marteling zo lang mogelijk zou duren. Alzo brachten ze hem naar het kruis. Daarop volgde hem een grote schare, die met luide stem riep: “Het onschuldige bloed van deze rechtvaardige wordt zonder reden veroordeeld.” Toen vroeg Andreas het volk om zijn marteling niet te verhinderen. Toen hij dat kruis van verre zag, groette hij het en zei: “Gegroet zijt u, kruis, daar u door het lichaam van onze Heer gewijd zijt en met zijn ledematen als door parelen versierd. Voordat God aan u opsteeg, was u vol aardse verschrikkingen, nu bent u vol Goddelijke liefde en van harte welkom. Daarom, zo kom ik vol vertrouwen en in vreugde tot u; ach, dat ook u mij met vreugde zou ontvangen. Want ik ben een volgeling van Hem die aan het kruis hing, en ik heb u altijd liefgehad en heb ernaar verlangd u te omhelzen. O goed kruis, gij hebt van de ledematen van onze Heer schoonheid en sier ontvangen, ik heb u lang begeerd, ik heb u vurig bemind, zonder ophouden heb ik u gezocht, nu bent u gereed mijn verlangend hart. Neem mij uit deze wereld en geef mij mijnen Meester terug, opdat Hij mij van u ontvangt, die mij door u heeft verlost.” Toen hij dit gesproken had, trok hij zijn kleren uit en gaf ze aan degenen die hem zouden kruisigen. Alzo hingen ze hem aan dat kruis. Daarna leefde hij nog twee dagen en predikte voor twintigduizend mensen, die daar voortdurend bij hem stonden. Toen dreigde het volk Egeas met de dood, omdat hij deze rechtvaardige, zachtmoedige en milde mens tot zo’n pijn had verdoemd. Toen naderde Egeas het kruis om de heilige Andreas van het kruis te bevrijden. Toen Andreas dit zag, zei hij: “Egea(s), waarom bent u hier tot ons gekomen? Hebt gij berouw en begeert u genade, die zult gij vinden. Bent u echter gekomen om mij van het kruis te halen, weet dan dat ik niet levend van dit kruis zal komen, want ik aanschouw reeds de Koning die op mij wacht.” En toen ze hem van het kruis wilden halen, konden ze hem niet aanraken, want hun armen werden onmiddellijk verlamd. Maar toen de heilige Andreas het verlangen van het volk zag, sprak hij dit gebed uit aan het kruis, zoals de heilige Augustinus ons schrijft in het boek De poenitentia “Heer, ik smeek U, laat mij niet levend van dit kruis afkomen.” Het is tijd dat U mijn lichaam weer aan de aarde teruggeeft: ik heb het zo lang gedragen en heb het zo lang gehoed met grote zorg en arbeid, dat ik nu verlang verlost te worden van deze dienstbaarheid, en vraag, dat dit zware kleed van mij wordt afgenomen; want ik zie hoe zwaar dit lichaam voor mij is geweest om te dragen, hoe weerbarstig om te temmen; hoe zeer te verzorgen in zijner zwakheid, hoe vaak te beteugelen in zijner overvloed. Heer, U weet hoe vaak mijn lichaam mij heeft willen wegtrekken van de zuiverheid van de Goddelijke aanschouwing, hoe vaak hij mij wegtrok van de zoetigheid van de Goddelijke rust, en hoe vaak het mij grote pijn heeft aangedaan. Zie toch, geliefde Vader, hoe ik deze aanvechting zo lang heb weerstaan en haar met Uw hulp heb overwonnen. En daarom smeek ik U, goede rechtvaardige Rechter, vergeef mij dit lichaam niet verder, maar laat mij het aan u teruggeven. Vertrouw hem toe aan iemand die hem geen last bezorgd, die hem bewaart tot zijner opstanding en hem dan weer teruggeeft, dat hij dan loon naar zijner arbeid ontvangt: vertrouw hem toe aan de aarde, opdat ik voortaan niet meer hoef te waken, opdat ik licht en vrij zonder enige belemmering, tot U moge komen, de bron der eeuwige vreugde.” Toen de heilige Andreas dit gebed volbracht had, kwam er een lichtglans uit de hemel, de schijn omgaf de heilige een half uur lang, zodat geen mens hem kon zien; en toen licht verdween, voer zijn geest met Hem naar de hemel. Toen kwam Maximilla, de vrouw van Egeas; zij nam het lichaam van de heilige Apostel en begroef hem met grote eer. Egeas echter werd nog voordat hij zijn huis bereikte, door de boze geest bezeten en stierf op de strafplaats voor al het volk.
Men zegt, dat uit het graf van de heilige Andreas manna komt, vergelijkbaar met meel, en een welriekende olie. Het voorspelt de inwoners van het land de vruchtbaarheid van het komende jaar: regent het weinig, zo brengt de aarde slechte vrucht voort, regent het rijkelijk, zo geeft het een goed jaar. Alzo mag het in vroeger tijden wel geweest zijn; maar nu zegt men dat het heilige lichaam naar Constantinopel werd overgebracht.
Er was een bisschop die een geestelijk leven leidde, en had de heilige Andreas lief boven alle andere heiligen. Wat hij aanving, zo sprak hij “In naam van God en de heilige Andreas.” De boze geest was daar jaloers op en zette met alle sluwheid alles op alles om de bisschop te misleiden. Hij verscheen in de gedaante van een mooie vrouw in het paleis van de bisschop; zij verzocht de bisschop om haar biecht te horen. De bisschop beval haar dat zij haar biecht moest afleggen bij haren biechtvader, aan wie hij volledige bevoegdheid had gegeven. Ze antwoordde dat ze haar geheim aan niemand anders dan de bisschop zou vertellen. Alzo overwon zij de bisschop dat hij haar tot zich liet komen. Toen zij voor hem verscheen, zei zij: “Heer, ik smeek u, heb medelijden met mij; want ik ben nog jong en ben van kinds af aan zeer teder opgevoed, zoals u zelf kunt zien, en ik ben van koninklijk geslacht geboren. Ik ben als pelgrim hier tot u gekomen, want mijn vader is een machtige koning en wilde mij aan een grootvorst uithuwelijken; maar ik antwoordde hem: ik heb mijn kuisheid voor eeuwig aan Christus beloofd en zal mij nooit in een lichamelijk huwelijk begeven. Mijn vader wilde me dwingen: ik moest zijn wil doen, anders zou ik grote pijn en straf lijden. Daarom ben ik in het geheim gevlucht en begeer liever in ellende te leven dan mijnen hemelse Bruidegom de trouw te verbreken. Daar ik nu de lof van uw heiligheid hoorde, zo heb ik mijn toevlucht gezocht onder uw bescherming en hoop ik bij u een vredige plek te vinden, waar ik in de stilte van mijn Goddelijke overwegingen leven kan en waar ik veilig ben voor de verleidingen en beproevingen van de wereld.” Daar verwonderde zich de bisschop, dat zulke grootse, vrome woorden uit het hart van zo’n teder mens en mooie vrouw kwamen, en antwoordde haar met zachte stem: “Zij rustig, dochter, en vrees niet, want Hij, omwille van wie u zo krachtig vriendschap, eer en rijkdom hebt verworpen, die zal u grote genade geven in deze tijd en overvloedige glorie in het eeuwige leven. Maar ik, als zijn knecht, bied u mijzelf en al wat ik bezit aan, opdat u een plek naar uw keuze zou kunnen vinden om te verblijven; en ik verzoek u vriendelijk om vandaag met mij te komen eten.” Zij antwoordde: “Lieve vader, vraag mij dit niet, opdat er geen boze verdenking daaruit ontspringt en de roem van uwer heiligheid zou bevlekken. De bisschop sprak: “Wij zullen niet alleen eten, er zullen velen van mij daarbij zijn, zodat niemand iets kwaads kan bedenken.” Toen het tijd was om aan tafel te gaan, plaatste de bisschop haar tegenover zich, terwijl de anderen aan weerszijden gingen zitten. De bisschop keek vaak naar haar en kon zijn blik niet van haar afwenden, zo verbaasd was hij over haar grote schoonheid. Alzo werd zijn hart verleid door de blik van zijne ogen: want daar zijn ogen ononderbroken dat mooie gezicht aanstaarden, drong de angel van de slang zich in zijn hart. De duivel merkte dat op, en vermeerderde haar schoonheid meer en meer. De bisschop stond op het punt haar te vragen zijn wil te doen zodra de eerste gelegenheid zich zou voordoen; op dat moment werd er plotseling heftig op de deur geklopt en een pelgrim vroeg met luide stem om toegang.